Valkenisse, heerl. op het eil. Zuid-Beveland, prov. Zeeland, arr. en kant. Goes, gedeeltelijk gem. Waarde-en-Valkenisse, gedeeltelijk gem. Krabbendijke; palende N. aan de heerl. Krabbendijke, O. aan de heerl. Maire, Z, O. en Z. aan de schorren tegen de Hont of Wester-Schelde, W. aan de heerl. Waarde.
Deze heerl. bevat thans geen d., maar alleen een gedeelte van het geh. Gawege en vier verspreid liggende huizen. Zij beslaat eene oppervlakte, volgens het kadaster, van 205 bund. 62 v. ell., waaronder 196 bund. 91 v. r. 22 v. ell. belastbaar land. Men telt er 10 h., bewoond door 13 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 80 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden.
De inw., die allen Herv. zijn, behooren tot de gem. van Waarde.
Men heeft in deze heerl. geen school, maar de kinderen genieten onderwijs te Waarde en te Krabbendijke.
Deze heerl. wordt in Oud-Valkenisse en Nieuw-Valkenisse onderscheiden , alleen daarom, vermits hetgeen men nu Oud-Valkenisse noemt, van de menigvuldige zeevloeden, die hier verwoestingen aanbragten, overgebleven en in eene gemeene dijkaadje met Waarde gelegen is, terwijl Nieuw-Valkenisse, met Maire, in eene dijkaadje begrepen, weder is aangewonnen, en een klein deel uitmaakt van hetgeen nog door de golven bedekt blijft.
De eerste oorsprong van deze heerl. is, zoo wel als de herkomst van hare benaming, in de oudheid begraven. Men weet geen ouder tijd van haar bestaan aan te wijzen, dan dat hare bezitters, ten jare 1276, nevens andere heerschappen, aan de Hont gezeten, zich met die van Antwerpen, over den tol en vrij geleide over geheel de Hont verdragen hebben; gelijk eene dergelijke overeenkomst, in het jaar 1285 , met de abdij of het klooster van Afflighem getroffen, en door Floris V, Graaf van Holland, bekrachtigd werd.
Zoo min als de eerste oorsprong en benaming dezer heerl. te bepalen zijn, even zoo min kan hare oude uitgestrektheid en belending naauwkeurig aangewezen worden; alleen weet men, dat de Kronijkschrijver Smallegange de grootte stelt te wezen: 1166 gemeten 281 roeden (457 bund. 91 v. r. 76 v. ell.). Het kou niet missen, of deze heerl. moest, zoo ras de Hont met de Noordzee en de Schelde gemeenschap kreeg, met anderen deelen in de rampen, welke de zeevloeden van tijd tot tijd aanbragten. Hiervan zijn wel geene bijzondere aanteekeningen voorhanden; doch het is zeker, dat door de overstroomingen en doorbraken, in de jaren 1530, 1532 en 1542 voorgevallen, bij herdijking 486 gemeten 137 roeden (190 bund. 89 v. r. 5 v. ell.) uitgeslagen werden, en hierdoor eene aanmerkelijke vermindering van gemetgetalen plaats greep. De geduchte vloed van 15 Januarij 1551 overstroomde deze heerl. geheel; dan het werd aan de zoute plassen ontrukt en weder in het drooge gebragt, tot dat de Allerheiligenvloed van 1 November 1570 het in gelijke ramp stortte. De evengemelde allerheiligenvloed overstroomde Valkenisse aan de oostzijde door den zoogenaamden Groenendijk, van welke een weel, genaamd Klaaskensweel, is overgebleven, dus genoemd naar den eigenaar van een huis daar te vinden, die Klaas genaamd was. Van bijzondere schade aan woningen , vruchten en vee, daardoor in deze heerl. veroorzaakt, vindt men geene aanteekeningen; doch die vloed zal hier, zoo wel als elders, met de opgevolgde oorlogsrampen, menig bemiddeld landzaat tot behoefte gebragt en eene ontvolking veroorzaakt hebben. Dan, het zij met of zonder bijstand van den Landvorst, men ontworstelde de baren, en stelde daar aan nieuwe palen, die echter niet belet hebben, dat nieuwe en mede verwoestende overtroomingen in latere tijden, den val voltooiden van eeu ander bloeijend dorp en heerlijkheid.
