Tilburg, gem. in de Meijerij van 's Hertogenbosch, kw. Oisterwijk, prov. Noord-Braband, arr. 's Hertogenbosch, kant. Tilburg (2 m. k., 2 s. d.); palende N. W. aan de gem. Dongen, N. aan Loon-op-Zand, N. O. aan Udenhout, O. aan Berkel Enschot-en-Heukelum, Z. aan Goirle en Hilvarenbeek, W. aan Alphen-en-Riel en Gilze-en-Rijen.
Deze gem., welke bij dekreet van 18 April 1809, door Koning Lodewijk, tot den rang van stad werd verheven, bevat: de wijken Kerk en Heuvel, welke de kom der gem. of de stad Tilburg vormen; ten N. van deze kom liggen de wijken: Veldhoven, Hoeven, Reit, Hasselt, Stokhasselt, Oost-Heikant, West-Heikant, die het d. het Goirke uitmaken en daartoe kerkelijk behooren; ten O. ligt de wijk Loven, ten Z. de wijken Oerle en Korvel en ten W. de wijk Berkdijk. Deze wijken zijn even zoo vele volkrijke buurten dier gem., waarvan sommigen zeer ver uit een verspreid liggen, zoo dat men berekent, dat de omtrek van het bewoonde of oostelijk gedeelte der gemeente, ruim vier uren bedraagt. Tot deze wijken behooren nog een groot aantal kleinere buurten en gehuchten, te veel om te vermelden, zijnde de voornaamsten: Eindhoven, Broekhoven, Broekstraat, Laar, het Heike, de Koningshoeven, het Zand, de Schans, Quirijnstok, Vijfhuizen, Klein-Tilburg enz. Het westelijk en verreweg het grootste gedeelte der gemeente, is woeste heide met vele plassen of vennen, waarvan hier en daar gedeelten ontgonnen en bepoot worden, zoo als men reeds aantreft: de Warande, het Reeshof, Dongewijk enz. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 7946 bund. 86 v. r., 36 v. ell., waaronder 7704 bund. 11 v. r. 68 v. ell. belastbaren grond; lelt 2430 h., bewoond door 2659 huisgez., uitmakende eene bevolking van ongeveer 14,000 inw., die meest bun bestaan vinden in den landbouw, de veeteelt, den drukken doortogt en de fabrijken, tellende men er 14 lakenfabrijken, onder welke er zijn, die 300 tot 400 menschen werk verschaffen; 8 stoomwolspinnerijen; 8 lakenvollerijen ; 6 verwerijen van wollen sloffen; 1 tapijtfabrijk; 1 katoendrukkerij; 1 stoomlakenspoelderij; 19 leerlooijerijen ; 1 machinale kaardenfabrijk; 1 stoomsmederij; 2 ijzersmelterijen; 1 fabrijk van harde en zachte zeep; 1 zoutkeet; 1 steen- en pannenbakkerij; 5 bierbrouwerijen; 6 windkoren-, 1 vol-, 2 ros-koren- en 4 ros-oliemolens; benevens twee stoom-graan en schorsmolens en eene met stoom gedrevene fabrijk van kunstwerktuigen. In het geheel telt men er 16 met stoom werkzame bedrijven; terwijl er bovendien veel koehaar gesponnen wordt voor de tapijtfabrijken te 's Hertogenbosch, te Breda, te Hilversum en in België.
Men heeft er vele heiden, doch de gem. bevat omtrent 3500 bund. bebouwden grond, zoo aan zaailanden en weiden, als bosch en schaarhout, benevens nagenoeg 240 bund. uitgestoken moervelden, putten en blekelingvelden. De grond is over hel algemeen schraal en zandig, doch op sommige plaatsen met vruchtbaren zwarten grond of bleekklei overdekt. De granen en veldgewassen, welke hier gewonnen worden, bestaan in rogge, haver, boekweit en spurrie, aardappelen, een weinig paardenboonen, erwten, oliezaad en ook eenig vlas.
