Wolphaarsdijk, ook Wolphaartsdijk, Wolfaartsdijk, Wolphaertsdijk, Wolfersdijk en Wolfertsdijk gespeld, oudtijds het vijfde eiland van Zeeland, Bewesten Schelde; thans door de bedijking van den Wilhelmina-polder en den Perponcher-polder geheel met Zuid-Beveland vereenigd.
Wanneer dit eiland bedijkt is geworden kan men niet zeggen. De kronijkschrijvcrs brengen dit tot het jaar 800 a 850. Hetgeen vrij onbestemd is en nagenoeg het zelfde zegt, als dat zij het niet weten. Zekerder is het, dat het land destijds reeds bewoners had; want in het jongste gedeelte van het dus genoemde Oud-Wolphaarsdijk, dat is in den Oosterlandsche-polder, ten jare 1370 herdijkt, wordt thans een vliedberg afgegraven, gelegen op de Tol- of Torenweide in den Papenhoek, en uit dezen is, onder meer andere voorwerpen (te weten: baksteen, fragmenten kwarts, zandsteen, schefer, kalksteen en krijt, alsmede beenderen van dieren,vogelen en visschen) , ook te voorschijn gekomen een Germaansche werpbal, hoedanige er velen te Katwijk gevonden zijn een aantal potscherven, die het zelfde karakter dragen als het gevondene te Wijk-bij-Duurstcde, en, onder meer verroest ijzerwerk, ook nog een stuk van eenen ijzeren priem door oudheidkenners gehouden voor een gereedschap, dat weleer toebehoorde aan eenen alouden Frankischen vellenbewerker, schoen- of kleedermakcr. In dien zelfden polder werd in 1822, op 27 palm. diepte, van onder de derrielaag, opgedolven een nog gave. maar geheel doorroeste, ijzeren hamer met eenen langen steel, die al mede.naar lang vervlogen eeuwen terug wijst.
Men verhaalt verder, dat het eiland, eerst omtrent het jaar 1288 met den naam van Wolphaarsdijk is vernoemd geworden. Ook dit is niet juist; want, zoo het vroeger bestaan heeft, zal het ook wel vroeger eenen naam hebben gehad, en daar er nu geen andere voor wordt in de plaats gegeven, mogen wij het er voor houden, dat Wolphaarsdijk de eigenlijke, eerste en oorspronkelijke naam is. Er is ook niets oneigenaardigs in. Fulphuard, Wolfart, is cene aloude Angelsaxische, Friesche en Zeeuwschc naam, die van de vijfde eeuw al wordt aangetroffen, en zeker nog wel ouder zal syn. Dat Vader Stoke (Boek IV , vs. 521 en 522.) van den Watcrvloed van 1287 zegt:

Al Zeeland verdrank sekerlike
Zonder Walchren en Wolphaertsdike

bewijst alleen, dat die naam reeds toen algemeen in zwang was. Dit blijkt al mede uit een charter van Graaf Floris V d.d. 29 Mei 1270, waarbij hij eenigc, door overlijden aan hem vervallene, Officia in Wolfarsdike aan eenen nieuwen leenman opdraagt. Ook hadden de Wolphaarsdijksche ambachten iets eigenaardigs. Zij waren destijds reeds gemeene ambachten , die door allen gezamenlijk bezeten werden, hoezeer sommigen zich naar de ambachten meer bepaald vernoemden, hetgeen het waarschijnlijk maakt, dat het geheel allereerst was in het bezit van één persoon, wiens afstammelingen of erven de bezitting in baar geheel lieten, maar de opbrengst naar gelang van iedere aanspraken deelden.
