Jan-Steen-en-Glossenberghe (St.), voorm. bar. en vrije heerl. in Staats-Vlaanderen, prov. Zeeland, arr. Goes, distr. en kant. Hulst, in de gem. St. Jan-Steen. Deze heerl. paalde N. O. en Z. W. aan Hulsterambacht, en Z. O. aan het regtsgebied van de dorpen Stekene en Kemseke, in het Land van Waes , thans het distr. St. Nicolaas in de Belgische prov. Oost-Vlaanderen.
Bij de limietscheiding van den 20 September 1664 is zij onder het gebied van den Slaat gebragt. Ofschoon in Hulsterambacht gelegen, was zij daarvan geheel onafhankelijk, als hebbende haar eigen regtsgebied, zoodanig dat zij door de Graven van Vlaanderen, behalve met het halsregt, met nog meer andere voorregten is beschonken, hoedanige aan weinige heerlijkheden in deze landen te beurt gevallen waren. De regering bestond uit éénen Baljuw, éénen Burgemeester, zes Schepenen en eenen Griffier. De Baljuw werd voor zijn leven door den Baron benoemd, die ook de aanstelling had van den Griffier en van den Ontvanger der heerlijkheid, zoo mede van den Ontvanger der kerke- en armen goederen, van den Vendumeestcr en den Geregtsbode, mitsgaders van den Dijkgraaf van de dijkaadje; de Burgemeester en Schepenen werden jaarlijks veranderd. In lijfstraffelijke zaken wezen Burgemeester en Schepenen beslissend vonnis, doch in burgerlijke zaken kon men zich in hunne sententiën op den raad van Vlaanderen, te Middelburg, beroepen. Onder de aanzienlijke voorregten, aan deze heerl. verbonden, was, behalve het oefenen van hoog, middelbaar en laag geregt, ook het regt tot het gebruik van een zegel van zaken, behalve van een contra- of klein zegel. Voorts kwamen aan den Baron de boeten toe van 60 ponden (45 guld.) en daaronder. Tot de bar. behoorde daarenboven vrije molen, warande, vogelerij , visscherij en vrije markt, benevens cene heerlijke rente van omtrent 60 ponden (30 guld.) parisis, zoo mede een water, genaamd het Galgewater en eenige binnen de heerl. gelegene landerijen. De opgezetenen moesten den Baron met eenen wagen, bespannen met vier paarden en lieden te voet, ten dienste staan , als hij met zijnen Leenheer te velde trok. Ook moesten zij hem 100 nobclcn (240 guld.) betalen als bij beëedigd, 100 nobelen als hij Ridder werd en 100 nobelen als hij trouwde. De heerl. stond daarentegen belast met 23 ponden parisis (12 guld. 50 cents), welke de Burggraaf van Gent van ouds daarop bad. Men verhief het leen met 10 ponden parisis (6 guld.) kamerlinkgeld, ingeval van versterf of verandering.
Behalve deze voorregten waren er in vorige tijden nog andere, doch welke later in onbruik geraakten. In oude oorkonden, waarvan er ons eenigen in het archief van deze heerl. zijn voorgekomen, worden zij aldus omschreven : » 1° het lijve te ghevene ende te nemene voor » vonnisse en naar vonnisse , alle manieren van confïscatien van lijve » ende van goederen van bastaerden en andere : 2° remis ghevene van » alle saeken , die remissibcle zijn, van die binnen het voorsz. heerschap » gebeure: 3° vrijheid voor de opgezetenen van alle lasten, tallien, » settinghen , heervaerden , ende reysen van dies den Prince en de » Landschappe van Vlaanderen aankleeft, zoo ook van alle princelijke » tollen in 't Land van Vlaanderen."
De tienden van de heerl. van St. Jan-Steen-en-Glossenberghe, behoorden voor een derde deel aan den Raad van State, en voor twee derde deelen aan de abdij van Baudelo te Gent. Daarentegen was die abdij verpligt de kerk en den dorpstoren te onderhouden, te herstellen en des noods geheel te vernieuwen. Over deze vcrpligting verschil ontstaan zijnde, is dit ten nadeele der abdij uitgewezen, bij vonnis den 17 September 1710 door Burgemeester en Schepenen van St. Jan-Steen uitgesproken. Het Hof van Vlaanderen, voor hetwelk de zaak in hooger beroep was gebragt, heeft het gemelde vonnis , op den 2 Junij 1712 bekrachtigd, welke bevestiging ook, den 11 September 1715 , door de Algemeenc Staten heeft plaats gehad. Het bedoelde vonnis was in de generaliteits landen tot dien tijd toe, zonder weerga.
De heerl. St. Jan-Steen-en-Glossenberghe, na sedert meer dan vijf eeuwen door den huize en geslachte van De Gend en Vilain te zijn bezeten geweest, is vervolgens van den Hove en Burggraven van Gent ter leen gehouden. Filip Albert de Hennis, Baron van Dion en Leval, weduwenaar en erfgenaam van Magadalen Vilain de Gend bezat deze heerl. omtrent het einde der zeventiende eeuw, doch geweigerd hebbende, wegens haar, hulde aan de Algemeene Staten te doen, werd zij in 1696 aangeslagen, verbeurd verklaard en in het openbaar verkocht. Jacob Wouters, Gecommitteerde ter Grafelijkheids rekenkamer van Zeeland en Raad der stad Tholen, verkreeg den eigendom door koop, en zij is in zijn geslacht gebleven tot in 1731, als wanneer zij in den huize Hogendorp is overgegaan, zijnde zij door den Graaf Willem van Hogendorp, Baron van St. Jan-Steen-en-Glossenberghe en Absdale, Heer van Molenaarsgraaf, Giessen en de beide Steenhuysen, bezeten tot aan de komst der Franschen, in 1794, als wanneer hier, zoo als in alle destijds door Frankrijk bezette landen, de heerlijke regten geheel zijn. afgeschaft en vernietigd.
Ondanks alle nasporingen hebben wij niet kunnen ontdekken, dat er vroeger een streek lands, polder, buurt of ander gedeelte gronds, bestaan hebbe, dat den naam van Glossenberghe droeg, zoodat wij geneigd zijn te gelooven, dat de naam dezer heerl. voorheen Glossenberghe is geweest, in welk denkbeeld wij worden versterkt door het aan ons vertoond oud zegel van zaken, hetwelk tot randschrift voert Sigillum scabinorum de in Glossenberghe, en waarin dus volstrekt geen melding van den naam van St. Jan-Steen gemaakt wordt. In dat zegel staat een arend met uitgespreide vleugels, terwijl onder het cachet gegraveerd is het jaartal 1207.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Sint-Jansteen-en-Glossenberghe