Vossemeer, Vossmaer, Vossemaer of Vosmar, heerl., gedeeltelijk op het eil. Tholen, prov. Zeeland, arr. Zierikzee, kant. Tholen, gedeeltelijk prov. Noord-Brabant, arr. Breda, kant. Bergen-op-Zoom; palende N. W. aan de heerl. Vrijbergen, N. aan de slikken van Maarloo, in de heerl. Steenbergen, O. aan de heerl. Steenbergen, Z. O. en Z. aan het markgraafs. van Bergen-op-Zoom, Z. W. en W. aan de jurisdictie van Tholen.
Deze heerl. wordt door de Eendragt doorsneden, die haar in twee deelen scheidt; wordende het gedeelte ten W. van die rivier Oud-Vossemeer en dat ten O. Nieuw-Vossemeer genoemd. Het eerste gedeelte behoort tot de Zeeuwsche gem. Oud-Vossemeer-en-Vrijbergen, het laatste maakt de Noord-Brabandsche gem. Nieuw-Vossemeer uit.
Het is onzeker, waarvan de naam dezer heerlijkheid is afgeleid, ten ware de naam Vosvliet, met welken een water of stroom , ten N. van deze heerlijkheid, in 1071, al bekend stond, aanleiding gegeven heeft, om deze streek, die, vóór hare bedijking, bij overstroomingen des winters niet ongelijk aan een meer geweest zal zijn, haar Vossemeer te noemen. De grootte is, volgens de oorspronkelijke rekeningen van den honderdsten penning over Zeeland, ten jare 1641, van Oud-Vossemeer bevonden 3312 gemeten 180 roeden (1409 bund.) en van Nieuw-Vossemeer 2061 gemeten I71¾ roeden (878 bund.), hetgeen door nieuwe bedijkingen en, herdijkingen in zoo verre veranderd is, dat nu, volgens het kadaster, Oud-Vossemeer groot is 1459 bund. 58 v. r., 37 v. ell., waaronder 1283 bund. 72 v. r. 19 v. ell. belastbaar land en Nieuw-Vossemeer volgens het kadaster, 1734 bund., 39 v. r., 17 v. ell., waaronder 1399 bund. 89 v. r. 83 v. ell., belastbaar land; zoodat deze heerlijkheid thans, volgens het kadaster, eene oppervlakte beslaat van 3193 bund., 97 v. r., 84 v. ell., waaronder 2683 bund., 65 v. r., 2 v. ell. belastbaar land. Men telt er 296 h,, bewoond door 435 huisgez., uitmakende eene bevolking van 2500 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden.
De Herv., die er 1290 in getal zijn, maken gedeeltelijk de gem. van Oud-Vossemeer uit, en behooren gedeeltelijk tot die van Nieuw-Vossemeer-en-Halsteren. — De R. K., van welke men er 1010 telt, behooren tot de stat. van Oud-Vossemeer en Nieuw-Vossemeer.
Men heeft in deze gem. 2 scholen, als: ééne te Oud-Vossemeer en ééne te Nieuw-Vossemeer, welke gezamenlijk gemiddeld door een getal van 280 leerlingen bezocht worden.
Wanneer en door wien de allereerste bedijking van de streek lands, welke nu Vossemeer genoemd wordt, geschied zij, is geheel onzeker. Het is denkelijk, dat de grond hier toe, of van den Graaf, of van eenen bijzonderen eigenaar zal gekocht zijn , en behoord heeft tot het land van Vriesendycke, dat door Koning Willem, Graaf van Holland, reeds in het jaar 1294 ter leen was uitgegeven.
