Zierikzee, gem., prov. Zeeland, arr. en kant. Zierikzee (4 m. k., 2 s. d.); palende N. aan de gem..Kerkwerve-Nieuwerkerke-Rengerskerke-en-Zuidland, en aan Noordgouwe, O. aan het Dijkwater, dat haar van de gem. Nieuwerkerk-Kapello-en-Botland scheidt en aan de gem. Ouwerkerk, W. aan de Ooster-Schelde.
Deze .gem. bevat de st. Zierikzee, benevens het zoogenaamde Poort-Ambacht-van-Zierikzee; beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 1769 bund. 41 v. r. 36 v. ell., waaronder 1737 bund. 56 v, r. 79 v. ell. belastbaar land; telt 1448 h., bewoond door 1620 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 7100 inw.
Het zoutzieden , de visscherij , het meereeden en de landbouw waren vroeger de vier hoofdtakken van den Zierikzeeschen handel; in vervolg van tijd is daar nog een vijfde, de koopvaart, bijgekomen. De zoutziederij, zoo als sommigen, niet zonder groote waarschijnlijkheid, willen, de oudste handel van Zierikzee, welke in Zeeland het eerst alhier werd ingevoerd, en waardooor de welvaart dezer stad aanmerkelijk bevorderd is, heeft hier voorheen zeer gebloeid. Men kan haren ouden welstand eenigermate afnemen uit de menigte van zoutkeeten, die er weleer gevonden werden , waarvan er in het jaar 1526 zeven en zeventig en in 1576 wederom een weinig minder zijn afgebrand. Eerst plagt men het zout te maken vau derrij of darrink, eene zwavelachtige en ziltige soort van aarde van eene donkerbruine of bijna zwarte kleur, welke in onderscheidene streken van Zeeland, zoo in de landen binnendijks als in de schorren en aanwassen buitendijks, op de eene plaats minder op de andere meer speetendiep met lagen onder de bovenkorst of klei gevonden wordt. Doch de scheepvaart in deze gewesten, naderhand sterk toegenomen zijnde, heeft de menigvuldige toevoer van grof zout uit Spanje en Frankrijk, waaruit men toen, in plaats van uit de darrink-asch, wit geraffineerd zout begon te stoken, gepaard met het verbod van het darrink steken, als verderfelijk voor het land, bij 's lands keuren en opgevolgde plakaten gedaan, dezen handel eigendelijkgeheel doen ophouden. Echter heeft men te Zierikzee nog wezenlijke overblijfsels en gedenkteekenen van deze wijze van zoutzieden, namelijk de Noord-Zelke en de Zuid-Zelke (Zie Zelke [Noord-] en Zelke [Zuid-]). Van den ouden bloei der zoutnering is thans naauwelijks meer dan de schaduw overig. In het jaar 1644 had men er nog omtrent veertig pannen, eene eeuw later niet meer dan vijf keeten, iu welke met negen pannen gestookt werd. Nu heeft men er nog slechts ééne keet, met ééne pan, naar de nieuwste uitvinding in dit jaar (1849) ingerigt.
De visscherij, welke hier eertijds gebloeid heeft, bestond in de haringvaart en kabeljaauwvangst. De eerste was, even als de haringdroogerij, die er ook gedaan werd, reeds in het midden der vorige eeuw, geheel te niet gegaan; doch de laatste, ofschoon aanmerkelijk afgenomen, werd nog met veel vlijt uitgeoefend. Omtrent het jaar 1640 en zelfs nog in 1711 beliep het getal der vischschepen omtrent tachtig zeilen. In het jaar 1740 waren ze op vijftig verminderd, en in het jaar 1750 waren er niet meer dan dertig, die enkel tot de vischvangst gebruikt werden. Welke vermindering, eensdeels aan het kwalijk slagen van ver het grootste gedeelte, waardoor, in plaats van winst te doen, aanmerkelijke verliezen geleden werden, anderendeels door den aanwas van de koopvaart, waarbij het meeste scheepsvolk overging, veroorzaakt werden. In het jaar 1796 telde men te Zierikzee nog zeven vischschepen , doch deze verminderden uit hoofde der zware kosten van naturalisatie allengskens. Gedurende de jaren 1799, 1800 en 1802 voeren er , om bovengemelde reden, dan eens een en dan eens twee schepen ter visscherij. In het jaar 1818, tijdens de oprigting eener nieuwe visscherij, was het getal der vischschepen, zoo door verkoop als afbraak, tot op twee oude en bijna onbruikbare verminderd, eene destijds aangewende, poging tot herstel der visscherij is ook na korten lijd geheel mislukt.
In het jaar 1720 waren er omtrent 78 koopvaardijschepen van verschillende grootte, alle te Zierikzee te huis behoorende. In het begin van het jaar 1747 waren deze aangegroeid tot zeven en negentig, waaronder twee buizen, een fregatschip, twee snaauwschepen en drie driemasthoekers, zijnde de overige hoekerschepen met twee masten, en in het jaar 1780 waren zij wederom tot zeven en zeventig verminderd. Des winters werd met deze schepen voor een groot gedeelte op Frankrijk op vracht, om wijn , brandewijn, vruchten en andere waren, welke dat rijk oplevert, gevaren , en des zomers voor eigen rekening op Seudres, de Baai van Bourneuf, ook naar Portugal, op Lissabon en St. Ubes, om zout. Met anderen werd in den winter voor eigen rekening handel gedreven op St. Anthony, Bilbao, Villaviciosa en andere plaatsen in Biscaye, van waar zij noten en kastanjes herwaarts bragten. Ook werd er somtijds mede op Algarbië gehandeld, van waar zij met vijgen, amandelen, citroenen, chinaas- en oranjeappelen aankwamen. Nu en dan werd er ook wel eene reis naar de Middellandsche Zee gedaan. Op Ierland was de vaart van Zierikzee eendeels op vracht, eensdeels voor eigen rekening, vrjj sterk, van waar huiden, vleesch, roet of smeer, boter en anderewaren aangevoerd» werden. Naar de Oostzee werden er ook dikwijls schepen uitgerust. Met eenige der kleine hoekerschepen, die bunnen in hadden, werd ook jaarlijks naar Noorwegen om kreeften, gevaren, bij welke gelegenheid zij wel eens eenige houtwaren medcbragten. Dikwijls werden er, van het voorjaar tot diep in den zomer, veertig, ja vijftig: ladingen kreeften aangebragt, hebbende iedere lading van 6000 tot 8000 ja 12,000 stuks in. De oesterhandel werd te Zierikzee ook sterk gedreven. De oesters werden met scheepsladingen uit Engeland gehaald. Vervolgens in de oesterhuizen en putten, daar het zoutwater, bij elk tij, of zoo dikwijls het noodig was in en uitgelaten wordt, gelegd, en bewaard, waarin zij niet alleen levend bleven maar zuiverder, grooter en vetter werden. Ook heeft men er op de schorren en slijken van Duiveland en Schouwen, eenige oesterbanken. De oesters werden, even als de kreeften , door geheel Nederland en onderscheidene andere landen verzonden. Er waren zeven oesterputten waarvan vijf te Zierikzee en twee te Brouwershaven, maar die toch aan Zierikzeesche oesterkoopers toebehoorden. Thans echter zijn er nog slechts twee oesterputten, als: één te Zierikzee en één te Brouwershaven, terwijl de voordcelen van den oesterhandel bijna geheel verdwenen zijn. Na het jaar 1798, onder het Bataafsch of Republikeinsch bewind, en zelfs onder het gematigd bestuur van Lodewijk Napoleom, ging het den koophandel te Zierikzee, zoo al niet voordeelig, ten minste tamelijk wel; daar, ondanks den oorlog, met Engeland, de zeevaart onder neutrale vlaggen, zooveel doenlijk was, werd staande gehouden; gedurende die jaren, voeren nog elf schepen ter koopvaardij uit de haven dier stad. Niet alleen werd de zeevaart in die tijden door de Engelschen, hoezeer zij de neutrale vlaggen eerbiedigden, moeijelijk gemaakt, maar onze voormalige geallieerden, de Franschen, namen onze schepen, onder allerhande voorwendsels, door hunne kapers, in onze eigene zeegaten, en binnen de tonnen, weg; alle terugvorderingen waren vruchteloos. Bij de inlijving van ons vaderland, in het Fransche rijk, kregen handel, zeevaart en visscherij den laatsten slag. Op 1 Januarij 1849 behoorde te Zierikzee thuis 7 schepen voor de groote vaart, als: 1 fregat, 4 barken en 2 schoeners.
De vaart en handel ter zee, met hetgeen daaraan vast is, verschaften aan Zierikzee ook eene aanmerkelijke binnenvaart, om wederom de waren, aldaar aankomende, wijd en zijd naar onderscheidene plaatsen langs de rivierea te verzenden, waartoe niet alleen op onderscheidene steden vaste veer- en beurtschippers aangesteld waren, maar ook eeu groot aantal andere schippers tot het laden en vervoeren van koopmansgoederen toegelaten werden, hetgeen de Breedebeurt genaamd werd. Ook waren er eenigen die. met beurtschuiten, van den voortijd tot het najaar, te korde voeren of zich onderhielden met kleineren visch, als schol, tong en bot, rog, bolk of wijting, molenaar, spiering, garnalen en dergelijken vooraan in zee en op de rivier te vangen mét een net, dat korde genaamd wordt. Hoewel de binnenvaart thans nog een der middelen van bestaan voor de ingezetenen uitmaakt, is zij echter niet meer zoo druk als vroeger; omtrent het jaar 1644 waren; er meer dan 150 schepen en schuiten tot de binnenvaart dienende. In het midden der vorige eeuw was dit getal, de korders en ventjagers daaronder begrepen, tot 70 verminderd. Thans telt men er nog 26 schepen voor de binnenvaart.
Als een gevolg van de visscherij en andere scheepvaart, was er ook een Taanhuis, daar de netten der visschers en de zeilen met run gekookt werden, om voor het verslikken en inrotten door het water, bewaard te worden, alsmede het Leverhuis, daar van de lever der kabeljaauw„ in tonnen gepakt en alhier aangebragt traan werd gekookt, mitsgaders vier lijnbanen, waartoe de wallen dor stad bij vergunning gebruikt werden. Thans bestaat er van dit alles nog slechts ééne lijnbaan. Evenwel heeft men er nog twee scheepstimmerwerven, waarop sinds 1840, zoowel schepen voor de groote als voor de binnenvaart gebouwd worden; terwijl er nog eene kofscheepstimmerwerf opgerigt is.
Vroeger moet ook de lakenhandel te Zierikzee van veel gewigt zijn geweest; dat toch het maken en verwen van laken, ter dezer tijd eene hoofdnering van die stad is geweest, is, onder anderen, uit de keuren van Hertog- Willem van Beijeren. op het verkoopen van Engelsche lakenen af te nemen. Niet weinig werd er deze handel bevorderd, door bet verbod van Willem III, Graaf van Holland-en-Zeeland, in het jaar 1304, dat niemand Beooster-Sehelde, de verwers-, wevers-, vollers-, touwers- en scheeraarsambachten mogt doen, dan alleen binnen Zierikzee. Daarenboven had de Regering tot handhaving dezer nering goedgevonden , zekere ordonnantie op het stuk van de draperij te maken, en alle jaren eenen Deken aan te stellen, die uit den nieuwen of ouden Raad verheven werd, en hem toe te voegen negen Gezworenen, goede, wetachtige mannen, die voor de onderhouding der ordonnantie zorgden, en dit bragt zooveel tot de bevordering van dien handel toe, dat de Zierikzeesche Iakenen zeer gezocht en geprezen werden. Echter heeft het niet kannen beletten, dat de lakenweverij, met de verdere daartoe behoorendo handwerken, in deze stad, het zelfde lot als in vele andere steden van Nederland heeft ondergaan, en vandaar geheel verdwenen is.
Thans is nog een der voornaamste middelen van bestaan der inwoners de meereederij, waartoe hier vier meestoven aanwezig zijn. Ook is in het jaar 1847 eene garancinefabrijk opgerigt, welke werkt voor rekening der firma Ochtman, Van den Vliet en Co. Deze levert goede resultaten en belooft iets goeds voor de toekomst.
Behalve de meekrap levert de landbonw ook eenen rijken voorraad op van vlas, koolzaad, erwten, boonen, boekweit, rogge,. gerst, haver, tarwe en andere landvruchten meer, van welke de meeste soorten te Zierikzee een goed gedeelte, zoo op de marktdagen als anders tijden verhandeld wordt, waartoe eenige beëedigde makelaars in granen aangesteld zijn. Bij den landbouw leggen er zich ook vele op de veeteelt, en het vetweidenr van beesten toe. De kaasmakerij en vlasnering, plagt er mede zeer te bloeijeu, doch de eerste is geheel, de tweede grootendeels verloopen. Behalve de hier boven reeds genoemde fabrijken en trafijken, heeft men er nog: 1 katoenweverij, 1 leerlooijerij, 1 saijetten kousenfabrijk, 2 vlasserijen, 1 zeepziederij; 1 azijnmakerij, 1 vellenblooterij, 5 boekdrukkerijen, 2 bezemmakerijen, 1 pel-, 1 olie-, 1 houtzaag- en 4 koornmolens.
De Herv., die er 5100 in getal zijn, onder welke 2000 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. en ring van Zierikzee, behoort en vroeger door vijf, doch thans door vier Predikanten bediend wordt. De eerste, die hier het leeraarambt heeft waargenomen is geweest Jacob Jorissen Barselis, die er reeds in 1566 was en den 12 September van dat jaar, door de Spaansgezinde Regering, uit de stad gebannen werd. Ofschoon dadelijk na het overgaan der stad aan den Prins van Oranje derwaarts weder gekeerd, schijnt hij er echter geen vaste Predikant te zijn geweest, want als zoodanig vinden wij eerst vermeld Herman Modet, wiens eigenlijke naam was Hermanus Stricker, die er in 1572 kwam en in het jaar 1576 Hofprediker werd van Willem I, Prins van Oranje, Modet zorgde ook voor de belangen van de Hervormden te platten lande, en had daarin tot medehelper den verdienstelijken Arnoldus de Steur. Deze man had geen vaste standplaats, maar reisde van het eene dorp naar het andere, om de Hervormde zoo in de kennis der waarheid te versterken, als tot de godzaligheid op te leiden. Benevens Modet is te Zierikzee toen Predikant geweest Henricus Brandt. Beide zijn zij echter er niet lang gebleven; want toen de Stad, den 28 Julij 1576, weder in der Spanjaarden magt kwam ; stonden er als Predikanten geene anderen dan Willem de la Grave en Gerardus van Cuilenburg. Nadat echter de slad in November van dat zelfde jaar weder aan der Staten zijde was overgegaan, kwam Gerardus van Cuilenburg aldaar in 1577 terug, waar hij in 1579 overleed. Hij schijnt tot ambtgenoot gehad te hebben Thomas Gruterus, die er in 1579 kwam en erin November 1607 overleed. De opvolger van Cuilenburg, was Henricus Brandt, dezelfde, die, vóór dat de stad aan de Spanjaarden overging, zijn ambtgenoot was geweest en in 1627 overleed. Zierikzee had toen nog slechts twee Predikanten. De eerste die er tot derden Predikant beroepen werd is geweest Godefridus Cornelii Udemans, die er in het jaar 1604 kwam en in 1649 overleed. De eerste vierde Predikant was Enoch Sterthemius, beroepen in 1614 en in 1617 naar Middelburg vertrokken. De eerste vijfde Predikant was Cornelis Bruynvisch, die er in 1650 kwam, en in het jaar 1652 overleed. Later echter is de vijfde Predikantsplaats weder ingetrokken. Onder de alhier gestaan hebbende Predikanten verdienen melding: behalve de geleerde reeds genoemde Godefridus Cornelii Udemans, van 1604—1617, de door hunne schriften bekende Martinus Bruynvisch van 1624—1661; Maximiliaan Teellinck van 1628-1640; Petrus Wittewrongel van 1636—1638; Adriaan Bruynvisch van 1653—1676, Johannes van Voorst van 1781 — 1788, en de wijsgeer Dionysius van de Wijnpersse van 1750—1753. Het beroep geschiedt door den kerkeraad.
De Christelijke Afgescheidenen, welke er ruim 90 in getal zijn, onder welke 50 Ledematen, maken, sedert het jaar 1840, eene gem. uit, welke wel eene kerk doch geen eigen Predikant heeft, doch bij welke de dienst verrigt wordt door de onderscheidene Predikanten uit de provincie, van welke daartoe eenmaal in de maand een overkomt.
Vroeger bestond hier ook eene Waa1sche gemeente, die gedurende eenigen tijd door twee Leeraren werd bediend. De eerste die hier Predikant was , is geweest Jacques de Saint Amand de Marcheville, die in 1587 beroepen werdt en in 1595 overleed. De eerste tweede Leeraar was Antoine Rey, beroepen in 1694, † in 1728. Na het vertrek van den Predikant Jean Baptiste Moquette, naar Leyden, hetwelk in het jaar 1809 plaats had, is de tweede Predikantsplaats onvervuld gebleven en na het overlijden van den Predikant Henri Nicolas Hartman, in 1828, is de gem. bij de Herv. ingedeeld.
Ook heeft hier eenmaal eene Schotsche gemeente bestaan, van welke wij echter niet hebben kunnen opsporen, wanneer zij is opgerigt, noch wanneer zij is te niet gegaan.
Vroeger bestond te Zierikzee ook eene Doopsgezinde gemeente, welke den lof nagaat van zeer vredelievend te zijn geweese, want toen de meeste gem. dier gezindte in ons Vaderland zich in Friezen en Vlamingen verdeelden, hield zij zich onzijdig, en schreef een werkje, om beide partijen tot verzoening aan te manen, maar werd daardoor van beide zijden met den ban gestraft. In het jaar 1754 hebben de opzieners dezer gam. van de overheid der stad de vrijheid verworven, om die van hunne gezindte te mogen aannemen; in ondertrouw op te nemen , en voorts in den huwelijken staat te bevestigen , mitsgaders vrijdom van wijnaccijns voor het Avondmaal en van de stadsbelasting op den turf. Deze gem. is echter , na het overlijden van den Leeraar Samuël Tak, in het jaar 1809, door het gering aantal zielen, te niet gegaan.
De Evangelisch Lutherschen, welke er 160 in getal zijn, maken, met de overigen uit de eilanden Schouwen en Duiveland, eene gem. uit, welke tot den ring van Rotterdam behoort en 200 zielen, onder welke 100 Ledematen, telt. Deze gem. is volgenderwijze ontstaan. De Middelburgsche Predikant Johannes Nicolaas Treitel in 1711 of 1712 den Heer Pettenius, rector der Latijnsche school, te Zierikzee in het voorjaar bezoekende, zocht er de broederen van de onveranderde Augsburgsche geloofsbelijdenis op, en verrigtte de eerste dienst met twee zondagspredicatiën, uitgesproken in zekere herberg in de Varrenieuwstraat, nabij de Nieuwe Kever, bewoond door zekere vrouw Geertruid, die daarna nog lang geleefd heeft, en lid van deze gemeente was. Den volgenden Zondag verrigtte de voorzegde leeraar ter zelfder plaatse andermaal de dienst, bediende het H. Avondmaal en doopte een kind, bestaande toen de vergadering uit omtrent 40 Ledematen. Hij vermaande dezen bij zijn vertrek de aangevangen onderlinge bijeenkomsten voort te zetten, onder verzekering, dat men deze eerst ontlokene gemeente eenige malen in het jaar uit Midddelburg zou komen bedienen. Daags daaraan gaf de Hervormde Predikant Johan Wynand Canzius, bij een bezoek aan Ds. Treitel te kennen, dat hij, indien hij van het voorgevallene verwittigd geweest was, zou bewerkt hebben, dat men den Lutherschen eene bekwame plaats tot het oefenen van hunne godsdienst zou hebben aangewezen, tevens belovende hun in de toekomst alle mogelijke dienst te zullen doen. De Regering, het getal der leden vernomen hebbende, was hun almede gunstig en betoonde zich wel genegen om hun de Schotsche kerk, te dezen tijde niet gebruikt wordende, te schenken, bijaldien de gemeente kwam te vermeerderen. Toen daarop in het najaar Jan Bernard, een verwerskneeht, geboortig van Lignitz in Silezië, die onderscheidene malen in de kerk te Middelburg had voorgelezen en gezongen, zich van daar herwaarts met ter woon begaf, vermaanden hem de Predikanten dier stad, bij zijne aankomst te Zierikzee, het aangevangen werk te willen onderhouden, hetgene hij gewillig op zich nam, en, met bijzonderen ijver, tot ieders genoegen, vele jaren na elkander volvoerde, houdende Zondags regelmatig vergaderingen met lezen, bidden, zingen, krankenbezoeken enz., tot welke godsdienstoefening de Regering, in 1715, de gemelde Schotsche kerk schonk, nadat Ds. Hermanus Vast, mede Leeraar te Middelburg, in naam der gemeente zich bij request deswege tot de Regering had vervoegd. Zoo schikte zich tegan het begin van het jaar 1714 alles daartoe, om de Evangelisch-Lutberschen, of wel de Broederen van de Augsburgsche confessie, te Zierikzee, die te voren als verstrooide schapen zonder herder, ieder voor zich zelven, leefden, in ééne kudde of gemeente te vereenigen, welke echter slechts door eenen Voorlezer bediend werd, terwijl de kinderen in de Hervormde kerk gedoopt werden en de Predikanten van de Evangelisch-Lutbersche gemeente te Middelburg er jaarlijks eenige reizen het Avondmaal kwamen bedienen. In het jaar 1728 maakte men echter eenen aanvang, om te beproeven, of men niet tot het onderhouden van een eigen Leeraar in staat zoude zijn, doch, de zaak langzaam opnemende, is men begonnen met eenen vasten Proponent te beroepen, op het gering traktement van 12 ponden Vlaams (72 guld.), in de drie maanden, of 48 pond Vlaams (288 guld.) in het jaar. Ter bekoming van deze som schuilt men zich eensdeels gevleid te hebben met eene grootere collecte uit de thans zooveel talrijkere gemeente zelve, anderdeels zijn er ook nog blijken voorhanden, dat onderscheidene personen van de gemeente zich bij inteekening tot zekere bijdrage verbonden, om daardoor goed te maken, hetgeen men uit de gewone kerkcollecte niet mogt kunnen vinden. Daarenboven hoopte men ook op onderstand van Amsterdam, zooals men dan ook in eene der kerkerekeningen, reeds ten jare; 1729 vindt aangeteekend: »250 gulden van de heeren Ouderlingen) en 180 gulden van de heeren Diakenen te Amsterdam." Eindelijk, stelde men zich voor, door eene collecte in de Nederlanden, onder het geleide van eenen vasten Leeraar, zooveel daarbij op te doen, dat; in vervolg van tijd, uit de daarvan komende intresten en verdere entvangsten, bet onderhoud van kerk en armen, zoowel als de bezoldiging des leeraars en der kerkdienaren, genoegzaam konden bestreden worden. Aangelokt dan door zoodanige vleijende vooruitzigten., ging men er toe over, om aan de gemeente een vasten Leeraar te bezorgen, en beriep daartoe Johan Paul Schuman, een Duitscher van geboorte, die na de gem. eenigen tijd als vast Proponent gediend te hebben, als haar Predikant den 18 Februarij 1729, te Amsterdam, in de Nieuwe kerk, door Ds. Christianus Tisteyn, bevestigd is en op Zondag den 6 maart daaraanvolgende voor het eerst als Predikant te Zierikzee gepredikt heeft, doch in 1735 naar Monnickendam vertrok. Onder de alhier gestaan hebbende Predikanten, verdienen melding de welsprekende kanselredenaar en uitmuntende catecheet Johan Diederich Deiman van 1758 — 1789, en de door hunne schriften bekenden Johan Christiaan Baum van 1765 — 1774 en Johannes Gottlieb Hendrik Reudeer van Julij 1824 tot October van het zelfde jaar.