Omtrent het jaar 1630 of daaromtrent werd op den grond dezer heerl., tegen de Hont, een fort aangelegd, Keizersboofd genaamd (zie dat woord). Dit fort moge hier veiligheid en misschien van tijd tot tijd krijgsgewoel en voor de dorpzaten vertier van eertwaren aangebragt hebben, het kon evenwel geen zeegeweld afweren. Dit bleek op Maandag den 26 Januarij 1682 , des avonds ten vier ure, wanneer voorzegde kleine vesting geheel overstelpt en, evenals het dorp dezer heerl., volkomen vernield is geworden. Hoe verre men bij eene herdijking, voor het watergeweld genoodzaakt is geworden terug te wijken, getuigt best de kaart van Zuid-Beveland, door Hattinga, waarop de plaats aangestipt is , waar Keizershoofd gelegen heeft.
De Ambachtsheeren , zoo wel als de Ingelanden , Dijkgraven en Gezworenen , beraadslaagden, wat in dezen tot redding te doen. Na veel twistens en overleg moest Valkenisse, dat is bet dorp, buiten gedijkt, en de uitwatering, die vroeger door de sluis van Valkenisse geschiedde, nu verlegd worden en door Waarde plaats hebben, ten welken einde en om deu afloop van het ingekomen zeewater te bevorderen, de sluis te Valkenisse uitgegraven en eene nieuwe te Waarde aanbesteed werd.
Verder vindt men geene lotgevallen van deze heerl. aangeteekend, dan dat, ten jare 1747 en 1748, hier, zoo wel als in Maire, tegen den getreesden inval der Franschen, Staatsch krijgsvolk is gelegerd geweest.
Van het dorp Valkenisse valt, bij gebrek aan aanteekening, weinig te zeggen. Alleen weet men, dat de reeds vermelde vloed van 26 Januarij 1682, alle de huizen, op drie na, gesloopt heeft, en ter zelfder tijd hier vele beesten in het waler versmoorden; terwijl bet echter zeker is, dat hier eene kerk, met eenen dikken toren, die ten baken strekte voor die van Antwerpen naar Holland of Zeeland voeren, benevens een molen gestaan hebben, en dat aan het Geregt dezer parochie tot onderhoud van de dorpswerken, den 29 April 1626, bij 's Lands Staten vergund werd eene plaatselijke accijns van tappers of herbergiers te heffen, als: op iedere ton zwaar bier één gulden, en van elk aam Rijnsche, Spaansche en Fransche win vier gulden, voor den tijd van vijf jaren , welk octrooi den 16 September 1631, 18 April 1641, 1 Julij 1650, 15 November 1655, 20 Maart 1660, 7 Junij 1666 en 11 Februarij 1673, telkens is vernieuwd en verlengd geworden. Het Geregt verzocht, den 11 Februarij 1673, eene balans te mogen opstellen, en van iedere honderd wagens vlas zes grooten Vlaamsen (15 cents) te ontvangen, tot onderstand van hunne armen, die dit zeer benoodigd hadden; doch daartoe werd het advies van de Rekenkamer gevorderd.
