Willemstad, gem,, prov. Noord-Braband, arr. Breda, kant. Zevenbergen (17 m. k., 9 s. d.); palende N. aan het Hollandsdiep, O. aan de gem. Klundert. Z. aan Fynaart-en-Heyningen, W. aan het Haringvliet.
Deze gem. bestaat uit den geheelen pold. Ruigenhil, uit de drie bekadc poldertjes tegen het Hollandsdiep, uit de pold. Maltha, uit de bekade St. Antoniegorzen en uit de Rietgorzen; bevat de st. Willemstad, de geh. Helwijk en Bovensluis en gedeelte van de geh. Tonnekreek, Zwingelspaan en Oude molen, benevens verpreid liggende boerderijen en woningen. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 3076 bund. 58 v. r. 51 v. .ell., waaronder 1718 bund. 58 v. r. 53 v. ell. belastbaar land; telt 267 h., bewoond door 396 huisgez., uitmakende, behalve het garnizoen, eene bevolking van ruim 1900 inw., die hun bestaan vinden in den handel, vooral in graan, meekrap en vlas en in den landbouw. Voorts heeft men er eene scheepstimmerwerf, eenen fraaijen steenen windkorenmolen, eenen rosmolen , eene bierbrouwerij, twee grutterijen en eene meestoof. Voorheen bestond er ook eene leerlooijcrij, welke thans vervallen is.
De Herv., die er 1740 in getal zijn, onder welke 550 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Breda, ring van Willemstad behoort, en door eenen Predikant bediend wordt. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Jan Symonsz, die in het jaar 1575 herwaarts kwam, van Westmaas, waar hij ontzet was, doch hij vertrok in hetzelfde jaar naar Puttershoek, van waar hij in Julij 1583 weder hier beroepen werd doch in het volgende jaar, werd hij reeds weder opgevolgd door Lambertus Sander.
Dc R. K., die men er ruim 140 telt, onder welke ruim 60 Communikanten, maken, sedert het jaar 1832, eene par. uit, welke tot het apost. vic. van Breda, dek. van Bergen-op-Zoom behoort, en door eenen Pastoor bediend wordt. De eerste, die in deze par. als Pastoor de dienst heeft waargenomen , is geweest Johannes Genk, die den 3 Maart 1843 bevorderd is tot Landdeken en Pastoor te Aardcnburg.
De 6 Isr., die er wonen, behooren tot de ringsynagoge van Bergen-op-Zoom,— Men heeft in deze gem. eene school, welke gemiddeld door 200 leerlingen bezocht wordt.
Deze gem. is eene heerl,, welke in het jaar 1584 door de Staten van Braband aan Willem I , Prins van Oranje geschonken werd tot eenige vergoeding van geledene schade door het verbeurdverklaren zijner goederen in Spaansch-Braband, en behoorde. vóór dien tijd onder, het markgraafs. op Bergen-op-Zoom. Zijn zoon Maurits werd naderhand door de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, in het bezit dezer heerlijkheid bevestigd. Zij was ook onder de nalatenschap van Willem III, Koning van Engeland, en werd bij de verdeeling daarvan aan Willem lV, Prins van Oranje, afgestaan. Thans behoort zij aan het domein.
De stad Willemstad, in het Latijn Guilelmistadium,. ligt 6¼ N. W. van Breda, 3 u. N. W. van Zevenbergen, 5 u. N. ten O. van Bergen-op-Zoom, aan het .Hollands-diep, welke op deze hoogte een driesprong maakt met het Haringvliet en het Volkerak, waardoor hier dikwijls holle zeeën staan, die een trotsch gezigt opleveren. Er is een rijks-hengstenveer op Numansdorp, terwijl er ook passagiers naar Ooltsgensplaat worden overgezet; alsmede een station der stoombooten van Rotterdam op Antwerpen en Middelburg.
Da stad is in het jaar 1583 gebouwd en op eigen kosten versterkt door Willem I, Prins van Oranje, met het doel, om eene zeemogenheid te beletten, in tijd van oorlog, Holland van Zeeland te scheiden. Zij beslaat, met de buitengronden, eene oppervlakte van 56 bund. 79 v. r. 46 v. ell., en binnen hare wallen 19 bund. 60 v. r. 77 v. ell. Zij heeft eene ronde gedaante, en een half uur in den omtrek, doch is inwendig weinig bebouwd en bevolkt, zoodat zij ruim het dubbel aantal huizen en zielen zou kunnen bevatten, tellende men er slechts 218 h. en ruim 1100 inw. Overigens is zij regelmatig verdeeld, als: van het Oosten naar het Westen door de Landpoortstraat in twee gelijke deelen, waarvan het noordelijke deel door de breede en in het midden met boomen beplante Voorstraat weder in twee gelijke deelen verdeeld wordt; beide genoemde, straten bevatten vele goede huizen, zijnde nog eenige achterwegen niet noemenswaardig.