De Roomsch-Katholijken, die er ongeveer 1740 in getal zijn, onder welke ongeveer 1500 Communikanten, maken eene stat. uit, welke door eenen Pastoor en eenen Kapellaan bediend wordt.
De 70 Israëlieten, die er wonen, maken eene ringsynagoge uit, waarin de dienst door eenen Voorzanger verrigt wordt.
Men heeft in deze gem., behalve eene Latijnsche school, en ééne Tekenschool, negen middelbare en lagere scholen, als: ééne stads Franschekostschool voor Jongeheeren, ééne stads Franschekostschool voor Jongejutvrouwen, ééne stads Armenschool, vier bijzondere scholen en twee Bewaarscholen; welke gezamenlijk 1730 leerlingen tellen.
De stad Zierikzee, oudtijds Ziericxzee, Zirizya of Zierinckzee, in het Lat. Ziriczea en Zirixea, ligt 6 u. N. O. van Middelburg, 3 u. N. van Goes, 17½ u. Z. W. van Rotterdam en 21 u. Z. van 's Gravenhage, ½ u. van de Ooster-Schelde, welke hier in de rigting van de haven, eene gemiddelde breedte van 4100 ell. heeft, en waarover een zeilschuitenveer op Colijnsplaat is; 51° 39' 2" N.B., 21°34'45" O.L.
De naamsoorsprong van deze stad, hare stichters en de tijd, wanneer zij ontstaan is, is onzeker, omdat zij, gelijk vele andere Steden, gesticht is in een tijdvak, waarin men er niet aan dacht, om hetgeen er toen gebeurde in schrift te brengen en het aldus voor de nakomelingschap der vergetelheid te ontrukken. Men heeft het er echter lang voor gehouden, dat zij haren naam en haar ontstaan verschuldigd zoude zijn aan zekeren Ziringus of Zirik, zoon van Zelandus, die door zijnen broeder uit Panonië verdreven en in Zeeland aangekomen, in 849, Zierikzee gesticht of eene verzameling van huizen, die toen daar aanwezig waren, met eenen wal en muur omringd en het aanzien eener stad zou gegeven hebben. Voorheen waren de volgende versjes, op francijn geschreven, in eene lijst gezet en in de Gasthuiskerk opgehangen, aldaar te lezen:
In ‘t jaar acht hondert negen ende veertich mede,
Was gefundeert Ziericzee die stede,
Bij eenen die Zieringus ghenaamt was,
Alsoo men in de oude chronyken las,
Doe men d'Octave van onse Vrouwen
Haars Hemelvaarts begonste te houwen,
Lotharius was Keizer, in 't Rijk muchtig,
En Hertoch Henric van Brabant, dat 's waarachtig,
Soo men vindt in 't klare ende wel beseffe
Die Sondachs lettere was doe die F.
Dan, daar men zich hier beroept op oude kronijken, en deze zoowel valsch als waar behelsden, blijkt het, dat op die rijmpjes weinig staat te maken zij. Evenwel hebben die van Zierikzee in 1649 het achthonderdjarig bestaan hunner stad plegtig gevierd; in 1749 is echter het negenhonderdjarig bestaan niet herdacht, en even min in dit jaar het duizendjarig eeuwfeest gevierd Geleerde mannen zijn van gevoelen geweest, dat Zierikzee gesticht is door en haren naam heeft van zekeren Zierik, hij mogt dan geweest zijn wie of gekomen van waar men wil; maar Boxhorn, dit verhaal toetsende, heeft zich niet ontzien daarover een geheel ander vonnis te vellen, en het met de niet meldenswaardige afleidingen van de Godin Ceres en van de beruchte Tooveres Circe, van welke de oudheid droomde, op den zelfden rang te plaatsen. Het komt dien schrijver, en meer anderen na hem, bedenkelijk voor of zirik niet beteekend hebbe zout, omdat in de lijst der zoutmaten, eertijds gebruikt te Reimerswaal, gevonden werd het woord ziriklepel, beteekenende zoo veel als zoutlepel, en of de naam dezer stad niet daarvan zou afstammen, hetgeen dan op de zoutziederij, die in Zeeland eerst te Zierikzee begonnen werd, of zoo men ook wil op de zoutheid van het zeewater hetwelk de stad bespoelt, betrekking zou hebben. Men vindt er, die den naam van Zierikzee afleiden van kirch of kerk en zee, alsof men zeekerk zeide, maar de letterverwisseling van kirch of kerk in ziric komt anderen met reden vergezocht voor. Zeker evenwel gaat het, dat Zierikzee, zoo niet de oudste, immers een der oudste steden van Zeeland is. De Regering dien stad vertoonde in 1564, bij zeker verzoekschrift aan Koning Filips, onder anderen, dat Zierikzee toen reeds meer dan negen honderd jaren is begonnen gesticht te worden, volgens het oorspronkelijk octrooi aan die van Zierikzee, op den 30 November 1564, verleend en nog onder hen berustende. Dit zoo zijnde, zou men vrijelijk mogen vaststellen, dat Zierikzee de oudste der Zeeuwsche steden is, dewijl zij dan reeds omtrent het midden der zevende eeuw en dus twee honderd jaren eerder dan het algemeen gevoelen medebragt, haar beginsel zou gekregen hebben. Dat de oorsprong dier stad het bereik der geloofwaardige gedenkschriften ontwijkt, wordt zelfs teregt als een duidelijk bewijs van haren grijzen ouderdom aangemerkt. En alhoewel zij niet vóór het jaar 1210 in de Hollandsche kronijken bekend wordt, is zij, echter lang te voren, naar den toestand van die tijden eene vaste plaats goweest, zijnde in het begin der elfde eeuw, als de Vlamingen somtijds met geweld van wapenen het eiland Walcheren bestookten, meer en meer versterkt. Deze stad roemt, nevens Middelburg, op het voorregt, dat zij nooit ter leen is gegeven of verpand geweest, maar altijd in den boezem der grafelijkheid berust heeft; zij was ook der gemeene zaken en den landsheeren altijd zeer getrouw. Liever heeft zij belegeringen, hongersnood en gebrek aan alles, ja het uiterste gevaar willen doorstaan , dan onder vreemde magt te vervallen. De Graven van Zeeland stelden daarom op de Zierikzeenaren bijzonder hun vertrouwen. Zij vestigden den zetel hunner wapenen in hunne stad, en voorzagen er zich van alles, dat tot bescherming of verovering van de ontnomen omliggende eilanden, inzonderheid Walcheren, werd noodig geacht.
Ten tijde van Graaf FIORIS III, die van het jaar 1165 tot in 1190 heeft geregeerd, nam Zierikzee, zoo aan inwoners als huizen en andere gebouwen, aanmerkelijk toe. Deze stad was toen, nevens Middelburg, de voornaamste en meest bevolkte stad van Zeeland. Tot dien tijd toe hadden die van Zierikzee evenwel zich ter zee alleen met de vischvangst onderhouden, waartoe zij slechts kleine scheepjes gebruikten, maar in of kort na het jaar 1204, begonnen zij groote schepen tot de zeevaart uit te zenden.
In of omtrent het jaar 1568, nam de vaart en handel op Denemarken, Noorwegen en andere landen , in en aan de Oostzee, te Zierikzee aanmerkelijk toe, en werd door de Koningen dier landen , met het verleenen van onderscheidene voorregten begunstigd, zelfs ging zij ter dier gelegenheid als Hanze-stad met de overige steden van dit verbond, een verdrag met Waldemar, Koning van Denemarken aan, bij hetwelk een einde der toenmaals ontstane geschillen en daaruit gevolgde oorlog gemaakt werd. Reeds in het begin der dertiende eeuw begon men er groote schepen te bouwen, en de koopvaart naar onderscheidene gewesten uit te breiden, zoodat Zierikzee, omstreeks het jaar 1400, voor eene zeer voorname koopstad gerekend werd, en zeer geruimen tijd onder anderen de stapelplaats der fransche wijnen geweest,is.: (Toen in de veertiende en vijftiende eeuw Zierikzee de stapel der Fransche wijnen was, waren de Heeren de Huybert aldaar de voornaamste kooplieden en voor weinige jaren waren er nog groote Kelders over, voorheen tot den wjjnhandel gebruikt. Zie Scheltema, Geschied- en Letterkundig Mengelwerk. D. IV., blz . 291). De stad had in het jaar 1434 zoo vele schepen in zee, dat de storm van éénen nacht er 500 vrouwen tot weduwen maakte, De scheepvaart was omtrent het jaar 1490, op Rochelle en op de Baai van Bretagne zoo zeer toegenomen, dat er geen pakhuizen genoeg voorhanden waren, om het fransche zout te bergen. Het baaizout werd toen verkocht voor vijf ponden vlaams en minder het honderd. Omtrent het jaar 1500, was er de vaart op Spanje en Lissabon ook reeds aanmerkelijk uitgebreid. De Zierikzeenaars hebben, in of kort na dien tijd, uitgemunt door, de menigte hunner karveelschepen, zoodat, als in ’t jaar 1506, Philips van Oostenrijk, met zijne vrouw Joanna , met eene vloot van drie en veertig schepen uit Zeeland naar Spanje afvoer, ver het grootste getal dier schepen en daaronder de Juliaan, gevoerd door Jacob Corneliszoon de Huybert, waarop de Koning zich met zijn gevolg begeven had, te Zierikzee te huis behoorde. Dewijl nu deze vloot door eenen zwaren storm beloopen werd, leden de Zierikzeenaars daardoor groote schade. De overvloed van toevoer, welke de zeevaart verschafte, had ondertusschen vele waren in prijs doen dalen, en de neringdoende burgerij buiten vertier gesteld, hetwelk ten gevolge had, dat de huizen in verval geraakten en de erven onbebouwd bleven, vanwege de daarop achterstallige renten en erfpachten, welke de neringlooze burger niet kon opbrengen. Het stond geschapen, dat het hiermede hoe langer hoe slechter zoude gegaan hebben; maar door de voorzorg van de Wethouders, werd het daartoe gebragt, dat Filips hun vrijheid gaf om de erfpachten en renten te mogen aflossen, elken penning met zestien dergelijke penningen; hetgeen de ingezetenen nieuwen moed gaf, om de erven te bebouwen en het bouwvallige te herstellen, en de stad weder deed opluiken.
In het begin der zestiende eeuw moesten die van Zierikzee met den naijver van hunne buren worstelen. De Middelburgers betwistten hun het regt, om hunne binnenschepen op stroom te laden, en den koopman te dienen, immers die van Middelburg daarin voor te gaan. De zaak werd voor den Hoogen Raad gebragt, alwaar zij ten nadeele van de Zierikzeenaren werd uitgewezen. Maar deze wisten in het vervolg zoodanig te handelen, dat die van Middelburg, eenigen tijd daarna, raadzaam vonden, de zaak niet die van Zierikzee te schikken, en hun het laden en losssen toe te laten als van ouds. Omtrent dezen tijd of een weinig vroeger, heeft zekere schipper Antonius Mulock van Zierikzee, het eerst uit Zeeland de Afrikaansche kusten bezocht (Er bestaat bij een ingezeten van Zierikzee, een oud familie gedenkstuk, dat nopens gezegden Mulock het volgende meldt:
» Anno 1528 is schipper Antonius Mulock, met syn schip, door de Wielinge voor »Vlissinge ingekomen, zijnde ander half jaar geleeden, dat dezelve van Zierikzee in » Zeeland was afgevaaren, in welke tijd hij besogt heeft, een nieuw land gen. Caput » Viride in Africa, alsdoen hier onbekend, also hij d'Eerste was, die daer uit deze » landen geweest had, van welke plaats hij het schip met zout en wijnen geladen inbragt » en daer meer zout om een ducaat gekogt, alsmede in de Baay en Brittaniën om Elf » zoude koopen, ook werd ter dier tijd, door voorn. schipper van gemelde kust mede »gebracht, de eerste Calkoensche Hoenderen, welk soort, in de Nederlanden niet be- »kend zijn geweest 's Jaars daarna, anno 1529, trok denzelvon schipper, met een »Brandaris, die hier te vooren in brand, geweest hadde, dog te Armuyden, in Zeeland » is vernieuwd , na Spanje, dog is nooyt terug gekoomen".). Op den 15 Julij des jaars 1540 , bevond zich Keizer Karel V binnen Zierikzee, ten huize van Lieven Jacobse de Huybert, hetwelk nog de Mossel genaamd wordt. De overheid der stad en van het land van Schouwen, verwittigd, dat de Keizer voornemens was den volgenden dag naar Haamstede te rijden, stelde orde, dat alle dijkers te gelijk aan hunne dijken zouden komen, om die te bekrammen, hetgeen ten gevolge had, dat de Keizer, verwonderd dat bet land van Schouwen met zoo grooten arbeid en kosten moest gehouden worden, het door een gunstbrief mildelijk beschonk. Reeds in het jaar 1517, hadden die van Zierikzee, op bevel van Prins Karel, hunne grachten beginnen te delven, en de vestingen van de stad op te halen; doch de elkander onmiddellijk opvolgende tegenspoeden, schijnen den voortgang daarvan tot dit zelfde jaar 1540 toe, te hebben gestaakt, wanneer de vervallen en geschonden muren der stad, benevens de drie steenen bruggen over de haven gelegd, vernieuwd en hersteld zijn geworden.
Thans heeft Zierikzee ¾ u. gaans in omtrek; beslaat, met hare buitensingels, 46 bund. 50 v. r., en telt binnen hare wallen 2020 h. en 6470 inw.
De stad heeft twee havens. De Oude-Haven kwam weleer ten Oosten buiten de stad uit, aan eene grootekreek of diep, hetwelk zich in de Schelde ontlastte, omtrent ter plaatse waar, tegenwoordig de polder het Zuider-Nieuwland eindigt, daar toen het hoofd op gelegen was, welke plaats daarom nog wel bet Oude-Hoofd wordt genaamd. Deze haven gaat door, van de oostzijde af, tot midden in de stad; is daar binnen ter wederzijden met eene schoone rij ijpeboomen beplant, en heeft de deftigste huizen langs hare kaden. Men gaat daarover met twee houten valbruggen en niet ver van het midden der stad met eene groote steenen brug. Buiten de stad, ter wederzijden van deze haven, zijn twee volkrijke buurten: de Visschersdijk en Heurnaartsdijk, aan wier einden de genoemde scheepstimmerwerven zijn. Na de verlanding der oude haven begon men in 1597, de Nieuwe-Haven te graven. De mond dezer haven, met welke zich de oude haven in hare uitwatering vereenigt, is een deftig stuk werks. Zij strekt zich uit van de Oude haven langs de zuidzijde der stad, daar te voren de stadsgracht is geweest; meest westwaarts en vervolgens lijnregt, in eene zuidwestelijke rigting, tusschen twee dijken van de stad afloopende, valt zij, omtrent een half uur gaans buiten de stad, in de Ooster-Schelde. De mond dezer haven is met twee zware paalhoofden beheid, die, inzonderheid sedert het knagend zeegewormte, in 1752, zich in zoo groote menigte ontdekt heeft, aanmerkelijke sommen gelds tot hun jaarlijksch onderhoud vereischen. Na het volmaken derNieuwe-Haven is, in het jaar 1602, van stads wege, op de punt des dijks bij het Westhoofd, tot gerief van vreemde kooplieden en schippers, aldaar aankomende, een huis, met eene lantaarn (in welke een kadioptriek lichttoestel, zigtbaar op een mijl afstands) boven het dak uitkomende, gebouwd , ten dienste van de scheepvaart, om de haven te kunnen aandoen. Boven den ingang van dit huis leest men op eenen arduinsteen het navolgende:
Levinus ista consul urbe Werkendeth
Collegam habeat Ockerum sidi Boeije,
Aerario autem publico hicce praefecti
Paulus den Huybert, inde Rochus Hofferus
et cum Johanne de Jonge, Georgius Petri,
cum structa ad oras haec domus marinas est
in publicum usum, publico aera, ponente
Cornelio Laterem Georgii Primum.
(d. i.: Toen Lieven Werkendeth Burgemeester was, en tot ambtgenoot had Ocken Boeije, en toen Paulus den Huybert, Rochus Hoffers, Johan de Jonge en Georgius Pieters, Thesaurieren waren, is dit huis aan den mond der zee tot algemeen gebruik, op stads kosten, opgebouwd, en de eerste steen gelegd door Cornelis Georgiusz.).
Daaronder leest men dit tijdvers:
MeI VIerWerf VIere sterCk Was, eLCk Verstae 't besCheIt,
aLs hIer Is aen het WerCk den eersten steen geLeIt.
Aan den zuidhoek is nog een tweede kustlicht, even als het hierboven vermelde.
In 1682 is de Oosthavendijk, bij eenen zeer zwaren storm en hoogen vloed, doorgebroken, omtrent 263 ell. van het paalhoofd. Het herstellen dier breuk kostte niet minder dan 100,000 gulden.
In het begin dezer eeuw, waren de oude en de nieuwe haven zeer in verval, en ofschoon van tijd tot tijd de hoogstnoodzakelijke reparatiën daaraan geschiedden, waren zij echter bij de omwenteling van 1813 zoodanig verachterd, dat zij op de meeste plaatsen, vooral aan de oude haven, geheel dreigden in te storten en ook werkelijk ingestort waren. Daar echter de stedelijke kas geheel buiten staat was, de belangrijke kosten tot volkomen herstel dezer werken te dragen, werd, met vergunning van Koning Willem I, in het jaar 1815, eene geldleening van 40,000 gulden aangegaan, waarna in het begin van 1816 met de herstelling dezer havenwerken een aanvang werd gemaakt, zoodat zij in het jaar 1818 voltooid waren. Ter gedachtenis van het herstel dezer voor de stad zoo gewigtige als kostbare werken, werd aan de oostzijde der groote of zoogenaamde steenen brug, in arduinsteen het volgende gedenkschrift geplaatst:
In het jaar 1816, zijn de kaaijen dezer stad Zierikzee, onder het bestuur der Edel Achtbare Heeren Burgemeesteren F. W. J den Boer en M. C. de Crane, en de Heeren Leden der Comissie van Finantiën: W . Cannenburg, Mr. M. B. de Jonge, J, Nelemans, Mr. H. A. van IJsselsteijn, Secreatris der Commissie, en K. de Kruif, stads Fabriek gedeeltelijk hersteld, gedeeltelijk vernieuwd.
Tot het diephouden van de haven dienden vroeger twee zware sassen of spuisluizcn, thans nog slechts één. In het jaar 1671 is er een houten sas gelegd, aan het einde der Heunaars,- en Visschersdijken, om het verlandcn en aanslikken der haven voor te komen; daar dit spui echter grootendeels vergaan was, werd in 1725 een geheel nieuw steenen sas gebouwd, voorzien van drie openingen; de middelste wijd 3 ell., de beide anderen wijd 8.80 ell. In het muurwerk zijn twee arduinsteenen gemetseld; aan de noordzijde ziet men het jaartal en de namen van Burgemeesters en Thesaurieren, onder wier bestuur het werk is opgemaakt. Aan de zuidzijde staan hunne wapens insgelijks in arduinsteen uitgehouwen. Reeds vóór het jaar 1671 was het zoogenaamde verste sas een uur gaans van de stad gelegd. Ook dit was in 1698 en 1735 geheel vernieuwd. Tusschen deze sassen werd het water bij den vloed opgevangen, en voorts daarmede, door het bij de stad liggend sas, de haven geschuurd, welke schuring eene geweldige kracht had, doch aangezien de verbinding aan de buitenzijde en de opslibbing binnen het dijkwater aan de vroegere schuring al de kracht ontnomen had, is het verste sas in 1845 ingedamd. Het verschil tusschen hoog en laag water aan de havenhoofden bedraagt 5.20 ell.; echter is deze nieuwe haven ten allen tijde bevaarbaar, en bij gewoon laag water, 1.60 ell. diep.