Deze gem. geeft een navolgenswaardig voorbeeld, om den landbouw met het fabrijkwezen te verbinden, en bewijst proefondervindelijk, dat beide takken van bestaan, hand aan hand gaande, op het geluk en de welvaart der ingezetenen eenen gezegenden invloed uitoefenen, De wijze, hoe deze vereeniging van landbouw en fabrijkwezen te Tilburg plaats heeft, beschrijft een der inwoners, de Heer P. van Dooren, met deze woorden : » Benevens den landbouw maakt de fabrijkarbeid het bestaan uit van Tilburgs inwoners. Men schat het getal menschen, hetwelk door dien arbeid, tegen niet hooge dagloonen, om der goedkoope levenswijs wille, onderhoud vinden, op ruim 6000; de meeste huisgezinnen hebben een reepje land of tuin achter hunne woning, tot het teelen van warmoezerijen, en hebben daarbij eene zekere uitgestrektheid gronds, om aardappelen voor het gezin te winnen; zij houden daarbij veelal eene geit en mesten een varken, welke hun melk, spek en mestspecie voor hun aardappelland verschaffen. Deze wijze van genering brengt veel tot eene oeconomische huishouding onder de klasse der werklieden toe, welker bestrijding van kosten, ten voordeele van den fabrijkstaat, eene zeer matige loonsbepaling vordert. Daarenboven bevat zij nog dit goede, dat de werkman, eigen met het gebruik van schop en spade, bij oogenblikkelijk gebrek aan werk, zich met de bearbeiding van zijnen tuin of land onledig houdt, of als arbeider bij den landbouwer gaat werken, en bij herneming of ontstaan van werk tot zijn hoofdberoep terugkeert, en deze toeverlaat, waarvan de werkman in steden verstoken is, oefent eenen heilzame invloed op de zedelijke betrekkingen en op de physische gesteldheid onzer werklieden uit (Bijdragen tot de Nijverheid, uitgegeven door de Nederl. Maatschappij van Nijverheid. voor 1836, blz. 6.).
De Roomsch-Katholijken, die er ongeveer 13,600 in getal zijn, onder welke ongeveer 9500 Conimunikanten, maken de par. van Tilburg-aan-het-Heike en Tilburg-aan-het-Goirke uit, welke in deze burg. gemeente ieder eene kerk hebben, benevens een kapel.
De Hervormden, die er, behalve het garnizoen, 150 in getal zijn, onder welke ruim 100 ledematen, behooren tot de gem. van Tilburg-en-Goirle.
De Evangelisch-Lutherschen, die men er 10 aantreft worden tot de gem. van 's Hertogenbosch gerekend.
De Israëlieten, van welken men er ongeveer 120 telt, maken eene ring-synagoge uit, waaronder ook de bijkerken te Capelle en Geertruidenberg behooren.
Men heeft in deze gem. vijf scholen, als: eene Fransche kostschool en eene Nederduitsche school in de kom der gem., eene aan den Heikant, eene te Veldhoven en eene te Korvel, welke gezamenlijk gemiddeld door 1200 leerlingen bezocht worden.
De stad Tilburg, van ouds Tilborch, ligt 4½ u. Z. W. van 's Hertogenbosch, 4 u. O. ten Z. van Breda, 6 u. N. W. ten W. van Eindhoven, aan den Groote-weg van Breda naar 's Hertogenbosch, die er doorheen loopt.
De kom dezer plaats wordt verdeeld in de wijken Kerk en Heuvel, zijnde eerstgenoemde het westelijke en laatstgenoemde het oostelijke gedeelte, terwijl beide door de digtbebouwde hoofdstraat onmerkbaar vereenigd zijn. Men telt er in de kom der plaats 637 h., en ongeveer 35OO inw.
Behalve door bovengenoemden grooten weg heeft Tilburg nog eene goede gemeenschap met de Langestraat en de haven van Waalwijk, door de in 1810 aangelegde keiweg van hier op Loon-op-Zand tot Besoijen gaande en men voedt thans meer dan immer hoop, dat deze plaats, door de zorg van Z. M. den Koning, eene scheepvaart zal bekomen, waarvan de behoefte voor haren handel, nijverheid en ontginning van de daar en verder zuidwaarts gelegen heidegronden, reeds zoo lang en dringend gevoeld is.