In bet midden van het zuiderdeel is een ruim vierkant plein, het Kerkhof genaamd, door breede gracht omringd, met stcenen brug en fraai ijzeren sluithek. Dit plein, waarop de Hervormde kerk, benevens de kosterswoning en het schoolgebouw, staat, dient tot begraafplaats voor de verschillende gezindheden. Dit gedeelte der stad is overigens schaars van huizen voorzien, doch bevat de meeste militaire gebouwen, welke veel ruimte innemen.
In bet jaar 1688 had men het oog op de Willemstad, om aldaar een dok voor 's Lands schepen van oorlog aan te leggen, en wel in dier voege dat die schepen, tot voorkoming van bederf, altijd vlot en driftig zouden moeten leggen. Men achtte zelfs dat een dok bij de Willemstad, minder kostbaar en tevens veiliger te maken was dan in Hellevoetsluis, alwaar men echter eenige jaren later zoodanig dok aanlegde.
De stad heeft twee poorten, als; de Waterpoort ten N., een hoog vierkant gebouw, met een gewoon huisdak en de Landpoort, ten O., zijnde slechts eene doorsnijding van den hoofdwal.
De havenkom is aan het noordeinde der stad en alleen voor ligte vaartuigen geschikt. Zij heeft door eene spuisluis gemeenschap met de hoofdgracht. De mond der haven is buitendijks, aan het einde heeft men op groote diepte een kostbaar havenhoofd.
De vesting heeft zeven kleine holle bastions, die de namen dragen der voorm. zeven provinciën en gelegen zijn in eene vrij regelmatige ovale gedaante. De hoofdwal is alleen aan de rivierzijde, met bekleedingsmuren voorzien en wel het rivierfront en de helft der beide aangrenzende fronten. De natte hoofdgracht is vrij breed, daar door liggen twee steenen dammen, ten N. W. en N. O., welke tegen de zeedijken steunen en waarvan eerstgenoemde eene inundatiesluis heeft; de haven, welke door het rivierfront binnen de vesting komt, is aan weerszijden door een steenen beer van deze gracht afgesloten; de westelijke beer heeft eene spuisluis en daarover, vlak voor de Waterpoort, ligt eene houten ophaalbrug.
Er is slechts een buitenwerk, zijnde een ravelijntje voor de Landpoort, en rondom het niet bekleedde deel van den hoofd wal loopt een glacis coupe met voorgracht, zijndo echter laag en smal en daardoor ongeschikt; aan de rivierzijde is het oostelijk gedeelte tusschen de haven, en den Oostzeedijk van een gewoon glacis voorzien, terwijl het westelijk gedeelte een flaauw en vrij breed af hellend terrein is, met een dijkje, dat van het havenhoofd tet tegen den Westzeedijk aanloopt en het Lantaarndijkje wordt genoemd, als geleidende naar eenen fraaijen houten lantaarnopstand. Den 3 April 1669 werd het octrooi tot het daarstellen van dat baken verleend.
Tot deze vesting behooren nog de forten de Ruyter en de Hel. Zie die artikelen.
Men heeft er de volgende militaire gebouwen: Het Gouvernement, in de Hofslraat, ook wel het Prinsenhuis geheeten, omdat het door Maurits, Prins van Oranje, gesticht werd. Het, is een ruim , aanzienlijk gebouw, doch, dient thans tot Infirmerie, Magazijnmeesterswouing enz. Het voorplein is tot Geschutpark in gebruik.
De Kazerne, aan de Kerkring, bestaat uit twee blokken, welke, door muren vereenigd zijn, en zoo doende eene binnenplaats vormen. Zij is in 1748 gebouwd; kan 800 man bevatten, doch is niet bomvrij.
Het Arsenaal, aan de Haven bij de Waterpoort, is een doelmatig en schoon gebouw, in 1793 opgetrokken, doch niet bomvrij, daarbij zijn het kogelpark, een brandspuithuis en eene groote ruime pomp, welke zelfs dikwijls in de behoefte der ingezetenen voorziet.