Ofschoon nu deze landstreek ten deele in het drooge was gelegd, zoo ontbrak de heerschappij daarover aan de eigenaren, waarom deze, voor twee duizend gouden Geldersche guldens (10,000 guld.) verkocht werd aan Heer Philips van Dorp, Heer Jan, bastaard van Bloys, Heer van Treslong, Ridder, Guy, den bastaard van Bloys, Helwich van Doernick, Pieter van Botlant en Laurens Damaiszoon, bij eenen brief gegeven te 's Gravenhage, den 3 November 1410, die nog in originali onder de charters dezer heerlijkheid wordt bewaard: alle sulcke gorse, schorre, sliclant, aanworp mit hoire loebehoiré als ligghen benoirdé der Tholen binné den merken van de noortkeete die staen op ten Dyck van de Dalemsché polre ouercomende aen llazaers hille , van dané in die kerckamer strcckende lynrecht duer Vosuliet aen 't nyelant van dé broeck enz.
Wie maar de minste kennis van dit land heeft, zal ras ontwaar worden, dat deze koop zich alleen bepaalde tot zulke schorren en aanwassen, als nu aan de westzijde der Eendragt zijn bedijkt en in bet algemeen onder den naam van Oud-Vossemeer bekend. Dan de vooruitzigtcn, om dit nieuwe land verder uit te breiden en deze begonnen heerlijkheid aanzienlijker te maken, zal voorgemelde zes Heeren aangespoord hebben van Hertog Willem een tweede handvest te verwerven, gelijk deze in 's Gravcnhage, den 9 Februarij 1414, stilo curiae verleende, waarbij die aan de Heeren Jan, bastaard van Bloys, Gerrit van der Zijl, Helwich van Doernick, Pieter van Botlant, Jan Heerman en Laurens van Overvest confirmatie verleende van het eerste handvest van het jaar 1410, en bovendien verkocht heeft: alle sulcke gorsse, schorre , slikland en de anwerp, mit allen heuren Heerlykheden, Rechten en de toebehooren als gelegen zyn binnen den marcken hier geschreven , dats te weten, 't water van Vosvliet neffenst den Lande van den Broeck ende den uitgorssen daer aen gelegen, van daer in Marlo, van Marlo in Greveningen, van Greveningen in Grenen, van Grenen in Stryen, van Slryen die Vlieten langes in Couweringe Vaert, van daer in de Vertryscn Vaert, en van daer door 't Hasershille strekkende langs de diepten van Eendragt tot de Noordkeeten toe van Tholen, en alsoo omme langs de vryheit van Vossemaer. Dat dit tweede handvest het deel dezer heerlijkheid bevat, nu Nieuw-Vossemeer geheeten, zal niemand tegenspreken, die de merken nagaat in dezen brief vermeld, buiten en behalve, dat bet blijkt, hoe deze gorsen en schorren, in 1412, nog aan den Graaf van Holland en Zeeland toebehoorden, en die over zijne limieten aan deze zijde met de heeren van Breda en Bergen-op-Zoom nog niet verdragen was, soo als duidelijk te zien is in het Verdrag van den Graaf van Holland, met den Hertog van Brabant over de tolvryheid van die van ’s Hertogenbosch, met de stad Steenbergen, en met den Jonkheer van Nassou enz, aangegaan. Dat dit tweede handvest met geene ledige handen is verkregen en aan den Landvorst rijkelijk betaald werd, blijkt, wijl daar in gezegd wordt: ende hier voor hebben wij ontfaen in ons selfs hande soo veel datt ons wail gewicht, ende scheldense daer of quyt. Gevolgelijk hebben de Heerschappen daarvoor eene genoegzame som geschoten, zonder dat de hoeveelheid daarvan aangeteekend is. Als dit zoo is, waaraan niet te twijfelen valt, waarom hebben zij dan, in het jaar 1468, aan Hertog Karel den Stoute, nog eens twaalf honderd gulden voor den koop van Vossemeer moeten opbrengen? Zoo als blijkt uit eene quitantie van wegens den hertoge van Bourgogne gepasseert, voor hetgeen betaald was ter oorsaake der koop van Vossemeer, gedagteekend 4 January 1469, welke onder de charters van Vossemeer gevonden is. Zonder hier verdere aanmerking te maken, is dit genoeg, om te doen zien, dat Vossemeer en zijne heerlijkheid viermalen met geld is moeten gekocht worden, eer zijne eigenaren daarvan in het gerust bezit waren. Geen wonder, dat de Heeren in der tijd hunne zoo duur verkregene voorregten, te meermalen manmoedig hebben durven voorstaan. Tegenwoordig wordt deze heerl. in eigendom bezeten door de Heeren Mr. A. M. Begius en A. Pické te Middelburg, Mr. H. J. Baron van Doorn van Kappele te 's Gravenhage; Jonkheer W. Versluis te Middelburg, Mr. J. J. Slicher van Domburg en J. W. Baron Huyssen van Kattendijke te 's Gravenhage, F. Z. Ermerins te Groningen, de erfgenamen van wijle Mevrouw de Gravin van Spangen te Brussel en elders, de erfgenamen van wijlen den Heer Mr. P. Buteux te Middelburg en 's Gravenhage, A J. Snouck Hurgonje te Middelburg, Jonkheer N. J. Steengracht van Duivenvoorden en de erfgenamen van den Heer Izak de Crane te Middelburg en de erfgenamen van den Heer O. Boon te Tholen.
