Walcheren, eil., prov. Zeeland, thans het westelijkste der Zeeuwsche eilanden. Het wordt ten Z. W. en N. W. bespoeld door de Noordzee, ten N. door de Ooster-Schelde, die het van Schouwen scheidt, ten N. O. door het Veergat, waardoor het van Noord-Beveland en ten O. door het Sloe, waardoor het van Zuid-Beveland gescheiden wordt; terwijl de Wester-Schelde het ten Z. van Staats-Vlaanderen scheidt. Het eiland heeft eene vierhoekige gedaante, waarvan de afgekante punten naar de vier hemelstreken gekeerd zijn. Het heeft 10 uren gaans in omtrek en 20,604 bund. in oppervlakte. De lengte van het N. W. naar het Z. O. is 3 u., van het N. O. naar het Z. W. 2½ u. Van het Z. af wordt de geheele west- ook de noordzijde tot een uur noordwaarts van Vere door duinen tegen de zee beveiligd; met uitzondering alleen van het zwakste westelijkste gedeelte, waar de overzware en merkwaardige Westkappelschedijk gevonden wordt. Aan de andere zijde wordt het eiland insgelijks door dijken ingesloten.
De naam van dit eiland is zeer oud. Het wordt door den Abt van Echternach, in het leven van St. Willibrord, Walacra, door den Monnik Sigebertus Walagrum, door eenen naamloozcn schrijver Walachria en in de Jaarboeken van Fulda Walachra genoemd. Keizer Otto II schrijft, in eenen openen brief van het jaar 974, Walachria, gelijk het nog hedendaags in het Latijn genoemd wordt. Den zelfden naam heeft het ook bij Melis Stoke en bij onze oudste kronijkschrijvers. Boxhorn beweert tegen Douza en Scriverius, dat het van ouds Wasda geheeten werd, als in den giftbrief van Koning Lodewijk, in het jaar 868, aan Graaf Diderik, doch met weinig waarschijnlijkheid. Ondertusschen is de naamsoorsprong van dit eiland zeer onzeker, Eenige beuzelen van eenen Walach of Walachrius, Hertog van Henegouwen, die ten tijde van Juditch en Holofernes zoude geleefd, en dit eiland bedijkt hebben. Anderen zeggen , dat het, dus genaamd is naar zekeren Afgod, die aldaar werd aangebeden, want in eene oude ongedrukte kronijk, leest men, volgens Eyndius, dat Walcher van ouds een naam geweest zij van Mercurius, die van de ingezetenen geëerd werd, als de Beschermgod van de zeekust, en onder wiens bewaring de zeestranden stonden; als of hij Walheer of Wallenheer ware; beteekenende wallen in de Nederduitsche taal oevers. Was er van dezen naam van Mercurius zoo veel zekerheid als er van zijne aanbidding in dit eiland is, zoo was mogelijk de zaak gevonden; want het eerste verzekert ons Melis Stoke. Andere naamsafleidingen gaan wij stilzwijgende voorbij. Dit is zeker, dat het reeds in den jare 836 met den naam van Walcheren erkend geweest, en altijd voor het voortreffelijkste der Zeeuwsche eilanden gehouden is.
Walcheren, hoezeer onmiddellijk aan zee gelegen, heeft, voor zoo ver men weet, onder de Zeeuwsche eilanden de minste veranderingen ondergaan; ook kan het niet zoo dikwijls als de overige eilanden overstroomd zijn geworden, aangezien de bodem, voor het grootste gedeelte uit oud aangeslijkt land bestaande, bij uitstek voor den grasgroei geschikt is, en de andere eilanden, daarentegen, meestal met zware klei bedekt, meer voor den akkerbouw passen.
Het is een schoon eiland, dat eene aangename verscheidenheid van gezigten aanbiedt, waartoe de fraaije buitenplaatsen, van welke wel vele gesloopt, maar toch nog onderscheidene overig zijn , niet weinig toebrengen. Aan de noordzijde bevat het veel geboomte, terwijl de overige oppervlakte voor de helft uit voortreffelijk bouwland, en voor de helft uit meest goede weiden bestaat. De vruchten zijn er sappiger, doch niet zoo smakelijk als elders, behalve moerbeziën, meloenen en vijgen. De paarden zijn er zwaar en lomp, ofschoon er veel werk van gemaakt wordt.
De grond is op Walcheren vet, magtig en kleiachtïg. De soort van klei, waaruit hij bestaat, is echter niet zwaar en vrij gemakkelijk te bearbeiden; daar hij zich zeer goed zaamverbindt en tot een vast ligchaam vormt, is die uitmuntend voor de dijken, welke enkel uit deze klei bestaan. Op eene zekere diepte gravende, wordt die klei vochtig en stinkend, en steunt eindelijk veeltijds op eene laag van die beroemde soort van zavelachtige en als met stoppels verbondene aarde, die men darink noemt, en welke men eertijds tot brand en tot zoutmaking bezigde; onder deze laag ontmoet men zandgrond en water. Er zijn gedeelten van het eiland, alwaar de oppergrond minder vruchtbaar is; zoodanige ontmoet men in de nabijheid van Westkapelle, waar men eenen heigrond heeft, niet ongelijk aan dien van de Veluwe.
Een merkwaardig overblijfsel der aloude bewoners van dit eil. vindt men op zijne oppervlakte verspreid, in de groene heuvelen, welke men met de namen van terpen, vliedbergen, tribunalia, tumulos, bestempelt. Hun getal is menigvuldig; zij leveren, de eentoonigheid van het vlakke land brekende, geen onvermakelijk gezigt op. Sommigen zijn digt bij de woningen, anderen zijn in het midden der velden en eenigen zelfs niet zeer ver van de duinen. Allen verschillen zij in grootte; eenigen zijn geheel kaal, alleen met zoden gedekt; anderen dragen niet onaardig éénen boom en enkelen zelfs een koepeltje op den kruin. Waartoe deze heuvelen oorspronkelijk hebben gediend, is niet zeker te bepalen.
