Waarde, heerl. op het eil. Zuid-Beveland, prov. Zeeland, arr en kant. Goes, gem. Waarde-en-Valkenisse; palende N. W. aan de heerl. Kruiningen, N. O. aan de Krabbendijksche-vliet, die haar van Krabbendijke scheidt, O. aan Valkenisse, Z. en Z. W. aan de Honte of Wester-Schelde.
Deze heerl, bestaat uit den Polder-van-Waarde en den Westveer-polder, benevens een gedeelte van den Oud-Krabbendijksche-polder; bevat het d. Waarde en eenige verstrooid liggende h.; beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 794 bund. 56 v. r. 35 v. ell., waaronder 749 bund. 49 v. r. belastbaar land; telt 95 h., bewoond door 108 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 500 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden. Ook heeft men er eenen houten korenmolen.
De inw., die er, op 2 huisgez. na, allen Herv. zijn, maken met die van Valkenisse en een gedeelte van Gawege, eene gem. uit, welke ongeveer 580 zielen, onder welke 250 Ledematen, telt, en tot de klass. van Goes, ring van Kruiningen, behoort. Reeds vroeg is hier voor de oefening van de Hervormde leer gezorgd. De eerste Leeraar, waarvan gewaagd wordt, was Guillelmus Camerlick , nadat Petrus de Moher, den 2 Februarij 1583, en Nicolaas Maas, den 3 Mei daaraanvolgende, vruchteloos beroepen waren. Camerlinck kwam hier in October 1583 en stierf den 3 Julij 1589, kort na het verbranden der kerk. Hij werd in Mei 1590 opgevolgd door Johan de Prince.
De 2 R. K. huisgezinnen, welke hier wonen, parochiëren te Goes.
Men hoeft in deze gem. eene school, welke gemiddeld door een getal van 50 leerlingen bezocht wordt.
Men weet niets zekers te zeggen omtrent de naamsoorsprong van deze heerlijkheid. Het woord waarden beteekent voorlanden van loopende rivieren, ook laag land, buitendijks aan het water liggende en met hout of geboomte beplant. Dit op deze heerlijkheid toegepast, zoude bewijzen, dat Waarde, zoo al niet uit de vooroevers der Honte geboren, dan toch eenen anderen stroom in zijne nabuurschap moet gehad hebben, welks voorgronden, bedijkt zijnde, een heerlijk goed hebben doen ontstaan. Aangezien er evenwel andere plaatsen van dien naam zijn, waarop dit niet toepasselijk is, blijft het onbeslist waaraan men de herkomst van dezen naam moet toeschrijven; misschien zoude men bij de Noormannen of Denen gelijke benamingen kunnen vinden.
Is de naamsoorsprong dezer heerl. in de oudheid bedolven, niet minder haar eerste aanvang of bestaan. Het eenige dat men weet is, dat zij tusschen de Honte en Hinkele lag, ten Z. van welken laatsten stroom zij was opgewassen en dat hier oudtijds, regt tegenover de kerk, een kasteel te vinden was, hetwelk het stamhuis der oude Edele van Waarde geweest is. De plaats, waar het gestaara heeft, wordt nog de Kasteelberg genoemd en is als vroon bekend. Als men aldaar ploegt of spit, worden er nog steeds steenen gevonden, en men kan duidelijk bespeuren, dat het van eene gracht is omringd geweest. Aan den buitenkant van deze gracht is, in 1847, bij het graven van eenen put, ruim een paar ellen diep onder den grond, een gave oud Frankische pot gevonden, welke thans in het museum te Middelburg bewaard wordt. Daar nu geene overleveringen noch eenige aanteekeningen leeren, hoe dit kasteel zijn ondergang gevonden heeft, evenmin als wie de stichter er van geweest is, gist men, of het niet dit Waarde zou wezen, hetwelk Melis Stoke zegt, dat Graaf Willem III, anders Koning Willem genaamd, in het jaar 1247 belegerd en ingenomen heeft. Mag men verder gissen, dan zullen de Vlaamsche oorlogen, waarvan Zuid-Beveland zoo dikwijls het tooneel was, hier den geheelen ondergang van het kasteel voltooid en niets dan de gedachtenis daarvan overgelaten hebben. Stelt men, dat het kasteel in het jaar 1247 reeds kan belegerd zijn geweest, dan moet zijne stichting en het aanwezen van het dorp veel vroeger aanvang genomen hebben.