Voorts twee kleine Wachthuizen aan de beide, poorten, welke mede aan het Rijk behooren; een groot bomvrij Kruidmagazijn, in 1811 gebouwd, voor 90,000 pond buskruid; een klein niet bomvrij Kruidmagazijn voor 18,000 pond; twee Kogelgloeiovens, en twee houten Loodsen tot berging van materieel.
Het Stadhuis, aan de Paradeplaats, is een vrij aanzienlijk gebouw, met het jaartal 1620 voorzien, en hebbende het beeld der geregtigheid in eene nis boven den ingang; achter tegen den regtervleugelmuur staat een achtkante toren aangebouwd, met een uurwerk en kort spits dak.
De Hervormde kerk, op het Kerkhof, is een fraai gebouw van achthoekigen vorm, en door een dergelijk hoog koepeldak gedekt, waarop nog een rond houten torentje prijkt. In 1604 was zij volbouwd. Zij is in 1791 gedeeltelijk hernieuwd, is inwendig bijzonder luchtig en heeft cenen fraaijen predikstoel en een net orgel, hetwelk in het jaar 1774 aan de gemeente ten geschenke is gegeven, door Willem V, Prins van Oranje, destijds Heer der heerlijkheid. Volgens een oud register is er op den kerktoren een speelwerk geweest; het blijkt ten minste, dat de herstelling van de beide horologiën, te weten van het stadhuis en kerk,. benevens het speelwerk, op den 21 October 1640, aan eenen horologiemaker uit Dordrecht is aanbesteed voor 100 caroli gulden (125 guld.), terwijl uit verdere stukken blijkt, dat dit speelwerk in 1678 nog bestond; dan, hoe dit is weggeraakt en waarom is onbekend. Achter tegen de kerk is de consistoriekamer aangebouwd.
De Roomsch-Katholijke kerk, in de Landpoorstraat, aan Onze Lieve Vrouw toegewijd en in 1832 gesticht, is voorloopig slechts een houten schuurgebouw, zonder toren, .doch inwendig geplafonneerd en sedert kort van een orgel voorzien.
Het Weeshuis der Hervormden is opgerigt in 1671, aan de westzijde van het Kerkhof; doch in 1781 is daarvoor een ander lokaal gebouwd, op de Voorstraat, Daarin bevinden zich thans 12 jongens en 14 meisjes.
Men heeft er een Postkantoor, een Station der paardenposterij en eene Bank van leening, alles op de Voorstraat.
De paardenmarkt valt in den 9 Junij, de kermis den derden Vrijdag in September.
Willemstad is de geboorteplaats van den Luitenant Admiraal Gerard Callenberg, geb, 8 April 1642, † te Vlaardingen, 8 October 1722.
Hoewel deze stad niet vóór in het laatst der vorige eeuw eene belegering heeft moeten doorstaan, is zij, in tijden van oorlog, zeer bekend geworden, voornamelijk bij en door de Engelschen, die zoo menigmaal zij, als Bondgenooten van den Staat, in Braband en Vlaanderen eenige veldtogten hebben bij gewoond, hun krijgsvolk telkens in de haven van Willemstad, plagten to ontschepen, en, bij hunne terugkeering weder in te schepen; zoo als ook de Hessen-Hanausche troepen en Artillerie, welke in 1776, ten dienste van Groot-Brittanje, tegen, de Amerikanen gezonden werd, mede in de Willemstad derwaarts scheep gegaan zijn.
In het jaar 1588 zocht Robert Sacquet of Sacquet, een Engelschman, misbruikende den naam der Koningin van Engeland, de bezetting te Willemstad aan het muiten te brengen, en zich van de plaats en van den Bevelhebber meester te maken. Doch zijnen toeleg ontdekt zijnde, werd hij gevangen naar 's Gravcnhage gevoerd. Hij beleed hier, dat zijn voornemen geweest was, de vesting aan Parma te leveren, waarop hij ter dood veroordeeld werd.