Sabbinge was het hoofdambacht en lag in het midden. Wij weten er van, dat het in het begin der dertiende eeuw reeds bestond en in aanzien was; want Gillis van Sabbinge komt in de brieven van 1208 tot 1213 bij herhaling onder de Edelen voor. Het had, volgens de domeinrekening van 1532, eenen omvang van 1450 gemeten. Thans telt de Oud-Sabbinge-polder nog geen 316 gemeten, maar tot het ambacht behooren, behalve het Zuiderland en de Nieuw-Sabbingepolder, ook nog gedeelten van het Westerland en het Oosterland. De noordelijke verliezen zijn nog niet herwonnen. In Oud-Sabbinge vindt men nog het dorp van dien naam, ook wel het Oudedorp geheeten, waar voorheen meer Edelen hunne woningen hadden, rondom eene vrij aanzienlijke kerk, welker overblijfselen, thans geheel opgeruimd, staan afgebeeld in den Zeeuwschen Volksalmanak voor 1857; terwijl op weinige schreden afstands zich het Huis-te-Sabbinge verhief, waarvan het overschot thans tot eene boerenhofstede is ingerigt. Vergelijk voorts het art. Sabbinge en het daar gezegde, aangaande het wapen, Oostkerke lag, blijkens den naam, ten O. van Sabbinge, Ridder Gillis van Oostkerke, komt in 1315 voor. Het ambacht was in 1522 groot 85O gemeten, maar ging weinige jaren later verloren, en bleef drijvende tot in 1370; toen een gedeelte er van herwonnen werd in den Oosterlandschen-polder, groot 913 gemeten, van welke evenwel slechts 642 tot Oostkerke behoorden. Het strekt zich van den Helleweelschen weg (Op de kaarten van Hattinga van den. molen af noordwaarts looponde. De molen staat ten W. van straksgenoemden Papenhoek. Vergelijk J. Ab Utrecht Dresselhuis, Godsdienstleer der Aloude Zeelanden, bl. 13.) oostwaarts op uit tot tegen de grens van Hongersdijk en bevat voorts de ten Z. aanpalendegronden. Het bijzonder wapen van Oostkerke bestond uit drie wassende manen van zilver, op een veld van azuur. In den zuidelijken hoek van den Oosterlandschepolder, vindt men, sedert het laatste gedeelte van de zestiende eeuw, het tegenwoordige dorp Oostkerke. Zie dat art.
Westkerke lag ten W. van Sabbinge. Het bevatte in 1332 in het geheel 1447 gemeten, en nog 600, die onder den naam van Muden verantwoord werden, onder welken naam zich ook sommige Edelen onderscheidden , zooals Willem Gillisz. van der Muden, die in 1290 in aanzien was. Welligt deden zij het niet naar het hoofdambacht, omdat er te dier tijde reeds eene familie bestond, die zich Van der Westkerke noemde, naar het dorp van dien naam bij Scherpenisse. Dat er evenwel ook hier eene kerk stond, blijkt nog ten overvloede uit een charter van 1316, waarin gesproken wordt van Jan Rutgers, Pape- van der Westkerke in Wolphaarsdijk. Bij die kerk stond een dorp, en vermits nu, in zeker gedeelte van den tegenwoordigen Westerlandsche-polder, een, streek gronds is, van ongeveer 100 roeden lengte en 50 breedte, waar men overal oude fundamenten en ook doodkisten heeft aangetroffen, zoo is het allerwaarschijnlijkst, dat aldaar het d. Westkerke heeft gestaan. Het ambacht is, behalve het daartoe behoorende zuidelijke gedeelte van den Westerlandschenpolder en den Westkerke-polder, geheel verloren. Het zelfde geldt Muden, het straksgenoemde gedeelte van dit ambacht, hetwelk zijn naam kan ontleend hebben van zijne ligging, juist aan de monden van het Schenge, de Zuidvliet, de Wijtvliet, de Arne en het Sloe. Men noemde het ook de Piet, welke naam nog aan de meest westelijke punt van den Westkerke-polder wordt gegeven. Men geeft er verschillende beschrijvingen van. Reygersbergh noemt het een groot dorp of stedeken, met kasteel en haven; Smallegange daarentegen, schetst het enkel als een burg. Indien de