Tholen, gem. op het eil. Tholen, prov. Zeeland, arr. en distr. Zierikzee, kant. Tholen (2 k, d., 6 m. k., 2 s. d.); palende N. aan de gem. Oud-Vossemeer-en-Vrijbergen , O. aan de Eendragt, die haar van de Noordbrabandsche gem. Halsteren scheidt, Z. aan de Oosterschelde en W. aan Poortvliet-en-Nieuw-Strijen.
Zij bevat de st. Tholen, de geh. Schakerloo, Molenvliet en Steenenkruis. Daartoe, behooren de volgende pold.: de Broekpolder, de Rooland-polder, de Polder-van-Vijftienhonderd-Gemeten, de Peuke-polder, de Puit-polder, de Nieuwland-polder, de Daleinsche-polder, de Oud-Strijen-Polder, de pold. het Oudeland of Schakerloo, de Vrouw-Belia-polder, de Deurloo-polder en die Rasernij-polder. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 2134 bund. waaronder 2057 bund. 85 v. r. 27 v. eil. belastbaar land. Men telt er 593 h.. bewoond door 518 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 2500 inw. De geringe klasse der inw. in de stad zijn meest allen visschers, onder welke nog huisgezinnen, afstammende van de inwoners der verdronken stad Reimerswaal. Zij visschen meestal bot, paling, mosselen enz., die zij in de stad en elders ter markt brengen; ook hebben zij eenige oesterbanken en ansjovisvischerijen in de Ooster-Schelde, aan de zuidzijde van het eiland. Buiten de stad generen zij zich met den landbouw, vooral de meekrapteelt en den koornbouw. Ook heeft men er, binnen de stad: 1 leerlooijerij, 1 lijnbaan, 1 meestoof, 1 steenen wind-korenmolen en 1 grutterij, en buiten de stad: 1 zoutkeet en 1 meestoof. Vroeger bestond er nog eenen waterkorenmolen, en er was om deze in werking te btengen en tevens de haven diep te houden, binnen de stad een waterkom, het Molenvliet genaamd, doch de watermolen is in het jaar 1835 afgebroken en het Molenvliet gedempt en in weiland herschapen.
De Hervormden, die er 2100 in getal zijn, onder welke 800 Ledematen, maken eene gem uit, welke tot de klass. van Zierikzee, ring van Tholen, behoort en door twee Predikanten bediend wordt. De eerste, die hier als vast Predikant het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Theodorus Verhaer, die in het jaar 1579 herwaarts kwam en in het jaar 1582 vertrok of stierf; deze kreeg in het jaar 1580 ten ambtgenoot Johannes Dorpius, die in 1583 overleed. Het beroep geschiedt door den kerkeraad.
Toen in het jaar 1688, ten gevolge van het herroepen van het edict van Nantes, vele Hervormden uit Frankrijk naar Nederland vlugtten, werd ook binnen Tholen eene gemeente opgerigt, welke in het begin der achttiende eeuw genoegzaam was uitgestorven, toen zij, in 1713, weder aanmerkelijk vermeerderd werd, door de Hervormden, die uit Fransch-Vlaanderen derwaarts overkwamen. De eerste, die in deze gein. het leeraarambt beeft waargenomen, is geweest Pierre Lacment, vroeger Predikant te Gercy in Picardië, die in het jaar 1688 de dienst aanvaardde, en in het jaar 1692 overleed. Na het emeritus worden van den Predikant Jean Leonard Guillaume Winter de Voorburg, hetwelk in het jaar 1813 plaats had, is deze gem. met de Nederduitsche Hervormde vereenigd.
Men treft er ook 20 Christelijke Afgescheidenen, aan. — De enkele Doopsgezinde, die er woont, behoort tot de gem. van Middelburg.
De Roomsch-Katholijken, die er 330 in getal zijn, maken met de overige uit het eil. Tholen, behalve die tot Oud-Vossemeer behooren, eene stat. uit, welke tot het aartspr. van Holland en Zeeland behoort; door eenen Pastoor bediend wordt, en 750 zielen, onder welken 290 Communikanten , telt. Vroeger waren de R. K., zoo uit de stad als uit het geheele eil. Tholen, verpligt te Halsteren te kerk te gaan, doch sedert bet jaar 1795, toen de stat. van Tholen opgerigt, heeft dit opgehouden. De eerste, die deze stat. als Pastoor bediend heeft, is geweest Joannes Franciscus van der Lith, die in het jaar 1795 herwaarts kwam, en in het jaar 1800 naar Noordwijk vertrokken is.
Men heeft in deze gem. twee scholen, als ééne binnen de stad en ééne op het geh. Schakerloo, welke gezamenlijk gemiddeld door een getal van 300 leerlingen bezocht worden.