Ten N. van de stad heeft men eene versche gracht; zuidwaarts zijn de grachten brak, en tusschen deze is eene zoute gracht, dienende tot een verlaat, in welke het zeewater ter plaatse, daar de oude haven eindigt, met eene sluis, de Mol genaamd, door eene engere waterleiding, de zoogenaamde Zwemhaven, en het Vrije-gat, zijnde een doortogt onder den stadswal en muur, wordt ingelaten en opgehouden, om bij laag water, door het openen van de mol, de slijk uit de oude haven weg te schuren, en die dus, zooveel mogelijk, voor opslijking te bewaren. Aan de eene zijde wordt deze gracht met eenen bemuurden dam , buiten de Nobel-poort van de Versche gracht, en aan de andere zijde bij de Zuidwelle-poort, met eenen steenen beer van de brakke grachten afgescheiden. Tegenover deze gracht is een stuk weiland, dat, met eene kade omringd, in vorige tijden mede tot een spui of verlaat heeft gediend, waarin het water door eene zijl uit de zoute gracht, onder den buitensingel heen werd geleid, welk stuk lands nog, wegens het ophouden van het water, de Houwer wordt genaamd. In het jaar 1675 was dit spui dermate opgeslijkt, dat de Regering besloot het wederom uit te diepen, hetgeen echter nooit is ten uitvoer gebragt, hetzij men de kosten tot de verdieping niet konde vinden, hetzij men meende, zich met de gracht alleen genoeg te kunnen behelpen. Eindelijk is de Houwer, in het begin der vorige eeuw, geheel drooggemaakt, in weiland veranderd en verkocht. De ondervinding heeft echter naderhand geleerd, dat het droogmaken van den Houwer veel belemmering in het diep houden van de haven heeft veroorzaakt, waarom, in het jaar 1793, de Mol geheel is afgebroken, vernieuwd en op eene andere wijze ingerigt.
Aan weerskanten van de haven, daar men in de stad komt, lag vroeger een steenen bolwerk, bestrijkende de havendijken. Het meest westwaarts aan de stad gelegene heette het Blaauwe-Bolwerk, omdat het grootendecls van blaauwen arduinsteen was opgemaakt. Het was voorzien van zeven metalen stukken, schietende kogels van acht tot dertig ponden. In het jaar 1620 besloot de Regering, op aanschrijving en goedvinden van den Prins van Oranje, als Stadhouder, dit bolwerk te maken; doch op nadere aanschrijving werd dit echter tot het volgende jaar gestaakt. Het Oostelijke, buiten de stad, over de haven gelegen, het Oranje-Bolwerk genoemd, was eenige jaren later gebouwd. Uitgezonderd die zijde, welke de Nieuwe-haven beslaat, was de stad in den ring van eenen mnur besloten geweest, waar in voorheen eenige halfronde torens gestaan hebben, van welke in het midden der vorige eeuw reeds niet meer dan ééne aan de noordoostzijde der stad, eenige roeden van de Noordhavenpoort overig was, welke doorgaans de Beulstoren genoemd werd, doch deze is in het jaar 1809 mede afgebroken, zoodat de wallen in zeer vervallen toestand waren, toen de Franschen, in het jaar 1811, de stad op alle mogelijke wijze begonnen te versterken, doch alle de door hen aangelegde werken waren soo slecht en met zoo veel overhaasting daargesteld, dat zij bij eenen vijandclijken aanval weldra zouden zijn bezweken. Deze met zoo veel ijver door hen opgevatte vestingarbeid werd dan ook eensklaps gestaakt terwijl zij die werken op eene schandelijke wijze lieten vervallen. Thans zijn de wallen geslecht en met smaak in uitstekend schoone wandelingen herschapen.
Zierikzee, had vroeger zes poorten: de Zuidwelle-poort en de Nobelpoort ten N., de Noord-Havenpoort en de Zuid-Havenpoort ten O., de Schutterspoort, later de Hoofdpoort genaamd, ten Z. en de Westpoort ten W. De Zuidwellepoort, welke, in het jaar 1843, wegens bouwvalligheid is afgebroken en door een sierlijk hek, met twee wachthuisjes voor de commiesen der stedelijke accijnsen, vervangen, had niets bijzonders; het is niet bekend wanneer zij gebouwd was. In 1670 werd daarvoor eene nieuwe steenen brug gelegd. In eenen arduinsteen werden de namen der toenmalige Burgemeesteren en Thesaurieren uitgehouwen.
Corrnelio pons hic verneije conditus
Gisberto et una consule est ocquertio
Urbis Rocho Hoffero et Marino Junio,
Simul Jacobis Wittio, atque goltzio,
Aerarüs Scribaque petro coquio
Sic duret urbs , sic posterus et pergite
Æterna saxo posteri , relinquere.
(d. i. Toen deze brug vervaardigd is waren Burgemeesters Cornelis Verheije, en Gijsbrecht Ockers. —Thesaurieren: Rochus Hoffers, Marinus de Jonge, Jacob de Witte en Jacob Goltzius. — Secretaris: Pieter de Cock. Zoo dure de stad! zoo moeten de nakomelingen in duurzamen steen hunne namen aan den naneef overbrengen.)
Daar onder las men .
et IanVs Hoffer et qVIrInVs IvnIVs
JaCobqVe goLtzIVs Lenart et CoCqVIVs
hospes LoCabant prIMa. pontIs saXVLa
CID1DCLXX XII Cal. Sext.
(d. i. Johan Hoffer, Quirijn de Jonge, Jacob Goltzius en Leendert de Cock hebben de eerste steenen der brug gelegd, 1670, 21 Julij.)
De Nobelpoort is een zeer oud zwaar gebouw, met twee groote torens, waarop zeer verhevene spitsen staan, de eene acht- en de andere zestien hoekig, opgetrokken. Men wil dat deze poort, ten koste van twee adellijke juffers gesticht, en de spitsen naar haar Anna en Maria genoemd zijn. In het onderste van dezen toren werden, nadat de Beulstoren was afgebroken, landloopers en ander ongeregeld gespuis opgesloten; hetgeen men voorheen in den gezegden toren plagt te doen. Tegenwoordig wordt dit gedeelte niet gebruikt. Op deze poort is ook eene plaats waar vroeger niet alleen het buskruid der stad en der admiraliteit, maar ook het kruid dat aan bijzondere personen behoorde, wanneer het een zeker getal ponden beliep, bewaard werd. Thans dient dit vertrek nog tot berging van kruid, ook is er een lokaal, hetwelk tot kleeding en wapenmagazijn van de stedelijke schutterij dient.
De Noordhaven-poort is mede een zeer sterk en zwaar gebouw, hebbende voorheen gediend tot eene sterkte met geschut voorzien. Zij kon ten Noorden eene groote vlakte en ten Zuiden de andere poort, met eene ruime streek daaromtrent, bestrijken. De gevels van dit gebouw dragen bet jaartal 1559, ofschoon dit waarschijnlijk, eene vernieuwing te kennen geeft. Buiten deze poort, die aan haren buitensten ingang met eene kunstig gemaakte boog versierd is, heeft weleer een vierkante steenen toren gestaan, ter plaatse waar tegenwoordig de stadshouttuin eindigt. In de poort waren vroeger de stadssmidse en kalkkelders, thans dienende tot woning van den portier en tot bergplaatsen.
De Zuidhaven-poort, ook wel de Duivelandsche-poort genoemd, omdat men er door naar Duiveland gaat, is een zwaar en hoog vierkant gebouw met een uurwerk. Aan iederen hoek van het bovenste gedeelte is een rond torentje, met dergelijke spits opgebouwd. Midden uit het verhevenste van het dak rijst een fraai doorluchtig torentje. Omtrent het jaar 1550, ter zelfder tijd dat de stadhuistoren meteen klokkenspel werd voorzien, werd, ook in het torentje van deze poort eene klok gehangen. Deze is als nog de slagklok van het heele uur. In 1622 werd het klokkenspel vervaardigd, hetgeen, ofschoon minder goed onderhouden , echter veel aangenamer geluid gaf dan dat op den stadhuistoren, doch dit is er in het jaar 1811 afgenomen. Het buitenmuurwerk van deze poort is genoegzaam geheel vernieuwd in de jaren 1774 en 1779. Buiten deze poort is eene fraaije steenen brug, bestaande uit drie bogen.
De Schutters-poort, later de Hoofd-poort genoemd, ontving den eersten naam, om dat het Schuttershof in de nabijheid lag; den tweede, om dat men daardoor naar het havenhoofd ging. Deze poort werd in het jaar 1811 door de Franschen gesloten en de brug geheel weggebroken en, na den omkeer van zaken, in 1815, niet weder bruikbaar gemaakt. Aangezien de stadsregering begreep, in plaats van deze poort, eenen beteren en meer geschikten toegang naar den Westhavendijk en het Westelijk hoofd, te kunnen doen maken, is de gemelde poort niet hersteld, maar in het jaar 1817 voor afbraak verkocht, en een nieuwe uitgang naar het Westhavenhoofd gemaakt, door aan de voormalige batterij, ook wel het bolwerk genaamd, aan het Luitje, eene barrière te plaatsen, waardoor men den omweg vermijdt, welke men nemen moest, als men, door de voormalige Hoofdpoort, naar het hoofd ging.
De Westpoort had niets bijzonders. Zij moest in het jaar 1843, wegens bouwvalligbeid worden afgebroken, en is door een sierlijk hek, mei twee wachthuisjes voor de commiesen der stedelijke accijnsen, vervangen. De Franschen, welke, zoo als wij hierboven gezegd hebben, in het jaar 1811 de stad tot eene soort van vesting maakten, deden deze poort digt maken, en de brug daar voor gelegen afbreken. De verzoeken door de ingezetenen , wier landerijen even daar buiten lagen, daartegen gedaan, konden niet baten; het bruikbaar houden van die poort werd door hen als gevaarlijk beschouwd. Korten tijd na de gezegende verlossing van der Franschen dwangjuk is deze poort evenwel weder geheel hersteld en eene nieuwe sleenen brug daarvoor gelegd.
Vroeger had men hier nog eene poort de Beggijnepoort, gestaan hebbende, aan de Nieuwe Haven, toen de stad aldaar nog bemuurd was, aan het einde der Zevenhuisstraat, doch deze is mede gesloopt.
Openbare plaatsen heeft de stad eigenlijk niet. Het eenige is het plein ten W. van den grooten toren, dat in de wandeling den naam van de Balie draagt, omdat het met houten palen omheind is. Op en nabij dit plein stond vroeger ' s Gravenhof, dat, door den tijd vervallen zijnde, in 1615 geheel is geslecht. Zie het volgende art. Jaarlijks worden hier twee paarden- en beestenmarkten gehouden: de eerste in Maart is de paarden- of Halfvastenmarkt; de tweede is de koemarkt en wordt gehouden den tweeden Donderdag in November. Beide worden aangemoedigd door de sociteit: Tot Nut en Genoegen, welke op die dagen premiën uitdeelt, aan het best gekeurde vee en zich ten doel heeft gesteld, die markten uit hunne kwijning op te beuren, Aan den noordwesthoek van de markt heeft men de Karnemelksvaart dienende voor de landlieden in Schouwen om des winters, wanneer de wegen onbruikbaar zijn, met kleine schuitjes hunne waren in de stad te brengen. Onder den wal schiet zij door een verwulfscl in de stadsgracht, hetgeen in tijd van nood wordt afgesloten. Op den kant dezer vaart stond vroeger eene wip, waarmede de meevaten, met schuitjes in de stad gebragt, werden ontscheept.
De Varkensmarkt is niet dan een gedeelte van de Balie. De Lammer-en Schouwsche Botermarkt, daaromtrent gelegen, zijn slechts gewone straten. Tot de Duivelandsche Botermarkt wordt de breedte der oude haven, bij de Kraan, gebruikt.
Daar de oude Vischmarkt, staande op het kruis van St. Domusstraat, de Nieuwe-Bogaartstraat en het Vischslop, zoodanig vervallen was, dat men voor het herstel daarvan een geheel nieuwe kon bouwen, besloot de stadsregering in 1804, tot dat einde, een gedeelte van het voormalige St. Jacobshof, daartoe af te zonderen, en deed vervolgens, in de St. Domusstraat, eene nieuwe, en naar de bevolking der stad geëvenredigde vischmarkt aanbouwen, welke zeer net en doelmatig is ingerigt.
Onder de openbare pleinen stellen wij mede de steenen brug, ook de Breede- en Gastbuisbrug genaamd. Zij is een der oudste en voornaamste werken dezer stad, liggende niet ver van haar midden, over de Oude haven tegenover de Gasthuiskerk. In hel; jaar 1547 was zij reeds door ouderdom vervallen , maar werd toen wederom hersteld en aanmerkelijk verbeterd. Zij rust op twee steenen bogen en is 20 ell. lang. In het,jaar 1651, had men een besluit genomen, om haar nog meer te verlengen; doch dit heeft geen voortgang gehad. Ter wederzijde van deze brug was voormaals eene zware borstwering, meestendeels van blaauwen arduinstecn en witten hardsteen, ter hoogte van tusschen de vier en vijf voeten (ongeveer 1,50 ell.) binnenwaarts met eener insnijding van omtrent derdehalf voet (0,78 ell.) hoog en anderhalf voet (0.47 ell.) breed, en in het midden met twee halfronden gebouwd geweest, op welker hoeken vier pilaren met ronde bollen waren opgemetseld. Aan de vier hoeken der brug stonden vier zwaardere pilaren. Nadat de stad, in 1567, de heerlijkheden der Vier Bannen van Duiveland door koop verkregenhad, zijn , ten teeken daarvan, op deze pilaren vier graauwe arduinsteenen leeuwen geplaatst geweest, houdende de wapens der gemelde heerlijkheden. Doch deze borstwering, niet hare pilaren, door den tijd van te kostbaren onderhoud en al te zwaar voor het grondwerk der brug bevonden zijnde, is in de jaren 1733 en 1734, afgebroken, en in plaats daarvan, ter wederzijde van de brug, een ijzeren hek gesteld, hetgeen een ruimer en sierlijker gezigt geeft. Aan de zuidzijde van deze brug wordt als van ouds veel koorn uit Duiveland ter markt gebragt. De Schouwsche koornmarkt, die ook voorheen op deze brug gehouden doch daarna in de Lange Nobelstraat werd verplaatst is in 1741, weder op deze brug overgebragt. In vroegere tijden plagt op deze brug, alle Zondagen, door Baljuw, Burgemeester en Schepenen de ban geheven te worden, over personen welke in de week voor de vierschaar stonden gedagvaard te worden. De geboden van verkochte huizen en landen werden ook aldaar gelezen en die eenige naasting daaraan had te verklaren, was genoodzaakt het daar in den ban te doen. Dit alles is met der tijd in onbruik geraakt, wordende nu de geboden van verkochte goederen op de beurs aangeplakt.
Nevens de breede brug heeft men eene bekwame Beurs, die in het jaar 1651, bij het vergrooten der Gasthuiskerk werd gemaakt. Zij heeft de gedaante eener galerij, die door een gedeelte van de Gasthuiskerk, rustende langs den buitenkant der beurs op negen blaauwe arduinsteenen pilaren, en nog twee halve, op ieder einde der beurs, in de muren gewerkt, met acht bogen overdekt is, en een sierlijk torentje heeft. Aldaar wordt thans de koornmarkt gehouden.
Het Stadhuis, in de Middelstraat, gewoonlijk de Meelstraat genoemd, is een tamelijk gesticht, uit blaauwen en witten arduinsteen opgemaakt. Wanneer het het eerst gebouwd of vergroot is weet men niet, maar het uiterlijk aanzien doet genoeg zien, dat het zijne tegenwoordige gesteldheid in onderscheidene tijden bekomen heeft. Het is een zeer oud gebouw , hetwelk reeds in het jaar 1472 bestond. In de jaren 1775 en 1776 werd het veel vernieuwd en verfraaid, en men heeft toen de raadzaal en de vierschaar in dien stand gebragt, waarin zij thans zijn. Drie zinnebeeldige schilderstukken van G. Geraerts, te Antwerpen, waarvan twee in de raadzaal en een in de thesaurierskamer, worden geroemd. Men treft er ook eenige oud- en merkwaardigheden aan. Het voornaamste sieraad van het stadhuis is de toren. Hij rijst tot boven het dak van het stadhuis, met eenen achtkantigen muur, van welken een schaliedak van eenige voeten hoog met acht kanten opwaarts klimt en allengskens naauwer toeloopt. Daarboven is een uitstekende trans of omgang, met eene houten balustrade beveiligd, langs welken men den toren rondgaat, die aldaar doorluchtig en met ccn klokkenspel voorzien is. Van daar wat spitser opgebouwd, heeft hij eenen ronden appel, boven welken bij wederom doorluchtig is, en daarboven eene peerachtigo spits draagt, waarop een verguld Neptunusbeeld, van weinig minder dan levens grootte, met zijnen drietand, rustende op een verguld rond voetstuk, ten teeken van de aloude zeevaart der stad. Het verband van bet inwendig timmerwerk des torens wordt als zeer kunstig geprezen. Het klokkenspel, dat zeer middelmatig is, is van het jaar 1550. Op het stadhuis houden ook de Arrondissements-Regtbank en het Kantongeregt hunne zittingen.
' s Gravensteen, bij verkorting het Steen genoemd, aan de noordzijde der Onde haven, van welks eerste stichting men nergens iets vindt aangeteekend, is een zwaar en oud gebouw, van blaauwen arduinsteen opgemetseld. Het schijnt van den bcginne af tot een gevangenhuis van misdadigers geschikt te zijn geweest en dient ook nu nog tot Huis van arrest en policie.
De Waag, ter zijde van het Stadhuis, in de Middelstraat, heeft niets bijzonders, daar achter is de Kamer der Meekeur welke keur.echter in 1845 is afgeschaft.
De Vleeschhal, mede in de Middelstraat, is een langwerpig gebouw, ter andere zijde uitkomende aan de Melkmarkt, tegenover eene breede straat, genaamd de Varre-Nieuwstraat. In het midden is een ruime doorgang. en wederzijds zijn de stallen voor de vleeschhouwers geschaard, die doorgaans des Zaturdags van zeer goed en zindelijk rund-, kalfs- en schapenvleesch rijkelijk voorzien zijn. Boven den ingang van de Vleeschhal is eene kooi, waarin voorheen arenden gevoed werden, hetzij dit zijn oorsprong had, omdat het graafschap Zeeland, met alle zijne steden en daaronder Zierikzee van het Duitsche keizerrijk weleer leenroerig -mag geweest zijn, of dat dit ten tijde van Keizer Mazinimliaan van Oostenrijk of Karel V is begonnen, ten teeken van de achting, welke men hem, die ook tevens Zeeland beheerde, toedroeg.
Het Arsenaal of Tuighuis en de Stads-Houttuin, achter de Noordhavenpoort, hebben niets bijzonders.
Tot het houden van Lombard of Bank van Leening was eertijds een huis van stadswege geschikt, staande in een klein straatje, St. Lievensstraatje genaamd, aan de Noordzijde van het kerkhof, bijna tegenover den grooten toren. Vroeger werd de Bank van Leening ten behoeve der stad verpacht. Thans is zij in eigen beheer bij verschillende liefdadige instellingen en wordt gehouden in de St. Anthoniestraat.
Tot invordering van stadsaccijnsen, is aan de Zuidzijde der Oudehaven, tegenover 's Gravensteen, in vroeger tijden een accijnshuisje bpgerigt, bestaande uit twee vertrekken, waarvan een voor den Plaatswachter, die den accijns van de bieren, te water afgaande invorderde, en het andere voor de Accijnsenaars, die twee in getal waren en den accijns van de bieren, wijnen en brandewijnen, in de stad gebruikt wordende of te lande afgaande, ontvingen. Thans wordt dit gebouw gebruikt tot verblijf van de bierslepers en wachthuis voor de nachtwachts.
In het jaar 1726, werd, op. dat gedeehe der Oudehaven, dat de Duivelandsche-Botermarkt. heet, eene nieuwe Kraan gesteld. De oude, die een groot gevaarte was en niet alleen tot het laden van vaatwerk en pakgoederen of dergelijke zware stukken, maar ook tot het uitligten en inzetten van masten, zoo op zee- als birsnenschepen word gebruikt, viel, nadat even te voren daarmede goederen gelost waren, en het arbeidsvolk naauwclijks vertrokken was, door het breken van haren standaard met eenen zwaren slag in het water. De tegenwoordige kraan is alleen tot het laden en lossen van goederen geschikt; tot het uit- en inwinden van scheepsmasten was voorheen buiten de Zuidhavenpoort een Bok opgerigt, waarmede men met meerder veiligheid veel grooter kracht kon uitoefenen, doch deze is sedert lang afgebroken.
Het Postkantoor is te Zierikzee in de Nieuwe-Boogaardstraat.
De Herv. gemeente heeft er twee kerken: de Nieuwe kerk en de Kleine - of Gasthuiskerk.