vele overblijfselen van zware gebouwen, welke nog in het jaar 1701, ten Noordwesten van den tegenwoordigen Westkerke-polder, op het strand gevonden en van daar weggehaald werden, overblijfselen zijn geweest van het oude gebouw, dat in 1368 door de zee werd vermeesterd, en welks toren nog tot 1512 aan de golven weerstand bood, dan moet het geheel en al buiten den huidigen ringdijk hebben gelegen. In den omtrek dier steenhoopen vond. men in 1701 ook nog tronken van regelmatig geplante boomen; terwijl het schor zelf; zich zoo ver westwaarts uitstrekte, dat men, bij laag water, van het einde af, den veerman op het lange hoofd bij Arnemuidcn beroepen kon. Aan dezen laatsten naam ziet men, waarom men dit Muden door bijvoeging van de Piet onderscheidde. Van waar die bijnaam ontstond zullen wij kunnen opmaken uit het wapen, in verband met eenige charters. Smallegange geeft als wapen van de Piet, een veld van zilver met een kruis van sabel, vergezeld van eenen sleutel van keel in elk kwartier. Dit doet denken aan geestelijke herkomst of heerschappij. En werkelijk bestond er zoodanige. Het kapittel van St. Pieter te Utrecht bezat, al zeer vroeg, op Wolphaarsdijk, zoowel als op Borsselen, Zuid-Beveland- Bewesten-Yerseke en Noord-Beveland, de meeste tienden en het aan het bezit daarvan verbondene patronaatschap der kerken; doch verruilde deze, in 1310, tegen andere goederen, aan den Graaf, die in 1315, wegens het verheffen daarvan bij versterf, eene overeenkomst trof met de Edelen, die deze tienden van St. Pieter in pacht hadden. Bij die overeenkomst; bij welke de Heeren ook eenige matiging van het patronaatregt bedongen en het regt van presentatie verwierven, trad Ridder Gillis van de Oostkerke voor de gezamenlijke Ambachtsheeren in Wolphaarsdijk op. In de latere domeiurekeningen werden die tienden van Westkerke genoemd, als de tienden van Muiden, geheeten de Piet, dat wel het zelfde zal zijn als » do St. Pieterstiendcn van het Westkerker-ambacht." Hoe belangrijk deze waren kan daaruit blijken, dat in 1471, toen er van het geheele ambacht nog maar ruim 294 gemeten overig waren, die tienden werden verantwoord met 22 gem. 64½ roeden. Met uitzondering der tienden waren de oude ambachten overigens vrij van alle beden en schoten, die geconsenteerd werden bij steenschietens. Het geschot was voor de Ambachtsheeren. Alleen dan, wanneer bij de breedte geheven werd betaalden zij mede en gelijk de overigen. Bewijs hiervoor werd, in het jaar 1331, gegeven ter rekenkamer te Brusscl, en als reden daarvan opgeteekend : » om der Ambacbtsbeeren geregtigheden niet te verkorten; » zijnde hun voornaamste inkomen." Zij weigerden zelfs naderhand te betalen bij steenschieten voor den Hongersdijk-polde, beweerende dat hun gedeelte er van tot de oude ambachten behoorde.
Keeren we nu met onze gedachten weder wat achterwaarts, dan vinden wij, dat Wolphaarsdijk, als eiland, in de dertiende eeuw met drie kerkdorpen, twee burgen en meer andere woningen van Edelen, er vrij goed moet hebben uitgezien. Bij de oprigting der Hooge Vierschaar in 1290, werden dan ook vier Edelen uit Wolphaarsdijk tot haar toegelaten, te weten: Pieter Pieterszoon, Woutier Soete van Sabbinge, Willem Gillisz. van der Muden en Jan van Schenge, die op het oude dorp woonde, en beneven zijn vader in 1270 was beleend geworden met de ambachtsportiën, die aan den Graaf vervallen waren, door het kinderloos sterven van Doede Deodesymonsz, en Symon Willemsz. De gezamenlijke ambachten bevatteden, in het jaar 1332, ook 4347 gemeten schotbaar land, zonder de vroonen en andere vrije landen. Van toen af begon er evenwel een regt kwade tijd.