De stad Tholen, ook Ter-Tholen, bij sommigen Tolen gespeld, in het Lat. Thola, Tola, Tholina, Tolna, Thelonum of Telonium, ligt 11½ u. O. ten N. van Middelburg, 6½ u. Z. O. van Zierikzee, op den westelijken oever van de Eendragt, 51° 31' 56" N. B . , 21° 53' 1" O. L. In den grooten klinkerweg van Bergen-op-Zoom naar Middelburg, welke door deze stad loopt, is hier een ponteveer tot gemeenschap tusschen Zeeland en Noord-Braband. Vroeger was er nog een veer, waar men van den Mosseldijk overvoer op Broodelooze, hetwelk nu onder water ligt. Vóór het overstroomen van Reimerswaal op Zuid-Beveland was ook een veer van den Polder-van-Scbakerloo, ten Zuidwesten van Tholen, op dat eiland. Dit was van veel gebruik, om dat men er zeer gemakkelijk kon overvaren, en dus van en naar de stad Goes komen. Alle drie veren, en die er namaals zoude mogen opkomen, zijn in erfpacht aan de stad gegeven, op den 29 September 1462, door Fhilips, Hertog van Bourgondië. Men wil, dat bij deze veren de grafelijkheids tol zoude betaald zijn, en dat deze tol of thol den naam Tholen aan het eilandje zou hebben gegeven, dat tusschen de Heene (Heendrecht, nu Eendragt) de Striene en de Scbelde was opgekomen. Dat eilandje, hetwelk verrezen was op het punt, waar de Schelde en de Striene zamen kwamen, behoorde oorspronkelijk tot Braband en in het kerkelijke aan Luik. Daar werd ook de tol op gemelde stroomen, in naam van den Hertog, geheven. Toen in 1212 zij, die dezen tol in leen hadden, zich uithoofde van hunne afpersingen enz. een veroordeelend vonnis op den hals hadden gehaald, werd deze voor de helft opgedragen aan Godefried van Breda. De andere helft was vermoedelijk een deel van het huwelijksgoed van Maria, oudste dochter van Hendrik I , Hertog van Braband, door haar, na den dood van haren eersten gemaal, Keizer Otto, in 1220 aangebragt aan Willem I, Graaf van Holland-en-Zeeland. Sedert deze Graaf er eigendommen verkreeg verrees, op den noordoostelijkcn hoek van den polder-der-Vijftienhonderd-gemeten, een grafelijk steenhuis of kasteel, dat door den tolgaarder bewoond werd, en in 1500 nog als 's Gravenhofstede bekend stond. Met de kapel besloeg het het geheele blok huizen in de oude stad, dat tusschen de Markt en de Hoogstraat ligt. Het stadhuis is er een overblijfsel van. Daar was het gevierde beeld der Lieve Vrouw op hel Kasteel, waarvan elders gesproken wordt. Rond dit 's Gravenhof en tolhuis is Tholen verrezen, en heeft dus zoowel zijnen naam als zijnen oorsprong aan dezen tol te danken ( J Ab Utrecht Dresselhui, de provincie Zeeland in hare aloudo gesteldheid enz. Blz. 105).
Schakerloo was ouder dan Tholen, maar de dochter groeide de moeder boven het hoofd. Deze laatste werd in 1451 het Oude Dorp genaamd. Tholen was toen reeds stad, en bezat tolvrijheid sedert 1291. In het bezit van leden der grafelijke familie moest zij even als Goes van lieverlede vooruitgaan.
De stad Tholen heeft van oude tijden aanzienlijke, voorregten genoten. Zij bezat, in het jaar 1291, de vrijheid van tollen op de Honte en de Ooster-Schelde, waarschijnlijk haar, even als aan andere Zeeuwsche steden , door Graaf Floris V gegeven. In het jaar 1355 verkreeg zij van Graaf Willem van Henegouwen het regt, om stapelvrij door Holland te varen met-haver en met koorn. Vrouw Margaretha gaf haar den 8 Junij 1346, bet voorregt om eeuwig tolvrij te varen voorbij alle har tollen. Jan van Blois, Heer van Schoonhoven en van der Goude, gaf ter Tholen, op den 7 December 1366, eene keur, voor de stad en Lande van Tholen en Schakerloo; Hertog Willem van Beieren een andere te 's Gravenhage den 4 Mei 1409, en een derde gaf Hertog Filips van Bourgondië den 6 November 1440. Doch Hertog Albrecht van Beieren gaf de stad, inzonderheid in het jaar 1399, vele aanmerkelijke vrijdommen, vervat in eenen bij zonderen brief, behoudens dat zijn Rentmeester ontvangen zou alle renten, beden, schatten, heervaart en andere profijten van zijne goederen Beooster-Scheide; en dat zijn Baljuw in Tholen, beregten zou alle forfaiten, broken ende saken van schade enschulde, die vallen zouden binnen zijne stad en ambacht. Hij vergunde, dat indien iemand daaruit ontvoerde eenige Jonkvronw of maagd, beneden de vijftien jaren oud, buiten oorlof, en buiten wille van hare ouders, voogden of vrienden , die zonde verbeuren zijn lijf en goed; en voortvlugtig zijnde, zoude hij balling blijven op zijn lijf en op zijn goed; tenzij hij zich met der Jonkvrouwe ouders voogden of vrienden verzoende. Volgens privilegie hadden Burgemeesters en Schepenen het regt, om de dijken, wegen en watergangen om te rijden en de schouwing te doen, en wanneer iemand , binnen den Lande van Tholen nalatig ware eenig gekeurd werk, het zij op dijken, watergangen of straten te maken, op zulke tijden als Schepenen dat gekeurd hadden, zoo zouden Schepenen dat verzuimde werk besteden te maken, en de arbeiders, dat aannemende, zouden daarvoor niet meer mogen hebben nog eischen dan twee schatte geld, tot Schepenen voorschreven schatting. Hertog Albrecht gaf die van Tholen en Schakerloo, bij privilegie van den 5 September 1400, vrijheid van heervaart, mits zij, wanneer een volle heervaart in Zeeland gegeven werd, hem zoude dienen met eene kogge van een en dertig mannen, gelijk zij ten tijd des Graven van Blois, plagten te doen. Door de Hertogen Willem van Beijeren en Filips van Bourgondië zijn aan de stad ook onderscheidene voorregten vergund. Ook door Karel den stoute en Vrouwe Maria in de jaren 1469 en 1476, welke voorregten door de volgende Graven en Gravinnen, en inzonderheid door Keizer Karel V, in het jaar 1522, plegtiglijk bevestigd en als op nieuw gegeven zijn. Men vindt daarin, onder anderen, wanneer de rekening van de stad jaarlijks moet worden gedaan en een reglement ten opzigt van de vernieuwing der Regering.
Tholen werd eertijds verdeeld in de Oude-Stad, de Nieuwe-Stad en de Buiten-Stad. De Oude stad was het westelijk deel, alwaar de kerk staat, en bepaald werd ten Oosten, door het Kortendijkje, de Hoogstraat en de Verbrandestraat; aan het einde der laatste was de Verbrande-poort, in een bolwerk, dat voortijds gehecht was aan. den dijk naar het Molenvliet loopende. De Nieuwe stad is het overige oostelijke gedeelte, omtrent de Haven, en de Buitenstad, de huizen aan het veer, buiten den Hoofdwal, ten getalle van 4, bevattende 6 woningen, en daarbij de zoutkeet voornoemd; vroeger was aldaar eene scheepstimmerwerf.