In het jaar 1787 hadden er eenige oproerige bewegingen in de Willemstad plaats, die den 11 Julij aanvingen en vijf dagen duurden. Eene afkondiging der regering was krachteloos om de gistende gemoederen tot bedaren te brengen. De Kolonel-Kommandant van het krijgsvolk Van Meulieu wist echter den voortgang des gewelds te stuiten. Drie der voornaamste Oproermakcrs werden gevat en gevangen gezet. De groote meerderheid der inwoners leden, met ongeduld dit bedwang. Zij gaven aan de regering, bij eene ongeteekende verklaring, de reden van hun misnoegen te kennen, bestaande in de-staatsbegrippen van eenigen hunner medeingezetenen, bovenal hadden zij het geladen op den schoolmeester, dien zij als een heftig Patriot beschouwden en voor de oorzaak van het misnoegen en der gerezene verbittering hielden, Dezen hun zoo hatelijken man wilden zij afgezet hebben, en drongen aan op de loslating der drie gevangenen, die zich liet meest bij het oproerig geweld onderscheiden hadden. De schoolmeester, voor de partijwoede beducht, verliet eene stad, waar hij het boofdvoorwerp van den haat des volks was; ook voldeed de Regering aan den eisch, om de drie gevangenen in vrijheid te stellen, en nu kwam de stad schijnbaar tot rust. De maand was echter nog niet ten einde of het eerste bataillon van het tweede Regiment Van Waldeck, dat in de Willemstad garnizoen hield, sloeg aan het muiten, haalde met geweld de vaandels uit het huis van den Kolonel, niettegenstaande eenige Officieren die met den degen tot het uiterste verdedigden. Hiermede niet tevreden, wilden zij mede de bataillonskas hebben. Deze werd ook aan hunnen dwingenden overmoed afgestaan. Met de vaandels en de bataillonskas trokken zij, zegepralende, naar do kazerne, riepen hunne kameraden zamen, om zich insgelijks te wapenen, in gelederen te stellen en alzoo de Willemstad te verlaten. De Officieren waagden, niet zonder levensgevaar, eene laatste poging, met door de gelederen te gaan en de soldaten te vermanen, om in de plaats hunner bezetting te blijven; doch het baatte niets. Zelfs moesten onderscheidene Officieren, die zij voor Prinsgezinden hielden, en in welke zij eenig vertrouwen stelden, hun aan de hand belooven, dat, indien zij niet terstond wildcn, medegaan, zij ten minsten des, anderen daags zouden volgen. Hierop presten zij karren en paarden, om de bataillonskas en de equipaadje te vervoeren, en togen, door eenen Onder-officier geleid, met vliegende vaandels en slaande trom de poort uit, om, zo zij zeiden, naar Nijmegen te vertrekken. In deze vlugt verliep meest het geheele bataillon, behalve een sergeant, een tambour en, 25 soldaten, die zich in de huizen verborgen hadden. De Officiers, die allen bleven, en alles gedaan hadden, om dit wegloopen te stuiten, moesten, door gewapende overmagt gedwongen, aanschouwen, dat de vesting, om welke te beschermen en te verdedigen, zij met cene strafwaardig ongehoorzame manschap gezonden waren, door die manschap verlaten werd.
De gebeurtenis echter, welke de Willemstad voor eeuwig in de geschiedenis beroemd heeft gemaakt, is hare manhaftige verdediging in 1793 door den Luitenant-Generaal Karel Baron van Boetzelaer. Deze Gouverneur der vesting, toen zij door de Franschen bedreigd werd, beijverde zich ten uiterste, om zich ter verdediging toe te rusten. De twee inundatiesluizen waren geopend, de toegangen tot de stad, door verhakkcn en insnijdingen, belemmerd, eenige gebouwen in den omtrek, waarin de vijand zich zou hebben kunnen nestelen, verbrand en een gewapende hoeker, voerende 16 stukken, had rnet twee kotters post gevat in het Hollandsch-diep, om aan de vesting hulp te verleen en. Van de Willemstad werd in het Fransche leger naauwelijks eenige verdediging verwacht; men vermeet zich zelfs, vóór dat er nog eenig krijgsvolk voor de stad was, een trompetter te zenden met de mondelinge vraag, nit naam van Demouriez, of de Bevelhebber de stad wilde overgeven. Een eenvoudig Neen was het lakonisch antwoord; en eene schriftelijke opeisching, door den Generaal Bernenon, den 28 Fcbruarij gedaan; werd even bepaald beantwoord, met de verklaring, dat de