Tn November 1334, op St. Clemensdag, braken in het Westen bij Muden twee polders door, die ook reeds op St Catharinadag 1309 bezweken , maar toen nog hersteld waren. Ditmaal gingen zij verloren, Oud Sabbinge leed zware verliezen; terwijl almede geheel Oostkerke, of toen of een weinig later, door de zee overstelpt werd. Op den 5 Januarij 1358 verkregen intusschen Jan van Sabbingen en zijne neven, op last van Hertog Albregt, vergunning om den polre in Wolphaertsdyc (het Zuiderland)" te beverschen, mits dit werk volbragt ware vóór St. Maarten 1389. Tien jaren later, des Maandags na St. Maarten, dus 16 November 1368, werd daarentegen het Westen op nieuw geteisterd. De Pieterspolder ging met Muden verloren en moest verlaten worden. Doch dit verlies werd eerlang vergoed in het Oosten, doordien Hertog Albtrecht, aan wien het verdronken Oostkerke vervallen of verstorven was, den 15 April 1370, aan Willeman Rengersz. van Cats gaf » te dyken tot chorenlanden; en wt te geven tot sinen » scoensten alle de wtdike, vorschlandt ende slijelant, dat gheleghen » es in Wolphaertsdyc in den prochie, die bi ouden tiden die Oostkerke » gheheeten was, ende dats onbedyct in der prochie van Zabbinghen, » oostwaerd af te gaan , zuutwaerd en noordwaerd , also als onse Rent- » meester beleiden zal van den dike van Zabbinghen, ende also oost- » waerd als 't hem oorbaarlic dinken zal." De eenige voorwaarde was, dat de helft der aanwinsten aan den Graaf zoude komen, en de wederhelft aan Van Cats en zijne nakomelingen of erven blijven. Deze uitgift had belangrijke gevolgen; want ook de oudere Heeren behielden hunne regten, en dus werd het nog meer dan vroeger een onverdeelbaar goed. De eerste vrucht was de bedijking van den Oosterlandsche-polder, met ruim 913 gemeten lands. Dáár vonden de Westkerkers, die voor de inbreuken der golven wijken moesten, eenen nieuwen bodem ter bearbeiding. Op den zuidelijken hoek van den nieuwen polder, ter plaatse waar de vroegere kerk gestaan had, verrees dan ook weldra een nieuw heiligdom en een nieuw dorp, waarbij ook de Heer voor zich een verblijf deed bouwen. Hij had trouwens niet in eens alles beverscht, wat hem was afgestaan, en de verlanding bleef aan dien kant voortduren. Daarenboven verkocht Hertog Willem, den 8 Maart 1407, de regten, welke den Vorst waren voorbehouden op de verdere aanwassen, aan Claes van Borssele Albrechtsz. voor 375 Engelsche nobelen (2055 guld. 25 cents). Dit gaf aanleiding tot nieuwe bedijkingen, van welke de belangrijkste was de bedijking van den Hongersdijksche-polder, in 1429 (zie dat art.), die in gemeenschap met de heeren van Oud-Wolphaarsdjjk verzocht werd door Hector van Voorhour, als echtgenoot van Jonkvrouwe Aleid, ’s Heeren Claes dochter. In den nieuwen polder werden 973 schotbare gemeten gewonnen, van welke aan genoemde Jonkvrouwe en hare deelgenooten . van het Oosten afgerekend, 626 gemeten 150 roeden worden tocgekend, welke eene nieuwe heerlijkheid vormden, waarin desgelijks weldra kerk en dorp gevonden werden.
In het Westen daarentegen bleef het verliezen voortduren, zoodat, gelijk wij reeds opmerkten, de St. Pieterstienden aldaar in 1471 slechts verantwoord werden met ruim 22 gemeten. Het overgeblevene was bekend onder den naam van het Westerland, tot 1575. Ten gevolge van den giftbrief van 1570 en den verkoopbrief van 1407 bedijkten de gezamenlijke Heeren ten Noorden en Westen, hetgeen hun rijp scheen ter bedijking. Ten Noorden, vóór het Sabbinger-gedeelte van den Oosterlandsche-polder tegen de daar nog bestaande inlage, waar thans het diep ligt, werd het. Hardebolloke droog gemaakt, door de Heeren van Bourgondië en Cats. Het was slechts 54 gemeten groot en betaalde, van wege de kostbaarheid der zeeweringen, geene geschot, maar stond nog vermeld op de steenrol van het jaar 1582. Onzeker is de tijd, waarin het vloeide; doch in het jaar 1662 waren er nog oude lieden, die verklaarden, dat de Noordweg, thans nog onder den naam van Hardenboldsche-weg bekend, daar ter plaatse, voorheen had doorgeloopen over den tegenwoordige zeedijk tot aan cenen anderen, en dat het hun nog heugde, dat zij daar, waar nu het diep was, overblijfselen hadden gezien van tronken, grebbcn en eenen kalkput.