Voortijds was de stad Tholen, gelijk vele andere steden van Zeeland, onder bijzondere Heeren, die wegens haar Leenmannen van Zeeland waren. Jan van Avesnes, Graaf van Henegouwen, is de oudste daarvan bekend. Van hem daalde hare bezitting erfelijk af op Jan, broeder van Willem den Goeden, die in het jaar 1356 overleed. Deze heeft Tholen zeer versterkt en verbeterd. Zijne dochter Johanna van Henegouwen, Gravin van Soissons, was na haar vaders dood Vrouw van Ter Tholen. Uit haar zijn drie zonen geboren, die Heeren van Tholen zijn geweest. De eerste Lodewijk stierf ongehuwd, in 1372, de tweede Jan, getrouwd met Isabella, dochter van Reinout, Graaf van Gelder, stierf zonder nazaat, in .het jaar 1381. De derde Guy van Blois was de laatste Heer van Ter Tholen , deze had een zoon Lodewijk, doch alzoo die voor zijnen vader stierf, kwam, bij het overlijden van Guy van Blois, de stad Tholen, in het jaar 1397, weder aan de graafelijkheid. Dit meent men is geschied op eene resolutie, door eenige steden en dorpen van Zeeland bij de heugelijke inkomst van Hertog Willem van Beijeren genomen, om als hunne wettige Heeren en hunne nazaten zouden uitgestorven zijn, aan geenen anderen Heer, maar onmiddellijk aan de graafelijkheid zelve te worden overgedaan.
De vroegere gedaante der slad was, volgens een oud plan van het jaar 1595, onregelmatig en meer vierhoekig ; doch aan de rivierzijde boogswijze loopende, met eenen steenen muur, met vier bolwerken en twee ronde torens tot hoofdwal, en daar om eene natte gracht. Later is zij meer regelmatig versterkt en heeft thans eene vrij ronde gedaante, omgeven door eenen aarden hoofdwal, met zeven kleine bolwerken en vrije breede, natte gracht, doch geeue buitenwerken, zijnde de kleine daarvoor gelegen hebbende ravelijntjes geslecht. Door deze gracht liggen ten N. en Z., twee steenen beeren , tusschen den hoofdwal en den zeedijk. In de jaren 1846 en 1847 is men begonnen den hoofdwal, ter wederzijden van de Oudelandsche-barrière, te slechten, doch dit zal zich alleen tot dit front bepalen, hetwelk nu in wandelpaden en perken herschapen is. Aan de overzijde van de Eendragt werd de stad vroeger versterkt door het kroonwerk Slikkenburg (zie dat art.) Inwendig is zij eng bebouwd, zindelijk en van een ouderwetsch voorkomen, ofschoon zij enkele fraaije huizen bevat. Alleen de Groote-Markt is een langwerpig vierkant plein van omtrent 2800 vierkante ellen; doch de Vlasmarkt en de Vischmarkt zijn niet noemenswaardig. Op de laatslgemelde ziet men, tegen den muur van een huis, de afbeelding van eenen bruinvisch , ter lengte van omstreeks 4 ell. Overigens zijn er 18 straten en stegen, behalve eenige achterwegen, zijnde een groot gedeelte nog onbebouwd en tot moes- en bloemtuinen ingerigt; terwijl aan de zuidzijde daarvan eene fraai aangelegde plantaadje gemaakt is.
Er is eene jaarmarkt, welke Zaterdag na 8 September begint. Ook zijn er twee veemarkten de eerste den tweeden Donderdag in April en de tweede den tweeden Donderdag in November.
Tholen had vroeger vier poorten, als: de St. Andriespoort, later de 0udelandsche-poort, ten W.; de Verbrande-poort, en N.; de Vossemeersche-poort, ten N. O.; en de Water-Poort of Veerpoort, ten O. De St. Andriespoort of Oudelandsche-poort was slechts eene doorgraving van den hoofdwal, zoo als ook de overige zijn en thans door een ijzeren hek vervangen, door deze barrière komt men op den grooten weg naar Goes. De Verbrande-poort, die aan het einde der Verbrandestraat stond, ging men door om op den Peuksche-dijk te komen. Deze poort is geheel weg en de wal aldaar doorgetrokken. De Vossemeersche-poort is mede niet meer aanwezig en door de tegenwoordige Oud-Vossemeersche-poort, zijnde eene doorsnijding vau den hoofdwal, met pontdeuren vervangen. Zij ontleent haren naam van het d. Oud-Vossemeer, waarheen zij leidt. De Water- o f Veer-poort, welke naar het veer en de haven geleidt, was vroeger met een torentje en slaand uurwerk voorzien , doch dit is in het jaar 1816 afgebroken. Behalve deze drie uitgangen, heeft men nog bet Slikpoortje aan de rivierzijde, enkel een houten hek geplaatst op eene kade, waarover men van den hoofdwal, langs het buitenboord der gracht kan gaan. Voor de beide landpoorten liggen aardendammen, in plaats van de vorige bruggen, door de gracht.
De Haven, die vroeger onmiddellijk uit de Eendragt in de stad viel, is in het jaar 1826 gedempt, en de daar naast gelegen Zoutevest tot eene haven geschikt gemaakt, welke door eene vrij hooge kade opgeworpen ter plaatse, waar vroeger de oude haven was, van de stad is afgescheiden, waardoor deze tegen het vroeger zoo veelvuldig binnenstroomen van water beveiligd is.
Het Stadhuis is een smal, oud en niet onaanzienlijk hoog gebouw, van witten arduinsteen. Het staat Op de Hoogttraat, alwaar daar voor een klein vierkant plein is, eertijds de Beurs genaamd. Men plagt er weleer achter uit te gaan door eenen gang, naar een plaats op de groote markt, alwaar toen de misdadigers wegens den geregte openlijk gestraft werden. Op de trappen van de pui, welke naar dat plein uitsteekt, staan vier leeuwen , houdende de een het wapen der Staten van Zeeland , de ander dat van Oranje, een derde dat van de stad en de vierde het wapen van het ambacht van Schakerloo. Boven op den voorgevel, welke eenvoudig opgetrokken is , staan mede vier leeuwen. De trans is even als met schietgaten voorzien. Op het dak staat een doorluchtig torentje met hooge leije spits en speeluurwerk. Inwendig bezit het gebouw niets fraais. Alleen eene schilderij, Salomons Eerste Regt voorstellende, is bezienswaardig.