Sommigen willen dat Tilburg eertijds, naar drie burgten of kasteelen, Drieburg zoude geheeten hebben, maar hiervan is geen blijk en dit schijnt alleen eene speling van den uitvinder te zijn, naar aanleiding van het wapen, waarop drie burgten voorkomen en van de geschiedkundige daadzaak, dat Tilburg oudtijds drie kasteelen bezat. Anderen willen Tilburg afgeleid hebben van het Latijnsche Tiliaeburgum (burgt van den Lindeboom), doch ook dit is niets meer dan eenc speling; waartoe de later te vermelden lindeboom aanleiding gaf. Grammay maakt er Tullisburgum van, en vindt daarom iets Romcinsch in dien naam. Het waarschijnlijkst is, dat de naamsoorsprong dezer gem. moet gezocht worden in de oude woorden Tillo of Tyl, zijnde een mannelijke eigennaam en burgum of burg, beteekende volgens oudheidkundige schrijvers eene verzameling van niet ommunrdc landelijke gebouwen, zoodat Tilburg of Tylborch (onder welke laatste benaming liet voorkomt in eenen brief van 1269) zoo veel zoude willen zeggen als: pachthoeve (burgum, villa) van Tyl. Reeds in de plaatsteekening van een Diploma van 709 — waarbij Engelbertus, zoon van Gaotbertus, het nabij Tilburg gelegen Alphen, in het Land-van-Breda, aan Willibrord, den eersten Bisschop van Utrecht, geeft — leest men Tilliburgus, waardoor buiten allen twijfel Tilborg wordt bedoeld. Het tegenwoordig Tilburg is oudtijds West-Tilburg genoemd geweest, waartoe ook Enschot behoorde, terwijl door Oost-Tilburg Berkcl zou bedoeld zijn. In 1222 hield Hendrik I, Hertog van Braband, den burg van Tilburg van den Bisschop van Utrecht ter leen, en droeg zijn overig vrij goed van Tilburg aan de Hoofdkerk van Keulen op, en ontving dat weder van haar ter leen. In 1231 gaf de zelfde Hertog het Patroonaatschap van Tilburg aan de abdij van Tongerlo; in 1241 gaf echter een bijzonder Edelman, Giselbert van Tilburg, het derde deel der novale tienden van West-Tilburg aan de abdij van Tongerlo; en in 1244 gaf de zelfde Ridder aan de abdij van St. Geertrui te Leuven eene tiende onder Tilburg. In den oorspronkelijken giftbrief van Loon-op-Zand van 1269, leest men: dat Hertog Jan een derde deel der tienden dier plaats gaf aan Willem van Hoerne, en zij wordt daar Tylborch genoemd.
Deze opene stad heeft meer het aanzien van een groot dorp of vlek, welks huizen digt aan een gebouwd zijn, hoewel eenige straten er stadsgewijze gebouwd en met keisteenen belegd zijn. Het marktveld, meer algemeen de Heuvel genoemd, prijkt met eenen grooten lindeboom, welke men door de kruin plat te scheren de gedaante van eene kegelvormige parapluie heeft weten te geven, zoodat een aantal menschen onder zijne schaduw kunnen rusten. De ouderdom van dezen boom schijnt niet bekend te zijn, men heeft daarnaar, maar vruchteloos, onderzoek gedaan. Sommige willen die van de zevende of acbtste eeuw doen dagteekenen, maar zonder anderen grond dan de mogelijkheid voor dit gevoelen te hebben; waarschijnlijk is hij eenige eeuwen jonger, maar in allen geval zeer oud en aanmerkenswaardig. Op het plein de Heuvel worden mede de acht jaarmarkten gehouden, van welke de kouwmarkt, Maandag na 25 Januarij; de palmmarkt Maandag na Palmzondag; de Vastemarkt den vijfden Maandag vóór Paschen; de Heinelvaartmarkt Maandags vóór Hemelvaartsdag; de St. Jansmarkt Dingsdag na 23 Junij; de Zomermarkt Maandag na 25 Julij; de St. Bavomarkt Maandag na den 9 October, en de St. Andriesmarkt Maandag voor 30 November invallen; terwijl de kermis er den laatsten Zondag in Augustus gehouden wordt. Behalve de gewone kramerijen worden op deze jaarmarkten stukken wollenstoffen, linnen , paarden en rundvee, benevens allerlei gereedschappen en benoodigdheden voor den landbouw geveild.