De wegen welke de gemeenschap met de plaatsen onderling en met Middelburg daarstcllen, zijn vrij goed en hier en daar aangenaam beplant. Van de hoofdstad loopen naar Vlissingen en Vere zeer goed onderhoudene straatwegen. De eerste, reeds begonnen in de zestiende eeuw en van den Abeele tot Middelburg voltooid in 1646, mag zoo door boomgewas als door levendigheid van gezigten en onophoudelijk heen en weder wandelen en rijden, onder de aangenaamste wegen geteld worden. Ook loopt een uitmuntende klinkerstraatweg naar het Sloe, die onder Nieuwland insgelijks fraai is beplant. Ook naar Domburg is, sedert de stichting van het badhuis aldaar, een klinkerweg aangelegd, die over Serooskerke en Oostkapelle loopt.
Het eiland Walcheren wordt van het overtollige water ontlast door drie zeesluizen, waarvan twee te Middelburg en ééne te Vere. Het opzigt over deze sluizen met hare watergangen, gelijk ook over de zeeweringen des eilands, is opgedragen aan eene centrale directie van Walcheren, bestaande uit eenen President, vier Raden, eenen Griffier en Penningmeester. Met betrekking tot dit opzigt wordt het eiland verdeeld in vier wateringen, naar de vier hemelstreken genoemd. De eerste oudste en grootste dezer wateringen is die der zoogenaamde Vijf ambachten (ook wel eens de Noordwatering genoemd), aldus geheeten naar de eerste bedijkingen, welke aan de Walacren of de bewalde akkers, op welke Domburg lag, plaats hadden. Zij zijn thans bekend als: Poppekerke, Boudewijnskerke, Meliskerke, Mariakerke en Grijpskerke. Voorheen droegen zij andere namen; gelijk bij voorbeeld: Melis- of Meiloskerke, waar de Abt van Middelburg de tienden bezat, dat in de dertiende eeuw ook Hugen-Boidens-Ambacht geheeten werd. De Swalinge en Pekelïnge maakten bet langst de scheiding tusschen deze en de oostelijke gronden. Bij Mariakerke, door den Poppendam afgedamd, verrezen daarin ten N. de honderd gemeten van Grijpskerke, welke tot de Oostwatering behooren; Hondegems-Ambacht, en hel deel van Serooskerke, hetwelk bij de Vijf-Ambachten gerekend wordt. Ten Zuiden werden de Werendijk en de Zoutelanden gewonnen. Hoe vroeg deze afdamming plaats had, kan men daaruit afleiden, dat men , ten jare 1251, Gapinge reeds als eeme bekende heerlijkheid aantreft, dat er in het jaar 1260 van schikkingen gewaagd wordt omtrent de tienden in de Pekelinge en Poppendamme, en ook Zoutelande in die eeuw, als algemeen bekend genoemd wordt.
De Bottée vereenigde de Pekelinge met de Arne, welke door Middelburg liep, en deze stad nog in het jaar 1501 in een oost- en westoever scheidde. De gronden ten Noorden der Arne vormden de Oostwatering, welke genoemd en omschreven wordt bij Mierus in een brief van 1323. Door dezen Arnedam, den Brig of Breedam en den Overdam werden zij geheel met de stad en de zuidergronden vereenigd en alzoo ook deze nader aan de Vijf-Ambachten verbonden. Hoe vroeg dit plaats had kan daaruit afgeleid worden, dat Brigdamme in 1214 reeds eene bekende heerlijkheid was. De Vrouwen-polder werd eerst in 1559 daaronder opgenomen. De gronden ten Zuiden der Arne werden nog door den Wijtvliet gescheiden en vormden alzoo de West- en Zuidwateringen. Zij werden door den Seisdam aan Middelburg vastgehecht, nadat Bcverens-Ambacht, in den Wijtvliet opgekomen, beide gezegde deelen had vereenigd door den Sutburg of Zuidburgdijk. Dezen naam toch droeg die sterkte, uithoofde van hare ligging in betrekking tot Middelburg, en zoo komt hij ook voor in den giftbrief van Dirk VII, bij welken hij aan de abdij van Middelburg tienden gaf, aldaar en in de drie aangrenzende parochiën van Ritthem, Vlissingen en Koudekerke. In het jaar 1250 wordt bij de aanwijzing van de regten en bezittingen der abdij stellig onderscheid gemaakt tusschen het Offïcium de West-Subburg en het Officium de Subburg,
Op het einde van de dertiende eeuw werd de zuidelijke oever van dit eiland volkomen verbonden, daar in 1293 een nieuwe dijk van Vlissingen tot aan Dijkshoek gelegd werd. Sedert heeft men daar in 1372 nog eenige gronden bedijkt, en in 1390 den Bonendijk-polder aangewonnen. Ten Oosten van Veere heeft men sedert nog gewonnen, ïn 1618 bet schor ten halven Crij, na de bedijking de Oranje-polder genoemd. En ten Oosten van het eiland Walcheren, voor den mond der Arne, het reeds in 1395 genoemde Arnemuider-zand, hetwelk men als het begin der verzanding van het Sloe kan beschouwen , en waarop sedert gedijkt zijn: in 1631, Sint Joosland; in 1644, Nieuwland, in 1661, Nieuwerkerker-polder, in 1671, Nieuw-en Sint-Joosland (Wij hebben gemeend voor de beschrijving der wateringen, waarin Walcheren verdeeld is, enz. geen beter gids te kunnen volgen dan onzen geleerden medearbeider J. Ab Utrecht Dresselhuis, zooals hij die opgeeft in De provincie Zeeland in hare aloude gesteldheid, blz. 104-106 en I35 en 136.) eene aanzienlijke streek nieuw aangeslijkt land, vroeger een afzonderlijk eiland vormende, dat thans door dammen en door het uitgedroogde kanaal van Welsinge met Walcheren een geheel uitmaakt en waardoor Arnemuiden, digt bij Middelburg gelegen, in eene landstad herschapen is geworden (zie het art. Arnemuiden); have, voormalige haven wordt thans, in plaats van met schepen bevaren, met wagens bereden.