De Waag, welke hier vroeger aan de Groote-markt stond, is in het jaar 1819 aan de Roomsch-Katholijke kerk getrokken.
Het voorm. Landsmagazijn of Ammunitie-huis, aan de Kaai of Binnen-haven , dat gebruikt werd tot bewaring van de gereedschappen en voorraad tot verwering van het eiland, is in het jaar 1833 gesloopt en de grond maakt een gedeelte der plantaadje uit.
Het voormalig Kruidmagazijn of de Kruidtoren , aan het einde van de Dalemsche-straat, in bet Noordooster bolwerk, is in het jaar 1816 afgebroken.
De Hervormde kerk is een groot, aanzienlijk gebouw, even als het Stadhuis, gedeeltelijk van witte arduinsteen gebouwd; op het laatst der veertiende of in het begin der vijftiende eeuw ( Dit blijkt deels uit de fundatie van dit kapittel in 1404, deels uit een brief van graaf Willem, van 12 Januarij 1402,, warbij Josst Wilemsz., met zijne hofstede binnen Tholen en ruim een gemet lands gelegen bij onzer stede van Tholen ende geheten .......). Zij staat in de Oudeslad , op eene ruime plaats, met vele boomen beplant. Het is eene kruiskerk, met een kunstig steenen gewelf, door pilaren ondersteund, hetwelk van boiiwkunstenaars met verwondering beschouwd wordt. Aan het kruis, van het Zuiden ingaande, komt men eerst in een vak, waardoor het koor van de preekkerk gescheiden wordt. Dan heeft men het koor ter regterhand, hetwelk van eene redelijke ruimte is. Men ziet er de tombe van den Heer Guy Van Blois, de laatste Heer van Tholen, † in 1421 , en van zijne vrouw, Clara van Botland, † in 1455; ook die van Gui van Blois Anthonisz, Heer van Poortvliet en van zijne gemalinne, Vrouwe van het Roodeland en den Broeke. De preekkerk is ook groot en ruim. De kerk is versierd met eenen vierkanten hoogen toren, van eene schoone bouworde. met eene lage spits gedekt en voorzien van een slagwerk. De kerk van Tholen stond voorheen, even als die van Schakerloo onder het bisdom van Luik, en, na de oprigling der nieuwe bisdommen in Nederland werd zij aan dat van Middelburg toegevoegd. Zij was aan Onze Lieve Vrouwe toegewijd en stond , gelijk ook die van Schakerloo , eerst ter begeving van den Graaf van Zeeland, doch naderband van de Heeren van Tholen. In den beginne van weinig aanzien werd zij de vierde kapel van het Land ter Tholen genoemd. Na hare volbouwing evenwel, werd zij, den 4 October 1404, ten verzoeke van heer Pieter van Zande, als in het bezit gesteld van de vierde kapel van Scbakerloo, tot eene kollegiale kerk verheven door Jan van Beijeren, Bisschop van Luik, en Hertog Albrecht van Beijeren, Graaf van Zeeland, volgens den brief van oprigting. Daarin werden negen kannuniksgijen en daarbij negen prebenden gesticht, met magt, om er nog vier Kanunniken bij te benoemen, maar niet meer. Ook vermogten de Kanunniken uit hun getal eenen Deken te verkiezen, ter bevestiging
De voormalige Waa1sche-kerk, aan de Groote-Markt, welke vroeger de Vleeschhal was, is met de daar nevens staande Waag, in het jaar 1819, tot eene Roomsch-Katholijke kerk verbouwd. Deze kerk is een klein langwerpig vierkant gebouw, met een klein houten kloktorentje op den gevel en heeft een orgeltje.
Men had hier vroeger een Weeshuis. Het gebouw, hetwelk eerst daartoe diende, stond in het midden van de stad. In het jaar 1633 werd daartoe echter een geheel nieuw gebouw gesticht, op het Plein, achter de Hervormde kerk, doch dit is in bet jaar 1817 afgebroken; ter plaatse, waar het gestaan heeft, ziet men thans eenen boomgaard. Na dien tijd diende tot Weeshuis een gebouw, dat aan de Hoogstraat, achter het Stadhuis, staat, doch als zoodanig buiten gebruik is, maar gedeeltelijk aan het stadhuis getrokken en voor de zittingen van het kantongeregt is ingerigt, en gedeeltelijk tot woning van den Hoofdonderwijzer der stadsschool dient.
Men beeft er ook eene Bank-van-Leening, in de Kerkstraat en een Departement der Maatschappij: Tot Nut van ’t Algemene, hetwelk den 9 Januarij 1834 is opgerigt en ruim 70 Leden telt; eene Werkschool, met 30 leerlingen; eene Commissie van Spijsuitdeeling, beslaande uit 14 leden, opgerigt den 22 November 1829, welke gedurende de wintermaanden aan de behoeftigen voedzama spijzen uitdelen, en eene Commissie tot leeniging van armoede en wering der bedelarij, bestaande uit 8 besturende leden, opgerigt den 7 Februarij 1847, welke, mede gedurende de wintermaanden, onderstand in levensmiddelen, brand, kleeding en deksel, aan de armen uitreikt; wordende die beide Commissiën tot dat weldadig doel, geheel door vrijwillige bijdragen in staat gesteld.
VoorU beeft men er een Muzijkgezelschap: Concordia, opgericht den 23 April 1844, bestaande uit 25 werkende en 65 honoraire leden, alsmede een Genootschap, onder de zinspreuk: Van hierdoor tot hooger, ten doel hebbende , om door het doen van voorlezingen en bijdragen , meerdere bekwaamheid in het openbaar spreken te verkrijgen.
De Stadsschool wordt doorgaans door 290 kinderen bezocht, die er gratis onderwijs genieten, wordende de kosten geheel door de stedelijke kas gedragen. Ook wordt daarin eene Herhalingschool voor de behoeftigen , die boven de jaren zijn, om op de Stadsschool onderwijs te ontvangen, welke door ruim 30 leerlingen bezocht wordt.
Vroeger was hier ook een Schutters-doelen, aan den Doelenweg bij de Oud-Vossemeersche-poort, doch de gebouwen zijn afgebroken en de grond in moestuinen herschapen.