Het is zeker, dat oudtijds deze heerl. een adellijk geslacht had, van welke het den naam ontleend of daaraan gegeven heeft. In het jaar 1251 sloot Jan van Waerde, Zeeuwsch Edelman, een verdrag met den Abt en het convent van Duinen, nopens het land van Waarde, dat bij van gemelden Prelaat ter leen hield, liggende in het land van Schoudee, Heekelinge, Honte en Hinkelinge. In de registers van Holland wordt op 1322 eene acte gevonden van Jan van de Weerde, bij welke hij belooft den Graaf vaa Holland en Zeeland te wille te wezen voor alle zulke 24 gemeten (ruim 11 bund.) lands, als bij hem in eigendom gegeven had. Hendrik van de Weerde Jansz. staat mede begrepen in den zoen van Borssele, van het jaar 1358. In den originelen beschrijfbrief der Edelen van Zuid-Beveland, van 1498, was ook Boudewijn van de Weerde begrepen, die onder de leenmannen en mansmannen van Zeeland, in het jaar 1474, Hertog Karel van Bourgondië in den oorlog moest dienen met vier vechtenden te voet, gelijk Adriaan van der Waerde met éénen vechtende te voet doen moest. Joost en Bouwens van de Waerde, gebroeders, leefden ten jare 1542, en bezaten in Noord-Monster, Nieuwerkerk en Baarsdorphouck 15 gemeten 150 roeden (7 bund. 1 v. r. 09 v. oll.) tienden. Maarten van de Weerde wordt vermeld in het jaar 1550 en wederom eene Maarten van de Weerde, waarschijnlijk de zelfde, den 19 Maart 1595 gestorven, die de vader was van Marinus van de Weerde, overleden den 15 Februarij 1652 en begraven met de volgende acht kwartieren: Weerde, Baersdorp, Reimerswale, Haemstede, Slaple, Zaerde, Schenge en Cruiningen, nalatende twee dochters, Jonkvrouwen Maria en Pieternella van de Weerde, getrouwd met twee gebroeders, Heeren Jacob en Pieter Campe. Het zal evengenoemde Marinus van de Weerde geweest zijn, die, den 10 September 1628, vrijheid verzocht, om als een Zeeuwsch Edelman tweemaal ter week met een zeel winden te mogen jagen in de duinen van Schouwen. Jonker Anthony van de Weerde schijnt in het jaar 1604 al overleden te zijn geweest, om dat zijne erfgenamen de redemptie verzochten van zekere tienden, welke op zijnen naam gestaan hadden, en aan de grafelijkheid vervallen waren. Verder vindt men, dat Jonker Meerten van de Weerde, den 18 Februarij 1637, tot Luitenant van een kompagnie voetknechten werd benoemd, maar die, of een ander van dien naam, moet in het jaar 1639 reeds overleden zijn ; want den 28 October van dat zelfde jaar verzochten de voogden der weezen van Marinus van de Weerde, als erfgenamen van Jonkheer Meerten van de Weerde, zekere partijtjes tienden te redimeren. Eindelijk vindt men bij Smallengange (Chronyk: van Zeeland, VI. 712), dat de laatste mansoir van dit edel geslacht 67 jaren oud geworden en te Goes begraven is, met zijne vier kwartieren Weerde, Exaarde, Baarsdorp en Schingen, waarschijnlijk is dit geweest Anthony van de Weerde, die in het jaar 1657 onder de schutters van de handboog gevonden werd.