Do voormalige Groote- of St. Lievens-Monsterkerk, in het westelijke gedeelte der stad, bij het Marktveld, was weleer aan den Martelaar Levinus toegewijd. Wanneer zij het eerst is gesticht weet men niet. Doch men leest elders, dat eerst, in het jaar 1151, eene kapel gesticht en aan St. Lieven toegewijd is, ter plaatse, waar naderhand deze kerk gebouwd werd. In het jaar 1378 werd door Hertog Albrecht van Beijeren daarin een kapittel van vier en twintig Kanunniken opgerigt, onder welke geweest is de Hooggeleerde Philippus à Leidis, Raadsheer van dien Hertog, en daarna de niet minder geleerde Zierikzeenaar en Arts Levinus Lemnius, welke laatste in deze kerk ook begraven is. De kanunniksdijen stonden ter begeving van den Graaf. Omdat deze Kanunniken in het gemeen en naar de wijze der kloosterbroeders zamenleefden, werd deze kerk Monsterkerk genoemd, maar geenszins wegens haar groot en wonderbaar gevaarte, gelijk sommigen verkeerdelijk meenen. Heer Willem van Weldamme, Ridder en zijne huisvrouw Hendrika van Roodenburg, Vrouwe van Simonskerke, hebben, in het jaar 1393, in deze kerk eene eeuwige vikarij aan het altaar van het Heilige Kruis gesticht, en sedert werden, in de Roomsche tijden, door anderen nog eenige prebenden daarin gevestigd. Deze kerk was de grootste uit geheel Zeeland. Zij had, met het koor te zarnen genomen, de lengte van 102 ellen; de breedte in het kruis was 43 ellen en doorgaans tusschen de buitenmuren 34 ellen; de hoogte 50 ellen. Deze kerk is te voren ten minste nog 8 of 9 ellen langer en met den toren vereenigd geweest, gelijk men nog duidelijk aan dezen zien kan. Dan in het jaar 1466 werd zij door den bliksem getroffen, in vlam gezet en deerlijk geteisterd. Deze ramp schijnt voornamelijk bet westeinde te hebben getroffen, en de kerk, vervolgens de geheele ruimte van 11,32 ell., die men tusschen haren achtergevel en den toren zag, te zijn ingekort. Het koor was door een houten beschot van de preekkerk afgescheiden. In de laatste zag men iu eene der zuidelijke kapellen de aanzienlijke grafstede van Simon Schutte, Kolonel van een regiment voetvolk, in 1692 hier hegraven. Veel schooner was echter het praalgraf in eene der noordelijke kapellen van het koor, in 1680 opgerigt door den Ridder Johan Konijer en zijne echtgenoot Maria de Pottere (welke laatste alhier ook was begraven), ter eere van Kapitein Hendrik de Pottere en Agatha van Wissekerke, wier beeldtenissen uit Bentheimer steen gehouwen , rustten op eene mat van de zelfde stof, op eene zwart marmeren tafel, en onder deze, op gelijke wijze, de beeldtenis van Kapitein Hendrik Hume, neef van Maria de Pottere. Latijnsche en Nederduitsche bijschriften gaven de noodige verklaringen. De grafschriften, ter eere van de beroemde mannen Levinus Lemnius en Jason Pratensis, welke nog in 1795 in deze kerk hingen, waren sedert verdwenen, doch de grafzerk van Lemnius was nog. te zien bij het orgel aan de noordzijde, mee, dit eenvoudig opschrift:
Levinus Lemnius medicus hic situs est obiit cal. jul. A. 1568.
Een zeer schoon stuk was de predikstoel, vervaardigd in 1673, welk jaartal men op de onderste trede vond. Zes mannenbeelden schenen hem te dragen, de versierselen der vakken waren uitmuntend. De kroon boven het gehemelte, gevormd door lof- en bloem werk, uit ijzer vervaardigd, was zeer kunstig. Maar het schoonste stuk in dit groot gebouw, was het prachtig orgel, begonnen in 1768 en voltooid in 1770 door den Utrechtschen orgelmaker, Johan Hendrik Hartman Batz, die echter de inwijding niet beleven mogt. Het sierlijk oksaal rustte op zwart gepolijste steenen kolommen, die wit marmeren voetstukken en kapiteelen hadden. Het had zes en veertig sprekende registers, uitmakende 3108 pijpen, verdeeld over drie handklavieren en een vrij pedaal; het had gekost 51,257 guld. Reeds in de vijftiende eeuw was er een orgel ter regterzijde van den predikstoel, waarvan men voor het afbranden der kerk nog de duidelijke sporen zag in den muur en van achter in de kamer daar het werk was geweest. Het is onbekend wanneer het is afgebroken, doch langen tijd was er op de Zuidhavenpoort nog eene deur voorhanden, vervaardigd van een dekstuk der windlade, waarin men nog alle de met leder bedekte gaten, daar de pijpen stonden, zien kon. In 1549 werd echter, ter linker zijde van den predikstoel, een ander orgel aangebragt, een kunststuk van dien tijd, door kerkmeesters aan de kerk geschonken. De laatste dienst werd ermede verrigt op Zondag den 16 December 1770. Het is in het jaar 1803 verkocht, aan de R. K. gemeente te Kruisland, prov. Noord-Braband, Aan deze kerk is ook in 1569, een groote regenbak gemaakt, houdende ruim 3000 vaten (hectolitres); hij had dus in evenredigheid van het grootere gebouw, ook grooteren inhoud dan die te Vere. De toren is gegrondvest in 1454, doch slechts tot een vierde der beraamde hoogte opgetrokken; en met eene houten kap gedekt, die, vóór eenige jaren, wegens bouwvalligheid is weggenomen, waarna er eene nieuwe lage op is geplaatst, en het muurwerk van den toren wel hersteld, maar ook zeer verminkt. Een zwaar verlies van schepen en volk , waardoor op eenen nacht meer dan 500 vrouwen binnen deze stad weduwen werden, heeft waarschijnlijk het volbouwen van den toren doen staken. Het bestek was grootsch. Hij zoude met de spits eene hoogte bereikt hebben van 207 ellen; thans heeft hij met de kap slechts71 ellen. In den toren zijn twee arduinsteenen wenteltrappen. De bouwmeester was een Hoogduitscher, Kelderman genaamd. Van de vijf klokken, die er voormaals hingen, zijn er vier verkocht, en onder deze ook de oudste, die ouder was dan de toren zelf, want zij had dit bijschrift
LAUDO DRUM VERUM. VOVO PLEBUM. CONGREGO CLERUM. DEFUNCTOS PLORO. JUGO PESTEM. FESTA DECORO ET EGO VOCOR LEVINUS. ANNA DOMINIS MCCCCXI
(d. i. Ik loof den waren God, roep het volk te zamen, vergader de geestelijkheid, beklaag de dooden, verdrijf de pest, geef luister aan de feesten en mijnen naam is Levinus, in het jaar onzes Heeren 1412).
Op elk der vier hoeken van den omgang onder de kap, steekt een eind uit van eene zware ijzeren staaf, die door den loodregten stand, gedurende bijna vier eeuwen, zeer magnetisch is geworden, zoodat een mes of dunne stalen staafjes er over gestreken, eene aanmerkelijke zeilsteenkracht aannemen. Na 1795 heeft deze toren eenige reparatiën aan het bovenste gedeelte ondergaan, doch die later zijn gebleken onvoldoende te zijn, In 1818 hielen er aan de westzijde geheele brokken uit en dit nam van tijd tot tijd zoo zeer toe, dat men in te nabijheid niet zonder gevaar passeren kan. Eene aanvraag door het stedelijk bestuur aan het gouvernement gedaan tot overname van dit gevaarte, dat men als een onmisbaar zeebaken wilde hebben beschouwd, is zonder gevolg gebleven. In het jaar 1805 werd deze toren tot eenen seinpost, en onder het Fransch bestuur, tot op de omwenteling van 1815, tot eene telegraaf gebruikt. In den nacht tusschen den 6 en 7 October 1832, is deze fraaije kerk, met al wat daarin voorhanden was eene prooi der vlammen geworden. Alleen de toren is blijven staan. Des nachts ten half een ure begon de brand, en duurde tot laat op den dag voort. De ingezetenen, ook bijzonder de matroozen, der voor de stad gestationneerde karionneerbooten, legden veel ijver aan den dag, om de belendende huizen te bewaren; want de brand dor kerk zelve te blusschen, was onmogelijk. Deze hunne pogingen, werden met het beste gevolg bekroond, daar ofschoon groote vonken aan alle zijden op en over de huizen heenvlogen, en de halve stad met vernieling bedreigd werd, geen enkel huis in brand geraakte. Naar men verzekert, is de oorzaak van dezen ramp, door welke Zierikzee van haar grootste sieraad is beroofd geworden, toe te schrijven aan de nalatigheid van de loodgieters, die eenen pot met vuur, welke men zegt, dat nog gevonden zoude zijn, in eene der goten hadden laten staan. In het jaar 1835 heeft men een aanvang gemaakt met den opbouw van eene nieuwe kerk, welke echter door onvoorziene omstandigheden is gestaakt. In 1847 is men daarmede voortgegaan, doch volgens een nieuw plan, en in 1848 voltooid zijnde, is dit gebouw op Zondag 21 Mei van dat jaar aan zijne bestemming toegewijd. Zij staat verder van den toren dan de oude kerk, welke zij in grootte in geen en deele evenaart. Inwendig is zij bijzonder net en allezins doelmatig ingerigt, en versierd met een uitmuntend fraai orgel, waarvan den 5 November 1848 voor het eerst gebruik werd gemaakt. Het is een zestienvoetswerk, vervaardigd door de Heeren Kan en Van der Meulem, orgelmakers te Rotterdam,, De kast is van een eenvoudig en sierlijk uiterlijk, streng architectonisch, in rondbogenstijl uitgevoerd, met smaakvolle instrumenten versierd, die vervaardigd zijn door den Heer Schutte, metaalgieter te Zeyst. Het orgel heeft 33 stemmen, verdeeld op 2 klavieren en een pedaal. Als bijzonderheid van dit orgel kan men opnoemen, de buitengewone (in ons land eenige) windinrigtingen , bestaande in een recevoirbalg, die in de kast onder de windladen is geplaatst en aan het werk overvloedigen en zeer gelijken wind geeft.
De Kleine Kerk, dus in vergelijking met de Monsterkerk genaamd, aan de noordzijde der Oude-Haven, draagt ook den naam van Gasthuiskerk, omdat het nu afgebroken Gasthuis er onmiddellijk achter lag. Zij is een der oudste gestichten van de stad. Men was in lang in beraad geweest om zich eene derde kerk aan te schaffen, en om het koor der groote kerk daartoe in te rigten doch eindelijk is het op het vergrooten der kleine kerk uitgeloopen, In ,1681 werden daartoe de huizen vóór de kerk, langs de brug staande, door de Regering aangekocht en afgebroken, waarna de kerk met eene bovengalerij, welks onderste deel tot eene beurs geschikt werd vergroot is. Deze galerij, zijnde het voorste gedeelte der kerk is van blaauwen arduinsteen deftig opgemaakt; zij vertoont in het midden van hare voorzijde het wapen der stad en het jaartal waarin zij gesticht is. Op de kerk staan twee doorluchtige torentjes, Het eene heeft eenen wijser en eene slagklok in het andere hangt eene luiklok. De zilveren bekers ten dienste van het Nachtmaal in de kerk gebruikt wordende, zijn door Olivier Jorisse, en zijne huisvrouw Maayken Arends, vader en moeder in het oude mannenhuis te Zierikzee, aan deze kerken geschonken in de jaren 1678 en 1683. Tot erkentenis voor deze gift werd hun door kerkmeesteren een nieuw graf in de Grootekerk, mitsgaders vrijheid van kerkregten, die, bij hun overlijden, anders voor hunne begravenissen zouden hebben moeten betaald worden, vergund. De zilveren schotels in beide kerken, mede tot het Nachtmaal dienende, als ook twee kroonen in dit kleine kerk en eenige andere sieraden, werden, in 1728, aangekocht uit eene som van 3000 gulden, tot dat einde door Anna Drielenburg, weduwe van Hugo Verboom, te Rotterdam overleden op den 9 Maart 1728, bij haren uitersten wil, den 27 September 1727, aan Kerkmeesters der Nederduitsche kerk te Zierikzee gemaakt.
De Kerk der Christelijke Afgescheidenen, in de Middelstraat, is een eenvoudig gebouw, zonder toren of orgel.
Do voorm. Waalsche kerk aan bet einde der Poststraat, was waarschijnlijk in vroeger tijden eene kapel geweest, welke aan deze gemeente is ingeruimd en van tijd tot tijd zeer verbeterd. In 1787 werd deze kerk op stadskosten, met een torentje en luiklok voorzien en alle de zitplaatsen van binnen verbeterd. Ook werd er, uit vrijwillige giften, een nieuwe predikstoel aangeschaft. — In l795 werd daarin het orgel gemaakt. Deze kerk is sedert de ontbinding der Waalsche gemeente in 1828 tot schoollokaal voor het Stedelijk Instituut voor Jongesheeren ingerigt.
De voorm. Schotschekerk stond in de Ravestraat en was een gedeelte van het voorm. Oudemannen- en Vrouw en-Visschershuis; hetwelk aan de Schótsche gem. tot eene vergaderplaats of kerk vergund en eenigzins bekwaam gemaakt was, wanneer dit geschiedde en sedert wat jaar de kerk door het uitsterven der gemeente ledig staan bleef, vinden wij niet opgeteekend, maar wel, dat zij in het jaar 1715 door de Stedelijke Regering aan de Evangel. Luthersche gem. gegeven werd.
De voorm. Kerk der Doopsgezinden, in den Wevershoek, welke, volgens een in blaauwen arduinsteen , aan den voorgevel, uitgehouwen jaartal, in 1680, schijnt gesticht te zijn, is na de ontbinding dier gemeente, in het jaar 1821, tot eene Stads-Armenschool ingerigt.
De eerste vergaderplaats der in 1711 of 1712 gestichte Evangelisch-Luthersche gemeente teZierikzee, die men thans niet meer met juistheid weet aan te wijzen, was in 1774 nog een woonhuis in de Varre Nieuwstraat, gemeenlijk de Weverspoel geheelen, weleer in de wandeling bekend onder den naam van den Noordsche-Hcmel, dewijl het eigenlijk eene vermaarde slaapstede van zeevarende Noorlieden was, die welligt meenden nergens beter huisvesting te kunnen vinden, dan bij hunne aldaar wonendeLaudsvrouw Geertruid, voluit Geertruid Teunisse, eene Norin, die in de dagen van Ds. Schuman de oudste zuster der gemeente was, en onder dezen eertitel door hem in het ledematenboek is aangeteekend. Daar nu Ds. Treitel hier eeu goed gcdeelte der broederen van de Augsburgsche confessie van die dagen, te weten de Noorlieden, reeds bij elkander had, en hij in dit gebouw tevens ruimte genoeg voor het andere gedeelte vond, was het vrij natuurlijk, dat hij deze slaapstede tot eerste vergaderplaats der nieuwe gemeente verkoos. Dit duurde zoo voort tot dat de Stedelijke Regering, den Evangelisch Lutherschen, zoo als wij hierboven (blz. 185) gezien hebben, in het jaar 1713 de voorm. Schotsche kerk in de Ravestraat gaf, in welku in het jaar 1743 eene, als nog beslaande, galerij gebouwd werd. Do kerk zelve werd in de jaren .1755 en 1756 aanmerkelijk vergroot en verfraaid; wat eertijds de lengte der oude kerk was, werd de breedte der nieuwe, die binnenwerks 8,45 ell. in de breedte en 13,50 ell. in de lengte houdt, en nu van binnen zoowel als van buiten een waardig kerkgebouw vertoont, met zes hooge kerkramen voorzien, van boven met een leijen dak en twee looden zwanen daarop, terwijl zij aan den ingang met eene fraaije poort en een voorportaal pronkt, doch heeft geen toren. Aan den voorgevel staat in arduinsteen uitgehouwen:
De eerste steen, van dit heiligdom is gelegd den 24 van Hooimaand 1755 door Jonkheer Pieter Abraham de Jonge , zoon van den Ed, Achtb. Heer Jacob de Jonge, Oud-Burgemeester, Raad en Thesaurier dezer stad, ten overstaan van den Eerw. Leeraar C. v. D. HEIDE, benevens deszelfs kerkenraad.'
Boven den ingang leest men dit vers:
Vraagt gij, aanschouwers, wie dit huis-heeft uitgebreid?
't Is 's Hemels liefde en gunst der achtbare Overheid,
Ook werden bij de vergrooting der kerk ter wederzijden stukken aan de galerij geschoten, om haar langer te maken, terwijl zij toen ook van den muur, die eertijds in de breedte, nu de lengte, der kerk liep, naar den muur, die nu in de breedte der kerk loopt, tegen over den predikstoel, verplaatst is. Drie jaren later schonk Frederik Vogelaar, een lid der gemeente, een huisorgel aan deze kerk, hetwelk op de galerij geplaatst en den 29 Julij 1759 het eerst bespeeld werd. Een ander lid der gemeente, de Ouderling Gerrit Holman, die reeds vroeger op andere wijzen van zijne milddadigheid aan deze kerk had blijken gegeven, schonk haar, in het jaar 1774, een nieuw orgel, hetwelk boven den predikstoel geplaatst werd. Dit orgel zal waarschijnlijk het eerste geweest zijn, dat niet genoeg voor de kerk voldeed en naderhand in de Waalsche kerk overgeplaatst is. Althans, het tegenwoordige kerkorgel, waarvan de maker was, Johannes Mittenteiter, orgelmaker te Leyden, is in het jaar 1778 voltooid en omstreeks Kersmis van dat jaar het eerst bespeeld. De nederigheid des gevers, Gerrit Holman, wilde niet dat het plegtig zoude worden ingewijd, en daaraan is welligt ten deele ook het gebrek van aanteekeningen in het kerkboek, omtrent dit anders hoogst belangrijk geschenk, toe te schrijven. Het orgel heeft 12 sprekende registers; voorts 1 handklavier en 5 blaasbalgen, zijnde het geheele werk zeer sierlijk in eene mahoniehouten kast gevat, met twee vleugels, als galerijen aan weerskanten, van boven met groote, witte, toepasselijke beelden en verdere ornamenten, als toonpijpen, verguldsel en snijwerk versierd.
Na de Reformatie hadden de R. K. inwoners ook hier; sedert 1619, eene Vergaderplaats, waartoe hun lang gediend heeft een bijzonder huis aan de noordzijde der Oudehaven, tot welke zij door eene deur ter zijde in het Paardestraatje ingingen. Doch in het jaar 1769 hebben zij eene geheel nieuwe en nette kerk ten hunnen koste doen bouwen, waarin, in 1789, een nieuw altaar geplaatst is. In 1793 werd op het koor een orgel geplaatst, zijnde een positief of huiswerk. Deze kerk, aan den H. Willibrordus toegewijd, heeft geen toren.
Men had vroeger te Zierikzee vijf mannenkloosters, als: het Tempelierenklooster, in de Poststraat, later het Huis der St. Jansheeren en nog later het Predikheeren-klooster, thans tot partikuliere woningen ingerigt; het Oud-Predikheeren-klooster, dal in den brand van 1458 is in kolen gelegd, terwijl de kerk in 1576 moedwillig is vernield en afgebroken, zoo dat men de plaats, waar hét gestaan heeft, niet meer weet aan te wijzen; het Minderbroeders-klooster, in de Minderbroederstraat, thans doorgaans den Blijenhoek genoemd, hetwelk in de beeldstormerij ten eenenmale vernield is, terwijl de kerk in 1582 is afgebrand en de plaats, waar het gestaan heeft, thans dient tot moestuinen; de Cistercienser-abdij-Mariënhof, bij het St. Lieven-Monsterkerkhof, in 1340 gesticht, waarvan de gebouwen later zijn ingerigt tot woonhuizen, en het Karmeliter-klooster, van hetwelk men niet meer weet te zeggen, waar het gestaan heeft. Ook waren er drie vrouwenkloosters; als: een klooster der Zwarte- of Graauwe-Zusters, in het Zwartzusterstraatje, waarvan een overblijfsel der kapel nog in wezen is, doch overigens de gebouwen ingerigt zijn tot woonhuizen; het Beggijnhof, dat in het jaar 1458 mede eene prooi der vlammen werd, doch van, welks kerk de toren en gevclmuur, die voor eenige jaren nog bestonden, later zijn afgebroken, en het Broodzusteren-klooster, waarvan de gebouwen nu dienen tot woonhuizen.
De Synagoge, in de Middelstraat, is een in 1825 nieuw gesticht, zeer net en doelmatig ingerigt, doch klein gebouw, zonder toren.
Onder de liefdadige gestichten noemen wij het eerst het Weeshuis, aap de zuidzijde van het Kerkhof, waarvan het jaar der stichting onbekend is. Het werd grootendeels vernieuwd en aanmerkelijk vergroot in 1596. ln den gevel leest men :
Adrianvs hvbert fil
Nicolai hvius. Aedipi
Cij primvm posvit
Lapidem patre cum
Bartolo °. cav, coss.
An°. 1596 in ivnio.
(d. i. Adriaan Huibert Nicolaaszoon heeft den eersten steen van dit gebouw gelegd, ten tijde dat zijn vader, met Bartholmes Cau, Burgemeester was, in het jaar 1596 in Junij).
Boven de deur van den eersten ingang, zijnde een gedeelte van het oude, gebouw, waren voorheen eenige weezen geschilderd, welke door vrouwen verzorgd en onderwezen werden. Daar onder las men:
Betoont uw liefde aan detse arme weeskinderen hier, ende tot alle plecken,
d' Ongehuysde van hun luyden in u huis wilt se ook versaden,
Siet ghij haar naakt gaan, wilt haar ook decken,
Uw eygen vleesch en zult ghy nimmermeer versmaden
,
Want alle die ghene die tot bermherticheyt haar aalmoessen gheven,
Die sullen van Christi ontvangen sijn eeuwigh leven.
Alle die haar ooren zijn stoppende voor dat roepen der ermen,
Die sullen oock roepen, doch God sal haar niet ontfermen,
In plaats van deze rijmen ziet men thans in de regentenkamer voor den schoorsteen een stuk, dat in het jaar 1719 geschilderd werd; vertoonende de beeldtenissen der Burgemeesteren, Buitenregenten en Secretarissen van dien tijd, benevens den Binnenvader en eenen weesjongen. Tegenover deze, boven de kamerdeur zijn de Buitenvaders en Buitenmoeders, benevens de Binnenmoeder en een weesmeisje uitgebeeld. Daar de stad Zierikzee na de omwenteling van 1798 telkens met een zeer talrijk en gestadig afwisselend garnisoen belast werd, was het destijds zeer noodzakelijk, dat er voor een goed en geschikt militaire hospitaal werd gezorgd; weldra sloeg men hier toe het oog op dit Weeshuis, hetwelk dan ook dadelijk daartoe werd ingerigt, zoo dat de kinderen, welke zich daarin bevonden, moesten worden overgebragt in het hierna te vermelden armenkinderhuis. Doch, daar in volgende jaren het garnizoen aanmerkelijk verminderde, en men zich toen met een kleiner gebouw voor een hospitaal konde behelpen, werden de kinderen, nadat het Weeshuis, hetwelk zeer veel had geleden, weder op nieuw hersteld en veel verbeterd was, weder daarin overgebragt. Het getal der kinderen in dit huis bedraagt thans, zoo van de Herv., Evang. Luth., als R. K., ruim 70.