Tholen is de geboorteplaats van den Godgeleerde Johan Verbetold uit het midden der zeventiende eeuw, en Michael van Middenhoven die in het laatst der zeventiende eeuw zich door zijne werken heeft doen kennen, † in 1706.
Van den Wiskundige Hubertus Huigens, uit bet begin der achttiende eeuw.
Van den Aardrijkskundige Petrus van Resen, uit de zestiende eeuw, die mede de Latijnsche lier handteerde.
Van den Nederduitschen dichter Pieter van Gelre, geb. in 1622, † 23 Februarij 1668, en
Van den Grieksche en Latijnsche Taalkundige Petrus Amicus, geb. in 1530, † in 1556, als Hoogleeraar in de regten in Leuven.
Van de geschiedenis der stad Tholen, in de vijftiende eeuw, is zeer weinig bekend. Men weet alleen, dat daar in vele landen en polders aan den lande van Ter Tholen getrokken zijn. In 1431 hebben eenige Brabandsche kooplieden vele aanwassingen en schorren van land , aan het Oude-dorp van het land van Ter-Tholen, doen bepolderen en bedijken. Dit zal waarschijnelijk de stad, in nering en welvaart aanmerkelijk hebben doen toenemen. Althans in het jaar 1438 was zij reeds zoodanig in bloei dat zij , zoowel als Reimerswaal , Kortgene, Goes, Vlissingcn enz., een oorlogschip moest uitrusten voor de vloot tegen de Oosterlingen; maar in het jaar 1452 ontstond er een zware brand, waardoor bet meerendeel der huizen , poorten , alsmede het gasthuis, tot den grond toe verteerd werden , blijvende het zesde deel der stad niet behouden. Om in dezen ramp de noodlijdende stad eenigzins te gemoet te komen, gaf Filips van Bourgondië den 12 September van dat zelfde jaar, binnen Rijssel, eene privilegie, waarbij Burgemeester, Schepenen en gemeene inwoneren van Tholen vergund werd, (voor zooverre het meestendeel en eene partij van de wijste en notabelste personen van hen daartoe consent droegen) te mogen doen maken een zegel, om te mogen verkoopen , lijfrenten op de voorschreve stad, ter somme van vijftig ponden grooten (300 guld.) 's jaars, vooreens en dan niet meer, om verdeeld en gebruikt te worden, daar de meeste en noodzakelijkste reparatiën behoeven zouden in en aan de stad en mits dat na het verkoopen dier lijfrenten, dat zegel openbaarlijk en in presentie van en voor alle de gemeente der stad, zoude gebroken worden.
Men heeft hier dikmaals, om de nabijheid van Tholen aan Brabant de Vergadering der Staten van Zeeland gebonden. Onder anderen nog in het jaar 1500, wanneer, van wege den Aartshertog van Oostenrijk een verzoek gedaan werd aan de ledeu en drie Staten des lands van Zeeland, om hem de aanhouding te willen gunnen van de loopende bede van veertien duizend gulden 's jaars, voor den tijd van vijf achterteenvolgende jaren. Want in de acte daarvan gemaakt, wordt uitdrukkelijk gezegd , dat de edele Staten hem die aanhouding voor den tijd van drie jaren hebben toegestaan, “in sijnen huise van ter Tholen, van Irsekenoort, grondt ende op de erve van Zeeland.”
Toen Karel, Koning van Castilië, in het jaar 1515, tot Graaf van Zeeland ingehuldigd, zijn Hertogdom Luxemburg , hetwelk voor vij en twintig duizend goudgulden (37,500) verpand was aan den Hertog van Lotharingen, wilde lossen , heeft hij daarvoor het schot van Tholen met Schakerloo en Vossemeer belast. Dit geschiedde wegens eene somme gelds, door heer Jan van Bergen, ten dien einde aan Karel opgeschoten. In het jaar 1505 waren op deze goederen reeds penningen opgenomen door Karels vader, en zij werden daarna nog meer door hemzelve bezwaard. Dus werd de; Heer van Bergen, Pandheer van Ter Tholen door dit middel, Leenman van Zeeland, wegens Tholen. In het jaar 1520 werd de stad om deze reden, in de consenten over beden, onder de steden van Zeeland niet gedacht. Die van Tholen verschenen toen ook ter Vergadering van de Staten der provincie niet, maar de Heer van Bergen had wegens dit pandschap zitting onder de Edelen van Zeeland. Na de lossing van de stad , door het afdoen van die schuld, in het jaar 1524, zijn die van Tholen wel wederom ter Vergadering van de Staten verschenen , doch de stad heeft haren rang van voorzitting, voorde stad Goes, nooit wederom gekregen. Men heeft echter toen, ten opzigte van Tholen, eene wet gemaakt, dat zij in het vervolg niet zou mogen verpand, noch afgescheiden worden van de Souvereine Vergadering.
Indien Willem I, Prins van Oranje , zijn doelwit had kunnen bereiken, zou Tholen, onmiddellijk na het overgaan van Zierikzee, in 1572, reeds in der Staten handen gevallen zijn: want , hij zond derwaarts den Gouverneur van Zierikzee, Arend van Dorp, met eenig krijgsvolk, om de stad bij verrassing in te nemen. Deze landde met vijftien honderd man tusschen Bergen-op-Zoom en Tholen. Doch Mondragon was hem hier te kloek, en sloeg hem eerlang op de vlugt. In het wijken, maakten zij eene opening in den dijk, sedert het Geuzengat genoemd. In eenen tweeden aanval, met versterking van versch volk ondernomen, werden zij geheel overwonnen. Schoonewal, Rollé, Kloot, Steeland en Courteville, bleven op de plaats, met omtrent twee derden van het volk. De Rijk werd gevat: hij was de eerste in dit oord, die in het leven gespaard werd, hopende den vijand, vele geheimen uit hem te zullen trekken.
Hoe jammerlijk het er intusschen in de stad en het eiland van Tholen uitzag, kan men opmaken uit het smeekschrift, hetgeen zij, in September 1573, den Hertog van Alva aanboden, en waarbij zij verzochten, dat hunne tilbare goederen in het openbaar mogten verkocht worden, en de penningen , daarvan komende, onder de soldaten uitgedeeld, mits de ingezetenen, daarmede, van verdere lasten van het krijgsvolk ontheven zouden zijn.