De botermarkt, even als de groenmarkt, wordt des Vrijdags, op een afzonderlijk Marktveld, nabij den toren, gehouden en druk bezocht; terwijl alsdan tevens brandhout en turf, benevens allerlei vleesch, dit laatste voornamelijk door de slagters uit het naburige Oisterwijk, gemarkt worden.
Onder de wereldlijke gebouwen zou eerst melding verdienen bet eigenlijke Kasteel-van-Tilburg, doch dit bestaat niet meer. Zie het volgende art.
Het Paleis des Konings, in de Nieuwedijkstraat, dat, ter vervanging van een vroeger minder aanzienlijk en geschikt verblijf, thans (in 1848) in aanbouw is, wordt een ruim vierhoekig gebouw, met een torentje op elken hoek, en zal, met de daartoe beboorende tuinen, een schoon geheel en een bezienswaardig sieraad der stad uitmaken.
Het tegenwoordige Stadhuis, aan het Weekmarktplein, is klein en gebrekkig ingerigt. Het staat vervangen te worden door een onlangs, voor 37,900 gulden aanbesteed en door den Tilburgschen Architect van Tulder ontworpen gebouw, hetwelk een prachtig en doelmatig stadhuis belooft, waarin, behalve de gemeentelijke administratie, ook het kantongeregt, de kamer van koophandel, het algemeen armbestuur en de schuttersraad hunne zittingen zullen houden. De benedenbouw is bestemd voor kantonnale gevangenis en zal naar het cellulaire stelsel zijn ingerigt. Dit nieuwe stadhuis zal geplaatst worden onmiddellijk achter het tegenwoordige, in den hiertoe behoorenden tuin, en zal het gezigt hebben op het Weekmarktplein.
De Kaserne, welke in de wijk Heuvel, niet ver van den straatweg op 's Hertogenbosch, door Koning Willem II, in 1842, gebouwd werd, heeft in 1847 eene aanmerkelijke vcrgrooting ondergaan , zoo dat zij thans kan dienen voor 300 à 400 man en even zoo vele paarden.
De Stads-Lakenhal, in het Haringseind, is een doelmatig ingerigt gebouw.
Ook is er een Postkantoor, op den Heuvel, en een Station der paardenposterij, in de Kerkstraat.
De fabrijk van den Heer J. N. Diepen, te Korvel, in 1846 in de plaats gezet van het in 1839 afgebrandde oude fabrijkgebouw, onderscheidt zich door hare grootte, sierlijken bouwtrant en hoogst doelmatige inrigting.