Wij mogen onder de belangrijke gebeurtenissen van deze heerl. wel stellen het regelen van hare grenspalen met de naburen. Hoe ver en waar die te vinden waren, is duidelijk in de meergemelde handvesten uitgedrukt, maar ver van daar, dat de Heerschappen zich die gerust mogten toeëigenen. De bijzondere Heeren van Bergen en Steenbergen voorzagen spoedig, dat zij door dezen koop van Vossemeer niet meer hun gebied, door nieuwe indijkingen, naar willekeur konden vergrooten, ten ware zij door overmagt op hunne partij de uitgestrektheid van Vossemeer konden doen inkrimpen. De Heer van Bergen had reeds zijne palen tot tegen en langs de Eendragt uitgebreid en dat wilden die van Steenbergen gaarne gevolgd hebben. Met die van Tholen waren de grenzen van zelf bepaald. De polder van Vijftien honderd Gemeten, zoo mede die van den Broek, het Roode Land en den Dalemsche-polder, zijn allen lang vóór Vossemeer in het droogen gelegd geweest; op de zuidzijde van dien was het, dat de eerste merken in het handvest van 1410 zich heen strekten en alle de schorren, aan die polders palende, toebehoorden, gevolgelijk is met Tholen nimmer een eigenlijk verdrag aangegaan; dan om allen twijfel deswege weg te nemen, vonden de Heerschappen goed, van Deken ende Capittel der Collegiale Kercke ter Tholen, den 11 Maart 1431, eene verklaring te nemen, waarbij zij op het getuigenis van diverse by hun genoemde oude eerlyke Luyden verhaelen, hoe de Limiten tusschen Tholen en Vosmaer oudtyds gelegen zyn geweest, en vorder dienden onderhouden te worden. Met Vrijbergen, dat in 1418 uitgegeven en eene heerl. geworden was, schikte zich in het begin de wederzijdsche scheiding vrij wel. Het liep aan tot het jaar 1561, alvorens met die heerl. over grenzen verschil rees, wanneer Cornelis Janszoen van Berghen, Burgemeester van Tbolen, als voogd vau Marinus Jacobz, voor de eene helft Heer van Vrijbergen, vermeende grond te bebben aan den Hove van Holland te verzoeken en ook dadelijk verwierf Mandamcnt van Complainete, waarop voor dien zelfden Hove hierover, den 10 Junij van dat jaar, accoord is getroffen, dat stand hield, tot dat, den 3 Junij 1711, eene nadere overeenkomst wegens deze grenzen aangegaan is. Laatstelijk werd, in 1735, eene overeenkomst met de Heeren van Vrijbergen gesloten, over het aanstellen der officianten van den nieuw bedijkten polder annex Vossemeer.