Het Armenkinderhuis, aan de noordzijde van de Hooge-Molenstraat, werd eerst in 1673, op kosten en onder het bewind van de Diakoniearmen, voor alle ouderlooze kinderen, de vereischten om in het weeshuis te worden opgenomen niet hebbende, ingerigt. Het werd in 1786 vergroot. In het jaar 1796, in een weeshuis voor kinderen van R. K. ouders veranderd, werd het in 1811, toen de kinderen uit dat huis, bij overeenkomst tusschen de Regenten en het Stads Bestuur, in het burgerweeshuis werden overgebragt, tot een Militaire Kazerne geschikt, en weder later in een Hospitaal veranderd. Na de gezegende ommekeer van zaken, in 1813, heeft men getracht dit oude gebouw voor af braak te verkoopen; doch dit niet gelukt zijnde, is het aangekocht, door het Hervormd Diaconie-Armbestuur, tot huisvesting van arme en behoeftige lieden, welke door die gemeente uit haar afzonderlijk armenfonds onderhouden, en alwaar een aantal dier lieden werkzaam worden gehouden, met het breijen vau vischnetten, waarvan de inkomsten ook gedeeltelijk tot onderhoud dier behoeftigen en voor kleeding worden besteed.
In het jaar 1585 werd hiermede een Oude Mannenhuis, in de St. Anthoniestraat, opgerigt, waartoe Adriaan Franssoon, geboren te Brouwershaven en op den 26 Junij 1576 te Zierikzee overleden, twee derden zijner goederen had gemaakt, doch de twist, ontstaan onder zijne erfgenamen, was oorzaak dat dit gedeelte van zijnen uitersten wil tot in het jaar 1585 onvervuld bleef. In het jaar 1606 werd het door Mr. Daniël Jacobi, Gecommiteerde Raad wegens Zierikzee te Middelburg, die in dat jaar overleed, aanmerkelijk verrijkt. In het jaar 1663, werd het door aanbouwing van eenige kamertjes vergroot, en ter inwoning van oude mannen zoowel als van oude vrouwen geschikt. Boven den ingang is eene schilderij eenige borststukken van oude mannen vertoonende, op welke men dit bijschrift plagt te lezen, Senectutem Honora (dat is eert den ouderdom), en daaronder;
Tot deze situatie » toont elck u gratie ,
Morghen of hede » betoont nu deught,
Sulcx als ghy heught » ‘t werdt u gheben,
Opdat werde volbracht » de meyning bedacht.
Van den fundateur mist desen
Wiens ziele present » by God bekent
In ruste moet wesen
Dit gebouw bestaat nog onder den naam van Oude Mannen- en Vrouwen Huis, hoewel het er thans niet meer voor dient. De daarin gehuisveste Proveniers, van tijd tot tijd overleden zijnde, hebben de Regenten der Godshuizen , met het toevoorzigt daarover belast, onder goedvinden van het stadsbestuur, in het jaar 1819, met de vijf, nog daarin overgeblevene, Provcniers een accoord getroffen, waarop zij, onder genot van vijf gulden ‘s weeks voor ieder persoon, gedurrende hun leven, het Oude mannen en vrouwenhuis zouden ontruimen, en zich daarvoor bij burgerlieden, van kost en inwoning voorzien. Thans worden, de onderscheidene woningen van dit gebouw, ten voordeele der stad verhuurd of aan armen ter bewoning geschonken.
Voorheen bestond hier ook een Gasthuis, in de Hooge-Molenstraat, zijnde mede een Proveniershuis, terwijl men er ook eenige hokken had, om krankzinnigen of die zich ongeregeld gedroegen op te sluiten. Van dit gebouw is thans niets weer dan de vlakke grond, waarop het zoo vele jaren heeft gestaan, overig, zijnde het, uithoofde van zijnen onbruikbaren staat en den toestand van do fondsen en die der stedelijke kas, in het jaar 1814 publiek voor afbraak verkocht.
Vroeger had men hier een afzonderlijk Huis voor de Wees- en Armenkinderen van de R, K. godsdienst. Doch in het jaar 1799 wasdit zoo bouwvallig, dat het niet dan met groote kosten te herstellen was, waartoe noch bij die gemeente, noch bij do stad, in dezen staat van zaken de vereischte fondsen voorhanden waren. Waarbij nog kwam de bedenkelijke en gevaarlijke ziekte, waardoor een aantal kinderen in dat huis aangetast werden. Dit alles deed de Regering besluiten, om in dezen zich het lot dier ongelukkigen aan té trekken, en hen provisioneel en tot eene geschiktere gelegenheid te doen overbrengen in het zoogenaamde Oudemannen- en Vrouwen-Visschershuis; terwijl de tien vrouwen, welke zich in hel laatstgemeldc huis bevonden, naar het gasthuis zouden worden overgebragt. Naderhand, en tot op de vereeniging van het R. K. met het Hervormde Weeshuis, werden die kinderen gehuisvest in het voormalige Arm-kinderenhuis. Thans dient het voorm. R. K. weeshuis tot armengesticht dier gemeente.
Het zoo even vermelde Oudemannen- en Vrouwen-Visschershuis, in den Wevershoek; was oudtijds een woest gebouwd hof, met boomgaard, tuin en eene reeks van gebouwen bezet, weleer bewoond door Adolf van Kleef, Heer van Ravestein; wien het ook in eigendom toebehoorde. Naderhand is het aan de stad gekomen, en van stadswege aan het visschersgild vergund, om door oude mannen en vrouwen van dat bedrijf bewoond te worden. Thans genieten er nog eenige oude lieden vrije inwoning. De boomgaard en hoven, daaraan behoord hebbende, zijn, in het jaar 1617, van. stadswege uitgegeven en verkocht, om betimmerd te worden; terwijl een gedeelte van het gebouw, dat in de Ravestraat uitkwam, de voormalige Schotsche kerk, zooals wij hierboven (bl. 185 en 200) gezien hebben, in 1715, aan de Luthersche gemeente geschonken is.
Even buiten de stad, bij de Noordhaven-poort, stond vroeger een oud proveniershuis, het Leprozenhuis geheeten. In het jaar 1655 werd door de Regering besloten, dat het in een Pesthuis zoude worden veranderd, en het St. Rochushuis, toen dienende voor een Pesthuis, in het midden der stad staande, daarentegen in een Proveniershuis. In het jaar 1661 wasdit Proveniershuis reeds in aanmerkelijk verval en ten achteren geraakt, waarom, tot betaling van zijne schulden , eenige landen, daaraan toebehoorende, verkocht werden. In het jaar 1675 vond de Regering goed dit Proveniershnis te vernietigen, de kapitalen en renten daarvan, ten laste van de stad, der stad toe te eigenen, en de goederen tusschen het gasthuis en het arm-kinderhuis te verdeelen, hetgeen in het jaar 1679 volbragt werd. Dit gebouw is later afgebroken.
Men heeft te Zierikzee ook eene Kommissie ter spijs uitdeeling des winters, aan behoeftigen; eene werkscbool, waarin aan arme kinderen kosteloos onderwijs in naaijen en breien wordt gegeven, en eene werkplaats van liefdadigheid; voorts eene Afdeeling van het Bijbelgenootschap, eene afdeeling van het Tractaatgenootschap, en een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, dat den 14 Julij 1797 is opgerigt, en ruim 100 leden telt.
In 1798 werd te Zierikzee geboren Mr. Pieter Mogge van Renesse, die met roem, niet alleen bij herhaling de burgermeesterlijke waardigheid in zijne geboortestad heeft bekleed, maar ook in aanzienlijke Staatscommisiën is geplaatst en zelfs Lid der Staten-Generaal is geweest. Deze zeer rijke Regent overleed kinderloos den 6 November 1756 te 's Gravenhage, en vermaakte, bij uitersten wil, aan zijne geboorteplaats de aanzienlijke som van 420,000 gulden, met het doel om binnen hare muren eene Hoogeschool te stichten, of, bij aldien de Staten van Zeeland, binnen de drie jaren na zijn overlijden, daartoe geene vergunning verleenden, op het grondgebied der stad een Armkinderhuis op terigten, dat ten minste 18,000 gulden moest kosten en bestemd zoude zijn , om daarin tot, den ouderdom van twintig jaren, alleen kinderen te onderhouden van overledene onder-officieren, ruiters en soldaten, die tot hun overlijden in eene der regimenten van den Staat, staande ter repartitie van de provincie Zeeland, zouden gediend hebben, maar noch van het eene, noch van het andere ontwerp is iets tot stand gekomen; voor het laatste hebben wij geene duidelijke oorzaken kunnen opsporen, docb voor het eerste schijnt de naijver van Holland allerlei hinderpalen tegen het tot stand brengen van dat plan te hebben in den weg gelegd, waarschijnlijk uit vrees, dat de Leydsche Hoogeschool daardoor te veel nadeel zoude lijden, want hoewel de Staten van Zeeland de souvereiniteit in hunne provincie in den volsten zin uitoefenden, zoo waren zij echter door den band van de Unie van Utrecht, met de andere provinciën verbonden, hetgeen aanleiding gaf, dat de Zeeuwsche Staten goedvonden, zich over deze zaak tot de Staten-vergadering van het destijds magtige Holland te wenden. Intusschen is van tijd tot tijd door de stedelijke Regering, ten nutte der stad, van de renten van dit aanzienlijk legaat gebruik gemaakt, hetwelk door de ongelukkige omstandigheden der tijden zeer heeft geleden. Echter is nog eene aanzienlijke hoofdsom daarvan overgebleven, waarvan de renten nog heden ten dage de geschokte financiën der stad schragen en ondersteunen.
De Latijnsche school schijnt reeds vroeg te zijn opgerigt en reeds in een privilegie van Willem van Henegouwen, van het jaar 1304, gedacht te zijn. Zij werd weleer gehouden in zeker huis, staande in St. Lievensstraatje, aan de noordzijde van het kerkhof, hetwelk ook een geruimen tijd tot eenen Lombard heeft gediend. In het jaar 1622 werd ze in een ander huis van de stad in de St. Antonie-straat overgebragt, daar ze nog heden gehouden wordt. In den voorgevel van het huis door den Rector bewoond, ziet men het stadswapen van arduinsteen en boven de voorpoort van de school, de spreuk van den Latijnschen dichter Horatius: Coelo musa beat (d. i. de Muzen beschenken met den Hemel), met het jaartal anno 1622, 4/2, Aan deze school wordt door eenen Rector en eenen Corrector, thans aan 4 leerleerlingen onderwijs gegeven.
Aan de Teekenschool worden door twee onderwijzers aan ongeveer 50 leerlingen onderwijs gegeven.
De Fransche kostschool voor jonge heeren, in Poststraat wordt door 60 leerlingen, bezocht; de Fransche kostschool voor jonge jufvrouwen, op de noordzijde van de Oude-Haven, telt 20 leerlingen; de drie Nederduitsche scholen, tellen gezamenlijk ongeveer 300 leerlingen; de Partikuliere scholen, waaronder de Zondagschool voor volwassenen en zeven zoo Matressen- als Brei - en Naaischolen, 240 leerlingen; de Stads-Armenschool ruim 300 leerlingen en de beide bewaarscholen ruim 200 leerlingen.
Voorheen moet men ook twee Schuttershoven gehad hebben, een in den Wevershoek, waarvan de grond in het jaar 1617 van stadswege uitgegeven en verkocht is om betimmerd te worden, en eene buiten de Hoofdpoort, vroeger naar dezen hof de Schutterspoort geheeten, welks gronden reeds sedert onheugelijke jaren tot weilanden zijn aangelegd.
Zierikzee heeft de volgende verrmaarde mannen in hare wallen zien geboren worden:
De Godgeleerden. Balduinus Henrici (Boudewijn Hendriksz.) die in het midden der vijftiende eeuw Hoogleeraar in het kanoniekeregt te Leuven was: Mr. Ewoud Teellinck, † in 1629, als Ontvanger-Generaal van Zeeland; diens broeder Willem Teellinck, geb. in 1580, † 8 April 1629, als Predikant te Middelburg; Nicolaas Janssenius Boy, † 21 November 1634, als zendeling van den Roomschen stoel bij het Rijk van Denemarken; diens broeders Cornelis Janssenius Boy, † 11 October 1637, als Pastoor te Monnickendam, en Dominicus Janssenius Boy, † 14Maart 1647, als Apostolische zendeling te Amsterdam; Martinus Bruynvisch, †.in 1661, als Predikant in zijne geboorteplaats; diens zoon Adriaan Bruynvisch; geb. 10 Februarij 1628, † 9 Maart 1676, als Predikant te Zierikzee, Galenus Abrahamsz., geb. 8 November 1622, † 19 April 1706, als Leeraar bij de Doopsgezinden te Amsterdam, en Johannes Plevier, geb. 26 October 1685, † 16 Julij 1762, als Predikant te Middelburg;
De Regtsgeleerden: Petrus Peckius (Pieter Peck) geb. in 1529, † 17 Julij 1589, als Raadsheer in den Hoogen Raad van Mechelen, na-eerst Hoogleeraar in het kanonieke regt aan de Hoogeschool te Leuven te zijn geweest, en Anthony de Jonge, Heer van Bruinisse, uit bel midden der zeventiende eeuw;
De Staatsmannen; Mr. Lieven Jansz.. Keersemaker, geb. 19 April 1528, † 21 October 1615, na onderscheidene hooge staatsambten met eere te hebben bekleed; Mr. Cornelis Stavenisse, † in Mei 1649, als Raadpensionaris van Zeeland; Mr. Justus de Huybert, † in 1682, na Ambassadeur aan het Hof van Frankrijk te zijn geweest; Mr. Jacob Verheije, geb. 7 Augustus 1640, † 16 Augustus 1718, na Raadpensionaris van Zeeland te zijn geweest; Mr. Bonifacius de Jonge van Oosterland, als Raadpensionaris van Zeeland, en Mr. Pieter Mogge van Renesse, gedoopt 3 Januarij 1699, † 6 November 1756, als Afgevaardigde van Zierikzee ter vergadering der Algemeene Staten, een man, die, zoo als wij hier boven hebben gezien, nog als de weldoener zijner geboortestad beschouwd wordt;
De dappere Zeekapitein Joos van den Ende, uit de zestiende eeuw;
De Genees-, Heel-, Natuur- en Kruidkundigen: Levinus Lemnius, geb. 20 Mei 1505, † 1 Julij 1568, als Geneesheer te Zierikzee; diens zoon Guilielmus Lemnius; † in 1586, als Lijfarts van Eric XIV , Koning van Zweden; Jason Pratensis of à Pratio, eigenlijk Van de Velde, ook Van der Meesche en de Praert genoemd † 22 Mei 1558 , Cornelis Lyense, geb. in 1580, † 3 Januarij 1636; David Plaseer, die in het begin der zeventiende eeuw leefde, † als Geneesmeester te Antwerpen, Engelbertus Capucel, geb. 17 September 1642, † 14 Mei 1676, Jacobus Smeur, uit het laatst der zeventiende eeuw; Job Baster, geb. 2 April 1711, † tusschen 6 en 7 Maart 1775, en Joost van der Wissel, geb. 18 Januarij 1777, † in April 1846, als Heel- en Vroedmeester te Haarlem;
De Kronijkschrijver Amandus Zirizaeus (Amandus van Zierikzee), † 8 Junij 1334;
Den Geschiedkundige Nicolaas van der Schatte, † den 25 October 1780, als Griffier en Pensionaris Honnorair in zijne geboorteplaats;
De Latijnsche Letterkundigen: Petrus Guterus, † in 1634, en Anthony Clement, † in 1651;
De Latijnsche Dichters: Cornelis Psychroeclesius, die in het begin der zestiende eeuw leefde; Jacob Suys Heer van Grijsoord, † in 1592; Adriaan Hoffer . Heer van Bommenede, geb. 24 Mei 1642, die ook een zeer bekwaam Nederduitsch dichter was; diens zoon Mr. Rochus Hoffer; Rochus Mogge, † in 1656, en Mr Cornelis Boy of Boey, die mede de Nederlandsche lier handteerde, † 2 Februarij 1665;
De Nederduitsche dichters, Pieter Antony de Hubert, geb. 24 Mei 1589, † 11 Mei 1644, Cornelius van der Port, uit het begin der achttiende eeuw; Reinier Telle, meer bekend onder den naam van Reynerus Vitellius, geb. in 1558, † in 1618, en Jan Macquet, geb. in 1751, † in 1798;
De Teekenaar Pieter Vogelaer, geb. omtrent de helft der zeventiende eeuw, † omstreeks 1750;
Ook was de Dichteres Cornelia Ewouds Teellinck hier in het laatst der zestiende eeuw geboren. Zij overleed in het begin der zeventiende eeuw naauwelijks 25 jaren Oud.
Toen na de dood van Graaf Dirk VII, voorgevallen in het jaar 1203, Lodewijk, Graaf van Loon, Graaf Willem, broeder van Dirk, uit Holland verdreef, vlugtte deze binnen Zierikzee, waar hij van de gemeente met blijdschap ontvangen werd. Van daar trok hij, door den Raad van Zeeland geholpen, met een magtig leger, onder hetwelk vele Zeeuwen, die men, wegens hunne woede in den krijg, voor Zeeuwsche wolven uitkreet, naar Holland, en verjoeg, op zijne beurt, den Graaf van Loon uit het land.
Onder de regering van Floris V, Graaf van Holland, dus tusschen de 1255 en 1296, hebben de ingezetenen van Zierikzee die van Middelburg, gewapenderhand bestreden. Omtrent de reden van dezen inlandschen oorlog heeft men geene zekerheid. Dit weet men, dat deZierikzeenaren, deze hunne onderneming met 1200 ponden (7200 guld.) aan den Graaf hebben geboet; hetgeen blijkt uit eenen Latijnschen brief van het jaar 1280, waarin de Graaf die som bekent ontvangen te hebben en die van Zierikzee vergiffenis verleent. Naderhand zijn er nog groote oneenigheden tusschen die van Zierikzee en andere Steden van Zeeland gerezen, welke ook tot dadelijkheden schenen te zullen uitbarsten. De evengemelde Graaf Floris beval daarom aan Jan van Renesse en andere goede lieden van Zeeland, dat zij de Zierikzeenaren in rust zouden laten, tot dat hij uit Engeland zoude zijn wedergekeerd. Bij aldien iets daartegen gedaan werd, gaf hij hun vrijheid, zich te weer te stellen en alle onregt te keeren. Waarschijnlijk hebben de Zierikzeenaars dien Graaf, toen hij met zijne vloot voor hunne stad lag, om Middelburg, door de Vlaamschen belegerd, te outzeilen, den vereischten onderstand verleend, hetwelk hem zal bewogen hebben om hun de vrijheid te verleenen, van door alle zijne landen, zoover de tollen hem toebehoorden, hunne eigen waren tolvrij te vervoeren.
In het begin der volgende eeuw zag het er voor Zierikzee zeer donker uit, wegens de herhaalde belegeringen, welke deze stad van de Vlamingen, in hunnen langdurigen oorlog tegen de Hollanders, heeft moeten uitstaan. Jonker Willem, zoon van Graaf Jan van Avesnes, door de Vlamingen geslagen, had zich, na dat Middelburg aan hen was overgegaan, naar Zierikzee begeven. Doch Guy Graaf van Vlaanderen, volgde hem eerlang op de hielen en ondernam insgelijks, het beleg van deze stad, zich vleijende dit kraaijennest (zoo snorkte men in het Vlaamsche leger over de zwakheid der stad) welhaast in zijn geweld te zullen krjjgen. Hij landde op Duiveland, van waar men ligt op Schouwen kon komen. Eene groote hoop Vlamingen, sedert, zoo stil mogelijk, overgezet, nadert de stad, met oogmerk, om die bij verrassing in te nemen. Doch de burgers, op hunne hoede zijnde, rukten, eer men het vermoeden kon, verscheidene poorten uit, en vielen met zooveel felheid op de Vlamingen aan, dat deze grootendeels, of door het geweer der Zierikzeesche poorters of in het water omkwamen. De Zeeuwsche ballingen, die zich onder de Vlamingen bevonden, hadden zich zoowel buiten het heetst van het gevecht weten te houden, dat geen enkele van hen sneuvelde. Dit geschiedde op den 1 Mei 1305. Guy het beleg stakende, vertrok naar Holland, alwaar eerlang tusschen hem en Willem een bestand getroffen werd, tegen den zin der gemeente. Onder anderen werd bedongen, dat Zierikzee, gedurende het bestand, niet meer zoude versterkt worden, dan het was ten tijde van het sluiten des bestands. Het bestand was zoodra niet geëindigd, of die van Zierikzee deden weder eenen uitval; maakten zich. stormenderhand meester van de Sterkte Blodenburg, die met Vlamingen bezet was, en sloegen alles dood.