Gouverneur, als een man van eer, de hem toevertrouwde vesting zou verdedigen. Toen openden, op den 1 Maart, drie batterijen haar vuur tegen de stad, waarvan eene van vijf stukken, aan de zoogenaamde Hel, tegen den Droogen dijk aan, was geplaatst; eene andere, van vier, aan den Westdijk, en eene derde, van drie, aan den straatweg. Welken angst en verwoesting ook dit schieten met gloeijenden kogels en het werpen van granaten mogten te weeg brengen, geen ijdele schrik sloeg in het hart van Boetzelaer en zijne strijdmakkers. Het kruidmagazijn werd ontledigd en de voorraad in holen onder de wallen geborgen, waar men ook begon veilige verblijfplaatsen voor de soldaten in, te rigten.; Even bedaard werd een onbesuisde aanloop afgewacht, door de Franschcn, op den middag van den 5 Maart, tegen de Landpoort beproefd. De onderwaterzetting, namelijk, rondom de stad, had veel van hare hoogte verloren, door dat de vijand reeds in den nacht na den 22 Fcbruarij zich had meester gemaakt van de sluis van den Ruigenhilsche-polder, want deze sluis, een half uur van de stad gelegen, had niet bezet kunnen worden, en door die open te zetten liep het inundatiewater voor een groot gedeelte af. De Franschen konden derhalve, met eene kleine voetspoeling, langs den straatweg naderen. In den nacht, vóór dat zij den voorgenomen storm ondernamen, hadden zij twee groote mortieren en acht handmortieren in batterij gebragt, om daarmede het geschut, hetwelk de straatweg bestreek, tot zwijgen te brengen. Het gelukte hun inderdaad , onder de manschappen van een batterij in de vesting zoo veel verwarring te brengen, dat dezen het vuur staakten; maar hier verdiende de Luitenant Simon Colthoff, dat zijn naam eene eervolle melding ten deel valle. Naauwelijks wordt hij de ontstane wanorde gewaar, of hij snolt toe, dreigt, al wie terugtreedt, aan zijnen degen te zullen rijgen, laadt, rigt en ontsteekt zelfs een der verlatene stukken, en zijn voorbeeld brengt weldra de batterij wedcr in volle werking. Eenige rijksdaalders rondgedeeld, verzoeten de bitterheid der schampere bedreiging, en bevestigen den indruk van het gegeven hevel. Door een onophoudelijk vuur werden de vijandelijke pelotons hals over hoofd, plassende in het water, en struikelende in de overspoelde insnijdingen van den straatweg te ruggeworpen, met verlies van een aantal dooden en met achterlating der twee groote mortieren, welke daarna door den Vaandrig J. G. Rost vernageld werden. Deze gevoelige les, deed den Franschman van dergelijke pogingen om de stad te overmeesteren afzien; hij bepaaldc zich van nu af tot het opwerpen van meerdere batterijen, welks ten laatste tot een getal van 34 kanonnen en 8 mortieren gebragt werden. Het vuur van dezen werd echter door dat uit de vesting met nadruk beantwoord en somtijds geheel bedwongen; ook bragt het grooter doodsgevaar, dan werkelijk verlies van menschenlevens te weeg; en het verbrijzelen en in brand schieten der gebouwen kon eenen man als Boetzelaer niet aan het wankelen brengen; de herhaling, op den 7 Maart, van eene arglistig gestelde opeisching werd met de eenvoudige verklaring beantwoord, dat de Gouverneur niets te voegen had bij zijn vroeger gegeven antwoord. De Willemstad had het voor elke belegerde vesting onwaardeerbare voorregt, van de gemeenschap te water steeds open te hebben. Bemoedigende brieven, toezendingen van allerlei oorlogs- en levensvoorraad, vaartuigen, om in den alleruiterstcn nood de bezetting te redden, dit alles hielp mede, om den moed gaande te houden. Doch daar de Franschen, aan den Westdijk in het opwerpen hunner batterijen door de drie gewapende vaartuigen, die aldaar hadden post gevat, belemmerd werden, noodzaakten zij dezen, door het schieten van gloeijende kogels, om, op den 10 Maart, af te deinzen. Nu deed de verwijdering van deze vaartuigen de vrees ontstaan, dat de vijand aan den buitenberm van dien dijk, langs den waterkant, de vesting zou nader komen, juist waar zij het zwakste was, waardoor haar de gemeenschap kon worden afgesneden. Van dit gevaar kreeg Boetzelaer eene volledige kennis door den moedigen Vaandrig Rost, die, in