Vroeger moet de zee ook hier hare woede botgevierd hebben; Oud-Arnemuiden, niet ver van het tegenwoordige hebbende gelegen, is door haar verslonden. Tegemyoordig wast er aan de oostzijde en noordoostzijde tot aan Vere overal land aan, zelfs op den noordelijken uithoek bestaat polderland; de duinen zijn daar, wel is waar, zeer sterk verminderd, doch daarvoor langs is weder eene groote zandstrook opgeworpen, het Breezand genaamd. Bij de steeds toenemende verzanding kan het niet missen of de geheele ruimte, tusschen dit eiland en Noord-Beveland en Zuid-Beveland, thans reeds voor het grootste gedeelte met slijkbanken is opgevuld, van naauwe kanalen doorsneden, zal vroeg of laat geheel en al in land overgaan en zoo doende deze drie eilanden in een enkel eiland herschapen worden. Aan de westnoordkant, westkant en zuid westkant, daarentegen, heeft het eiland altoos verliezen ondergaan, vooral door het wegspoelen en oversluiven der duinen, waarmede de kust alhier voor het grootste gedeelte bezet is.
Op het eil. Walcheren liggen de drie steden Middelburg, Vere en Vlissingen; en de volgende 42 heerl.: Brigdamme, Buttinge, Hoogelande, Poppendamme, Grijpskerke, Kerkwerve, St. Laurens, Mariekerke, Moiiskerke, Sir Poppekerke, Ritthem, Welsinge, Arnemuiden, West-Souburg, Oost-Souburg, Koudekerke, Krommenhoeke, Zoutelande, St. Janskerke, Sir Boudewijnskerke, Westkapelle-Binnen, Westkapelle-buiten, Zandijk, Kleverskerke, Lieve-Vrouwe-polder, Gapinge, Schellach, Serooskerke, Oostkapelle, Aagtekerke, Domburg-Binnen, Domburg-Buiten, Werendijke, Bonendijke, den Hayman, Nieuwerve, Biggekerke, Mortiere, Noord-Monster, Poppekensdorp, Nieuwerkerk en de heerl. het Nieuwland, vroeger een afzonderlijk eil. met St. Joosland, dat onder de heerl. 's Heerarendskerke behoorde.
Het eil. Walcheren bevat alzoo de stedelijke gemeenten Middelburg, Vlissingen en Vere, benevens de volgende 18 plattelandsgemeenten: Aagtekerke, Arnemuiden-Nieuwerkerke-en-Mortiere, Biggenkerke-en-Krommenhoeke, Domburg-Binnen-en-Buiten, Gapinge, Kleverskerke, Koudekerke, Melis-en-Mariekerke, Nieuwland-en-St.-Joosland, Oostkapelle, Oost-en-West-Souburg, Ritthem-Nieuw-Erve-en-Welzinge, Serooskerke-Rijnsburg-en-Hondegems-Ambacht, St. Laurens-en-Brigdamme, Vrouwe-polder-Zandijk-buiten-en-Schellach, Westkapelle-Binnen-en-Buiten en Zoutelande-St.-Janskerke-en-Boudewijnskerke.
Het geheele eil. beslaat eene oppervlakte, volgens het kadaster, van 20,604 bund., waaronder 17,121 bund, belastbaar land. Men telt er 5980 h., bewoond door 8276 huisgez., uitmakende eene bevolking van 40,000 inw., die meest in den landbouw bun bestaan vinden.
Op dit eiland bestaan de volgende fabrijken en trafijken: 1 azijnmakerij, 5 bierbrouwerijen, 6 chocoladefabrijken, 5 zoutketen, 2 zeepziederijen, 1 leerlooijerij, 1 calicotsfabrijk, 2 sajetspinnerijen, 2 passementfabrijken, 2 touwslagerijen, 1 linnenweverij, 1 fabrijk van brandspuiten, 1 stoom-pel- en oliemolen, 6 zaag- en 6 korenmolens.
Men heeft er nog de volgende voorname buit.: Arnestein, Berkenbosch, Ter-Boede, Buitenrust, de Dolfijn , Doornlust, het Huis-ten-Duine, Duinbeek, Elzenoord, het Huis-Gapinge, Goltzstein, de Griffioen, Hazenberg, de Hoek, Ter-Hooge, Kerkwerve of St.-Jan-ten-Heere, Moesbosch, Molenbaix, Molenwijk, Munnikenhof, Noordhout, Poppenroeden-Ambacht, het Park, de Perel, Poelwijk, Popkensburg, Rijnsburg, Roos-en-Doorn, Rozenburg, Steenhove, Torenvliet, Triton, Twistvliet, Veldzigt, Vierwegen, Vijvervreugd, Vlugtenburg, Westhove, Zeeduin, Zomerlust (onder Middelburg) en Zomerlust (onder Vrouwepolder).
De Herv., die er 30.200 in getal zijn, onder welke 15,600 Ledematen, maken de volgende 24 gem, uit: Aagtekerke, A memuiden, Biggekerke-en-Krommenhoeke, Domburg, Gapinge, Grijpskerke, Kleverskerke, Koudekerke, St.-Laurens-en-Brigdamme, Melis-en-Mariekerke, Middelburg (Hervormde gem.), Middelburg (Waalsche gem.), Nieuwland-en-St.-Joosland , Oost-en-West-Souburg , Oostkapelle, Ritthem-Nieuw-Erve-en-Welzinge, Vere, Vlissingen, Vrouwepolder , Westkapelle-binnen-en-buiten-en-Sir-Poppekerke, Zoutelande-St.-Janskerke-en-Boudewijnskerke en de Engelsche gem. te Middelburg-Vlissingen-en-Vere welke 28 kerken tellen en door 33 Predikanten bediend worden.
De Christelijke Afgescheidenen, die er zijn maken degem. van Middelburg enz. uit.
De Doopsgezinden , die men er 150 aantreft, maken de gem. van Middelburg-en-Vlissingen uit.
De Evangelisch Lutherschen , die er 860 in getal zijn, onder welke 400 Ledematen, maken de gem. van Middelburg, Vlissingen en de filiaal gem. van Vere uit.
De Roomsen Katholijken, die er 4200 in getal zijn, onder welke2600 Communikanten, maken de stat. van Middelburg, en Vere en de par. van Vlissingen uit.