Van den staat der kerk, zoo als die vóór de verwoesting was, is weinig te vermelden, dan dat men in het geestelijke hier eerst onder bet bisdom van Utrecht, daarna onder dat van Middelburg en tot het dekenschap van Zuid-Beveland, behoorde. De kerk of wel de bediening daarvan stond ter benoeming van den Deken en het kapittel van St. Salvatorskerk te Utrecht; zijnde hier ten jare 1464 Pastoor geweest Johan Rouper. Het is meer dan waarschijnlijk, dat, wt den Allerbeiligenvloed van het jaar 1570, het kerkgebouw hier in zoo verre zal verwocst zijn , dat het, zonder aanmerkelijken onderstand, niet meer ten gebruike bekwaam was. Wanneer men de beroeringen in kerk en burgerstaat, die reeds aangevangen waren, er bijvoegt, dan is het niet te verwonderen, dat men, na den overgang en de Hervorming van geheel Zuid-Beveland, omtrent deze heerlijkheid niets meer ten aanzien van de godsdienst aangeleekend vindt; alleen weet men, dat 's Lands Staten , den 14 Junij 1659, bewilligden in het aanstellen van eenen Schoolmeester te dezer plaats. Er zoude oudtijds te Gawege, een geh. onder deze heerl., eene kapel bestaan hebben.
Het is zeker, dat een edel geslacht aan deze heerl. den naam gegeven of daarvan ontvangen hebbe. Dan, of zij oudtijds hier een stamhuis, dat is een slot tot hun verblijf hadden, vindt men niet opgetekend, ofschoon het niet onwaarschijnlijk is.
Witte van Valkenisse en Arnoldus waren broeders; zij leefden nog in het jaar 1243, en waren onder die, welke den Abt en Monniken des kloosters van Afflighem vrijheid van tol op de Hont schonken; ook wordt in het verdrag, deswege getroffen, gesproken van Heer Ada, ingehuldigde van Valkenisse, en in eenen anderen brief, op den eersten Zondag van den Advent 1284 gegeven, wordt hij genoemd Heer Ada, Priester van Valkenisse. Arnoud van Valkenisse, Priester, was, ten Jare 1407, onder de bevechters van de sterkte Hagestein. Nicolaas van Valkenisse, Priester, was, ten jare 1460, Aartsdiaken te Antwerpen, en stond als getuige over een verdrag tusschen het kapittel te Antwerpen en de Paters Minderbroeders aldaar. Het kan de zelfde niet wezen, welke bij Smallegange gezegd wordt getrouwd te zijn geweest, en in het jaar 1470 op Rilland is begraven. Lambert van Valkenisse werd Ridder gemaakt in het jaar 1426, in den slag voor Brouwershaven, alwaar sneuvelde Andries van Valkenisse. In het jaar 1511 verkocht Philips van Valkenisse deze heerlijkheid aan die Van Stapele en Cock van Opijnen. Van welk laatste geslacht het bij huwelijk gekomen is aan dat van La Torre, waarvan reeds in het jaar 1644 Jonkheer François de la Torre als Heer voorkomt, die achterliet de Jonkers Philips, Charles en Hendrik, benevens Jonkvrouwen Margareta, Justina, Isabelle en Maria de la Torre, aan alle welken, op 27 Maart 1664, octrooi werd verleend, om over hunne Zeeuwsche leengoederen te mogen beschikken. De laatste, welke voorkwam tot deze edelen betrekking te hebben, was Vrouwe Isabelle de Boysot, weduwe Vrouwe van Valkenisse, moeder en voogdesse van haren oudsten zoon Jonker Johan Louis de la Torre. Even zoo als dit heerlijk goed van de Edelen van Valkenisse tot die van La Torre is overgegaan, zal het aan het bekende huis Van Spangen gekomen zijn; want men vindt, dat in het jaar 1689 hier Heer was Justus Cornelis Philibertus Philippus Graaf van Spangen, die waarschijnlijk de opvolger is geweest van Jonker Ludovicus Baron van Spangen, in het jaar 1753 Heer van Valkenisse genoemd. Thans is eigenaar van deze heerl. de Heer Emanuel Constantinus Primas Ghislain Baron van der Linden de Hoogvorst, Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, woonachtig te Brussel.
Het wapen dezer heerl. bestaat uit een veld van goud, met drie leliën van synople.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Valkenisse