Nadat de Regering van Tholen, den 17 April 1577, door eene bezending aan den Prins gedaan, onder zekere voorwaarden zich onderworpen had, werd de stad door den Graaf van Hohenlo in bezit genomen en is sedert bestendig aan der Staten zijde gebleven.
Vergeefs deed de Hertog van Parma, den 17 September 1588, eene poging, om het eiland, nevens de stad Tholen, aan de Spaansche zijde te brengen. Zeven of acht honderd man werden te dien einde, onder bevel van den Markgraaf De Montigny en Karel van Mansfeld, derwaarts gezonden. Deze manschap werd ondersteund door twee duizend muskettiers, die van boven den dijk, over de Eendragt heen, een sterk vuur op de stad maakten. Dus meenden zij den toegang te openen voor de gemelde troepen, doch het gelukte niet. Want Graaf Everhard van Solms, Kolonel van een Zeeuwsch regement, alleen met twee honderd en vijftig man toeschietende, stelde zich op den dijk bij de stad, achter de opgeworpen borstweringen. Van hier deed hij, niet alleen de eerste manschappen, die zich te water begeven hadden , terug deinzen, maar ontving hen ook, toen zij eenen tweeden aanval waagden, zoo dapper, dat zij weder moesten aftrekken. Hierdoor kostte de aanslag den aanvalleren een verlies van vier honderd man, zonder dat zij hun doel bereikten. Bij dit gevecht, werd de nog jeugdige Zeeuw Marinus Hollare, naderhand door deugd en dapperheid tot Vice-Admiraal van Zeeland verheven, een oog uitgeschoten.
Even min slaagde de onderneming in het jaar 1594, die door een, dien men in den aanslag had zoeken in te wikkelen , en uit onderschepte brieven ontdekt werden.
Eene latere poging, in 1597, om de stad door verraad in ’s vijands handen te brengen, liep mede vruchteloos af, en kostte aan de beide verraders Pieter Harinkman en Dirk van Sijpestein het leven.
Gelijk elders, dus ontstonden ook te Tholen, van tijd tot tijd, onderscheidene aanmerkelijke bewegingen. De eerste beweging viel voor na het overlijden vau Prins Willem III, in het jaar 1702. Het gemeen was zeer misnoegd op Pieter Karel de Bils, Heer van Koppensdamme, omdat hij, zoo als men zeide, bij 's Prinsen leven en in zijnen naam, een willekeurig gezag had uitgeoefend in het stuk der regering. De komst van eenig krijgsvolk, van wege de Staten van het gewest, derwaarts gezonden, deed het oproer spoedig bedaren; doch de rust was van geen langen duur. Men zocht er verandering in de regering, en kon gemakkelijk een voorwendsel vinden, om, van nieuws, de gemoederen gaande te maken. Nu klaagde men over het bezwaar en den overlast, welke de stad van de onlangs daar binnen gezondene soldaten leed. Daarenboven had Jakob Wouters, Heer van St. Jansteen, Rekenmeester en Permanent-Raad der stad, teweeg gebragt, dat door eenige burgers een verzoekschrift werd ingeleverd bij de Staten der provincie, waarbij zij begeerden, dat er, op de aanstaande bestelling der wet, orde mogt gesteld worden, om reden, dat het regeringsreglement, in 1675 gemaakt, sedert de aflijvigheid des Stadhouders, van geen kracht was en alzoo niet meer kon gelden. Hoewel bij de Staten het besluit was genomen, dat de tegenwoordige regering, die in de maand Mei veranderd moest worden, bij voorraad nog zes weken in het bewind zouden blijven , vernieuwden echter de Wethouders zelven, op den gewonen dag, de regering. Wouters , bij die gelegenheid van zijne raadplaats ontzet, vervoegde zich hierop bij 's Lands Staten, met klagt over het onregt hem aangedaan. Tot nog toe was het krijgsvolk binnen Tholen gebleven; doch naaawelijks was het vertrokken of er ontstond eene geweldige beweging in de stad en vervolgens over het geheele eiland, tusschen den Baljuw Nikolaas Duurkant, met zijnen aanhang, en de zulken, die het met Wouters hielden. Het bleef niet bij schelden en dreigen; men viel op elkander aan met geladen geweer, zoodat eenige burgers zwaar gewond werden of het leven verloren. Wouters zegepraalde in dezen strijd, waarna hij, den 21 van genoemde maand, door lieden van zijnen aanhang naar het raadhuis geleid of liever gedragen werd. Met bewilliging der zaamgevloeide menigte ging men nu over tot het verkiezen van eene nieuw wethouderschap en werd Wouters in zijne waardigheid hersteld. In tusschen hadden 's Lands Staten, te Middelburg, de tijding van het voorgevallene te Tholen ontvangen en namen dit zoo euvel op, dat Wouters te rade werd elders eene schuilplaats te zoeken. De Staten deden hem sedert openlijk indagen, en gaven verlof aan het Hof van Holland, om eenige uitgewekene Tholenaars, die zich in dat gewest onthielden en voor hoofden der oproermakers gehouden werden, gevankelijk naar 's Gravenhage te voeren. Terstond daarop deden zij door gemagtigdeu de wet op nieuw veranderen. Het gerugt liep sedert en het vond geloof bij velen, dat Wouters een ontwerp gesmeed had, om den Koning van Pruissen aan het markgraafschap van Veere en Vlissingen te helpen, en zelf aan het stadhouderschap der voornaamste gewesten. Hoe dit zij, de stad kwam binnen kort weder in rust.