Over het wapen, hetwelk deze Edelen gevoerd hebben, zijn de gevoelens verschillende. Smallegang (zie hierboven) wil, dat het was een schild van zilver; mett het bovenste derdedeel van azuur, gelijk hij het ook in zijne wapenkaarten dus heeft afgebeeld. De edele J. van Grypskerke (Graafschap van Zeeland, XI Capittel) zegt het wapen is d'argent en chef d'azur (van zilver met een hoofd vau azuur), hetgeen overeenstemt met Smallegane, en het helmstuk un renart naissant de gueulles (een half te voorschijn komende vos van keel) ( W. te Water, Hoog Adelijk en Adednjk Zeeland, bl. 135); terwijl het op een oud wapenbord dezer Edelen voorkomt van sabel, met twee golvende fasces, vergezeld in pointen van eene schuine ruit (locange), alles van zilver.
Wanneer deze heerl. van haar edel stamhuis is afgescheiden, hetzij door verbeurtverklaring, gelijk onder de grafelijke regeringen dikwijls plaats had, vooral in de Hoeksche en Kabeljaauwsche tweespalten, of wel door verkoop, komt nergens voor, maar wel, dat in het jaar 1598 Michiel du Moulin daarvan handligting verzocht, met eene hoeve en land, onder deze heerschappij gelegen, mitsgaders het vierendeel van Valkenisse. Men vindt van dat zelfde geslacht, ten jare 1638, als Vrouwe van Waarde , Helena du Moulin, en op deze volgt Jonkheer François de la Torre, die, in het jaar 1644, Heer van Waarde geweest is , gelijk , in het jaar 1688, daarvan den eigendom bezat Jonkvrouw Catharina van Everdijk, want zij verzocht, den 10 November van dat jaar, vrijheid tot verkoop. Zeer waarschijnlijk is van haar deze heerlijkheid overgegaan op het huis Van der Nisse, en de Heer Gillis van der Nisse zal de eerste van zijnen stam geweest zijn, die hier Ambachtsheer was. In het jaar 1678 komt David van der Nisse, Gecommitteerde Raad wegens Goes, als zoodanig voor; terwijl men in het jaar 1735 nog als eigenaar van dit heerlijk goed kende Mr. Gillis Cornelis van der Nisse, Oud-Burgemeester en Raad der stad Goes, wiens dochter, Jonkvrouw Johanna van der Nisse, het ten huwelijk bragt aan Mr. Willem Nyssen, Leenman van Zeeland Bewesten Schelde en Rentmeester der exploiten van Vlaanderen, uit wiens geslacht het gekomen is aan Mevrouw van de Spiegel. Thans wordt de heerl. Waarde in eigendom bezeten door den heer J. J. Burgerhoudt, woonachtig te Utrecht.
Het d. Waarde, Waarden, Waerde of Weerde ligt 3¼ n. Z. O. van Goes, 7 min. van de Honte of Wester-Schelde, waaraan het eene kade of hoofd heeft. Ook is ten Z. van het dorp een haventje, tot berging van kleine vaartuigen. Het schijnt oudtijds zich meer noordelijk dan nu uitgestrekt te hebhen, wijl dat gedeelte, dat ten Noorden van de kerk ligt, het Oudedorp genoemd wordt, maar het westelijk gedeelte, tusschen de kerk en den kasleelberg, het Nieuwedorp. Het dorp is vrij net betimmerd, wel onderhouden en behoeft, ten aanzien der gebouwen, goed geplaveide dorpsstraten, heulen en andere werken, voor vele dorpen in Zuid-Beveland geenszins te wijken. Men telt er in de kom van het dorp 67 h. en 390 inw. Er is aldaar een overzetveer op Kieldrecht en een op Welsoorde.