De kerk te Tilburg brandde in 1494 met den toren gedeeltelijk af en werd alstoen weder op de zelfde grootte vernieuwd. Niet lang vóór den vrede van Munster werd zij naar het Zuiden vergroot. Reeds vóór dien vrede en na de verovering van 's Hertogenbosch, in het jaar 1630, waren de R. K. uit de parochiekerk gesloten, die zij nogthans naderhand weder somtijds bekomen hebben en somtijds weder moesten verlaten; doch na den Munstersche vrede, en wel in 1629, hebben zij eene kapel of bidplaats tot de godsdienst moeten gebruiken, die onder Poppel, op Oostenrijks grondgebied, door hen en andere omliggende dorpen gesticht was, en Gool-St.-Jan of de Niéuwe-kerk genoemd werd. In de volgende jaren kwam er in zoo verre rust, dat men op het kasteel, bij de Veldhoven, met toelating van den R. K. Heer van Tilburg, Schetz van Grobbendonk , de godsdienst kon verrigten. Dit heeft geduurd tot omtrent het begin der vorige eeuw, wanneer het bezit der heerlijkheid overging aan het Protestantsche huis Van Hessen Kassel.. Toen werd er eene kerkschuur gebouwd bij het Goirke, en, omtrent dien zelfden tijd , voor bet zuidelijk gedeelte der uitgestrekte parochie, eene tweede kerkschuur op den akker, achter de huizen, die ten westen het Heike staan. Deze laatste kerkschuur, werd, volgens verlof der Staten Generaal van 8 October 1731, verplaatst op het Heike, ten noorden aan de straat. Zij werd, in 1773 wederom vergroot met een zijdelings gebouw ten noorden er aangezet. Deze kerkschuur werd , na de laatste landveranderingen, met een orgel, met een kostelijk altaar en priesterlijke gewaden en andere sieraden verrijkt. In dezen staat, met twee kerkschuren, onder eenen Pastoor, die, sedert het jaar 1730, met drie medebedienende Kapellanen, aan het Goirke resideerde, is de geheele Katholijke gemeente van Tilburg bestuurd geweest, tot in het jaar 1797; wanneer die gemeente, door de kerkelijke overheid , verdeeld werd in twee onderscheidene parochien, die van het Goirke en die van het Heike, ieder onder eenen eigen Pastoor, met twee medebedienende Kapellanen , in ieder parochie residerende. Beide deze parochiën vieren als patroon, even als de oude parochiekerk, den H. Bisschop en Martelaar Dionyius. Den 1 Januarij 1823 hebhen de R. K. van Tilburg aan het Heike, echter de oude Parochiekerk, staande aan het Weekmarktplein, terug bekomen, in welks plaats zij, in het jaar 1827, eene geheel nieuwe kerk gesticht hebben, zijnde een groot en schoon gebouw , met drie altaren en een fraai orgel, herkomstig uit de oude kerkschuur. Deze kerk staat, bij den sierlijken hoogen toren , waarbij vroeger de oude kerk stond en die van boven met eenen grooten knop of peer versierd is. De voormalige kerk aan het Heike is in 1834 afgebroken, na, gedurende de Belgische onlusten, eenige jaren tot hooi- en stroomagazijn te hebben gediend. Nopens die aan het Goirke zie men het art. Goirke.
De Kerk der Hervormden, in de Zomerstraat, is een klein doch nieuw gebouw, dat den 4 Mei 1823 is ingewijd. Het heeft een klein torentje en een orgel, gekomen uit de oude kerk, waarin het, in 1765, door de Hervormden geplaatst was.
De Synagoge, in de Zomerstraat, is een gewoon gebouw, zonder toren.
De Fransche kostschool wordt gemiddeld door 120 leerlingen, de Stads Nederduitsche school door 500 leerlingen, en de twee Armscholen, ieder door 280 leerlingen bezocht; terwijl de twee Zondagsscholen gezamenlijk door ongeveer 600 leerlingen van beide kunnen bezocht worden.
De drie liefdadige gestichten: het eerste het hoofdgesticht, ter verpleging van arme oude vrouwen, en van ongeneeslyken en ter opvoeding van weezen; het tweede ter verzorging van arme zieken, en het derde ter verzorging van oude arme mannen, worden door de zusters van liefde bediend, en zijn in eenen bloeijenden slaat. Deze liefdadige zusters belasten zich ook met het onderwijs van ruim negen honderd arme en minvermogende meisjes. Het onderrigt, dat daar in de taal en vrouwelijke handwerken, gegeven wordt , mag geroemd worden: het droeg de hooge goedkeuring weg van den Koning, die gedurende de tienjarige Belgische verwikkelingen, als Prins van Oranje en Veldmaarschalk, zijn hoofdkwartier te Tilburg had gevestigd en zich overtuigd heeft van den goeden geest en belangelooze liefde van deze zusters voor alle soort van ongelukkigen. In verschillende plaatsen van het rijk zijn afdeelingen opgerigt, die met het moederhuis te Tilburg een geheel uitmaken.