een vaartuig, de gesteldheid der vijandelijke werken was gaan verkennen. Het was de eerste maal dat zich de gelegenheid tot eenen uitval aanbood; er wordt daartoe besloten. Rost, de Vaandrig, Pieter Christiaan Colthoff, de Onder-Luitenant der Artillerie H. Mulder bieden zich aan, om dien uit te voeren. Met 55 vrijwilligers gaan zij, bij het aanbreken van den 15 Maart, scheep, varen tot buiten de Waterpoort, treden vervolgens aan land op een punt, vanwaar zij de vijandelijke werken kunnen bereiken, storten zich, deels vuur gevende uit hun geweer, deels met sabels en handspaken aanvallende, in de vijandelijke loopgraaf, dooden ruim 20 man, nemen er 9 gevangen, vernagelen drie stukken, maken cenige geweren en andere voorwerpen buit, en keeren zonder een eenig man verloren te hebben, zegevierend in de vesting terug. Deze moedbetooning bij de eerste gelegenheid, die zich opdeed, om met den vijand handgemeen te worden, deed zien, welke een geest de verdedigers van de Willemstad bezielde. Maar het was ook de laatste maal, dat zij daarvan hier blijken konden geven, want na nog eenige uren schietens, waarin vele gebouwen door de laatste bommen der aftrekkende Franschen beschadigd waren, kwam, in den morgen van den 16 Maart, de blijmare, dat de vijand het beleg opbrak, den angst vervangen, waarin de burgerij, bij afgebrokene tooneelen van brand en verwoesting, gedurende 15 dagen verkeerd had. Men rekent, dat in dit beleg tusschen de 9 en 10,000 deels gloeijende, deels andere kogels, en omtrent 500 bommen en granaten in de stad geworpen waren. Een groot geluk diensvolgens was het, dat men, ondanks zulk een dooddreigenden regen, slechts 18 dooden en 12 of 15 gekwetsten telde. Veel grooter was de schade aan huizen en gebouwen toegebragt. Slechts een eenig huis stond er in de stad hetwelk in het geheel niets had geleden. De algemeene schade werd op 80,000, en onder deze die van de kerk alleen op 8500 gulden begroot. In den staat van uiterste behoefte, tot welken vele stedelingen gebragt waren, ondervonden zij echter de uitwerkselen der Nederlandsche weldadigheid.
Bij de omwenteling van het jaar 1813 baande de overgave van Ooltgensplaat en Hellevoetsluis, den weg tot de spoedig hierop gevolgde bevrijding van de Willemstad. De Franschen, Hellevoetsluis verlatende, waren met de kleine vloot, die zich daar bevond, bestaande uit de korvet de Ajax , 18 schooners en brikken, benevens 4 kanonneerbooten naar de Willemstad gezeild, met oogmerk om langs bet Krammer naar de Schelde te vertrekken; dan, daar het fort Ooltgensplaat reeds vermeesterd was, werd hun zulks hierdoor en tevens door het lage water, bij een en oostelijken wind, ondoenlijk, waarom zij dan eindelijk op den 10 het besluit namen, om alle de schepen in de haven te brengen en in den grond te hakken, waarna zij dien avond te elf ure de plaats verlieten en zich naar Bergen-op-Zoom begaven. Dadelijk werd de brug opgehaald en hun, met een Oranje boven, goede reis gewenscht. Een groote voorraad van krijgsbehoeften viel den onzen hierdoor in handen. In het magazijn, door Napoleon met groote kosten aangelegd, werden meer dan 200,000 ponden buskruid gevonden, en de wallen waren met 132 stukken geschut bezet, die door de Franschen wel vernageld waren, doch spoedig weder in staat gebragt en naar Gcertruidenberg verzonden werden, werwaarts Engelsche troepen waren vertrokken. De gezonken schepen, konden ook meest alle weder bruikbaar worden gemaakt, zoodat men de vloot als behouden mogt rekenen. De Luitenant Overzee van den Ajax was gelukkig met meest alle de Hollanders achtergebleven, en deze gingen gezamenlijk in de dienst van den Souvereinen Vorst over.
Het wapen van de Willemstad is een doorsneden (coupé) schild, waar van het bovenste weder in twee deelcn gedeeld is, zijnde het regter van goud, met drie pals van keel, het linker van azuur, met eenen leeuw van goud, met tong en nagels van keel en vergezeld van gouden staande blokjes; het onderdeel is vau zilver, met drie St. Andrieskruisen van keel; tot stennsel een oranjeboom.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Willemstraat