Jan-Steen (St.), gem. in Staats-Vlaanderen, in de bar. en vrije heerl. van St. Jan-Steen-en-Glossenberghe, prov. Zeeland, arr. Goes, kant. en distr. Hulst (5 k. d., 12 m. k., 5 s. d.); palende N. aan de gem. Hulst en Stoppeldijk, O. aan Clinge , Z. aan de Belgische gem. Kemseke en Stekene, W. aan de gem. Axel en Koewacht.
Deze gem. bevat het d. St. Jan-Steen, de b. Absdale, de Drie-Hoefijzers en den heikant, benevens de pold. St. Jan-Steen, Absdale en Riet-en-Wulfsdijk, alsmede gedeelten van den pold. Groot-Ferdinandus en van den pold. Klein-Ferdinandus, en eindelijk eene streek gronds de Wilde landen genoemd. Zij beslaat eene oppervlakte van 2810 bund., waaronder 2772 bund. 49 v. r. 87 v. ell. belastbaar land; telt 285 h., bewoond door 294 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 1550 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw en voornamelijk rogge en boekweit aankweeken. Men heeft aldaar ook eene bierbrouwerij, eenen windkorenmolen en twee klompenmakerijen.
De inw., die hier op 14 na allen R. K. zijn, onder welke 1200 Communikanten, maken eene par. uit, welke tot in 1841 behoorde tot het Zeeuwsche gedeelte van bet bisd. van Gent, doch thans tot het apost. vic. van Breda, dek. van Hulst, en door eenen Pastoor bediend wordt.
De 14 Herv., welke men er aantreft, worden tot de gem. van Hulst gerekend. — Men heeft in deze gem. eene school.
Het d. St. Jan-Steen, ook wel St. Jans-Steen, St. Jan-ten-Steen of eenvoudig Steene en Glossenberghe genoemd, ligt 6 u. Z. Z. O. van Goes, 20 min. Z. van Hulst.
Men heeft gemeend, dat St. Jan-Steen van ouds eene sterkte of burg is geweest, om als voorpost van de vesting Hulst te dienen, en men gist, dat deze omstandigheid uit den naam zoude zijn af te leiden. In oude tijden gaf men den naam van steen aan een slot, zoo als, bij voorbeeld, de burg, waarnaar de stad Middelburg is genoemd, van ouds den Steen heeft geheeten; terwijl men op de grondvesten van dien burg, ten jare 1526, een gebouw heeft opgetrokken, hetwelk nog onder den naam van 's Graven-steen bekend is, zoodat men hier St. Jans-slot zou moeten lezen. Wij hebben voor deze stelling nergens eenig bewijs gevonden en kunnen er ons overigens ook niet mede vereenigen. Na de reductie van Hulst, in het jaar 1645, was er wel sprake , om te St. Jan-Steen een fort of althans eene sterke redoute aan te leggen, tot verdediging van die vesting, welk plan vervolgens wederom is opgegeven, uithoofde der aanzienlijke kosten, welke daartoe zouden hebben moeten worden besteed. In plaats daarvan heeft men de kerk van St. Jan-Steen doen entruimen, als een fort retrancheren en daarin bezetting gelegd. Even als voor alle landsforten gebruikelijk was, had de Raad van State ook hier de gemeene middelen doen verpachten. Hier tegen, van wege den Heer, ernstige vertoogen ingediend zijnde, verklaarde de Raad »dat, aangezien de parochie van St. Jan-Steen, niet alleen onder »het kanon, maar ook onder de musketschoot van het nieuw aangelegde »fort gelegen was, de Raad niet konde zien dat men zich daarover »zoo zeer te beklagen had, als zijnde deze fortificatie onder den » Staat gebragt; dat daar tegen niets afdeed, dat St. Jan-Steen »eene vrije heerlijkheid was, overmits deze zoo vrij niet was of zij had, »benevens andere diergelijke, hare contributie met den Staat gemaakt » en gegeven, alleguerende voorts de meergemelde Raad, dat over »St. Anna-ter-Muiden, daar van wege dezen Staat geen fortificatic »was, doch leggende alleen onder het kanon van Sluis, de gemeene » middelen mede waren verpacht." De Algemeene Staten zich later met dit advies vcreenigd hebbende, heeft deze reclame geen verder gevolg gehad.
De nabijheid van Hulst was, bij de onderscheidene belegeringen, welke die vesting heeft ondergaan, veeltijds hoogst nadeelig voor St. Jan-Steen, hetgeen vooral het geval was bij het beleg van 1645. Den 8 October van dat jaar rukte bet Staatsche leger, onder Prins Frederik Hendrik, in den vroegen morgen van het Vlaamsche dorp Stekene komende, binnen St. Jan-Steen, zijnde het gros des legers om 11 ure des voormiddags aldaar vereenigd en het hoofdkwartier gevestigd. Het meerendeel der werken, tot de belegering van Hulst aangelegd, van daar begonnen zijnde, leed het dorp, hetwelk vol krijgsvolk lag, dat niet weinig tot overlast der ingezetenen strekte, nog bovendien veel door het geschut der vesting en der forten. Grooter ramp was het echter beschoren bij het beleg van 1747. Onmiddellijk na bekomene tijding van der F'ranschen aannadering, liet de toenmalige Gouverneur van Hulst, de Luitenant-Gcneraal de la Rocques, uit de in de nabijheid gelegene schans de Verrekijker, het dorp met gloeijende kogels beschieten, en toen deze geweldige maatregel niet spoedig genoeg het doel bereikte, gaf hij aan een detachement zijner troepen, den 26 April 1747, den verschrikkelijken last, om het dorp in brand te steken, met dat gevolg, dat het geheel in de asch gelegd werd, en, met uitzondering van twee huizen, benevens de kerk en toren, die echter zeer beschadigd werden, geheel afbrandde. Eene daad van verregaande willekeur, daar de aanval op Hulst niet van dien kant, maar van eene geheel tegenovergestelde zijde plaats had.