De eerste stichting van eene kerk te Waarde, zoowel als aan welke beschermheilige die was toegewijd, vindt men nergens opgeteekend. Alleen weet men, dat zij vóór de Reformatie ter begeving stond van den Deken en het kapittel van Sint Salvator te Utrecht en zijn door de grafzerken de namen van eenen Pastoor bekend. Hier was ook en Provisorie, die een kerkelijk regtsgebied, misschien van veel uitgestrektheid, oefende; dan den 29 Junij 1413 vergunde Hertog Willem van Beijeren aan die van Goes de geestelijke jurisdictie of provisorie van Yersecke en van der Waerde binnen hare stad te mogen leggen, waardoor ook dit ambacht tot het dekenschap van Zuid-Beveland geraakte, en dat weer afhankelijk, eerst van liet Utrechtsche, daarna van het Middelburgsche bisdom is geworden. De Spaansche krijg, die aan dezen oord vooral gewoed heeft, zal het kerkgebouw eerst in verval hebben gebragt, daarop volgde, dat het door eenen bliksemstraal, den 10 April 1589, aangestoken, geheel afbrandden. Het werd herbouwd, doch ingekort en kleinder dan voorheen hersteld; de bestierders der kerk verzochten in het jaar 1592, aan 's Lands Staten vrijdom van den hondersten penning voor zestien gemeten (7 bund. 34 v. r. 65 v. ell.) lands en zekere tienden deze kerk toebehoorende, om haar daaruit te kunnen herstellen, en tot de godsdienstoefening geheel bekwaam te maken, welke reparatiën 1200 gulden kwamen te bedragen; het verzoek van vrijdom werd hun eerst den 7 Julij 1594 toegestaan. Den 18 April 1598 werd door den Heer van Kruiningen verzocht; en hem toegestaan het bedijken van een klein schorreken gelegen westwaarts van zijne heerlijkheid, tegen die van Waarde aan, mits hij eene cijns van zes of acht gulden 's jaars, welke de kerk van Waarde daaruit pleegt te genieten, ten zijnen laste nam. De kerk, welke in eenen treffelijken stand door eigen middelen onderhouden wordt, mag in netheid en welgeschiktheid van binnen met de meeste in Zuid-Beveland om den prijs dingen; aan de zuidzijde is een kapel of uitstek, waarin de begraafplaats der Heeren en Vrouwen van Waarde gevonden wordt, en een marmeren gedenkteeken van Heer Gillis van der Nisse, welke, nevens zijnen dienaar, in het jaar 1657, te Goes in een oproer het leven verloor. Het gedenkteeken stelt voor ’s mans beeldtenis, van gips vervaardigd, liggende met het hoofd op den linkerarm, op eene tombe van gemetselden steen met gips bepleisterd. Digt bij den ingang ziet men ook nog een Engelsen opschrift met gouden letters op zwart marmer, meldende de rustplaats van den twintigjarigen Edward Morant Esq., bij de landing der Engelschen in Zeeland, in 1809, aldaar overleden. Zijne krijgsmakkers, die in 1814 wederom in Antwerpen lagen, hebben toen dit gedenkteeken doen plaatsen. De kerk te Waarde heeft geen orgel, doch prijkt met eenen vrij hoogen vierkanten toren, met korte, doch scherpe spits.
Ook heeft hier vroeger eene priorij van Tempelieren, later van St. Jansheeren bestaan, waarvan men thans zelfs de plaats niet meer weet aan te wijzen; misschien kan hiervan wel de Kasteelberg gekomen zijn.
Het is ongetwijfeld, dat, sedert de Honte met de Schelde en de Noordzee gemeenschap had, alle doorbraken en overstroomingen, die de naburige ambachten teisterden, ook dezen oord niet verschoond zullen hebben; dan men was niet bedacht, om door aanteekeningen den nakomeling van merkwaardige gebeurtenissen te doen kennis hebben. Het eerste, dat men van overstroomingen hier leest, is in 1304. Volgens Smallegange (Cronijk van Zeeland, bl. 712.) zou hier, ten jare 1471, mede eene overstrooming hebben plaats gehad. Dan het kan waar zijn , dat die Schrijver zich een jaar vergist, wijl Oothof (Verhaal der watervloeden, bl. 403. ) op dat jaar van geen vloed gewaagt, maar wel ten jare 1470, dien hij den tweeden Allerheiligen vloed noemt, omdat die op den 1 November voorviel, daar de eerste vloed van dien naam reeds in het jaar 1170, badplaats gehad. Outhoff haalt Oudenhoven (Cimbersche Oudheden, bl. 97 en Oud- en Nieuw-Dordrecht, bl. 83. ) tot bewijs aan , zoodat men zijn gevoelen liefst omhelst. Hoe hetzij, deze heerlijkheid en die van Valkenisse liepen onder, waarom het hun vergund werd vrijdom van schot voor vier jaren en nog voor andere vier jaren halve vrijdom van schot; ten einde daardoor in het herstel der dijkbreuken te gemoet te komen.