In de stad wedergekeerd ontboden zij Jonkheer Willem uit Holland, die spoedig met zijn volk binnen Zierikzee gekomen, met de burgers in het land trok, en Jan van Renesse, die zich met de Vlamingen daar onthield, op de vlugt sloeg. Waarop acht en veertig Edelen tot Ridders werden geslagen, onder welke Witte van Haamstede, natuurlijke zoon van Floris V, wiens kloekmoedig beleid, zoo in Holland als binnen deze stad gedurende hare belegeringen betoond, den Graaf zeer te stade kwam. Beducht voor eenen nieuwen aanval versterkten zij de stad zooveel zij konden. De Vlamingen kwamen ook eerlang, vergezeld van Jan van Renesse en eenige Zeeuwen, weder af met eene vloot op de Gouwe. Zij sloegen zich neder in Duiveland. Willem en Guy, Bisschop van Utrecht, broeder van Graaf Jan, kwamen mede met vele schepen en volk uit Holland. Toen de vloot Duiveland genaderd was, sprong het volk al te driftig en zonder orde aan land. De vijand, hier lucht van hebbende, ging des nachts op het Hollandsche leger af en, begunstigd door de duisternis, tastte hij het onvoorziens zoo hevig aan, dat eene groote menigte van de beste manschap verslagen werd, en vele dergenen, die naar de schepen vlugtten, in zee verdronken. Van den voornaamsten adel sneuvelden er niet weinig in het gevecht, velen werden ook gevangen. Onder de laatsten bevond zich Bisschop Guy zelf. Willem, met eenigen vaa de zijnen ter naauwernood ontsnapt, kwam binnen Zierikzee. Deze slag viel voor in het jaar 1304, des Vrijdags vóór Palmzondag. Den volgenden dag deed Guy Graaf van Vlaanderen, door zijn volk, Zierikzee opnieuw omsingelen. De stad werd scherp aangetast. Die van binnen stelden zich met vernieuwde kloekmoedigheid te weer. Dit duurde twaalf dagen, wanneer Guy het beleg wederom staakte en met zijne Vlamingen naar Holland vertrok. Willem trok, na gehouden beraad, met die van Zierikzee, van daar ook naar Dordrecht, om, ingeva1 eene nieuwe belegering tegen Zierikzeer mogt worden ondernomen, niet weder ingesloten te worden, en uit Holland de stad te beter bijstand te kunnen verleenen. Vóór zijn vertrek maakte hij Boudewijn van Yerseke Stadvoogd, hem Jan van Kruiningen als Raadsman toevoegende. Te Borrendamnne, een dorp toen niet ver van Zierikzee gelegen, ontstond middelerwijl een groote brand, waardoor het slot of heerenhuis voor een gedeelte in asch werd gelegd. De burgers van Zierikzee togen des anderen daags uit, en vernielden hetgene de vlam van het slot had overgelaten, omdat het wegcns zijne nabijheid de stad doorgaans hinderlijk, en de Heer van Borrendamme den Graaf zeer vijandig was. De stedelingen konden nu weder adem scheppen, maar mogten dat geluk niet lang genieten, want Guy, in Holland, omtrent IJsselmonde, eene nederlaag geleden hebbende, kwam weder naar Zeeland afzakken; zijne overgeblevene manschap; werd met eene talrijke menigte Zeeuwen en Vlamingen versterkt. Met dit leger zette hij weder aan op Zierikzee, om zijne geleden nederlaag aan deze, stad te wreken. Guy, om het beleg van onderscheidene kanten tevens voort te zetten, besloot de haven met korenschoven toe te dammen, en langs, den dam de stad te naderen. Nadat de haven toegedamd was, sloeg Guy zijn leger rondom de stad, die ten naauwsten besloten houdende. Twee blijden, welke steenen van driehonderd pond wierpen, werden eene ten Noorden en ééne ten Zuiden van de haven opgerigt. Doch die van binnen ook wel voorzien van blijden, dreven de steenen, die op hen afkwamen, den vijand weder toe, somtijds met aanmerkelijke schade aan zijne stormgevaarten. Onder dezen bedienden zich de Vlamingen van geweldige groote katten, op welke de blijden geplaatst werden, en van hooge evenboogen, van welke men pijlen schoot. Het gelukte den belegerden sedert, door middel van fakkels aan pijlen vastgemaakt, brand te schieten in eene groote kat, die geheel verteerd werd. De vlam sloeg zoo hoog, dat men ze in Holland, tusschen Vlaardingen en Schiedam, duidelijk zien konde. De belegeraars, de stadsgrachten gevuld hebbende, bestormden van tijd tot tijd de poorten en muren, doch zij werden gedurig met zwaar verlies afgeslagen en teruggedreven. De Zierikzeesche vrouwen toonden ook haren moed bij deze gelegenheid, dragende den mannen; steenen aan , en zich benaarstigende om den brand, die door het fakkelschieten in de stad werd verwekt, spoedig te blusschen, of om den voortgang van de vlam te stuiten, door het omverhalen der brandende huizen. De belegeraars , geen kans ziende, om de stad stormenderhand te bemagtigen, besloten haar uit te hongeren. Het langdurig beleg had er den voorraad reeds aanmerkelijk doen verminderen, zoo dat de beesten met het dak- en bedstroo en het verrotte graan uit de stadsgracht, hetwelk met, levensgevaar naar binnen gesleept werd, gevoed moesten worden. De belegerden van hunnen nood aan Jonkheer Willem kennis gegeten hebbende, bewogen hem om in aller ijl heirvaart ïn Holland te beschrijven en eene vloot te Schiedam in gereedheid te doen brengen. Jonkheer Willem zond nu ook aan den Franschen Admiraal Grimaldi — die reeds in persoon hier geweest, doch wederom vertrokken was, en nu met de vloot nog bleef sammelen — om hem tot het spoedig voortzetten der reis aan te sporen. Eindelijk zag men Grimaldi met de Fransche vloot de Maas inloopen tot voor Schiedam, alwaar hij van Jonkheer Willem met blijdschap verwelkomd werd. Men besloot geen lijd te verzuimen om Zierikzee te ontzetten. De Hollandsche vloot, voor Geervliet liggende, was reisvaardig, Grimaldi hield zich derhalve niet lang in Holland op; maar den voortogt nemende voer bij langs het water Bernisse tot in het Haringvliet; werwaarts hem de Hollandsche vloot volgde. Een hevige storm hield de vloten hier drie etmalen op; waarna zij westwaarts koers zettende, en toen wendden, om langs het eiland Overflakkee, de Grevelingen te bereiken. Hier in het gezigt van Zierikzee gekomen, vuurden de vlotelingen van de toppen der masten, om den belegerden kennis van hunne aankomst te geven, hetwelk uit de stad, met vuren beantwoord werd. Zoo groot was thans de stilte, dat de vloot naauwelijks een boogscheuts weg, op eenen dag, afleggen kon. Eindelijk geraakten de schepen, Zonnemaire en den hoek van Dreischor voorbij gevaren zijnde, tot aan Bettewaarde in Duiveland, digt onder Zierikzee, alwaar zij het anker lieten vallen, na volle veertien dagen op de stroomen te hebben gesukkeld. Midderwijl gebrek aan mondbehoeften gekregen hebbende, wachtten de vlotelingen met smart naar den voorraad, die hun uit Holland moest toegevoerd worden, doch den Vlaamschgezinden Zeeuwen, die onderscheidene ligt gewapende koggen in het vaarwater hielden, gedeeltelijk in handen viel. De Fransche galeijen, sedert jagt makende op deze koggen, zuiverden er de Zeeuwsche stroomen volkomen van. In het bijzonder vindt men gemeld, dat zij, door de Hollanders geholpen, hen op Zondag 9 Augustus op strand jaagden. Guy van Vlaanderen, bij tijds kennis gekregen hebbende van de nadering der vereenigde vloten, liet tien duizend man rondom Zierikzee leggen, en begaf zich, met het overige gedeelte van zijn volk, aan boord zijner schepen, die voor de stad ankerden. Op den tienden Augustus raakten de vloten aan elkanderen, op de Gouwe, tusschen Schouwen en Duiveland, niet ver van Zierikzee; doch doordien de eb, den Admiraal Grimaldi noodzaakte af te houden, geraakten er eenige schepen op eene droogte voor de stad, alwaar zij, tot dat de vloed op kwam zetten , bleven zitten, en ter naauwernood het gevaar van eenen vijandelijken brander, welke er op afgezonden werd, ontkwamen. De Admiraal en Jonkheer Willem, hadden besloten het gevecht niet voor 's anderen daags te hervatten; doch met het wassen van het water tegen den avond, kwam de vijandelijke vloot op hen af. Terstond werden de vereenigde vloten in slagorde gesteld, en van de Hollandsche eerst uit zestig oestelen (Oestelen of ostelen, eene soort van schietgeweer, waarmee men zeer groote pijlen schoot) en twee honderd bank armborsten, op den vijand geschoten. De blijden, waaruit men zware steenen wierp, werden ook zoolang het konde, gebruikt. De Vlamingen bleven de onzen niets schuldig. Elken oogenblik zag men de lucht vervuld van eenen zwerm pijlen, welker gesnor, zoowel als het geraas van het steen werpen, eene mijl ver gehoord konde worden. Het was den Vlamingen in den eersten aanval gelukt, drie van onze schepen te bemagtigen, waarop zij eene geweldige slagting aanrigtten, De Hollanders vermeesterden een Vlaamsch schip, hetwelk een gelijk lot onderging. Grimaldi gaf toen bevel de Vlaamsche vloot aan boord te klampen. Ter zelfder tijd raakten vier zijner schepen, die aan den grond gezeten hadden , door hel hooge getij weder vlot, en gingen terstond op den vijand los, dien men, binnen zijn boord met allerlei handgeweer, zelfs met brandende lonten, hevig te keer ging. Jonkheer Willem, ondertusschen tijding krijgende, dat een gedeelte der vloot, noordwaarts van hem af, in een scherp gevecht gewikkeld was, bereidde zich om hulp te bieden. Grimaldi bemagtigde middelerwijl ook onderscheidene Vlaamsche schepen, en deed een deel anderen naar den mond der Schelde wijken, welken zij, door tegenwind, echter niet bereiken konden. Het was nu reeds over middernacht, toen de overwinning zich volkomen voor de onzen verklaarde. De Vlaamsche schepen waren genomen of verstrooid. Sommigen zaten op het strand; weinigen lagen hier en ginds ten anker. Jonkheer Willem werd nevens zich een groot schip gewaar, voerende de Vlaamsche vlag en hetwelk men naderhand geloofde het schip van Heer Guy te zijn geweest, doch toen hij het aan boord wilde klampen, kapte het zijn ankertouw en dreef met de eb gelukkig voorbij, Den volgenden dag, zijnde den 11 Augustus, werd onze vloot met vreugdegejuich en pijpengeschal verwelkomd en terstond besteed, om de vijandelijke schepen verder te bemagtigen of te vernielen. Guy van Vlaanderen lag nog met vijf schepen in de Gouwe, doch Grimaldi, met vier galeijen, op hem af ziende komen, haalde hij de zeilen in top, en trachtte, zoo het scheen, hem te ontwijken. Grimaldi belette hem dit, en hem aan boord geklampt hebbende, viel er een hevig gevecht voor, hetwelk omtrent den middag eindigde met het gevangen nemen van Heer Guy, die sedert naar Frankrijk gevoerd werd. Dit maakte een einde aan den strijd. Ook werd het terstond gevolgd van de verlossing van Zierikzee. De Vlamingen verlieten, hals over hoofd, de stad, en verborgen zich grootendeels in de duinen van Schouwen. De voorraad van mond- en krijgsbehoeften, die zij achterlieten, werd door de poorters naar binnen gehaald. Jonkheer Willem, die in zeventien etmalen niet uit de wapenen was geweest, begaf zich terstond naar de stad, om uit te rusten. Hij deed vergiffenis afkondigen voor 's Lands ballingen, die zich aan hem zouden onderwerpen. Sommigen bewilligden daarin, doch anderen vlugtten buiten 's lands. Middelerwijl ontstond er een gerucht, dat er zich nog vele Vlamingen in de duinen van Schouwen ophielden. Willem deed twee galeijen voor het land kruissen, opdat geen Vlaming met eenig vaartuig zou kunnen vlugten, terwijl hij te land manschap op hen afzond. Deze menigte, welke nu de schrik in het hart geslagen was, gaf zich in het Palinksdal als krijgsgevangenen over, vanwaar zij naar de stad gebragt, in kerken en kloosters opgesloten en daarna, tegen Hollandsche gevangenen, uitgewisseld werden. Guy van Vlaanderen werd ook tegen Guy van Avesnes, den twee en veertigsten Bisschop van Utrecht, te Valenciennes gevangen, overgegeven. De Bisschop, dus in vrijheid gesteld , kwam bij zijnen neef binnen Zierikzee. De dag van het ontzet, zijnde de dag na St. Laurens of den 11 Augustus, werd sedert door de ingezetenen met eenen algemeenen omgang over de Breede- of Gasthuisbrug en om de stad, jaarlijks zeer plegtig gevierd, hetgeen echter bij de Hervorming, nevens andere kerkelijke plegtigheden van dien tijd, werd afgeschaft.
Tot in het, jaar 1312 waren de Tempelheeren of Tempelieren te Zierikzee in groot aanzien, en hadden er een deftig huis of klooster maar toen in het zelfde jaar, op het besluit der kerkvergadering te Vienne, die orde in de landen en rijken van Europa, Frankrijk, alleen uitgezonderd, daar zij reeds, op last van Filips den Schoone in het jaar 1507, waren omgebragt, hetzij om de baldadigheden en gruwelen, die men hen ten laste legde, hetzij omdat hunne magt, den Paus en Vorsten zelfs, te schrikkelijk geworden was, werd uitgeroeid, trof hen ook die slag binnen deze stad- Zij werden allen op éénen nacht, door de Regering, daartoe bij eenen brief op lijfstraffe aangeschreven, met behulp van stadsarbeiders en andere bedienden, in hun klooster overvallen en gedood, uitgezonderd twee, die, zoo men zegt, in een slecht huis zijnde, daardoor dezen dans gelukkig ontsprongen.
Bij het ontstaan der Hoeksche en Kabeljaauwsche tweespalt, in het jaar 1350, hield Zierikzee, in de geschillen tusschen Vrouw Margaretha en haren zoon, de zijde van de eerste. Willem deed ondertusschen vele pogingen, om de Zierikzeenaren tot zijne partij over te halen. Hij beval bij zijne brieven, gegeven na St. Pietersdag, in het jaar 1351, wel scherpelijk zich niets te onderwinden, dan op zijnen naam, op verbeurte van lijf en goed. Daarbij verleende hij vrijgeleide voor zestien personen, om bij hem te komen aanhooren het regt, dat hij op de landen van Holland en Zeeland meende te hebben. Dan, de afstand van de landen van Holland en Zeeland en Friesland, waartoe Vrouwe, Margaretha, in het jaar 1354, genoodzaakt werd, maakte een einde aan deze geschillen tusschen moeder en zoon.
In het jaar 1385 hielden de Monniken zeer slecht huis binnen Zierikzee. Een Monnik, genaamd Dirk Oudergeest, van de orde der Minderbroeders, werd door een zijner medebroeders doorsloken. De stads Overheid deed te dier oorzake alle Monniken van die orde de stad ruimen, en, stelde zich in het bezit van hunne kloostergoederen. Na verloop van vier jaren werden er weder een andere Prior en Monniken in het klooster toegelaten; maar daar deze, door hun verkwistend gedrag, de renten en inkomsten des kloosters doorbragten, werd, na het veranderen der Wethouderschap, op het aanhoudend verzoek van de vrienden der uitgestotenen, besloten , dat diegenen, die van de verdrevenen nog over waren, weder naar het klooster zouden keeren. De anderen, hiervan de lucht gekregen hebbende, pakten zich bij nacht heimelijk weg, beroovende het klooster van boeken, kelken, vaten en andere kerksieraden, die nog overgebleven waren.
Omstreeks het jaar 1386, toen Karel I,, Koning van Frankrijk, de,Gentenaren tot vrede gedwongen hebbende, voornam de Engelschen, die hen ondersteund hadden, in hun eigen land te bestoken, en tot dien togt, ook hij de Hollanders en Zeeuwen, beide schepen en manschappen tracbtte aan te werven, wezen die van Zierikzee, af keerig van. alle krijgstoerusting tegen een Vorst, met welken het land in bondgenootschap stond, de Fransche werving in hunne stad volstrekt van de hand; terwijl Dordrecht, Middelburg en andere Zeeuwsche en Hollandsche steden, zich door Albrecht van Beijeren in dien oorlog latende inwikkelen, den Franschen alles toestonden. Deze weldaad bragt bij den Engelschen Koning zoo veel te weeg, dat, als in het volgende jaar, de vloot van Vlaamsche, Hollandsche en Zeeuwsche koopvaarders, meest met wijnen beladen, door de Engelschen genomen werd, den Zierikzeenaren hunne ontnomene schepen en goederen terug werden gegeven. Op het einde dezer en in het begin der volgende eeuw bloeide de scheepvaart dezer stad dermate, dat zij, naar het verhaal van sommigen, in menigte en grootte van schepen, boven alle steden en zeeplaatsen van Nederland heeft uitgemunt, zoo dat de Hollandsche en Waterlandsche schepen in dat opzigt moesten achterstaan.
Onder dezen voorspoed trof Zierikzee, in het jaar 1414, eenen zwaren slag door eenen fellen brand, die bijna de helft der stad verteerde. In het jaar 1420 begon men, op last van Vrouwe Jacoba, de afgebrande huizen weder te herbouwen.
Toen, in het jaar 1425, Jonkheer, Jacob van Gaesbeek, met behulp van de meeste Hollandsche en Zeeuwsche steden, de stad Schoonhoven, die het met Vrouwe Jacoba hield, belegerde, weigerden die van Zierikzee, benevens de steden Gouda, Oudewater en Brielle, zich tot die belegering te laten gebruiken. En toen zij nog in het zelfde jaar, genoodzaakt de sterkste zijde te kiezen, aan Hertog Filips van Bourgondië, als Ruwaard over Holland en Zeeland, hulde en eed deden, bedongen zij, dat zij niet verpligt zouden worden, buiten hunne stad gewapend te reizen tegen zijne nicht Vrouwe Jacoba. Echter ondersteunden zij hem in den bloedigen slag tegen den Hertog van Glocester, in het volgende jaar, op het eiland Schouwen, tusschen Brouwershaven en Oud-Dreischor, geleverd, met zoo goeden uitslag, dat bij zegepralende daaruit terug kwam, ofschoon van wederzijden een groot getal, en onder dezen onderscheidene Edelen, in den strijd gesneuveld waren. Zeven jaren daarna werd hij, zoo binnen deze stad als in andere steden van Zeeland, met veel praal ingehaald en tot Graaf van het land gehuldigd.
In het jaar 1456 gaven die van Zierikzee een bijzonder blijk van getrouwheid aan dezen Graaf. Na eenen zwaren en langdurigen oorlog, werd op dien tijd de vrede getroffen tusschen Karel VII, Koning van Frankrijk , en Hertog Filips. De Engelschen, die, met den Hertog, gelukkig tegen de Franschen hadden gestreden, weigerden in dien vrede toe te stemmen. Om dien te verijdelen trachtte Hendrik IV, Koning van Engeland, door zijne brieven eenige steden tot opstand tegen Filips te brengen. Hij schreef daartoe ook aan die van Zierikzee; maar deze, verre van dien Vorst daarin te wille te zijn, ontdekten 's Konings pogingen aan Hertog Filips, hem daartoe den brief des Konings voorhoudende, waarover Filips dermate in toorn ontstoken werd. dat hij ondernam, met behulp der Zeeuwen, Calais, toen in de magt der Engelschen, te belegeren, waar hij echter onverrigter zake moest aftrekken.
In of na het jaar 1484 verloor Zierikzee een zoo groot aantal scheepen en volk ter zee, dat op eenen nacht, meer dan vijfhonderd vrouwen binnen deze stad daardoor tot weduwen gemaakt werden, boven en behalve de ongehuwde manschap, meest allen inboorlingen, welke in dien storm het leven lieten.
In het jaar 1458 werd de stad wederom door eenen hevigen vuurnood aangetast, die het beste en grootste gedeelte aan de zuidzijde, met het Beggijnhof en het Predikheerenklooster, twee deftige gestichten, verteerde.
Naauwelijks had men de afgebrande huizen weder opgebouwd, of bijna een derde gedeelte der stad met hare voortreffelijke hoofdkerk en andere gestichten, werd in asch gelegd. Dit ongeluk werd op kersmis avond in het jaar 1466, door den bliksem veroorzaakt.
In het jaar 1468 stierven er vele menschen binnen Zierikzee aan de pest; zoodat Hertog Karel, van Bourgondië, uit dien hoofde, buiten de stad op den dijk van Borrendamme werd gehuldigd.
In Augustus 1472 was er eene hevige opschudding gerezen over het invoeren van nieuwe accijnsen. Heer Jan Simonszoon, Priester, en Michiel van Heenvliet en Kattendijke, Baljuw van Zierikzee en Schouwen, werden, terwijl zij op het stadhuis, met de Wethouderschap, over het heffen der nieuwe accijnsen, in onderhandeling waren, door eene woeste menigte poorten met knodsen, pieken en messen gewapend, overvallen, van het leven beroofd, en dood uit de vensters op straat gesmeten. Het aanschouwen van deze gruwelen deed den gebeden Raad sidderen van vrees. De Schout smeet zijne roede, het teeken zijner waardigheid, uit de hand. Ook wierpen de Burgemeesters de sleutels der stad voor de voeten der poorters neder. Allen baden zij de vertoornde gemeente om lijfsgenade, die hun eindelijk vergund werd. De poorters, de schoutsroede en de sleutels der stad opgenomen hebbende, stelden , terstond hierna eenen Schout aan naar hunnen zin en bevalen den oudsten en bekwaamsten gildebroeders de Regering der stad. De Hertog, kennis van dit oproer hebbende gekregen, zond zijnen natuurlijken broeder Antonie, gemeenlijk de Groote bastaard van Bourgondië genaamd, en Adolf van Ravestein, broeder van Jan, Hertog van Cleve, herwaarts, om er onderzoek naar te doen. Antonie en Adolf door den Heer van Vere geholpen, deden eenige der hoofden vatten en onthalzen. De meeste anderen waren gevlugt. Men liet zich verluiden dat de Hertog alle de ingezetenen des doods schuldig hield, en de stad tot een puinhoop wilde gemaakt hebben. Doch deze bedreigingen strekten waarschijnlijk alleen, om de ingezetenen te zwaardere geldboeten af te persen.
De komst des Hertogs, op den 30 Januarij 1473, werd te Zierikzee met verlangen te gemoet gezien. Doch om hem te vermurwen trokken geestelijken en wereldlijken, schreijende en wanhopig de poort uit, biddende om vergiffenis der bedrevene misdaad. De Hertog schonk hun het leven, mits zij voortaan zijne bezetting in de stad gedoogden, en hem eene boete van: 30,000 gulden, in negen reizen te betalen, opbragten. Om deze boete te vinden, werd hun bij brieven, den 10 Junij, te Maastricht, gedagteekend, voor den tijd van zes jaren, vergund, den accijns op de bieren tot twee groot en op de ton, en den accijns op de wijnen tot eene halve groot op de stoop, te mogen verhoogen. De stad werd, sedert, voorzien van bezetting, onder bevel van Barend van Ramst, eenen Zwaab van geboorte. Karels dochter en nazaat, Maria van Bourgondië, beval wel in hare blijde inkomst, in het jaar 1477, dat men die van Zierikzee hunne privilegiën van den Kanselier weder zoude doen erlangen; maar dewijl vele hunner oorspronkelijke oudste voorregtsbrieven vermist werden, is het ligt te denken, dat deze destijds zoek zullen zijn geraakt.