De 49 Israëlieten, die er wonen, behooren tot de ringsynagoge te Middelburg.
Omstreeks het jaar 826 werd door den Deen Heriold, die destijds hier te lande als Hertog gebied voerde, aan zijnen broeder Hemming eenig bestuur in het eil. Walcheren opgedragen, doch deze verzuimde de noodige zorg voor de versterking en beveiliging van het eiland te dragen. De Noormannen hiervan onderrigt, wendden de steven derwaarts, vallende in het eiland, en vervulden het alomme met roof en moord. Eggard, Graaf van Walcheren en Hemming, sneuvelden beide, door de Deensche wapenen op den 17 Junij 858. De Deenen hielden zich eenigen lijd op in Walcheren, en vorderden den landzaten eene swaro schatting af. Zij werden echter door Leopold Frankszoon, den stamvader der Heeren van Borssele weldra weder van daar verdreven (Men vindt dezen Inval der Noormannon on hunne verdrijvlng meer omstandig vermeld door onzen geleerden mede-arbeider J. Ab Utrecht Dresselhuis, in: Het jaar 833 of de Deenen in Zeeland, medegedeeld in den Zeeuwsche Volks-Almanak voor het jaar 1838, blz. 10-32.).
Twee jaren later ontving dit eiland van nieuws een onaangenaam bezoek van deze, zeeschuimers. Nu werd het ten jare 841 beheerd door Herold zelven, doch deze in 847 omgebragt zijnde, kwamen de Deenen, gedeeltelijk aangevoerd door zijnen zoon Godfrid, ook weldra opdagen, om zijnen dood te wreeken, bezetteden Zeeland en handhaafden zich aldaar, tot dat de gebeurtenissen in het Noorden hoop en gelegenheid gaven, om zich in het vaderlijk erfgoed te herstellen en zij in 854 aftrokken. Vooraf evenwel, ten jare 851, deden zij nog eenen korten, maar verwoestenden strooptogt — en in 852 voeren zij nogmaals, met 252 schepen, de Schelde verder op, onder Godfrid eu Sijdrok. In 859 keerden zij nog eenmaal weder en pleegden hunne gewone verwoestingen. Zwaarder leed veroorzaakte nogthans het meer toevallig, door storm veroorzaakt, bezoek van Rollo en zijne benden, in het jaar 874, aan welke de ingezetenen met geweld de landing poogden te beletten. Zij werden geslagen en Walcheren onmiddellijk na de overmeestering, zoo uitgeplunderd, dat de verwoesters zelve gebrek moesten lijden, tot dat hun uit Engeland door Adelstan of Alfred eenige schepen met volk en leeftogt waren toegezonden. De overige Zeeuwen riepen de hulp in van Radbout, in Friesland, en van Raginer, in Henegouwen, doch niet alleen was deze poging, om hen van hier te verdrijven vruchteloos, maar bragt zelfs weder nieuw wee over het land. Deinde, zegt Dodo (Hist. Nordman, Lib. II , fol. 74), totam terram Walgrorum devastavit, atquo incendio concremavit. (Daarna heeft hij het geheele land van Walcheren verwoest en in vlam gezet); Eindelijk vertrokken zij naar Frankrijk, en lieten een bijna ontvolkt en ten gronde toe verwoest gewest achter; hetgeen weinige jaren daarna al wederom door hen bezocht en uitgemoord werd (zie J. Ab Utrecht Dresselhuis, de provincie Zeeland.in hart aloude gesteldheid en., bl. 65.). Zij hadden trouwens de Zeeuwsche stroomen te lang bezocht, om niet de geschiktheid daarvan voor hunne strooploglen te kennen. In 879 verwoestten zij van hier Terouanne en hielden winterkwartier te Gent. Toen in 880 Lodewijk tegen hen optrok, trokken zij zich terug naar Walcheren, en vielen van daar uit opnieuw in Vlaanderen, zoo dra de kans gunstig was. Deswege kreeg Walcheren dan ook geen bijzonderen Graaf meer.
In lateren tijd had dit eil. veel van de Vlamingen te lijden, die er zekere regten op hadden verkregen, welke door eenen Hollandschen Graaf niet in alle deelen erkend werden, hetgeen tot oorlogen leidde, waarbij zij in 1192 eenen inval deden, en er schijnen meester gebleven te zijn tot in 1195, toen er op dit eiland een hevig gevecht voorviel tusschen Dirk VII, Graaf van Holland en Boudewijn VIII, Graaf van Vlaanderen) waarin de Vlamingen geslagen werden; zoodat zij zich genoodzaakt zagen Zeeland te ruimen.
In 1203 viel Filips, Graaf van Namen, die voor Boudewijn IX het bewind over het graafs. Vlaanderen in handen had, weder in Walcheren, dat de Vlamingen echter in 1205 weder verlieten.