Ten zuiden won men, tegen het Zuiderland en als voortzetting van den Hongersdijksche-polder, Zichuyt met 15O, en Berooken met 78 gemeten. Het laatste (welks naam aan roeken, zorgen, doet danken) schijnt reeds bezweken te zijn, zoo niet in de vijftiende eeuw, dan toch bij den stormvloed van 1509, die ook Zichuyt zoo erg havende, dat men vreesde, dat het verlaten zoude worden, hetgeen den Landvorst niet behagen wilde, vermits » daarby .'t eilant van Wol- »faertsdyck bij successie van tijde groote en onverwinnelicke schade » en last lyden soude." Deswege ging ook den 4 December 1509, van de Vorsten Maximilaan en Karel, de ordonnantie uit, » dat de »Ingezetenen, gelande en geërfde van Wolfaertsdyck gemeynlyk den ,»dyk van voors. polderken sullen helpen repareren en vermakten, en » den geërfden en ingelanden daerinae te bate comen." — Sedert komt er geen Zichuyt (De naam Zichuyt schijnt met die van Sïuis-polder synoniem te kunnen zijn. Hij is trouwens verwant met Zijl, verkorting van Zygel; Zulger enz. Men treft die benaming ook elders in Zeeland aan, b. v. bij Waarden. Het Iag daar tusschen de parochiën van Waarden en onzer Vrouwenparochie, groot bij de Breedte 83 gemeten en verdronk op Elfduizend Maagdenavond 1468 bij storm) meer voor , maar vinden wij wel een Fredericus-polder, ten Z. W. van den middeldijk die er doorloopt groot 16 gemeten, en ten N. O. van dezen nog 26 gemeten, palende ten W. aan de bedijking van 1429, en geheel en al opgenomen onder het beheer van de Oud-Wolphaarsdijksche directie. Dáár vond men ook de oude uitwateringsluis, waardoor het opperwater zich ontlastte in de haven, welks oude kade, nog eene buurtschap vormt in de nabijheid van het dorp, tegen de westzijde van Fredericus-polder terwijl de vaart geschiedde langs het garnatgat of de garnalenkreek, in 1646 met den Heeren-polder afgedamd en nog in Nieuw-Sabbinge, dus geheeten. Wij houden alzoo Fredericus e. a. voor een overblijfsel van Zichuyt, door stormvloeden van 1530, 1532 en 1551, voor meer dan ⅔ van zijnen omvang, beroofd.
Bij den laatstgenoemden stormvloed bezweek ook geheel Hongersdijk en bleef verloren. Moeijelijke tijden volgden, en hoe afgelegen Wolphaarsdijk ook schijnen moge, het deelde rijkelijk in den druk. De banier der vrijheid was, in 1572, in Walcheren opgestoken; maar Goes en Zuid-Beveland waren nog in de magt der Spanjaarden, die hun best deden om het benarde Middelburg ter hulpe te komen. Dit deed de voor de vrijheid strijdenden vreezen dat dezen zich op-Wolphaardsdijk zouden vestigen, en van daar de vaart langs Schenge en Zuidvliet belemmeren. Zij zonden er dus van Vere eene bende op uit, om dit te voorkomen, en die uitgezondenen gingen daarbij zeer ruw te werk, dat de beste ingezetenen de vlugt namen. Vervolgens, staken zij de dijken door; die van het Westerland op den Noordwesthoek, hetgeen dien ten gevolge verloren werd, en die van Oosterland, op eene onbekende plaats, doch met streng verbod, van de hand tot herstel te leenen. Bij hun vertrek namen zij zelfs de klok mede uit den toren van Sabbinge. Na hun vertrek, verkleedden zich evenwel, ter misleiding van die zoo onwelkome bezoekers, de mannen als vrouwen en herstelden, in dat gewaad, den Oosterlandsèhedijk zoo goed zij konden. Hierdoor bleef wel het eiland behouden, met verlies van het Westerland; doch het bevond zich nog lange in veege toestand, want de uitgewekenen, te Goes afgewezen, omdat men hen wantrouwde, en naar bevelen van Alva wachtte, togen verder, en de achtergeblevenen waren niet bij magte al de schade te herstellen, dóór menschen en stroomen aangebragt. Ook toen reeds was het:

Zuidvliet ende Schengen
Loopen beide om strengen;
Hebben haar vermeten
Willen Wolfaertsdijk opeten.