Reeds had men in of kort na bet jaar 1412 de grenzen tusschen Braband en Zeeland, omtrent Steenbergen geregeld; billijk was dus te verwachten, dat, daar de Souvereinen zulke schikkingen hadden gemaakt, hunne wederzijdsche Leenmannen en onderzaten daarin zouden berust hebben. De Heer van Steenbergen kon hier echter geene bepalingen dulden, en wendde voor, dal alle de slikken, gorsen en aanwassen, tusschen zijne reeds bedijkte landen en de Eendragt, de zijne waren en tot Braband behoorden. Dit hield aan tot den 18 December 1480, wanneer Engelbrecht, Graaf van Nassau, als Heer van Steenbergen, last gaf aan Heer Janne van Mscheveel, Ridder, en Janne van Nedervene, tot het doen van de Paalscheidmg tusschen de Heerlykheid van Steenbergen en de Heerschappen van Vosmeer. Dan men vorderde niet; de Heerschappen sterkten zich wel met geregtelijke verklaringen, die men vindt, dat ten jare 1481, ja zelfs nog in 1504, des aangaande ingewonnen zijn. Daar de Graaf van Nassau veel magtiger was dan de Heerschappen, durfden de laatsten hunne krachten tegen hem niet beproeven, maar beloofden, in 1492, eene premie van twee honderd Rijnsche guldens (280 guld.), aan dengene welke deze paalscheiding zon kunnen te weeg brengen, verleenende eerst van hunne zijde, den20 Junij 1502, volmagt aan Joost van Bloys, Jan Willemsz Zuete en Pieter Ydoz, om hierover te handelen. Deze verdrietige zaak werd wel door de uitspraak van arbiters, den 19 Mei 1509, tot stand gebragt, en bij den Grooten Raad te Mecbelen, den IS September 1511 , door sententie partijen gecondempneert, 't onderhouden en volcomen de voirsz vutsprake arbitrael, accoird ende appointement subsequent en daer na gevolgt van pointe te pointe in der vorme en manie als die hier boven geincoporcert staen; Behouden nochtans ons als Hartooch van Brab en Graven van Hollant en Zeelant ouer al onse Rechten, ende sonder pinditie der seluer. Wie zon kunnen gelooven, dat na zulk eene beslissing van het hoogste Geregtshof, op verzoek van partijen zelve gegeven, nog eenige bedenkingen over de grenspalen konden plaats hebben? Het schijnt evenwel zoo; want twee jaren later, den 9 Augustus 1513, is de eigenlijke scheiding eerst tusschen wederzijdsche Gecommitteerden, bij acte van overeenkomst, geregeld geworden. Naderhand zijn nog onderscheidene dergelijke overeenkomsten met den Heer van Steenbergen gemaakt, als: den 22 Augustus 1526, rakende de dijkaadje van de gorzen slych ende aanwassen gelegen west ende zuytwest ran den Polder van der Heyden genaamd Mattenborch ende de Plaete. Den 6 Maart 1531 over de zelfde dijkaadje. Den 18 Junij 1554 over het bedyeken van de gorssingen liggende buyten Dycks in den Lande van Steenbergen ende Vossemeer , Oostwaert van Eendrecht, noertwaert ran den polder van Mattenborch ende de Heye. En laatstelijk den 28 Augustus 1563 over 't Heyse gors.
Het den Heer van Bergen-op-Zoom schikte zich dat beter, die kon zijne palen ook niet verder dan tot de Eendragt uitbreiden, en daarin was hij geslaagd. De Heer van Steenbergen zal hem zoo wel als aan de Heeren van Vossemeer te magtig zijn geweest, zoo dat mogelijk let eigenbelang wederzijds vorderde, om, ten opzigte der scheidpalen, elkander wat toe te geven, althans men verdroeg zich deswege bij een en brief van 30 October 1429, waarbij Jan van der Zande, Rentmeester-Generaal 's Lands van Bergen-op-Zoom. verklaart hoe hij met Ydo Jacobssone van der Tholen als mede Heerschap en Heerschappen van Vosmaar over een gekomen is omtrent de Paalscheiding en Limiten tnsschen den Lande van Glimes ende Kykuyt. Desniettemin zijn met den Heer van Bergen of zijne gemagtigden, nog twee soortgelijke contracten moeten gesloten worden , als den 5 Julij 1458 en den 4 Junij 1463. Sedert 1814 is er niet alleen ten aanzien van Nieuw-Vossemeer, maar over de geheele grensscheiding van Zeeland tegen Noord-Braband, op nieuw verschil gerezen en thans (1848) nog onafgedaan hangende tusschen de Staten der beide gewesten.