In het begin der dertiende eemv was er weder een oorlog met Vlaanderen ontstaan en Jan II, Graaf Holland en Zeeland, besloot in 1603 tot eenen stooptogt in het gebied van zijnen vijand. Zijne leenmannen, voor dien togt bestemd, vereenigden zich op Walcheren. De Vlamingen verzamelde mede aanmerkelijke strijdkrachten. Jonkheer Willem, 's Graven zoon, nam zijnen intrek binnen Middelburg, riep op nieaw de Zeeuwen en Hollanders te wapen en vereenigde te Vlissingen eene geduchte magt. De Vlamingen, scheep gegaan; wendden den steven naar Arnemuiden, doch de wind liep hun spoedig tegen. Jonkheer Willem brak terstond op en deed zijne benden naar Arnemuideu trekken, en ziende hoe zijne vijanden met den wind te kampen hadden, wilde hij van de gelegenheid gcbraik maken, en den vijand met den noordewind te gemoet stevenen, maar zijne leenmannen, de koggen, die te Arnemuidea voorhanden waren, niet geschikt achtende, om daarmede den slrijd aan te vangen, weigerden daarop aan boord te gaan en het gevolg was, dat zij in de haven aldaar werden opgesloten. Men wist nu niet werwaarts het de Vlamingen wenden zouden. Zuid-Beveland lag voor hen open. Men besloot dus vooreerst, dat de Zuidbevelandsche Edelen, tot beveiliging van huis en have, derwaarts zouden oversteken. De Vlamingen lieten hen varen, want het was niet op Zuid-Beveland gemunt, en Jonkheer Willems magt werd daardoor tevens verzwakt. Zij hielden zich rustig tot den daarop volgenden dag. Toen wende een gedeelte zijner vloot den steven naar Vere. De beveiliging van dit punt was eigenlijk opgedragen aan de ingezetenen van de Noorderwatering of der Vijf-Ambachten, op welke men niet veel vertrouwen had, en zoo als de uitkomst leerde niet zonder redenen. Daarom werd dan ook de Maarschalk of eerste Bevelhebber na den Vorst, met de leenmannen uit Schouwen en Duiveland, vereenigd met de Zierikzeesche poorters, almede derwaarts gezonden langs eene schipbrug, die in der haast met koggen over de Arne werd geslagen. Jonkheer Willem bleef met de Hollanders te Arnemuiden, terwijl de achterhoede Middelburg bezette. In het Zeeuwsche leger schuilde nogthans verraad. Het gevecht dat bij Vere, waar de Vlamingen landden, spoedig aan den gang was en, onder de voorzorg van den Maarsehalk, eenen goeden uitslag beloofde, nam weldra eenen ongunstigen keer; dewijl zekere Paulus Blaauwvoet met zijnen troep naar den vijand overliep en daardoor verwarring veroorzaakte. Velen vielen er; de overigen vlugtten. Een gerucht vloog hen vooruit, maar was de valsche mare, dat de Vlamingen geslagen waren! De daargeblevenen wilden nu deel hebben aan den buit, en liepen daardoor onbedachtzaam den aanrukkenden overwinnaar in den mond. De nederlaag werd dientengevolge verschrikkelijk. Jonkheer Willem, nog altijd gedekt door de Arne, week met het overschot naar Middelburg, doch kon ook aldaar niet langer tegenstand bieden. Hij sloot den 6 Mei 1303 eene overeenkomst, waarbij de slad overgegeven, maar hem en zijn gevolg een veilige aftogt vergund werd.
In het jaar 1567 werd door de verbonden Edelen eenen aanslag op Walcheren ondernomen. Het beleid van dezen togt was toevertrouwd aan Jan van Marnix, Heer van Thoulouse. broeder des Heeren van St. Aladegonde, eenen boezemvriend van Willem I, Prins van Oranje. Deze had heimelijke verstandhouding met Pieter Haak, gewezen Baljuw van Middelburg, die hem gelegenheid geven zou, om bezetting te werpen , in Middelburg en Vlissingen. Ook had met Thoulouse zamengespannen een der verbonden Edelen, Van der Aa genoemd , de te Antwerpen tolk aannam, tot uitvoering van den aanslag, hetwelk nogtans zoo bedekt niet geschieden kon, of de Regering kreeg er de lucht van. Oranje zag zich toen genoodzaakt, bij afkondiging, te laten bekend maken, dat alle vreemdelingen en krijgsknechten buiten stadsdienst, op lijfstraf Antwerpen zouden hebben te ruimen. Ligt meent men zou hij, ware het hem ernst geweest, de vreemde knechten, na het sluiten der poorten, hebben kunnen betrappen en straffen. Nu dreef hij hen te geljk ter stad uit en op de vlugt. Zij verzamelden zich dan te Dambrugge. De Landvoogdes, middelerwijl hiervan onderrigt en beducht voor Walcheren, zond 200 man, onder Antonius van Bourgondië, Heer vat Wackene, Kapelle en Kalten, tot versterking der bezetting van Zeburg of Rammekens, doch de Slotvoogd wees deze manschap af, as hebbende van Oranje bevel ontvangen, om, zonder zijnen uitdrukelijken last, geen volk in te nemen. De Prins verschoonde zich zoo goed hij kon, toen hem dit ten Hove kwalijk genomen werd, en liet sedert toe, dat men 80 man van de 200 in Rammekens ontving. Thoulouse ondertusschen ook van Dambrugge verjaagd, zakte met drie schepen, over welke Haak het bevel had, de Schelde af tot voor Rammekens; doch het marktschip van Antwerpen, kort te voren aangekomen, had het gerucht van den aanslag binnen Vlissingen gebragt, waarom men daar op zijne hoede was en de schepen afhield, de toen schijnen voortgezeild te zijn tot voor Arncmuiden. Eenige Middelburgers, die van den aanslag wisten, bezorgden hun hier mondbehoeften en verwekten eenige opschudding in de stad. Jakob Janszoon, schoonzoon van Haak, zou de Wethouderschap eenige onredelijke dingen hebben afgevergd en onder anderen hebben gezegd, dat hij Burgemeesters noodzaken zou tot het overleveren van de seutels der stad, waarna liij Haak wilde inlaten. Doch deze bewegingen hadden geen gevolg. Haak werd eerlang genoodzaakt den stroom wederom op te zeilen, waarmede deze aanslag te niet liep (Men ziet dit omstandiger vermeld in J. Ab Utrecht Dresselhuis, Geschied- en Oudheidkundige Wandelingen door luit eiland Walchcren, bl. 119-124.).
In den strijd tegei Spanje bewees het eiland Walcheren gewigtige diensten aan het vaderland. Vlissingen toch was de eerste stad die, uit eigen beweging, het Spaansche juk afschudde, hetwelk weldra door Vere gevolgd werd, zoodat van toen af, het geheele eiland, uitgezonderd Middelburg en Rammekens, aan de magt van Spanje onttrokken was , terwijl dit laaste ook spoedig werd ingenomen. En hoe vele uitrustingen, zoo tot afwering en verdelging van den vijand als tot bevordering van den Nederlandschen handel, gingen van daar niet uit, zoodat men met regt Walcheren de fundamentsteen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden mag noemen (Dit alles kan men bevestigd vinden in E. B. Swalue, de daden der Zeeuwen gedurend den opstand iegen Spanje. Amsterdam, P. N. van Kampen, 1846.). De binnenlandsche rust liep in het jaar 1775 op het eiland Walcheren groot gevaar van stoornis, dewijl de boeren aldaar, ter gelegenheid eener nieuw ingevoerde belasting op de landerijen, argwaan en misnoegen hadden opgevat tegen Jan Dingmans, Inspecteur en Opper-Commies van het eiland, en zijnen zoon Abraham Dingman, Commies der watering en de Vijf-Ambachten. Bij eene volkomcne zuivering van den eerstgemelde, in de volle staatsvergadering, bleek de ongegrondheid van dat misnoegen, hetwelk echter zonder strenge maatregelen en versterking van krijgsvolk niet te dempen was, en niet volkomen een einde nam dan na den dood van Jan Dingman, die niet lang daarna, vermoedelijk aan de gevolgen van den schrik, door het oproer veroorzaakt, stierf.