Toen de Spanjaarden uit Zeeland verdreven waren, was de nood zoo hoog, dat de overgeblevenen, in 1578, aan Willem I verklaarden, dat het eiland niet te houden was, indien men hun, boven hunnen achterstand en geschoten, niet ondersteunde met eenen stuiver van elk gemet, geheven over geheel Zeeland hemelsbreedte. Van het geheele eiland was trouwens niets overig, behalve hetgeen thans bekend staat onder den naam van Watering; van Oud-Wolphaarsdijk, groot 1585 gemeten 220 roeden. Dit was intusschen ook het tijdperk der diepste verlaging en van den hoogsten nood. Als ter gedachtenis van dezen is het bestuur van die watering sedert altijd op zich zelve gebleven, en bestaat nog tegenwoordig uit éénen Dijkgraaf, twee Gezworenen en éénen Penningmeester. — De latere gronden worden afzonderlijk beheerd.
Zij bestaan uit: 1° den Oost-polder of Oost-Nieuwlandschen-po1der, bij do bedijking, in 1597, groot 458 gem. 269 roeden (201 bund. 52 v. v. 37 v. ell.) en verkregen uit het aan Oostkerke behoorende gedeelte van Hongersdijk. Bij de doorbraak van 1631, word de zuidoostpunt afgeknot, en gingen daarmede 5 gemeten verloren, ten gevolge van het achteruitbrengen van den dijk.
2° den Heeren-polder, waarbij, in 1646 en later, door afdamming van den garnalenkreek, een gedeelte van de Hoogeplaat met Wolphaarsdijk werd vereenigd. Hij was toen groot, 726 gem.212 v. r. Later, in 1736 heeft men weer 70 gem. aan de zee moeten afstaan. Beide verliezen waren een gevolg van het oostwaarts opleggen van dammen, en het in het Westen bedijken der Craaijers-polders, door welk een en ander de ebstroom, naar het Veergat heen gedwongen wordende, den zuidelijken oever van Wolphaarsdijk af knaagde, en zijne westelijke schorren vaneen scheurde. Door de bedijking van dezen polder, werden in 1650, de haven en de uitwatering verlegd, naar het einde van den zuidelijken dijk van den Oost-Nieuwlandsche-polder, en het vroegere vaarwater herschapen in een watergang. Thans is deze pold. groot 270 bund. 82 v. r. 99 v. ell.
3° den Westerlandsche-polder, herdijkt in 1661. Hij vloeide in 1666 en 1682, doch werd telkens beverscht, groot 220 bund. 77 v. r. 56 v. ell.
4° het overschot van de Hoogeplaat, tengevolge van het sluiten der Garnalen-krcck, eerlang naauw met Wolphaarsdijk verbonden. Hieruit ontstond in 1692 de Nieuwe-Sabbinge-polder, groot, 341 gem. 268 v. r. Hij vloeide in 1693, maar werd ten zelfden jare beverscht. Doch, bij den vloed van 1808 andermaal doorgebroken, bleef hij drijven tot 1821. Toen werd hij herdijkt, groot 129 bund. 84 v. r. 53 v. ell.