Men twijfelt niet, of de zeer bekende vloeden van 1530 en 1532, zullen ook hier den landzaat op den oever zijnes ondergangs hebben gebragt, waarvan nog eene echte getuigenis voorhanden is, zijnde een uittreksel der rekening Bewesten-Schelde in 1542, waaruit men leest, boe door den vloed van het jaar 1530 is verloren en nimmermeer herdijkt, eene polder genaamd Zustersant, groot 275 gemeten (126 bund. 26 v. r. 90 v. ell.) waarvan onder Valkenisse 183½; gemet. (84 bund. 25 v. r. 58 v. ell.), en in Waarde 86 gemeten 118 roeden (42 bund. 1 v. r. 32 v„ ell.) behoorde, verder is de derde Allerheiligen vloed den 1 November I570, hier niet minder dan elders merkwaardig geweest. Waarde brak in aan de zuidzijde door den Groenen-dijk op twee plaatsen te gelijk, waardoor deze parochie niet alleen, maar ook te gelijk Valkenisse overstroomde, waarvan nog twee weelen zijn overgebleven.
Wilde men der zee haar prooi ontrukken, dan moest vorstelijke hulp en magt ingeroepen worden; hetgeen te weeg bragt, dat Koning Filips, den 6 September 1571, octrooi verleende aan die van Waarde en Valkenisse met ten Westveer-polder, om hunne ingevloeide landen te beverschen en de bedyken by egale contributiën, onder eenen zeedyck, welk octrooi zeer omslagtig is, als bevattende alle de voorwaarden en bepalingen, onder welke, van ‘s Konings wege, onderscheidene vrijdommen werden toegestaan.
Heeft deze heerlijkheid tegen een overloop van water steeds te strijden gehad, niet minder geducht zijn de grondbraken hier geweest.
Ten jare 1591 trof haar, zulk eene ramp, waarom de Ingelanden, zoo van Waarde als Valkenisse, onderstand bij 's Lands Staten verzochten: en wel den honderdsten penning, die op de landen was geheven over den jare 1591, ter goedmaking der kosten tot eene inlaag noodig, daarover werd tot het jaar 1594 beraadslaagd, zonder dat men weet welk besluit daarop genomen zij.
De gedurige watersnooden, gestadige vrees van vijandelijke aanvallen, en de onverdraagzaamheid onzer kerkelijken werkten zamen, om, zoo hier, als in de naburige parochiën eene volksverhuizing, en daardoor een verval en vermindering te veroorzaken, waardoor het middel van den honderdsten penning op de huizen hier meer en meer bezwarend werd.
Niettegenstaande zooveel kampens met verdubbelde landplagen, bleef men moed houden, om de zee voet voor voet te betwisten; de Spaansche krijg was nog niet geëindigd, of de gemeene Ingelanden van Waarde en Valkenisse, verzochten van 's Lands Staten verlof tot het leggen van eene inlage ter lengte van 300 roeden (1150 ell.) en ter bevordering daarvan, kwijtschelding van de Slate-penningen, besaayde gemeten en hoornbeeslen over de uitgeslagen landen voor altoos, ende over de geheele watering voor eenige jaren; op welk verzoek den 8 Junij 1646, het goeddunken van de Rekenkamer werd gevorderd.