Bij den watervloed van 1808 heeft Walcheren mede veel te lijden gehad. De dijk, aan de oostzijde der Arne, was doorgebroken en daardoor eene uitgestrektheid van 520 gemeten (ruim 238 bund.) langs den geheelen Oosthaven-dijk tot voor de Dam-poort van Middelburg overstroomd. Voorts waren doorgebroken het kleine Mo1en-poldertje bij Arnemuiden, omtrent 2 of 5 gemeten (ruim 1 bund.) groot, en de Welsingsche-polder, groot 48 gemeten (ruim 22 bund.), zamen 671 genieten of 335½ morgen (ruim 307 bund.). De Westkapelsche-dijk had mede veel geleden. In het zee-talud was van de noordzijde een put geslagen, van omtrent 170 of 180 schachten gronds. De zwaarste steenen waren opwaarts geworpen; op eenige wenige plaatsen was het water over den dijk geloopen. De schade aan de dijkwerken, der Vijf Ambachten in Walcheren toegekomen, bedroeg in het geheel 62,660 gulden. De afneming der duinen, door dezen storm en vloed, was , langs het noorderstrand, achter Domburg en Westhoven heen, op het minst 4 ell. en ten meeste van 8 ell. Op enkele plaatsen ging zij van 11 tot 15 ell. Langs het zuiderstrand, naar Zoutelande en verder, waren de duinen 2 tot 6, dus gemiddeld 4,50 ell. afgenomen (Zie voorts J. de Kanter Prz., Natuur- en Geschiedkundige Beschrijving van den watervloed, tusschen. den, 14 en 15 Januari) 1808, bl. 37-50, en S.. van Hoek, Natuur- en Geschiedkundige Beschrijving van den verschrikkelijken watervloed tusschen den XlVden en XVden van Louwmaand des jaars MDCCCVIII, bl. 146-153.).
Den 29 Julij 1809 vertoonde zich eene Engelsche vloot voor het eiland Walcheren, op de hoogte van Domburg. In den nacht van den 30 rigtte zich deze naar het kanaal van Vere en begon de troepen te ontschepen, tusschen het fort de laak en Vere, Deze laatste plaats verdedigde zich gedurende twee uur, doch moest zwichten, en werd, even als Middelburg , door de Engelschen bezet, die Vlissingen bombardeerden, met dat gevolg, dat deze stad, na groote schade te hebben ondergaan, den vijand in haiden viel. Doch het hoofdoogmerk, de togt op Antwerpen, ten einde de werken dier stad te slopen en de haven aldaar te dempen, mislukte door de kloekmoedigheid der Nederlanders, onder hunnen Koning Lodewijk en door gebrek aan beleid en moed van den Engelsche Veldheer van Chatham. De Engelschen zagen zich genoodzaakt, ten gevolge eener geweldige sterfte onder de troepen, in December het eiland weder te verlaten (Men vergelijke J. van Dijkshoorn, De Landing der Engelschen in Zeeland, Vlissingen, 1809; S. van Hoek, Geschiedkundig verhaal van. de landing en den inval der Engelschen in Zeeland, in 1809, Amsterdam, 1811 , en A. F. Lamens, Rapport des Evenemens qui ont eu lieu avant, pendant et apres le bombardement de la Ville de Flesslngue, MDCCCX.).
Moeijelijk was de toestand van het eiland Walcheren in November 1813. In de hoofdstad hielden de Fransche Hoofdbeambten hun verblijf, en aldaar viel dus eigenaardig eene groote gestrengheid te duchten. Naauwelijks was het berigt wegens de Hollandsche omwenteling herwaarts overgebragt, of alle gemeenschap met het zoogeuoemde oproerige Holland en alle gevreesde zamenrottingen werden verboden, de hier en daar verborgen, oranjevaandcls en wapenen opgehaald, alle verstandhouding met de Engelschen op doodstraffe verboden, alle openbare vermakelijkheden ontzegd, alle vergaderingen van beambten, ingeval van der Britten landing, naar Vlissingen verwezen, en de nieuwspapieren met allerlei logens opgevuld, die der Franschen aanhoudende zegepraal verkondigden, gepaard met een gestreng verbod der Hollandsche couranten, waaruit een beter oordeel over den staat van zaken kon worden opgemaakt. De gedwongene opbrengsten, door de inwoners van Walcheren, gedurende de tijd der afsluiting van dit eiland, gedaan, waren ten uiterste drukkende. Reeds den 25 November moesten 220 paarden, ter vervoering van het geschut, te Vlissingen geleverd worden. Eenige dagen later werden 500 arbeiders voor de vestingwerken in dienst gesteld, welk getal vervolgens met nog 300 vermeerderd werd. Van het laatst van December tot in Maart des volgenden jaars werden dagelijks 100 wagens, met de daarbij behoorende paarden en voerlieden, gevorderd ter vervoering van allerlei voorwerpen, zonder dat daarvoor iets werd betaald. Ter betaling der zoo evengenoemde 800 arbeiders werd wekelijks eene som 2100 franken (987 guld.) gevorderd, welke last vooreerst door 100 der gegoedste inwoners, naar evenredigheid van ieders bezittingen, gedragen moest worden. Drie kooplieden, de Heeren A. Serlé, C. Andriessen en G. V. Meiners, die mede tot den opbrengst waren aangeslagen, doch die reeds aanzienlijke leveringen van granen, de eerstgenoemde zelfs ter waarde van omtrent 54,000 gulden, hadden gedaan, weigerden daaraan te voldoen en lieten hunne goederen geregtelijk ten huize uithalen, waarvan zooveel als ter voldoening van het gevorderde noodig was verkocht werd. In Februarij liet de Gouverneur Gilly, die zich reeds van het begin der afsluiting van alle passen meester had gemaakt, tien der rijkste ingezetenen van Middelburg bij zich roepen en vorderde een voorschot van 400,000 franken (188,000 guld.), welke vóór het einde der volgende maand moesten zijn opgebragt. Men bragt het bij onderhandeling daartoe, dat