Niettegenstaande Hertog Karel de Zierikzeenaren zoo onzacht behandeld had, deden zij hem echter, in het jaar 1474, in het beleg der stad Nuitz, over Dusseldorp aan den Rijn gelegen, veel bijstand met schepen. Om de kosten door hen daarin gemaakt, verkregen zij kwanswijs vrijheid om lijfrenten op een of twee lijven, ten laste hunner stad te verkoopen.
Den 25 Maart 1478 werd Maximiliaan van Oostenrijk, als voogd van zijne vrouw, Maria van Bourgondië, binnen deze stad gehuldigd. Onder hem is de stad, nog niet of naauwelijks bevrijd van de smartelijke naweën der zoo evengemelde beroerte, wederom in geen kleine ongelegenheid gekomen. Die van Sluis in Vlaanderen, door vele Hoeksgezinden uit Holland versterkt, hadden zich openlijk tegen Maximiliaan verklaard, en om hem afbreuk te doen en buit te maken, hadden zij menigen inval in Zeeland gedaan. Die van Zierikzee hielden het met Filips van Cleve, die het bevel over de Sluizenaars voerde, en wiens vader, Adolf van Cleve, zijn verblijf binnen Zierikzee plagt te houden. Dus voerden zij die van Sluis allerhande levensmiddelen en krijgsbehoeften toe, waartoe mogelijk de begeerte om goede winst te doen, hen meer zal bewogen hebben, dan haat tegen Maximiliaan. Die van Sluis, een langdurig belegd uitgestaan hebbende, moesten eindelijk zwichten, doch zij bedongen nog, dat allen, die het met Filips van Cleve gehouden hadden, deswege zouden ongemoeid blijven. Desniettegenstaande kwam de Hertog van Saksen, met een groot gevolg van krijgsknechten, onverhoeds en onverwacht binnen Zierikzee, om de ingezetenen te straffen over de hulp en toevoer aan Filips van Cleve en de Sluizenaars verschaft. Thans, door krijgsvolk overheerd, waren zij gedwongen den Hertog om genade te smeeken, die hun in dezer voege verleend werd: de Regering en nevens haar nog zestig personen, moesten blootshoofds en met gebogene knieën, den Saks om vergeving bidden; ook zoude de stad 24,000 Andriesguldens, ieder vier en twintig stuivers waard, aan hem betalen; voorts nog honderd ponden grooten (600 guld.) 's jaars aan den landheer opbrengen, alle krijgsgereedschappen verliezen en de kosten van het hout tot de blokhuizen, aan de Havenpoort door den Hertog gebruikt, door de stedelingen gedragen worden. In het jaar 1507 werd hun door den Roomsch-Koning Maximiliaan en den Aartshertog Karel vrijheid gegeven om de blokhuizen, door den Hertog van Saksen aan de Haven-poort gemaakt, af te breken en die poort met de muren weder in haren ouden staat te herstellen.
In de jaren l512en 1519 verloren die van Zierikzee onderscheidene schepen door storm, en in 1500 werd hun door de Lubekkers grooten afbreuk op zee gedaan. Maar dit alles was niet te vergelijken bij de onheilen der stad in volgende jaren, kort na elkanderen, overgekomen, wanneer het geluk de burgers van Zierikzee en de inwoners van Schouwen in alles scheen tegen te loopen. Vooreerst heerschte de pest, in het jaar 1515 en vooral in 1518, toen binnen de stad alleen ruim 3200 menschen weggesleept werden, zoo dat niet boven de 3800 misgangers in al hunne parochiën overbleven. Daarbij deed de zee eene onbegrijpelijke schade, want daar de polder van Schouwen ingevloeid was, stroomde het water tot binnen de muren en poorten der stad, en bedierf de landen, vruchten en meestoven, de zoutkeeten buiten en versche wateren binnen de stad. Niet alleen had het land van de verbolgene zee zooveel te lijden, maar vijftien of zestien hunner beste schepen en wel 400 van de kloekste en ervarendste zeelieden, die men hier vond, werden er ook door verzwolgen. De overige schepen verminderden in het kort mede zoo zeer, dat er, in het jaar 1526, van 48 maanschepen, die zij nog geen zes jaren geleden gehad hadden , ten hoogste 4 waren overgebleven, die evenwel in het jaar 1531 wederom tot 10 of 12 waren aangegroeid. Daarbij kwam in het zelfde jaar 1526 nog eene andere ramp. Zeven en zeventig zoutkeeten, allen rijkelijk voorzien van zout en hetgeen verder tot de ziederij vereischt werd, met nog 125 huizen buiten de stad, werden op den 15 April door de vlam verteerd, welke schade met 150,000 gulden (in dien tijd voorwaar eene aanmerkelijke som) niet kon hersteld worden. Alle deze, op elkander volgende, ongelukken hadden den rijkdom der ingezetenen dermate verminderd en de stad zoo zeer ontvolkt, dat bijna de helft der huizen ledig stonden. De aanzienlijkste, aan de Brug of de Markt staande, konden niet meer dan twintig gulden aan huur opbrengen. Huizen en erven, die men te voren voor honderd ponden Vlaamsch kocht, waren nu geen dertig gelijke ponden waard. De Keizer verleende hun wel vrijdom van schot en bede op landen; ook gaf hij hun verlof tot het oprigten eener jaarmarkt, doch dit kon weinig baten, om hunnen vervallen staat te herstellen. Bovendien moesten zij, in het jaar 1527, nog eene aanmerkelijke som te koste leggen aan het verdiepen der Zoute gracht en het herstellen der sluis, bij de haven staande, om de schuring van het water door de haven meerder aandrang te geven, dewijl zij, zoo door het ingeworpen zand van de platen, in het water tusschen Schouwen en Duiveland opwassende, als door slijk en vuilnis zeer was opgehoogd.
Volgens het verhaal van Reygersbergh stierven te Zierikzee, in het jaar 1552, binnen drie maanden wederom 5000 personen aan de pest.
In het jaar 1535 werd aldaar een landman ten vure gedoemd, om dat bij zich had laten herdoopen en het misbrood niet voor Christus ligchaam wilde erkennen, terwijl er, in September van het volgende jaar, nog drie Doopsgezinde mannen en eene vrouw werden onthoofd, hunne ligchamcn verbrand en hunne hoofden op staken gesloken. Ook werd nog, vijf en twintig jaren later, een ander van die gezindheid gevonnisd om met het zwaard gestraft, zijn ligchaam op een rad en zijn hoofd op een staak gesteld te worden, met verbeurte zijner goederen.
Den 15 Julij 1540 vereerde Karel V Zierikzee met een bezoek.
Het jaar 1557 was voor Zierikzee wederom ongelukkig, door de duurte en schaarschheid van het koorn. Hoedanig het destijds aldaar gesteld was kan men nagaan uit eene aanteekening, destijds geschreven en aldus luidende : » Int zelfde jaer, op Meye avond , kocht men » de terwe het seve om 51 schelt. (9. guld. 30 cents.) en in Junius van » hetselfde jaer, de seve van de terwe tot Zierikzee om 2 pond. 12 » schell. Vlaamsch (15 guld. 60 cents); en de schutters, wakende » door order van de Magistraat, nagt en dag, en de poorten waren » gestoolen , zoodat de Overdijkscbe luyden geen brood hebben mog- » ten; en een man uit Duveland, om heymclijk brood uitter stede » van Zierikzee te krijgen , kochte een doodkiste en leidder brood » in , omdat de Heeren niets vermoeden en zouden ; en als hem gevraagd » wierd wat hij dede, seide; dat hij een gestorven vriend op zijn wa- » gen hadde, die in Duveland begeerde begraaven te zijn en is alsoo » met bet brood ontkomen; soo dierentijd was het binnen dat jaar. » De luyden swommen ook bij dage en bij nagte met brood over de » gragt. Sedert verminderde wederom de prijs van het greyn of » koorn seer, sulks, dat men int leste van Julius, binnen denselven » jaare gaf de terwe het seve om 23 schell. (6 guld. 90 cents) en korte » daarna om 10 schell. (3 guld), en 11 schell. (3 guld. 30 cents) en » 12 schell. (5 guld 60 cents).
In het zelfde jaar begon in Augustus te Zierikzee de pest te woeden, en het is zeer merkwaardig, dat ze schielijk ophield, nadat de zee een groote inbraak in Zeeland gedaan had.
De Hervorming begon te Zierikzee en in het Land-van-Schouwen om dezen tijd, heimelijk voortgezet te worden. De Hertogin van Parma beval, volgens eenen brief van 18 December 1565, den Rentmeester Generaal Bruninks van Wijngaarden, zich stiptelijk naar de bevelen des Konings op het stuk van godsdienst te gedragen, en de Wethouders daartoe ook aan te manen. Deze door den Rentmeester daarvan verwittigd, doch geen behagen scheppende in de uitvoering dier bloedige bevelen, wisten wijsselijk hunne oogluiking voor de Gouvernante met vele redenen en een beleefdelijk uitstellend antwoord te bekleeden. Ondertusschen won de leer der Hervorming zoodanig veld, dat zij niet alleen op den 7 en 21 Julij 1566 eene bijeenkomst van omtrent 500 of 400 personen buiten de stad hielden, voor welke, door zekeren Jakob Jorissen Barselis, gepredikt werd, maar dat zelfs in de maand Augustus daaraanvolgende, predikatiën binnen de stad werden gedaan. Den 20 September had ook een Doopsgezinde Leeraar in het openbaar gepredikt. Barselis, de plak van geloofsonderzoek en gewetensdwang, nog zelfs niet geheel ontwassen, kon dit echter niet verdragen. Hij leverde aan de Regering een verzoekschrift in, ten einde hem toegelaten werd in tegenwoordigheid van de Overheid tegen hem te redetwisten, en dat daartoe tijd en plaats mogt bepaald worden. De Overheid wees dit verzoek van de hand. Echter werd besloten, dat men de vergaderingen en leerredenen der Doopsgezinden, bij openbare afkondiging zoude verbieden. Intusschen bleven deze twee Leeraars van beiderlei gezindheid hevig met elkander twisten; hetwelk oorzaak was, dat de Regering, op den 12 Januarij des volgenden jaars, goed vond, alle twistredenen aangaande de godsdienst te verbieden. De beeldstormerij, in sommige kerken van Zeeland gepleegd, was de Regering van Zierikzee zoodra niet ter oore gekomen, of deze stelde op alles goede orde, om die ongeregeldheid in hunne stad voor te komen. Dit belette echter niet, dat het klooster der Minderbroeders, welks kerk reeds in 1552 was afgebrand, door de beeldstormers geheel onder den voet werd gehaald.
In den strijd tegen Spanje is Zierikzee meer dan eens genomen en overgegeven. Alva, verschrikt door de koene inneming van Brielle door de Watergeuzen, gaf onder anderen aan de Regering der stad, bij brief van 23 April 1672, in keuze, om bezetting te ontvangen of op eigen kosten zich en de eilanden Schouwen en Duiveland te beschermen. De Raad, meest Spaanschgezind, besloot tot het eerste, maar de gemeente weigerde het vreemde: krijgsvolk in te nemen, daarin gerugsteund door Lieven Jansz.Boheym, alias Keersemaker, Overste der stad, die de schepen afsloeg, welke met geweld de Spaansche soldaten wilden aan wal zetten. Het gelukte echter de andere partij dezen braven vaderlander te verdrijven, en Zierikzee ontving nu het vreemde krijgsvolk. Doch de beroemde Jacob Simomsz. de Rijk bragt de stad, den 8 Augustus, aan 's Prinsen zijde over. De voorwaarden, bij de onderlinge overeenkomst, waren, dat de R. K., zoo wel als de Herv., eene ongestoorde vrijheid zouden behouden, om hunne godsdienst te oefenen. Ten aanzien van de laatste werd er bij bedongen, dat zulks geschieden moest in eene erelyke, dat is heerlijke of niet onaanzienlijke en betamelijke plaats, hetgeen met betrekking tot de eersten onbepaald werd gelaten. Vrij aanmerkelijk was, naar het schijnt, te Zierikzee het getal Hervormden. In het jaar 1566 had men het reeds op ongeveer 350 gerekend. Ook waren er toen vele Doopsgezinden, die eenen Leeraar hadden. Geen wonder was het derhalve, dat Willem I, tegen of in den herfst van 1572 , Petrus Datheen, toen zijnen Raad en Kommissaris, naar Zierikzee zond, met last om aldaar, mitsgaders in het geheele eiland, in religionszaken goede ordening te stellen tot rust der vrome ingezetenen, en tot vordering van Gods eer. Inmiddels bevond zich te Zierikzee reeds de voormalige, maar door Alva in 1567 gebannen, Predikant der Hervormden, Jakob Jorissen Barselis; en het was aan dezen aan welken Datheen, in ’s Prinsen naam, de magt gaf, om in de stad en de omliggende dorpen de kerken te reinigen, Ontvangers en Rentmeesters van de goederen der kerken, kapellen, kloosters en altaren te stellen, ten einde de Predikanten, Schoolmeesters enz., op eene eerlijke, fatsoenlijke wijze mogten onderhouden worden. Dit had plaats in het begin van October 1572. Barselis kweet zich van zijnen pligt, ondersteund door den bijstand der Regering. Om het krijgsvolk het plunderen der kerken te beletten, waarop het dagelijks het oog had, had echter reeds, den 29 Augustus, of omstreeks dien tijd, de Regering van Zierikzee, voor schromelijke wanorde beducht, uit de hoofdkerk der stad alle de sieraden op het stadhuis doen brengen. Dan, ter reiniging van de overige kerken, zoo buiten als binnen de stad, werd alles aan Barselis overgelaten, en de Regering werkte daartoe krachtdadig mede.
Toen in 1574, Middelburg met geheel Walcheren insgelijks aan ’s Prinsen zijde was overgegaan; trachtte Requesens zich weder van Zierikzee meester te maken. Den stroom tusschen St. Philipsland en Duiveland doorwaad hebbende, trokken de Spanjaarden op de stad aan; andere kwamen er te scheep, de Spaansche bevelhebber maakte zich van Bronwershaven en Bomnenede meester, ten einde den Prins van Oranje te beletten, van de noordzijde des eilands de stad ter hulp te komen. Zierikzee was zeer versterkt en de bezetting telde 1200 man. Na eene lange blokkade meldden de belegerden hunnen nood door brieven, die zij gescheurd aan twee mannen aan het lijf bonden, ten einde de vijand, indien hij er een van gevangen nam, daaruit geen geheel zoude kunnen maken. Een dier boden Jan Schagt, werd genomen; de ander Lieve Heere, meer beducht voor de vest dan voor zijn leven, dook onder en verdronk, doch zijn ligchaam met den halven brief, die alleen den vijand kon dienen, ontsnapte dezen. Verheven voorbeeld van zelfopoffering. De stad ging den 2 Julij 1576 aan den vijand over, die haar slechts kort bezat, want het Spaansche krijgsvolk eerlang over het achterstallige hunner soldij, aan het muiten slaande, noodzaakte Mondragon de stad weder te verlaten. De Prins, daarvan verwittigd, zond den Graaf van Hohenlo, met eenig krijgsvolk, om haar weder in bezit te nemen; maar die van Zierikzee, eerst eene belegering, met de rampen des oorlogs en den moedwil van eene krijgsbezetting ondervonden hebbende, begeerden geen bezetting meer in te nemen, en weigerden den Graaf met zijn volk te ontvangen. De Prins hierover gestoord, dreigde de stad tot een roof van het krijgsvolk te zullen overgeven, hetgeen de stedelingen zulten schrik aanjoeg, dat de Graaf met zijn volk aanstonds werd binnen gelaten, en de Regering, met het grootste en aanzienlijkste gedeelte der burgerij, in zijne handen den eed van getrouwheid aan den Prins en de Algemeene Staten aflegde, aan welker zijde Zierikzee sedert altijd gebleven is.
Den 10 October 1576, in het begin dezer Spaansche belegering, waren buiten de stad, aan de Noordzijde der haven -meer, dan 200 huizen en 60 zoutkeeten, van alles wel voorzien, afgebrand. Deze ramp, gevoegd bij de zware schattingen, die, zoo tot betaling der bezetting als verdere noodwendigheden des oorlogs, moesten worden opgebragt, benevens alle de andere onheilen, die dit beleg verzeld hadden, verminderden het crediet van de stad, welke tot zinkens toe met schulden beladen was, bij hare schuldeischers zoo, zeer, dat hare burgers op onderscheidene plaatsen voor de stadsschulden met beslag bekommerd werden. Waartegen de Prins hen met brieven van schorsing en uitstel, in naam van den Koningen bij hem als 's Konings Stadhouder goedgekeurd en bevestigd, deed voorzien.
Een ander kwaad bleef ondertusschen bestaan, namelijk het aanwassen der schorren en slijken, in het vaarwater tusschen Schouwen en Duiveland, waardoor de haven hoe langer hoe meer voor schepen ongenaakbaar werd. Dit noodzaakte de stad eindelijk, in het jaar 1594, tot het graven eener nieuwe haven te besluiten. Nadat deze voltooid was, vond de overheid ook goed, zelfs op verzoek van die van Duiveland en daarop bekomen verlof van 's Lands Staten, het eiland Duiveland aan Schouwen vast te dammen, met twee dijkbouten, strekkende van den westhoek van het poldertje Alteklein, tot den noordoosthoek van den polder het Zuider-Nieuwland, aangedijkt aan den zuidhoek van Schouwen onder Zierikzee. Hiervan trokken de landzaten een aanmerkelijk gerief, als die nu hunne granen, vee en andere voortbrengselen, gemakkelijk met wagens in de stad konden brengen, en hadden de stedelingen ook dit voordeel, dat zij wekelijks een rijken toevoer daarvan ontvingen. Ook heeft de stad na deze indijking geen geringe voordeden genoten, door het uitgeven der schorren ter aandijking der polders, zoo noord- als zuidwaarts van dezen nieuwen dijk.
In het jaar 1653, hadden die van Zierikzee wederom veel te lijden. Negen en veertig hunner vischschepen, zijnde toen, min of meer, de helft der nering, werden op eenmaal door de Engelschen genomen. De Regering, om de ingezetenen tot aanbouw van andere schepen aan te moedigen, vond goed eene belooning van tien ponden vlaamsch (60 guld.) jaarlijks voor den tijd van zeven jaren te stellen, voor dengenen, die een nieuw vischschip zou doen aanbouwen. Dit deed de lust tot aanbouw zoo zeer wakkeren, dat in September des volgenden jaars het uitloven dier belooning voor het vervolg weder werd ingetrokken, behoudens dat diegenen, daarvan nog genot hebben zouden, welker schepen vóór St. Maarten van dat zelfde jaar te water zouden zijn gebragt; hetgeen echter naderhand, op verzoek van het visschersgild, tot kersmis verlengd werd.
In het jaar 1672 had deze stad ook haar deel in de onlusten over de verheffing van Willem III, Prins van Oranje, tot Stadhouder en Kapitein-Generaal over Zeeland, De daar rondom wonende landlieden en visschers, trokken den 11 Julij van dat jaar met steenen, stokken, wapenen enz. voorzien, als bestormers de stad binnen, wierpen er alle de glazen van het stadhuis in, en zonden de deur met geweld open geloopen en het stadhuis ingenomen hebben, zoo zij daarin niet door 2 of 5 burgercompagniën, welke dadelijk in de wapenen kwamen, waren belet geworden, doch naauwelijks waren de boeren en visschers bedwongen, of de burgers rotteden op onderscheidene plaatsen te zamen, alwaar zij, na eenige beraadslagingen, 12 artikelen op het papier bragten, die zij de Regering dwongen te onderteekenen. De Regering vond goed, hare toestemming in de aanstelling van den Prins, tot de voorschrevene bedieningen ter vergadering van de Staten te doen inbrengen; doch aangezien de gemoederen der burgerij, hiermede niet bevredigd waren , zoo besloot het geheele ligchaam der Regering, op haar aanhouden, tot voorkoming van verdere verwarring , zijne bediening neder te leggen, en die te stellen ter begeving van den Prins, die daarop door eenen brief van den 17 September eene nieuwe aanstelling van Magistraatspersonen deed, bestaande uit de oude Regeerders, uitgezonderd de twee Burgemeesters, van welke men vindt aangeteekend, dat zij, tot bevordering van de gemeene rust, uit de Regering waren gegaan.
Op den 20 Januarij 1682, is de Oostbavendijk dezer stad door eenen verschrikkelijken storm en hoogen vloed doorgebroken omtrent 50 of 70 roeden (want de aanteekeningen verschillen, hieromtrent) van het paalhoofd, welke breuk, door de stad, naauwelijks met 100,000 guldens hersteld geworden is.