Zwaarder, dan uit deze beweging ontstaan, was de ramp , welke de stad in het jaar 1712 trof. Een troep Franschen kwam den 24 Augustus, des morgens met het aanbreken van den dag, onder het geleide van den Brigadier Jacques Pasteur, bij het Botshoofd aan de pont, waarmede zij de rivier overvoeren en verder naar en in de stad trokken. Zij plunderden de stad meest leeg, namen eenige Regenten en burgers mede, en vertrokken weder, na een kort verblijf van weinige uren, met hunnen roof, die wel op driemaal honderd duizend gulden begroot werd, nadat zij alvorens den Baljuw Duurhout hadden genoodzaakt te teekenen voor tien duizend rijksdaalders, om de stad, en den Baljuw van Nieuw-Vosserneer om die plaats voor afbranding te bevrijden. Hunne gevangenen werden naar Namen gevoerd. Tot vergoeding van die brandschatting , gelijk mede wegens de kosten van het onderhoud der te Namen zijnde gevangenen, werd in het vervolg bij de Staten ook een besluit ter betaling genomen. Men wil dat deze overrompeling tot weerwrake over eenen strooptogt in Frankrijk, door eene bende der bondgenooten , onder bevel van den Generaal-Majoor Grovestins, in Junij van dat zelfde jaar gedaan, geschied zou zijn. Zoo haast de tijding van dit ongeval op dien zelfden dag binnen Middelburg kwam, vergaderden de Staten nog in dien zelfden nacht, om, zoo veel mogelijk, tegen verdere onheilen zorg te dragen; te dien einde zonden zij eenige manschap uit de bezetting der steden Tlissingen en Veere voor Bergen-op-Zoom, om den vijand in zijnen aftogt te stuiten, en voornamelijk om de overige eilanden der provincie, in geval van nood, tegen verderen inval te beschermen. Doch het bleef bij dien ramp, welke tot aanmerkelijk nadeel van de stad en verarming van hare ingezetenen strekte, waarom men voor hen, op verzoek van die van Tholen ter staatsvergadering gedaan, binnen Middelburg en andere Zeeuwsche steden, eene collecte deed, ter ondersteuning van de meest noodlijdende huisgezinnen.
Toen de stad Bergen-op-Zoom, in het jaar 1747, door de Franschen belegerd werd, was men in Tholen in geen kleine verlegenheid. Men nam echter dadelijk alle mogelijke voorzorg, want beducht zijnde, dat de Franschen , alvorens met die belegering voort te gaan, zich eerst meester van Steenbergen zouden maken, om, langs dien kant, achter of binnen de liniën te komen, en Bergen aan de westkant geheel in te sluiten; zoo werd noodig geoordeeld Steenbergen af te snijden, en, zoo veel mogelijk was, den toegang naar Bergen en tot de Eendragt en het eil. Tholen te beletten, door de polders van het Westland, Aanwas, Rubeere en nog eenige naast aangelegene landen te doen ondervloeijen. Te Tholen werd eene schipbrug gelegd over de Eendragt, en het kroonwerk tot een bruggehoofd gemaakt, doch de vijand liet Steenbergen onaangeroerd. Sedert werd de schipbrug verlegd naar het Botshoofd, een half uur van Tholen, alzoo de Auvergne-polder mede onder water gezet was, door eene doorsnijding aan ieder einde van het Lange water, en eene aan de Eendragt tusschen Tholen en de Schelde. Bij het fort Zeeland, werd de Binnen- of zoogenaamde Groene-dijk doorgestoken, waardoor de Glymes-polder onder water geraakte, en ook eene doorsnijding aan den Kladschen-dijk, bij het fort Suikerbrood , gemaakt, zoodat van de Schelde tot aan Steenbergen eene doorgaande inundatie kwam. De toegangen tot het eiland eu de punten, naar men de Eendragt overgaat, werden door geschut verdedigd. De verschansingen en batterijen met geschut bezet waren van den Zeedijk van den Hikkepolder tot Tholen twaalf, en van Tholen tot de Schelde langs den Zeedijk vijf in getal. Bij het onvoorziene innemen van Bergen-op-Zoom, op den 16 September van dat jaar was het alarm in Tholen, en het vlugten uit Bergen derwaarts, voorbeeldeloos. Zes regimenten uit de liniën van achter Bergen, kwamen binnen Tholen. De stad zelve werd toen, benevens het geheele eiland, van alles tot verwering voorzien, zoo dat zij ook behouden bleef, en met haar geheel Zeeland, dat anders in groot gevaar zoude geweest zijn van overmeesterd, of ten minsten van Holland afgesneden te worden.
In het zelfde jaar was Tholen de laatste der Zeeuwsche steden, welke in de bevordering van Willem IV stemde; dit geschiedde aldaar op den 27 Mei. Het gemeen had daarvan naauwelijks kennis gekregen, of de boeren van St. Annaland en anderen, ter stad ingerukt, vorderden verandering der Regering. Men riep » dat de Regenten het land verraden » hadden, en dat men, te Zierikzee, het verraad klaarlijk ontdekt hadt. Doch deze ontdekking bestond alleen hier in, dat men, in eene oude kist, die het volk meende met buskruid gevuld te zijn. niet dan zand gevonden had , behalve dat het geschut van binnen vol steentjes zat. Men begeerde dan, ook te Tholen, het geschut en den voorraad van buskruid te onderzoeken. Het geschiedde. Doch het geschut werd, behoorlijk geladen bevonden. De tonnetjes buskruid, opgeslagen, ter keure van de boeren, die er den arm, tot op den bodem, instaken, waren ook behoorlijk gevuld. Toen wilden de boeren de proef nemen van het geschut. Zij staken een stuk af, zonder te gedogen, dat er de kogel afgenomen werd. De kogel snorde eenen renbode van den Hertog van Cumberland, toen juist den dijk langs rijdende, voorbij, zonder hem te raken; doch hij klaagde naderhand zeer, over het gevaar, dat men hem had doen loopen. De boeren, hier op naar huis gekeerd, zonden, eenige dagen later, eene belending, met den Predikant en Secretaris van St. Annaland aan het hoofd, naar Tholen, om eenigen uit de Regenten te ontzetten van het bewind, of ten minste te vorderen, dat hun eenige bijzitters uit bet platte land werden toegevoegd. De stad geraakte hierop in roer. De Regenten verlieten het stadhuis, daar de boeren en het graauw, drie dagen lang, huis hielden, alles doorsnuffelende, en alles wat in de Fransche taal geschreven was , voor blijken van landverraderij opnemende. Daar waren er zelfs, die, op bet zien -van een afschrift der verklaring des Konings van Frankrijk van den zeventienden April, uitriepen: al weer een brief van den Koning van frankrijk ! Doch de Predikant Karel Thibaut bragt de woeste menigte eindelijk tot bedaren en bewoog ze naar huis te gaan. De Regenten namen toen hunne plaatsen wederom in, ofschoon zij in gedurigen angst waren voor de boeren, waarom de poorten gesloten bleven. Zelfs liet de Wethouderschap zeker geschut, hetwelk een eind wegs van de stad stond , vernagelen, op een gerucht, dat die van St. Annaland voor hadden, zich daarvan meester te maken, om het tegen de stad te gebruiken. Die van Vossemeer, kennis gekregen hebbende van dit vernagelen, kreten het uit, als een tastbaar bewijs, dat men in Tholen verstand hield met den vijand- De Drossaard van St. Maartensdijk scheen zelfs niet te weten , wat hij van dit vernagelen denken zou, en was niet voldaan, over de reden, die er hem de, Wethouderscbap van gaf. Te St. Annaland bleven de boeren oproerig, tot, dat er, op verzoek van die van Tholen, vijftig Dragonders uit de bezetting van Bergen-op-Zoom in het dorp gelegd werden, die, er eenigen, tijd bleven. De Predikant Adolf van Loon, die zich in den aanvang der beweging aan het hoofd der bezending bevonden had , werd toen gevankelijk naar Tholen gebragt, daar hij een tijd lang in hechtenis zat. Doch eindelijk, bewezen hebbende, dat men hem tot het aannemen van den last gedwongen had, werd hij op vrije voeten gesteld. De stad en het eiland geraakten dus allengskens in rust.