Onder de weldadige inrigtingen mag men ook tellen, vijf zieken- en begrafenisbussen, waaronder eene door en ten behoeve der ingeteekende en contribuerende handwerkers, zijnde droogscheerders, kaardezetters en schaarslijpers der lakenfabrijken te Tilburg opgerigt, ten einde daaruit de zieken te onderstellen en in de begraafeniskosten van een overleden lid te gemoet te komen.
Men heeft hier ook een Muzijkgezelschap: St. Cecilia, met 25 leden , dat goede concerten geeft en bekwame zangers en muzijkanten voor de R. K. kerken levert; benevens eene Harmonie, die ruim 20 leden telt, en zich in het bespelen van allerlei blaasinstrumenten oefent. Ook bestaat hier nog een jagtgezelschap, het St. Huibertsgilde genaamd, met 25 leden, onder welke men de aanzienlijkste ingezetenen telt. Dit gezelschap had vroeger vele voorregten. Een dier voorregten bestond in de vrijheid om eencn dag in het jaar, en wel op St. Hnibertsdag, vrij door de geheele heerl. te mogen jagen. De oorsprong van dit gilde verliest zich in eene verwijderde oudheid. Een sierlijke, geheel met zilver beslagene jagthoorn, waarvan zij in het bezit is, getuigt, dat dit gezelschap reeds in 1625 in vollen bloei was. De leden vergaderen gedurende de herfst- en wintermaanden tweemalen in de maand en wel den eersten en derden Donderdag. Bij gelegenheid van het feest van den Patroon der gilde, dat op den derden November invalt, wordt er een gastmaal gehouden, hetwelk zich door keur van spijzen, vooral van wild, door vriendschappelijke gezelligheid en door broederlijke eensgezindheid onderscheidt. In den laatslen tijd is het Huibertsgastmaal tot eene gelegenheid geworden ter beoefening van dicht- en zangkunst. Gezellig, nuttig en broederlijk verkeer is het doel van het gilde; jagtvermaak is te meer eene bijkomende zaak, omdat aan de heerl. van Tilburg het jagtregt bij uitsluiting is verbonden.
De liefhebbers der jagt vonden het zeer belemmerend, dat de Heer der heerl. het uitsluitend regt van de jagt uitoefende. In 1839 heeft men hem dat regt betwist, doch het Hof van Noord-Braband heeft hem, op grond der hesluiten van 26 Maart 1814 en 1 Februarij 1813 daarin gehandhaafd.
Voorts zijn hier nog zes Handboogschutterijen, als die onder de zinspreuk: Homos alit arcum (d. i. eer geeft voedsel aan den boog), met 40 leden; die genaamd de Fijne maste, met 13 leden, die onder de zinspreuk: de Roos, met 17 leden; de Schutterij van ST. Sebastiaan met 20 leden; de Vriendschap, met 11 leden en die onder de zinspreuk: Oefening en Vermaak, met 22 leden. Almede bestaat er nog een Gilde van St. Dionysius, met 17 leden welke zich bezig houden met het vogclscbielcn met het geweer, en een Gilde van St. Joris, tellende 40 leden, die zich met den voet- of kruisboog oefenen. Beide deze gilden, benevens de schutterij van St. Sebastiaan, zijn van zeer oude en ongekende dagteekening, zelfs sommige hunner vaandels en banieren getuigen van dien hoogen ouderdom.
Tilburg is de geboorteplaats van den Godgeleerde Antonius van Gils, geb. 29 Julij 1758, † 10 Junij 1854, als Hoogleeraar in het Seminarium te Herlaer.
Van den Kerkelijke Historieschrijver Dionyisios Mutsaert, geb. omstreeks 1580, † den 19 November 1635 als Bestuurder van bet Klooster St. Catharinendal, te Oosterhout.