In 1747 viel te Zierikzee eene geweldige beroerte voor. Zoodra men hier den 25 April de tijding gekregen had, dat Prins Willem Karel Hendrik Friso, te Vere, tot Stadhouder, Kapitein en Admiraal-Generaal van Zeeland was aangesteld, en dat Sluis door de Franschen was ingenomen, liep het graauw te hoop, ontwapende den Overste der bezetting, die geen last had om geweld te gebruiken, en snelde naar het stadhuis, der Wethouderschap den dood dreigende, zoo zij den Prins niet terstond erkende tot Stadhouder: het geschiedde na kort beraad. Het volk scheen hiermede voldaan, en trok op naar de haven, om het geschut te lossen, en andere bewijzen van vreugde te geven. Maar het ongeluk wilde, dat men de kruidkist ledig vond. Toen raakte de menigte wederom gaande. De Regenten werden uitgemaakt voor landverraders; de klokken getrokken; de boeren in grooten getale stadwaarts gelokt; het stadhuis bezet, en twee der oudste en waardigste der Regenten schandelijk mishandeld en bedreigd. Het oproer duurde den geheelen nacht door. Het graauw liet zich. niet stillen, dan nadat de oudste Predikant, Wijnand Cantzius, 's Prinsen aanstelling door de Staten van Zeeland, den volgenden dag, van het stadhuis afgekondigd had. De stilte duurde echter niet lang. Het gemeen, naar men vermoedt, door lieden van meerder aanzien aangezet, hield het stadhuis in, doorsnuffelde de papieren en deed buitensporige eischen aan de Regenten, wier huizen met plundering bedreigd werden, door de schcepstimmerlieden, die met scherpe bijlen en ander geweer gewapend waren. Alles was aangelegd, om de Wethouders afkeerig te maken van het bewind. Ook gaven zij eerlang toe, dat men eene Regering, bij voorraad, aanstelde in hunne plaats. De Predikanten Cantzius en Gerardus van der Kamp verkozen op het stadhuis en met geslotene deuren, op raad van Tonis van der Os, een der aanzienlijkste burgers, twaalf interimaire-Regenten, van welken Van de Os een was en een Baljuw en drie Schouten voor het platteland, die aan de gemeente voorgesteld, en door haar goedgekeurd werden. De Predikanten behielden voor zich de vrijheid, om alle raadplegingen bij te wonen en lieten zich zelfs, den 28, benevens Doctor Leonard Smeer een der interimaire-Regenten afvaardigen naar de dagvaarding der Staten, te Middelburg, alwaar zij echter niet ontvangen werden. Het vuur des oproers, hetwelk bijna gebluscht scheen, ontstak heviger toen Pieter Mogge van Renesse, zitting hebbende in de vergadering der Algemeene Staten, den 29 met den Rolterdamschen beurtman naar de stad kwam. Hem, dien men voor anderen gezocht had verdacht te maken, wilde het graauw te lijve. Men rukte hem den hoed van het hoofd, en stak er een oranjelint op. Men ontnam hem den degen en voerde hem op eenen wagen, met acht man, naar het Heeren-logement, alwaar hij langer dan eene maand bewaard werd. Een der interimaire-Regenten had zulks aangeraden, om hem beter te beveiligen voor de woede van het volk, hetwelk, inzonderheid nadat het regement Oranje-Drenthe, den 16 Maart, in de stad getrokken was, eindelijk tot stilstand geraakte. Doch het woelen duurde tot op en na de aankomst van Zijne Hoogheid, die terstond de aangestelde Regenten te Zierikzee ontsloeg en de afgezetten wederom in hunne ambten herstelde. De Burgemeester Mogge werd echter nog in het Heeren-logement bewaard, tot dat Zijne Hoogheid den 2 Junij, in persoon in de stad kwam en toen terstond op vrije voeten gesteld, zonder dat iemand ondernemen durfde, eenige beschuldiging tegen hem in te brengen. Nogthans maakte de Prins, ingevolge eene heimelijke magtiging der Staten van het gewest, den 29 Mei gedagteekend, nog eenige verandering in de Regering, door drie Regenten van het bewind te ontzetten, hunne ambten aan anderen opdragende.
Bij de omwenteling van bet jaar 1787 onderging Zierikzee, dat het langst en standvastigst de zaak der Patriotten aankleefde, het laatst, maar ook het hevigst het zelfde droevig lot, dat reeds zoo vele steden geteisterd had. De ontwapening des genootschaps, hoezeer een deel der gewapende burgermagt geworden, was bet voorname doel der onrustige menigte, en de kloekmoedige tegenstand aan dien eisch was de aanleiding tot het oproer. De plundering reeds beginnende, terwijl de bedoelde leden de wapenen nog in handen hadden, waagden zij het op den woedenden hoop te schieten, waardoor 51 gekwetst werden en 5 sneuvelden Men begreep eindelijk, dat zelfs deze tegenstand het oproer niet zoude stillen, dat niets dan de ontwapening der vorige genootschapsleden, de rust zoude kunnen herstellen, en besloot dan ook daartoe. Dan te laat: de Patriotten, nu ongewapend aan de verbitterde wraak blootgesteld, ondervonden deze op de jammerlijkste wijze. Eenige werden wreedaardig vermoord en hunne lijken op het gruwzaamst mishandeld. De daarop volgende plundering , die in één etmaal afliep, beschadigde 116 huizen, waaronder 73 geheel en 19 gedeeltelijk verwoest werden, hetwelk alles geschiedde onder het luiden en spelen der klokken, en waarbij schandelijk gestolen werd. Daarop volgde de verandering der regering, die op de ongeregeldste wijze toeging. Ten huize van den Gecommitteerden Raad P. A. de Jonge las men uit een opgeschoven raam aan de vergaderde menigte eene lijst van regeringspersonen voor. Zoo ras er slechts eene stem riep: die er uit, werd zoodanig een geschrapt. Hiermede niet tevreden , werden deze afgestelden, als ook eene menigte andere burgers, wier huizen allen geplunderd waren, uit hunne schuilplaatsen, alwaar zij twee etmalen zonder eenig voedsel hadden doorgebragt, opgezocht en op het stadhuis in bewaring gebragt. Den volgenden dag werden zij, een dertigtal uitgezonderd, weder in vrijheid gesteld, na den eed gedaan te hebben van zich stil en onderworpen te zullen gedragen. Het gemelde dertigtal werd nog eenige dagen in bewaring gehouden, en dagelijks aan de onbescheidendste nieuwsgierigheid blootgesteld, die in hunne vertooning als een ongewoon schouwspel voldoening vond. Toen nog werden niet allen ontslagen: zeven bleven nog vier maanden crimineel zitten, doch werden toen ook in vrijheid gesteld.
De revolutie van 1798 werd te Zierikzee den 6 Februarij daargesteld, de oude Regering van hare posten ontslagen, nieuwe door de burgerij verkozen, en de in 1787 ontwapende burgerij hersteld en gewapend, zonder dat daarbij eenige wanorde of oproer plaats had.
In den vroegen morgen van den 24 Augustus 1801 zonk het geheele Oosthavenhoofd te Zierikzee, op het alleronverwachtst, als voor de oogen der daaraan werkende arbeiders weg, door eene ontgronding, ter lengte van 113 ell., welke ontgronding nog verder scheen te zullen toenemen; en daar er op dit tijdstip aan geen volkomene herstelling te denken was, werden de materialen van steen en paalwerk, welke hier en daar nog voorhanden waren, geborgen, en de punt van den Oosthavendijk zooveel mogelijk afgevlakt, alsmede de specie, die nabij de steilte van den val achter gemelden dijk lag, achterwaarts gebragt. Van dezen ramp, welke voor het Westhavenhoofd en voor het geheele eiland Schouwen hoogst gevaarlijk geworden was, werden de noodige kennisgevingen gedaan en adressen tot herstel gemaakt, doch waarin eerst een geruimen tijd na dien is voorzien geworden.
Daar de Zeeuwschc stroomen, na het weder uitbarsten van den oorlog niet Engeland in 1804, doorgaans door geenc gewapende vaartuigen beveiligd werden, maakte dit de Engelscbe kruissers zoo stoutmoedig, dat zij zelfs tot kort aan het Havenhoofd van Zierikzee durfden naderen. Op den 16 Maart werd de beurtschippcr van die stad op Rotterdam Anthonie Ribbens, van daar welbeladen terug komende, in den vroegen morgen tusschen deze stad en Colijnsplaat door een klein gewapend Engelsch vaartuig genomen, en naar Engeland overgevoerd; het zelfde lot viel mede te beurt aan eene poonschuit, van Colijnsplaat, de Koornbloem genaamd, als ook aan een kort daarbij gelegen hoogaarts. Na omtrent een jaar in Engeland gevangen geweest te zijn, keerde de gemelde Ribbens tot de zijnen weder, terwijl schip en lading als geconfisqueerd in Engeland achter bleef. Dit geval gaf echter aanleiding, dat, op het verzoek van het Departementaal bestuur, aan het Staatsbewind eenige gewapende vaartuigen, onder bevel van den Bataafschen zeeoffcier Nicolaas Lemmers, naar Zeeland werden afgezonden, om zoowel de kusten als de stroomen aldaar te beschermen. Een dier vaartuigen, een schoener, de Schrik genaamd, staande onder bevel van den Luitenant Olijve, werd te dier tijd door zeven zwaar gewapende Engelsche vaartuigen, met twee honderd koppen bemand, aangevallen; de Kommandant verdedigde zich echter anderhalf uur tegen deze overmagt, op eene allezins loffelijke wijze, en hield, ofschoon reeds gekwetst, tegen den vijand vol, tot dat een tweede schot hem eindelijk ter neder velde; waarop zijn schip in 's vijands handen viel. Dan de Luitenant Daniël Velsberg, op 's Lands schoener de Snoek bevel voerende, hernam door moed en beleid dit vaartuig aan den vijand; voor welke daad gemelde officier door bet Staatsbewind met eene eeresabel, ter waarde van 40 dukaten, en hebbende een toepasselijk opschrift, werd vereerd. Gemelde Luitenant Velsberg kwam, den 24 Maart, met zijn onderhebbend vaartuig, op de reede van Zierikzee, tot verdediging der haven.
De verschrikkelijke storm en watervloed, in den nacht van den 14 en 15 Januarij 1808, waardoor de provincie Zeeland zoo zeer geteisterd werd, trof ook Zierikzee en de eilanden Schouwen en Duiveland. Ongemeen snel en schielijk rees ook binnen de stad de vloed, en stroomde, door den hevigen wind voortgestuwd, reeds meer dan twee uren voor den tijd van het hoog water, dat aldaar, volgens de gewone berekening, in dien noodlottigen nacht tusschen twee en drie ure moest plaats hebben, over de kaaijen van de Oude- en Nieuwe Haven daar binnen en over hoogten, waar men te voren nooit zeewater gezien had. Het natuurlijk gevolg hiervan was, dat de vloed door niets in zijne vaart gestuit, zich, in weinige oogenblikken, door de lager liggende straten verspreidde, van welke hij sommige, ter hoogte van ongeveer 1,50 ell. onderzettede, zoodat vele bewoners naauwelijks den tijd hadden, om op hunne zolders of bovenwoningen het dreigend doodsgevaar te ontviugten. Groot was de schade, die door dit onheil zoo den bijzonderen ingezetenen als der stad zelve werd toegebragt. Een man op de Breestraat, met name Pieter van der Puy, verloor daarbij, in zijne eigene woning, het leven. Zeer vele regenbakken werden door het inloopende zeewater volstrekt onbruikbaar gemaakt; een groot aantal kelders liep vol, en de meeste voorraad voor den winter, hetgeen de smalle gemeente wel het sterkst drukte, werd geheel bedorven. Akelig lag het er binnen en buiten de stad uit het water, met geweld van de Nieuwe Haven in de van deze afdalende straten het Lange Groenendal, de Molen-, Venkel- Nieuwe Bogaard- en St. Jansstraten, stortende, spoelde de aarde en het zand van tusschen de straatsteenen weg, ontgrondde die, sleepte ze mede, dreef den nu bloot gewordenen grond voor zich uit, en ondermijnde, steeds meer val krijgende, en, naar evenredigheid meer kracht oefenende, op sommige plaatsen, de huizen tot aan en zelfs beneden hunne grondslagen, zoodat eenige in gevaar waren, van in te storten. In het bijzonder had dit plaats in de Zevenhuisstraat, de Nieuwe-Bogaardstraat en de Venkelstraat. In deze laatste spoelde een gat ter grootte van 15 ell. en ter diepte van ruim 3,60 ell.; weshalve men, met reden, hoogst beducht werd voor eene geheele doorbraak te dier plaatse, waarvan, waarschijnlijk, de verwoesting van een gedeelte der stad het onvermijdelijk gevolg zoude geweest zijn. Bij de Havenpoort maakte de stroom een aanmerkelijk gat in den Grachtweg; aan de binnenzijde van den Westhavendijk hadden drie afschuivingen plaats, de kop van eene der deuren van het eerste sas sloeg geheel weg, terwijl het sas zelf deerlijk gehavend werd, en er drie gaten aldaar in de dijken spoelden, waarvan het eene aan de zuidzijde, niet minder dan 17 ell. lang, ruim 20 ell. breed en ongeveer 4 ell. diep was; en eindelijk brak het ringdijkje van den zaagmolen en de oesterputten, achter het zoogenaamde Oranje-Bolwerk, dat zeer ras voor een groot gedeelte gesloopt werd, ter lengte van 44 ell. en diepte van ongeveer 2 ell., beneden de kruin door, zoodat ook, tengevolge daarvan, de geheele polder de Zuidhoek, groot 817 bund., ondervloeide. Hoe noodlottig en schadelijk het doorbreken van dit ringdijkje voor de Heeren Koole en Zoon, eigenaars van den zaagmolen, en de eigenaars en gebruikers der landerijen in den polder de Zuidhoek ook zijn mogt, was dit zeker hoogst voordeelig voor de stad Zierikzee, die daaraan waarschijnlijk te danken had, dat, het water nu dezen doortogt vindende en oogenblikkelijk zakkende, de zoo gevreesde doorbraak aan de Venkelstraal geen plaats had.
Bij de landing der Engelschen, in 1809, kwamen zij den 30 Julij voor Zierikzee ten anker; bezetteden reeds den volgenden dag het eiland, en trokken de stad binnen, die ook niet in staat was den geringsten tegenstand te bieden; doch eerst op den 15 Augustus werd er eene capitulatie getroffen tot overgave van de steden Zierikzee en Brouwershaven, benevens de eilanden Schouwen en Duiveland, aan Zijne Groot-Brittannische Majesteit; den 7 September verlieten de Engelschen echter reeds weder de slad, welke daags daarna, door eenen Officier van het Hollandsche leger, in naam van den Koning van Holland, werd in bezit genomen.
Gedurende de Fransche overheersching werd deze stad niet weinig door een beer naakte en hongerige Fransche douaniers gekweld. Geen wonder dus, dat de aannadering van eene Engelsche vloot, in het begin van December 1813, en de daaruit gekoesterde hoop op ontzet, aller gemoederen, zoo te Zierikzee als op het eiland, in beweging bragt. Op den 5 dier maand vermeerderde echter een bijzonder toeval de plaats grijpende onrust. De Verjaardag van den veldslag van Austerlitz werd, op de gebruikelijke wijze gevierd. Juist op het oogenblik, dat de burgerlijke autoriteiten, zich in hun ambtsgewaad van het stadhuis, naar de woning; van den Onder-Prefect zouden begeven, om van daar en corps naar de kerk, ter bijwoning van het zoogenaamde Te Deum, te gaan, kwam de Luitenant der Gensd'arnierie en vroeg naar den Heer Willem Adriaan de Jonge, Lid in de regtbank van eersten aanleg. Deze Heer zich bekend makende, ontving, namens den Generaal Baron Gilly, die destijds het opperbevel over het krijgsvolk in Zeeland voerde, het geheel onverwacht bevel, om zich onverwijld gevangen naar Rijssel te begeven, met bedreiging, om, in geval van den minsten tegenstand, gewapenderhand daarheen gevoerd te zullen worden. De Heer de Jonge, een der Regenten uit de laatste tijden van het stadhouderlijk bewind, een man, die de achting en het vertrouwen der burgerij bezat, onkundig van de reden van dit willekeurig bevel, schroomt geenszins, het aan zijne vertrouwde vrienden bekend te maken, ofschoon, ter vermijding van oproer, gereed aan dezen dwang te voldoen. Naauwelijks wordt dit algemeen bekend, of eene talrijke schaar omsingeld zijn huis, en belet hem alzoo, met het rijtuig, dat gereed stond, af te reizen. Hij, zich dus buiten staat bevindende, om het hem gegeven bevel op te volgen, verandert van besluit, en neemt zijnen intrek bij vertrouwde vrienden en de Generaal Dugos, die de Stad en hel eiland kommandeerde en, door den Generaal Giilly, met de uitvoering van dit bevel was belast, geloofde, of gaf ten minste zulks voor, dat zijn gevangene in stilte was vertrokken. De menigte, intusschen tot opstand genegen, geeft ter naauwernood aan den dringenden raad gehoor, om een gelegener tijdstip af te wachten, op dat men zich eerst van den bijstand der Engelschen genoegzaam konde verzekeren. Weldra echter verspreidt zich de zelfde geestdrift over het geheele eiland, alsmede over Duiveland. Een zeer groot aantal gewapende dorpelingen snellen, op den eerstvolgenden dag, van rondom toe, met dienstaanbiedingen, om het groote werk in zegepraal te voleinden. Met veel moeite houdt men hen terug, van eene, voor als nog, gewaagde onderneming. Weldra blijkt de gepastheid van dit gedrag, toen de Kommanderende Generaal Docos eenen renbode naar Bergen-op-Zoom zond, om tot stuiting van het gevreesde oproer manschap te eischen. Doch ook deze maatregel, die inderdaad voor uitersten deed vreezen, vereischt van de zijde der burgerij een moedig tegenwigt. De zoon van den genoemden Heer de Jonge vereenigt zich thans met een tweetal vaderlanders, de Heeren Willem Maurits de Braauw en Willem Junius van Hemert, tot afwering van het dreigende gevaar. Men besluit, om in schriftelijke onderhandeling te treden met den Bevelhebber der Engelsche schepen, die voor Noord-Beveland geankerd lagen, ten einde hem stellig om zijnen bijstand te verzoeken, met verzekering van ijverige medewerking van binnen, wanneer de bezetting den eisch tot overgave der stad, die men van haar verlangt, mogt afslaan. Hoe vertrouwd en bereidvaardig de loodsen zijn, aan wien de last tot overbrenging van den brief werd opgedragen, zien zij echter geen kans om zich te verwijderen, waarom die naar Bruinisse aan den Maire van de Stolpe werd gezonden, met verzoek, om dien door loodsen van daar te doen overbrengen. Deze vertrokken nog dien zelfden avond. Het ongunstige weder houdt hen zelfs niet terug. De Engelsche Bevelhebber geeft aan deze bede terstond gehoor. Den stroom opbellende, ankert hij onder den wal van Colijnsplaat. Ofschoon door de Zierikzeesche batterij met eenige schoten begroet, onthoudt hij zich van tegenweer, daar het kanonschot hem geenszins deert. Aanhoudende mist alleen verhindert alle werkzaamheden. Dit dralen verwekt bij de onrustige menigte een nadeelig vermoeden. Men dringt onder een woest geschreeuw tot afdoening. Met de uiterste moeite wordt de rust gehandhaafd. Eindelijk besluit de Regering, om, met overleg van den Franschen Commandant, eenige Afgevaardigden naar boord der schepen te zenden. Ontzettend is het gejuich der tallooze schaar, welke het vaartuig met de witte vlag tot aan den oever vergezeld. De voorslag is de overgave der stad, onder voorwaarde van vrijen aftogt voor de Fransche bezetting en beambten. De Vlootvoogd weigert dien, op grond der reeds gevestigde Hollandsche vrijheid, welke hem het aangaan van zulk een verdrag niet vergunt. Eigen verdediging moet hier beslissen , en hij verklaart zich gereed hiertoe den verzochten bijstand te leenen. Men bepaalt alleen in het geheim een teeken, op bet uur van middernacht, om de partij te kenmerken, welke men oordeelde te moeten nemen. De bezending keert met het schriftelijk antwoord terug, hetwelk aan den Franschen Kommandant is gerigt. De laatste, waarschijnlijk onderrigt van de onmogelijkheid van toevoer van manschap of ontzet, beseft ten volle het gevaar, waarin hij zich bevindt, daar hij, bij mangel van verdrag, zich met de bezetting op genade zal moeten overgeven. Hij kiest daarom den voorzigtigsten maatregel, om de stad in allerijl te verlaten. Daar de gelegenheid over het Viaansche veer bij Stavenisse door de Engelschen niet is verhinderd, neemt hij den togt over het eiland Tholen en werpt zich in Bergen-op-Zoom. Het afgesprokene nachtsein verzekert den Britschen Vlootvoogd van den gunstigen keervan zaken. Op den 8sten verschijnt hij, reeds vroeg in den morgen, met eenige Officieren en manschap binnen de stad; en de zegepraal is zonder bloedstorting voldongen. Terstond verkondigt de wapperende Oranje-vlag, met het spelen der klokken, de algemeene vreugde. De volijverige vaderlanders, de meer genoemde heeren Willem Adriaan de Jonge, Willem Maurits de Braauw en de voormalige Maire Thoman Adriaan van Adrichem worden aan het hoofd der stedelijke regering geplaatst, en de Hollandsche omwenteling verwerft ook in deze gewesten eenen nieuwen steun. Geheel Schouwen en Duiveland, en weldra ook Tholen en Noord-Beveland, worden door de Franschen met allen mogelijken spoed verlaten, en, tegen alle verwachting, is de zoolang tergende overmoed, binnen weinige dagen, voorden heerschenden geest der vrijheid bezweken.
Het wapen van Zierikzee is een veld van keel, met eenen leeuw van sabel. Men wil dat dit zinspeelt op den leeuwenmoed, door de Zierikzeenaren in het wederstaan der Vlamingen ten bloede en als ter dood betoond. Het wapen is omgeven door een borduursel van goud. Twee zz de hoofdletters van den naam der stad, zijn de eene regt, de andere omgekeerd, tot steunsel van het schild geplaatst en daarboven is eene opene ruit, met een kruisje op de bovenste punt, zijnde alles van goud. Of die van Zierikzee in de kruisvaarten in de elfde en twaalfde eeuw naar het heilige land gerigt, zich ook begeven hebben, dan waarvan dit zijn oorsprong heeft, is onbekend. Ook ziet men dit wapen op onderscheidene plaatsen door eenen zeeman en eene zeevrouw vast gehouden, die anders in het Schouwsche wapenschild zelf vertoond. worden, ter aanduiding, dat de stad en het eiland, wegens hare gelegenheid en onderling belang, aan elkander verknocht, door de zee in het midden der baren slaande gehouden worden. De vlag dezer stad is rood.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Zierikzee