Reedt vroeg heeft deze heerl. door dijkbreuken en overstroomingen te lijden gehad. Dat de St. Elizabethsvlocd van 18 November 1421 hier zeer aanmerkelijke schade veroorzaakt heeft, blijkt ten duidelijkste uit eenen brief van 21 Januarij 1422, waarbij Hertog Jan van Beijerne vergunde den Ambachtsheren van Vosmer, en allen den genen , die hem helpen sullen hoir lant veder te bedyken, dal sy soden, ende werck dair toe halen sullen mogen over all in den gorzen, wair sy gelegen syn onder onsen Rentmeester van Beoisterscelt in Zeelant enz.
De hooge vloed van 1530 veroorzaakte hier meer dan 29,000 guld. schade, want er liepen vijf verschillende polders in, van welke er terstond vier weder werden beverscht, zonder dat daartoe eenige hulp van wege den Souverein werd verzocht of verleend. Doch de vijfde, Onze Vrouwen-polder genoemd, groot ongeveer 400 gemeten (183 bund.) kon men zonder bijstand niet weder digt krijgen, waarom de Keizer daar een en vrijdom van schot en beden voor tien jaren vergunde, zoo dat die in 1531 met groote kosten werd herdijkt, doch in 1532 brak hij door eenen anderen hoogen vloed op nieuw in, even als nog vier andere polders, mogelijk wel de zelfde als de zoo even vermelde; men moest ze allen vooreerst laten drijven en vooral zorgen, dat den Kerke-polder niet een gelijk lot te beurt viel. Eerst in 1536 kon men eene beraming maken, om Onze Vrouwen-polder andermaal te bedijken, beginnende aen de Meestove en eindigende aen den Brouck, bewesten Sint Antheunis Cappelleken.
De vloed van 1530 had buiten twijfel, behalve de gezegde doorbraken, nog een ander uitwerksel voor Vossemeer. Men weet dat die vloed een gedeelte van Zuid-Beveland heeft verslonden; waardoor de stad Reimerswaal, van dat eiland werd afgescheurd, en met weinig land op zich zelve bleef; dit had ten gevolge, dat de stroom meer naar het land van Tholen zakkende, bij stormen grooter aandrang kreeg. De Eendragt verwijdde, kreeg eene doorgaande schuring, scheurde deze heerlijkheid in tweeën, en werd voor schepen bevaarbaar. Althans in een regtsgeleerd Ad vis in 1555 van wege de Heerschappen geligt, vindt men dit aanmerkelijk verhaal: Nochte ook ten tyde der verkryginge der Heerlykheid van Fosmaer hadde dit water eenen byzondere naam , nochte selve dit water of ten minsten de vaart, en was aldaer ten dien tyde niet, maar (zoo de maare is), naar dat den Heer van Berghen eerst op twee plaetsen geslooten heeft den vloed Vertrysen vaert genoemd; die als dan scheyde het Hertogdom van Brabant van het Graafschap van Zeelant, ende eenen anderen vloedt met naeme Eendrecht, ende daer naer den Grate van Nassauw geslooten heeft den vloed gesegd Vertrijsen vaert op de derde plaetse, en den vloed tusschen Brabant en Zeelant, dit gezeyt word Couverinsche vaert: alsdan heeft zekeren Rentier van de Heeren van Vosmaer, met schuppen en arbeid der handen, dit water doen graaven, hetgeen als dan nouwelijk op het hoogste water, dat is de zee tol zynde, water hadde, ende ook om de gecromde draijinghen onvaarbaar was, zoo dat de zee vol zynde nauwetyk de booten en kleyne effene scheepen konde overgevoert worden, dat nochtans allengskens vergroot is. Maer naer dat het groot Eylant genoemt Zuydbevelant, in het jaer 1530, door het water overstroomt is, door den geweldigen tal der wateren, dewelke uyt het gezeyd eylant Zuidbeveland nederdaelden, van dien tijd af tot nu toe is het zoo diep geworden, dat er nu dagelyks veel scheepen overvaaren: dit is in de geheugenisse van vele Menschen enz.