Te Tholen ontbrak het in het jaar 1787 noch aan Regenten, noch aan burgers, die de zaak der Patriot ten waren toegedaan, doch onder de eerstgemelden hadden zij de minderheid, en dit bragt te weeg, dat, toen in het voorjaar een aantal burgers verzocht, zich tot een genootschap te mogen vereenigen en zich in den wapenhandel te oefenen; dit verzoek als nutteloos werd van de hand gewezen. Dan hoewel in Tholen de Vaderlandsche sociëteit sterk in leden aangroeide, voegde zich deze stad, met minder tegenstribbeling dan Zierikzee en Vlissingen, naar de heerschende denkwijze der Zeeuwsche Staatsleden. Zij scheen bovendien van de woede der plundering bevrijd te zullen blijven. Burgerplundering ontkwam zij dan ook; maar echter niet alle leed van dezen aard hun door krijgslieden, even na de eerst bekomene tijdingen der omwenteling in Holland, aangedaan. Een bataillon van Hodston, zeer Oranje gezind, meende nu de handen ruim te hebben, en dat alle burgerplagerijen geoorloofd waren. Het rigtte eene geweldige plundering aan, welke, niettegenstaande de welberaamde beschikkingen en bevelen der Regering en de pogingen van sommige Officieren, niet te sluiten was. Alles dreigde verdere verwoesting; te vergeefs verzocht de Regering Gecommitteerde Raden, om deze onrust wekkende en burger beroovende bende te doen uittrekken, en haar drie weken soldij vooruit te betalen, ten einde, zoo als de Regering zich uitdrukte, de burgerij niet verder te ruïneren. Van elders niet in tijds geholpen, tot afwering van dit burgerleed, hetgeen, hoe hoog geklommen, nog dreigde aan te groeijen, besloot de Regering, het marren moede, de krijgsbezetting , met behulp der brave burgers, ter stad uit te drijven; ten einde, gelijk zij zich bij de Staten van Zeeland uitdrukten, de stad niet tot haren ondergang gebragt, en in eenen puinhoop veranderd te zien. Zeven achtste van de stad droeg aan de huizen teekenen van deze schreeuwende baldadigheid. De regering vond in de kwartieren van de verdreven plunderzieke krijgsbende vele gestolene goederen; doch meest deerlijk vernield en in stukken gehakt. Men gaf het zoo veel mogelijk den eigenaren terug.
Ook door watcrvloeden heeft Tholen niet weinig te lijden gehad, zoo lezen wij, onder anderen, dat in het jaar 1682 het water zoo hoog stond, dat niet meer dan de spits van den toren te zien was (Gabbema, Nederlandsche Watervloeden, bl. 347).
Bij den watervloed van Januarij 1808, welke geheel Zeeland zoo deerlijk teisterde, klom hier het water, met eene voorbeeldelooze snelheid tot zulk eene hoogte, dat deze die van den vloed van het jaar 1801, de hoogste, welke aldaar bekend was, nog zes duimen te boven ging. Vrij groot waren ook hier de nadeelen, die de stad en burgerij leden, s Lands contrescarp, voor de stad aan den zoogenoemden Zuidbeer gelegen, werd zeer geteisterd; de Vossemeersche-poort kon door geene rijtuigen gebruikt worden; op onderscheidene plaatsen spoelden er aanmerkelijke gaten in de straten; meest alle regenbakken werden door het zoute water bedorven, en bijna alle kelders stroomden vol, zoo dat de voorraad daarin verloren ging.
Ook waren de, binnen de stad Tholen, aangerigte verwoestingen door de beide vloeden van 4 Februarij 1823 groot, door de laatste werd de Benedenstad vier uren lang onder water gezet. Onderscheidene straten waren geheel opgespoeld, de bruggen en een groot gedeelte der dammen van de Oud-Vossemeersche en Oudelandsche poorten, waren vernield. De wal bij de molenkom en de daarover staande huizen, waren aanmerkelijk beschadigd. De contrescarp, naar den steenen Zuidbeer, wat tot eene aanzienlijke lengte doorgebroken. Geene menschen maar alleen 9 stuks vee kwamen hier om.
Het wapen van Tholen is een veld van goud, waarop een bulk of scheepskiel van sabel, met eenen opslaanden mast tot digt aan het bovenste van het schild. Nevens de mast zijn wederzijds twee klimmende leeuwen, twee van keel en twee van sabel overhoeks geplaatst, door de Graven van Zeeland uit den huize van Henegouwen aan de stad, in haar wapen gegeven, gedekt door eene hertogelijke kroon. Den oorsprong van de kiel en mast acht men ouder. Men wil die afleiden, of van den tol alhier geheven, of van eenen uitlegger, op stroom gelegen hebbende.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Tholen