de volle belastingen van het jaar 1814, die reeds alle aanmerkelijk verhoogd en sommige verdubbeld waren, in drie termijnen, binnen den gezegden tijd, op straf van geweldadigen dwang, zouden opgebragt worden. Daar men echter wel voorzag, dat de geëischte som niet uit de belastingen zou worden gevonden, moesten dertig der vermogendste Heeren en Vrouwen zich verbinden , om hetgene daaraan te kort zou komen uit hunne eigene kassen aan te vullen. Deze hebben ook werkelijk het te kort komende, hetwelk eene som van ruim 106,000 franken (49,820 guld.) bedroeg, in de kas moeten storten. Voorts hebben de geleverde levensmiddelen en andere noodwendigheden voor de vestingen , blijkens eene daarvan opgemaakte lijst, bedragen de som van 397,000 guld., waarvan verre het grootste gedeelte door de ingezetenen van Middelburg is opgebragt. Doch behalve dit, hetwelk werkelijk geleverd is, was er nog zoo veel van allerlei aard gevorderd, dat, bij aldien het geheel had kunnen en moeten geleverd worden, de som van alles te zamen ten minste 1,500,000 guldens zou hebben bedragen. Om echter de ingezetenen te vreden te stellen, had men bij herhaling beloofd, dat het Fransche bestuur al het geleverde zoude betalen, waartoe dan ook zoogenaamde bons waren afgegeven. Het voorwendsel tot bewaring der openbare rust, en daarna tot verzekering van den vaardigen opbrengst der geëischte behoeften, gaf den maatregel tot het stellen van gijzelaars en hunne vervoering naar Vlissingen aan de hand. In dit jammerlijk lot deelden weldra de Heeren: Oud-Burgemeester Jan Schorer, diens broeder David Isaak Schorer, Nicolaas Cornelis Lambrechtsen, J. C. de Bruyn, M. E. C. Versluys, Noord-Amerikaansch Consul, en de Bankier S. Hendriks; doch gelukkig werden zij op herhaalden aandrang, weinige dagen daarna, in vrijheid gesteld. Een bevel aan alle landlieden om, op straffe van het in brand steken hunner woningen, bij de eerste aanmaning- der Krijgskommandanten, al hun vee binnen de vestingen te voeren, en de oprigting eener zoogenoemde mobile kolonne of gewapende, bende, welke in alle plaatsen de nalatigen tot de opbrengst van het dubbel van al het gevorderde door geweld zoude dwingen, waren de maatregelen, wier willekeur bijkans geene verschooning duldt, omdat de noodzakelijkheid daartoe in geenen deele bestond. De ziekte van den Keizerlijken Prokureur, Druault, met de uitvoering van deze taak belast, bragt gelukkig eene vertraging en eindelijk zelfs eene geheele verhindering te weeg, welke zoo zeer strookte met des mans bekend goedwillig karakter. Van neteliger aard werd de daarmede in verband staande verordening, om de geweren der landlieden op te halen. Eene bende soldaten van 40 man begaf zich tot dit einde naar de dorpen Brigdamme en St. Laurens . Men klepte de klok om de gemeenten op te roepen, zonder te weten , dat zulks door de dorpelingen zelven vooraf reeds geschied was, met het geheime oogmerk, om geweld met geweld te keeren. Ook dit laatste geklep was, als het sein van alarm, tot de naburige dorpen Serooskerke, Gapinge, Grijpskerke, Oostkapelle enz. overgeslagen en de schrikbarendste geruchten, als of het dorp St. Laurens reeds in volle vlam stond , bragten weldra alles op de been. Naauwelijks verschijnt de Kommandant der bende in het laatstgenoemde dorp, of een aantal landlieden, met hooivorken, stokken en pieken gewapend, komen van den kant van Serooskerke in aantogt. Men ontvouwt hun het oogmerk; doch het antwoord: » dat men heden ge » weren zocht en morgen welligt al het overige zonde halen, en dat » men het Fransehe geweld reeds lang moede was," kenmerkte genoegzaam den geest van wederstand. De Kommandant besluit terstond, zijne manschap op den hoop te doen vuren. Doch de Maire beproeft nog vooraf, door den nabijstaande Dorpsleeraar, het landvolk tot den aftogt te overreden; ook dit is echter vruchteloos. Intusschen komt berigt dat eene nog veel talrijker bende gewapende landlieden, langs eenen anderen weg in aantogt is. Vrees voor insluiting dringt den Kommandant, om naar Brigdamme te wijken. Hier is alles nog stil en de ophaling van geweren gaat voort, ofschoon men zeer weinigen vindt. Thans komt de tijding, dat een derde troep van opstandelingen, niet min aanmerkelijk in getal, uit Arnemuiden herwaarts op marsch is. Het gevaar van omsingeld te worden dringt nu nog meer. De Kommandant besluit alzoo tot den aftogt naar Middelburg, met aanzegging, dat hij den volgenden dag tot het zelfde einde terug zal keeren. Reeds is binnen de stad het gerucht algemeen, dat de mobile kolonne (want deze, dacht men, was des morgens uitgetrokken), door de dorpelingen was op de vlugt gejaagd, en ook de laatsten hadden de terugtrekkende manschap tot voor de poort vervolgd. Nu kwam het gemeen op de been; men aanschouwde van het bolwerk de gewapende landlieden; men riep bun zelfs toe ," » dat zij maar over het ijs in » de stad zouden komen ," velen geven daaraan gehoor, en bevinden zich dra op het plein bij de Noordpoort, tot aan en bij de Noordbrug. Intusschen komt de Fransche nationale garde, een gedeelte uitmakende der bezetting, terstond in de wapenen. Zij vuurt op de landlieden. Een hunner wordt aan den arm gewond, en een tweede moet dezen onberadenen togt met zijn leven boeten. Thans