Op den watervloed van 1530 volgde in het jaar 1532 een andere, die de polder de Hicke overstroomde en eene schade van 3600 guld. aanbragt.
De Allerheiligen vloed van 1570 deed de Karnemelkslandspolder ondervloeijen, en waarschijnlijk ook de Hicke, Leguit, Oud-Kijkuit en Slabbecorne: de Heerschappen waren, tot herstel van dien, ten volgende jare, genoodzaakt hun geheel inkomen daaraan ten koste te leggen.
Door den storm en hoogen vloed van 26 Januarij 1682, brak de Hikke-polder andermaal door, en de Kerke-polder, alsmede die van Slabbecorne, Oud-Kijkuit, Leguit en de Vogelenzang vloeiden onder. Nieuw-Vossemeer liep mede in, benevens de landen van de Heene- en Heeren-polders. Dit bragt eene ongeloofelijke schade en ook eene ontvolking over geheel Vossemeer te weeg, die niet dan langzaam is hersteld geworden.
De felle storm en hooge vloed, die op den 3 Maart 1715 in geheel Zeeland vele verwoestingen aanbragt, trof in het bijzonder Vossemeer, daar de Heeren-polder doorbrak en zijne dijken deerlijk geteisterd werden, om welke te herstellen de Heerschappen te kosten leide eene som van 14,080 guld. De Eendragts-polder liep mede op het westeinde onder, waaraan de Heerschappen mede 6480 guld. te kosten legden; Slabbecorne kreeg zulk eene zware doorbraak, dat de zeedijk moest worden ingetrokken; Oud-Kijkuit en Leguit liepen mede in, zoo ook de pold. van Oud-Vossemeer.
Ook aan oorlogsrampen heeft deze heerl. niet weinig ten doel gestaan.
Toen de oorlog met de Spanjaarden op het felste woedde, en Breda in de magt van Parma was, vreesde men in het jaar 1583 voor vijandelijke aanslagen aan de zijde van Vossemeer, waarom, op bevel van de Staten van Zeeland, de polder genaamd Nieuw-Vossemeer, gelegen voor Mattenburg, doorgestoken is, alsmede der Heerschappen molen in Mattenburg verbrand.
Toen de Prins van Parma, in het jaar 1588, Bergen-op-Zoom willende belegeren, en zich eerst van Tholen meester dacht te maken, besloot hij met eenen afgezondenen hoop, onder bevel van den Heer van Montigny en Octavius, Graaf van Mansveld, de Eendragt in het gebied van Vossemeer (waarschijnlijk omtrent Botshoofd), te doorwaden; dan met hoeveel beleid deze aanslag ook beraamd was, zij mislukte; de Spanjaard werd, door het wijs en dapper bestnur van Graaf Everhard van Solms, die in het eiland Tholen de krijsmagt gebood, met verlies van wel vier honderd man afgeslagen.
Daar men begreep, dat zulke aanvallen meer konden plaats hebben, en waaneer de vijand eens het eiland Tholen bemagtigde, de gevolgen allernoodlottigst zouden zijn, werd de geheele uitgestrektheid van Vossemeer met vrachten en schansen verzekerd, waarschijnlijk zijn toen de schansen Zeeland en Oranje, waarvan men nog de overblijfselen voor den Eendragts-polder ziet, opgeworpen.