Van de Schilders: Gerardus van Spaendonck, geb. 22 Maart 1746, † 13 Mei 1822; diens broeder Cornelis van Spaendonck, geb. 7 December 1756, † 22 December 1839; Adriaan de Lelie, geb. 19 Mei 1753, † 30 November 1820 en Josephus Augustus Knip, geb. 3 Augustus 1777, en
Van de Schilderes Henriette Geertruida Knip, geb. 19 Julij 1783, † 29 Mei 1842.
In 1543 werd Tilburg, door Maarten van Rossem gebrandschat op 4300 guld.
In 1586 plunderden de Staatsche benden deze plaats geheel uit en dreven al het vee naar Holland.
In 1672 vielen de Franschen in Tilburg op eenen dag, waarop juist kermis en markt werd gehouden, en beroofden de inwoners van huisraad, vee en vooral van hunne lakens; men begrootte de schade op honderd duizend guldens.
In 1747 en 1748 stonden , in de nabijheid van Tilburg, de legers der bondgenoten en der Franschen, waardoor Tilburg veel schade leed, vooral aan boomen en houtgewas.
In 1794 viel hier in September op den Heuvel een hevige schermutseling voor, tusschen de Franschen en de Bondgenooten, waardoor 12 man op de plaats bleven, waarna de partijen zich ieder op een uur afstand verwijderden, en de gekwetsten verbonden werden.
In 1795 verzamelden zich hier eenige lieden, die zich als Volksvertegenwoordigers der Meijerij en het verdere Staatsch Braband opwierpen; zij hielden hier eenigen tijd hunne zittingen, tot zij die vervolgens naar 's Hertogenbosch overbragten.
De storm van 9 November 1800 woedde hier sterk. Het water zou toen in de putten, binnen eenen korten tijd, tot eene aanmerkelijke hoogte opgerezen zijn; ook meende men toen aldaar ligte schokken, als die eener aardbeving , gevoeld te hebben.
Tilburg was, na en gedurende de Belgische omwenteling van 1830, bijna uitsluitend de zetel van het Hoofdkwartier van het Nederlandsche leger. De Prins van Oranje (thans Koning Willem II) had er als Veldmaarschalk zijn verblijf. Aan dit achtjarig verblijf, gedurende hetwelk de Tilburgenaren zoo vele afdoende blijken gaven van hunne gastvrijheid , goede gezindheid , en liefde voor den Prins Veldmaarschalk, heeft Tilburg de genegenheid te danken, waarvan de thans regerende Vorst jegens haar blijken doet. Door opvolgelijk gedane koopeu bezitter geworden van onderscheidene bouwhoeven, welke door verbouwing of nieuwen opbouw, en, voor zoo veel de gronden betreft, door eene verbeterde cultuur, eene geheel nieuwe gedaante hebben aangenomen, is de Koning de grootste grondeigenaar in Tilburg. Tot dien grondeigendom bebooren onderscheidene honderden bunders beide, welke allengskens in vruchtbare akkers en weilanden overgaan. Schapen en aanzienlijke veestallen voorzien in de daartoe benoodigde mestspecie. Onder de onlangs door den Vorst aangekochte eigendommen behoort het voormalig fabrijksgebonw der Heeren Diepen en Jellinghaus, Dongewijk genaamd, en gelegen aan de rivier de Donge ruim een uur gaans ten Westen der stad aan den straatweg op Breda. Dit aanzienlijke en nog slechts voor eenige jaren gestichte gebouw is thans gedeeltelijk tot eenen grooten veestal ingerigt , bestemd om te voorzien in de bemesting der nabij gelegen heidegronden, waarvan ruim honderd bunders in cultuur zijn genomen. De zoogenaamde Prinsenhoeven (aldus naar den tegenwoordigen bezitter genoemd) en gelegen naar de zijde van Moergestel en Hilvarenbeek, leveren, met de daarop nieuw gebouwde schaapskooi en een aantal min of meer aanzienlijke boerenwoningen, stallen en graanscliuren , een treffend landbouwkundig gezigt op, waarvan men in de Meijerij-van-‘s-Hertogenbosch tevergeefs een tweede voorbeeld zoeken zou.
Het wapen dezer gem. bestaat in een veld van azuur , met drie burgen van goud.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Tilburg