5° de in het westen tot tegen de bouwvallen van Mudert of de Piet, wederom aangegroeide schorren is, ten jare 1698 de Westkerkepolder bedijkt, groot 218 bund 71 v. r. 11 v. ell.
De achttiende eeuw heeft geene nieuwe winsten gelegerd; wel, zoo als bij den Heeren-polder, werd aangemerkt, nieuwe verliezen. Het bleef echter bij deze niet, want reeds in 1715 moest op den Zuidpunt van Nieuw-Sabbinge, eene inlage gelegd worden, van nagenoeg 200 v. r., welke ruim 50 gemeten inhield, die eenige jaren daarna, reeds in slikken en schorren herschapen waren. In 1751, hadden er nieuwe vallen voor den gezegden Nieuw-Sabbinge-polder plaats. De voorgronden aldaar waren, in drie jaren tijds, 14 tot 18 roeden ingekort, en de geul was tot 6½ roeden van den dijk genaderd, zoodat men reeds het plan voor eene nieuwe inlage vormde. Daar echter de verlanding, in Goenje , Hongersdijk , Mosselbank enz., merkbaar toenam, begon de kracht van den stroom ook hier af te nemen , totdat hij in 1809 geheel gesloten werd. Bij de gedurige kusten verandering, voldeden de uitwateringsluizcn ook niet meer aan de behoefte. In 1737 werd dus eene zware steenem sluis en groots kom met twee steenen heulen gelegd, voor de Nieuw-Sabbinge-, Westerland- en Westkerke polders, voor welke een en ander ongeveer 9000 gulden werd uitgegeven. Daarenboven moesten beide laatsten van 1742—1755 bijna onafgebroken de dijken verzwaren, om tegen den aandrang van het Sloewater bestand te zijn, terwijl te Nieuw-Sabbinge, slechts ruim 288 gemeten bevattende, door verlies aan voorland, zinkwerken, enz., al hooger en hooger geschot moest vragen, zoodat dit, kort na 1745, tot 5 guld. per gemet was gestegen. Hen schreef die zuidelijke verliezen, zoo als wij reeds opmerkten, toe, aan de dammen , welke, op last van Gecommitteerde Raden, waren gelegd geworden door het Wolphaarsdijksche-gat, ten einde de schorren van Goenjc met Wolphaarsdijk te verbinden, opdat de Pije of het Goeschc-diep, te dieper mogt worden. Zeker is het, dat zij de haven en de sluis van Oud-Wolphaarsdijk dra geheel onbruikbaar maakten. De schippers verhuisden deswege naar de nieuwe haven, aan den Westerlandschcn-polder; maar de landlieden hadden het kwaad; want de landen stonden des winters veelal onder water, totdat in 1795 eene nieuwe sluis werd gelegd in den Noorddijk van den Oosterlandsche-polder, tegenover Kortgene, welke 14,000 gulden kostte.
6° Met het einde der achttiende eeuw was ook de vcrlanding ten Zuiden volkomen geworden, en bij de bedijking van den Wilhelminapolder in 1810, werd niet alleen geheel Hongersdijk herwonnen, maar ook eene aanzienlijke hoeveelheid nieuwe gronden, van welke 282 bund. 42 v. r. 53 v. ell. aan Wolphaarsdijk werden toegekend.
7° Het verloren gedeelte van den Heeren-polder, werd met andere oude en nieuwe gronden herkregen in den Perponcher-polder, bedijkt, ten jare 1846. Daarvan zijn aan Wolphaarsdijk toegevoegd 141 bund. 35 v. r. 30 v. ell. Na vijf eeuwen worstelen met de baren, heeft dus Woolphaarsdijk zijne oude uitgestrektheid weder, en doet alzoo wederom eere aan zijn wapen: een griffioen van keel op een veld van goud, worstelende gelijk Zeelands Leeuw., op eene zee zamengesteld uit zes golvende faseen van sinopel en zilver.
Be gezamenlijke ambachten worden bezeten door Jonkvrouwe Johanna Maria. Baronesse de Perponcher, zijnde mede portionarissen de Erven van Cornelis Baron de Perponcher Seldnizky.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Wolphaartsdijk