vlugt alles in de grootste wanorde en men bergt zich. Intusschen scholen een aantal ingezetenen aan den anderen kant der stad bij de Dampoort en de Punt, te samen, met geen minder oogmerk, zoo het schijnt, dan om zich over de vorige mislukking te wreeken. Dan, aanhoudende rondwachten, de verschijning van den Gouverneur en Prefekt uit Vlissingen met een gewapend korps en een paar veldstukken, het plaatsen van dit kanon aan de genoemde Punt, het zenden van Gens d'armes naar Serooskerke, met de gestrengste bevelen en van eene andere soldatenbende, naar Brigdamme en St. Laurens, met last, om zich. ten koste der beide gemeenten lustig te vergasten, en het opligten van een vijf en twintigtal personen uit onderscheidene gemeenten en gcvankelijk wegvoeren naar Vlissingen: dit alles smoorde cenen opstand, die, bij mangel van wijze rigting, veeleer dienen moest ons het getal van slagtoffers nutteloos te vermeerderen. De toestand der Fransehen zelven was, onder dat alles, al vast meer en meer bedenkelijk geworden. Toen in het begin van December des vorigen jaars, door de aankomst van eene Engelsche vloot, de overige Zeeuwsche eilanden van de Franschen verlost waren geworden, hoopten de inwoners van Walcheren niet zonder waarschijnlijke reden, dat ook hunne verlossing nabij was, doch deze hoop bleef voor eerst nog onvervuld, en daar die vloot vervolgens geene bewegingen maakte, die eene landing aanduidde, schenen de Franschen ook nu van dien kant weinig te vreezen. Men had reeds meermalen aangekondigd, dat de bondgenooten Parijs binnengerukt waren, zonder dat die blijde tijding genoegzame zekerheid had bekomen. Doch den 6 April hoorde men het geschut van de Engelsche schepen donderen, en zag die alle met vlaggen versierd. De reden dezer vreugdebedrijven werd ook weldra kenbaar door een groot scherm van doek, op den dijk van Kamperland geplaatst, waarop men uit het tegenover gelegen Vere, met eenen verre kijker, duidelijk genoeg deze woorden kon lezen : Les alliés sont à » Paris. Les Anglais sont à Bordeaux. (De Bondgenooten zijn te Parijs. De Engelschen zijn te Bordeaux.) Het geloof aan deze blijde mare werd den volgenden dag nog meer versterkt, toen men op de Engelsche schepen van den top van den grooten mast, de witte koningsvlag zag waaijen, niet de driekleurige vlag van Napoleon daaronder. De Franschen lieten wel niet na, in nieuwspapieren en gesprekken, eerst deze tijding te logenstraffen en vervolgens het innemen van Parijs als eene krijgslist van den grooten Napoleon te doen voorkomen; doch het geloof, aan hetgeen men zoo hartelijk wenschte, kon daardoor niet aan het wankelen worden gebragt. Den 11 daaraanvolgende zag men wederom tegenover Vere, op het wrak eener afgebrande schuit, een groot zeil uitgespannen, waavop zeer duidelijk te lezen stond: Buonaparte n'existe plus. (Buonaparte bestaat niet meer.) Des anderen daags gaf de Gouverneur eene dagorder uit, waarin hij de soldaten tot getrouwheid vermaande, hen paaide met de zekere verwachting van nieuwe overwinningen, en hen tegen vijandelijke aanvallen gerust stelde, door de geduchte middelen van verdediging der plaats, waarin zij zich bevonden, ten slotte daarbij voegende, dat: » zoo de vijand hen ein- » delijk, .door de meerderheid overweldigd, tot wanhoop mogt brengen, » sij hem in de golven van de Schelde zouden doen verzinken , al » moesten zij hem ook in dien afgrond volgen." Den 14 dier maand kwam eindelijk de zekere tijding van Napoleons afstand en van den gesloten vrede, en den 17 gaf de Gonvernenr aan de ingezetenen van Walcheren hiervan bij openbare afkondiging kennis, waarbij hij hen echter tevens deed verstaan, dat zij intusschen onderworpen moesten blijven aan het tusschenbcstuur, hetwelk Frankrijk in naam van LodewijK XVIII regeerde, en dat elke daad, die daartegen streed, als strafbaar zoude beschouwd worden. Hij voegde er bij, dat hij, aan den Bevelhebber der Britsche zeemagt in de wateren van de Schelde den voorslag tot eenen wapenstilstand had gedaan, en dat, zoodra deze getroffen was, alle gemeenschap weder vrij zoude zijn als te voren. Op dien zelfden dag werd te Middelburg, onder algemeen gejuich, de witte vlag van den grooten toren uitgestoken, en weldra zag men door de geheele stad alles met Oranje vlaggen en linten versierd. De Gouverneur gaf ook ditmaal weder een bewijs, dat hij , buiten noodzaak, zijpc magt niet tot kwelling der ingezetenen, zelfs niet van de zulken, die inderdaad tegen het bestuur waren opgestaan, gebruiken wilde, daar hij ook reeds op dien dag de landlieden, die sedert negen weken te Vlissingen gevangen hadden gezeten, weder op vrije voeten stelde, en naar hunne haardsteden terug liet keeren. De aankomst van den Generaal d'Agoville, met bevelen tot overgave der vestingen, en ter ontruiming van het geheele eiland, maakte op den 30 April de verlossing van hel Fransche juk geheel volkomen (Vergelijk J. de Kanter prz.., de Fanschen in Walcheren).
Het wapen van Walcheren bestaat in een schild van goud, waarop een walvisch van sabel, gestraald van keel, dobberende op eene zee, voorgesteld door zes golvende fascen, afwisselend van azuur en zilver, het schild gedekt met eene gouden kroon.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Walcheren