Ten gevolge van den vrede te Munster, in het jaar 1648 gesloten, was men wel voor inval van vijanden gewaarborgd, dan de geduchtste vijand, het water, bleef gestadig hier zijne aanvallen voortzetten; tot dat twee ontzaggelijke vloeden van 26 Januarij 1682, en 3 Januarij 1683 hier eenen geheelen ondergang schenen te veroorzaken. De eerste dier watervloeden had des avonds tusschen zes en zeven ure plaats, wanneer eerst de zeedijk te Valkenisse, en met een de binnendijk tusschen Waarde en Valkenisse, genaamd de Groenendijk , doorbrak, waardoor vele beesten in beide Ambachten , zoowel als de ingezamelde veldgewassen, verloren gingen; de opvolgende nacht en donkere maan vermeerderden de schrik en ontzetting, De zoogenaamde Kasteelberg, als het hoogste punt in Waarde, was de plaats, waar menschen en vee hun behoud zochten. Weldra beraadslaagde men hoe de dijkbreuken te herstellen, en zich best mogelijk tegen nieuwe rampen te beveiligen; het besluit, zoo van Ambachtsheeren als Ingelanden, was het dorp Valkenisse buiten te dijken. Het was zeker hard zulk eene opoffering te moeten doen, waardoor het tijdelijk bestaan van velen afgesneden werd, en zij genoodzaakt werden, om elders te gaan zwerven en veilige woonplaats op te speuren. Reeds den 3 Maart 1682 werd eene nieuwe zeesluis aanbesteed, welke, zoowel als het stoppen der grondgaten en weder droogmaken van dit geheele ambacht, niet minder dan 2100 ponden Vlaamsen (14,400 guld.) kostte, hetwelk, hoe zwaar om te dragen, nog te overkomen ware geweest, was de zee, den 8 Januarij 1683, geen nieuwe verwoesting komen aanbrengen; de herstelde dijk bij Klaaskensweel brak andermaal door, het was Vrijdag tusschen elf en twaalf ure des middags, wanneer het water hier instortte en nog een en een halve voet (47 duim) hooger rees, dan het jaar te voren, waardoor de huizen in het dorp veel meer dan de eerste maal beschadigd werden, eenige andere stortten in, andere stonden om te bezwijken. De kerk liep onder, tot aan der vijfden trap van den predikstoel. Dit werd den 18 Februarij van het zelfde jaar van nog hooger vloed gevolgd, zoodat het water in de kerk tot den zesden trap des predikstoels klom, en sommige huizen tot aan de daken onderliepen, in het oude dorp alle de huizen gesloopt werden; dan , hetgeen aanmerkelijk was, bij gemelde drie zoo kort op elkander gevolgde overslroomingen, heeft geen eenig mensch het leven verloren, en de vlijt ter herstelling bragl te wege, dat den 24 Maart 1683, 115½ roeden (435,06 ell.) dijks werd besteed van 3 roeden (11,50 ell.) in den aanleg , 8 voeten (2,51 ell.) hoogte en zes voeten (1,88 ell.) kruin voor 1520 ponden-Vlaamseh en 15 schellingen (9184 guld. 80 cents). Het herstel hoe kostbaar, is niet te vergeefs geweest, want geene doorbraken of overstroomingen hadden hier meer plaats, dan een vijand houdt nimmer op hier van tijd tot tijd zijne woede te oefenen , namelijk de vallen of grondbraken. Ten jare 1750 gebeurde er een aan den Westveersche-polder, juist ter plaatse, waar deze heerl. het meest te lijden heeft door stormen uit den Zuidwesten, waarom hier al over twee eeuwen eene inlage is gelegd, die nog stand houdt. Gelijk ongeval gebeurde den 1 December 1791, tot herstel van welke terstond maatregelen beraamd en ter hand genomen werden; daar werd op hoog bevel eene hoofdsom van 1428 ponden Vlaamscb (8550 guld.) ter interest van vier procent geligt, ter goedmaking der kosten van zink en beslagwerk, ook tot verzwaar, en verhooging der inlage noodig, om welke interest te vinden, zoowel als om de hoofdsom af te leggen, 's Lands Staten goedvonden, dat van de landen onder Krabbendijke en in den Reigensbergsche-polder, zeven jaren lang zekere gemetgelden moesten worden opgebragt, zoo als ook een jaarlijksche onderstand uit 's Lands kas , door alle welke hulpmiddelen hier, onder Gods zegen, de zee tot nu toe belet is dezen vruchtbaren grond te verslinden.
Het wapen van Waarde bestaat in een veld van sabel met twee golvende fasces, vergezeld en jiointe van eene schuine ruil (losange) alles, van zilver. uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Waarde