Ofschoon St. Jan-Steen zich van deze ramp nimmer geheel heeft kunnen herstellen, is het echter thans nog een redelijk wel bebouwd, luchtig dorp, aangenaam tusschen geboomte gelegen. Men vindt, in de kom der gem. 99 h., bewoond door 103 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 500 zielen.
Tot in den aanvang dezer eeuw bestonden in het d. St. Jan-Steen, twee kerken ; de eene, de oude parochiekerk, met eenen toren van slaguurwerk voorzien , wilde men in het jaar 1647 versterken, doch lij werd naderhand tot de Hervormde eeredienst ingerigt, welke gemeente echter sedert 1716 geen eigen Predikant meer gehad heeft, zijnde de laatste Predikant te St. Jan-Steen geweest Nicolaas Wouters; deze, naar den Polder-van-Namen beroepen en in 1716 vertrokken ayndc , is er geene approbatie tot het doen van een nieuw beroep verleend, maar is door de Algemeene Staten bepaald, dat de gemeente zoude bediend worden door de Predikanten van Hulst, van welken er elken Zondag namiddag één gehouden was, de dienst te St. Jan-Steen te verrigten.
In het jaar 1791 gaf de Heer Mr. Willem, Grave van Hogerdorp, aan deze kerk eenen zilveren schotel en twee zilveren bekers voor de plegtige viering van het H. Avondmaal, ten geschenke. De Herv., genoegzaam geheel uitgestorven zijnde, is de kerk, in 1805, aan de R. K. afgestaan, en aan den H. Jan Baptist toegewijd. Daarin is later een orgel aangebragt. De kerk, door die gezindte tot op dien tijd gebruikt, was een vierkant, goed verlicht lokaal, zonder toren, en staande toen en thans nog achter de pastorij. Dit gebouw dient tegenwoordig tot eene Zondagsschool, waarin op Zon- en Heiligedagen, aan ruim 200 R. K. kinderen, onderwijs in de godsdienst wordt gegeven.
De dorpschool, in den zomer door een gemiddeld getal van slechts 40, doch in den winter door 130 leerlingen bezocht, is een geheel nieuw, in 1840 gesticht en doelmatig ingerigt, gebouw, waaraan de onderwijzerswoning gehecht is.
In het midden van het dorp staat het zoogenaamde Heeren- of Dorpshuis, in 1791 gesticht. Het is een fraai gebouw met eenen vooruitspringenden voorgevel, en boven den ingang met een balcon, toegang gevende tot eene ruime zaal, weleer de vierschaar der heerlijkheid, aan ieder der beide uiteinden prijkende met een levensgroot, van hout vervaardigd, in eene nis en op een voetstuk geplaatst, fraai bewerkt beeld, voorstellende de Geregtigheid en de Voorzigtigheid. Nevens deze zaal, op dezelfde verdieping, is nog de oude griffie, alwaar de archieven der voorm. heerl. bewaard worden. Deze lokalen worden van beneden bezocht, langs eenen luchtigen, sierlijken trap, zijnde er gelijkvloers nog twee vertrekken. Het benedenhuis dient tot woning van eenen particulier, en de eerste verdieping tot vergaderzaal en bewaarplaats van archieven der gemeente. Het gebouw prijkt met een doorluchtig torentje, voorzien van eene luidklok, en waaraan twee schilden, met een band of strik vereenigd, zijn gehangen; in het eene is nog het voormalig heerlijkheidswapen zigtbaar; in het andere stond weleer de Nederlandsche leeuw, die er echter later schijnt te zijn uitgekapt, zijnde dezelfde leeuw in verguld ijzer, in plaats van eenen haan, op den toren geplaatst. St. Jan-Steen is het eenigste dorp in Staats-Vlaanderen, hetwelk een afzonderlijk gebouw als gemeentehuis bezit.
De kermis te St. Jan-Steen wordt gehouden op St. Jansdag, den 24 Junij, wanneer die op eenen Zondag invalt, anders den daarop volgenden Zondag.
In het jaar 1647 verzochten de Regenten van St. Jan-Steen, den Algemeene Staten te vergeefs om vrijheid van imposten. Het plaatsje werd toen als tamelijk welvarend beschouwd.
Het wapen dezer gem. is van zilver, met een gebouw in zijne natuurlijke kleur, en pointe van goud, waarop een ketting en steen van sabel (zwart).
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van 'Sint-Jansteen.