Alle deze voorzorgen bevrijdden wel het deel der heerl., welk men nu Oud-Vossemeer heet, voor inval der vijanden, maar Nieuw-Vossemeer was en bleef een speelbal van baldadige krijgsknechten, die, van de eene en de andere zijde op kondschap uitgezonden, de opgezetenen dagelijks kwelden, waarom men daar genoodzaakt was, van beide oorlogende magten sauve-garde te verzoeken, waarvoor alleen aan de Spaansche zijde 75 guld. per maand moest worden opgebragt, terwijl de landen over de geheele heerl. nog met eenen schelling buitengewoon per gemet werden belast, tot onderhoud va» de nieuwe forten en wachthuizen.
ln het jaar 1635 werd een aanslag der Spanjaarden ontdekt, om bij verrassing eerst Steenbergen te nemen en daarna de schansen in deze heerl., te weten Zeeland en Oranje, die toen zwak van bezetting waren, af te loopen doch dit werd verijdeld.
Veel volgende oorlogen, die ons vaderland sedert voeren moest, hadden weinig of geen invloed op dezo heerl.; alleen die van het jaar 1672 haarde bekommering, zoo dat men uit Tholen, onder voorwendsel van vrees voor eenen vijandelijken inval, de veerdammen aan het Botshoofd doorstak en de pont wegvoerde.
Men vindt verder niets merkwaardigs, rakende Vossemeer, aangeteekend, tot op het noodlottige jaar 1747. Het beleg van Bergen-op-Zoom vervulde hier alles met schrik en vrees. Zoo lang die vesting verdedigd werd, verstrekte zij en hare wel bezette forten en linie, het eil. Toolen tot eenen voormuur; maar toen zij stormenderhand overgegaan was, moest men den vijand voor de Eendragt stuiten, wilde men de stad en het eiland Tholen behouden. Hiertoe dienden de dijken langs de geheele uitgestrektheid der heerl. Vossemeer, ten Westen van de Eendragt; eene linie, die met onderscheidene batterijen en veel krijgsvolk, volgens sommigen wel ten getale van vier duizend man, bezet was. Op bet dorp Oud-Vossemeer had de Oostenrijksche Generaal Graaf Nadasty, aan het hoofd zijner Kroaten en Pandoeren enz, zijne winterkwartieren betrokken. De inlegering dier vreemde ruwe gasten viel den ingezetenen zeer lastig en kostbaar; ook leden zij daardoor groote schade aan gebouwen , boomgewas en vee, doch bet was tevens een middel, om de streek voor volkomen ondergang te behoeden.
Reeds vroeg heeft Vossemeer een wapen gevoerd. In den brief, waarbij Gillis van Wissekerke, in het jaar 1433, de onbedijkte gorsen uitgaf te bedijken, zegt hij, dat hij dien brief om de meere zekerheid wille heeft doen bezegelen van d Heen wege van Vosmr met des Lants zeghel van Vosmr. Gevolgelijk was toen een zegel der heerl. reeds in wezen en gebruik. Het schild was toen in tweeën gedeeld; in het bovenste acht vierkante ruiten en op het benedendeel een vos van keel, op een veld van sinopel, hebbende in den bek een beuling of worst, welks men wil, dat hier in de landtaal een mare genoemd wordt. Dan sedert gemelden tijd, zonder dat men weet te bepalen wanneer, bestaat het wapen dezer heerl. uit een schild van goud, met eenen vos van keel, komende met het halve lijf uit eene zee bestaande uit drie golvende fascen van azuur, keel en zilver. Het oudste bescheid, dat van het tegenwoordige wapenschild voorkomt; is, dat Johan de Knuit, die heer in Vossemeer was, doch den titel van Heer van Oud-en-Nieuw-Vossemeer voerde en de waardigheid van representerende Eerste Edele van Zeeland bekleedde, mitsgaders als Ambassadeur wegens den staat, den vrede van Munster onderteekende, zijn wapenschild met Vossemeer vierendeelde, op die wijze als men hier beschreven heeft.uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Vossemeer