Schouwen, in de wandeling veelal het Land-van-Zierikzee, genaamd, eil., prov. Zeeland, thans het noordelijkste der Zeeuwsche eilanden. Ten Z. wordt het bespoeld door de Ooster-Schelde, die het van het eil. Noord-Beveland scheidt, ten W. door de Noordzee, ten N. door het Brouwershavensche-zeegat en de Grevelingen, door welke het van het eil. Goedereede-en-Overflakkee gescheiden wordt. Ten O. wordt het gedeeltelijk, van Duiveland gescheiden, door het Dijkwater, gedeeltelijk.door de Nieuwe-havcn van Zierikzee, ofschoon men den pold. Zuidhoek, die onmiddellijk met laatstgenoemde eil. verbonden is, ook tot het eil. Schouwen rekent.
Het geheele eiland, doorgaans het Land-van-Schouwen genaamd , voert dezen naam van het alleroudste en uitgestrektste deel, hetwelk nog heden, in onderscheiding van de later aangedijkte polders, in het bijzonder Schouwen, het Land-van-Schouwen, en de Polder-van-Schouwen wordt genoemd en van waar men ook doorgaans zegt Schouwen-met-de-annexe-poolder. Deze naam heeft zijnen oorsprong waarschijnlijk van de rivier de Schelde, welke dit, benevens de andere, oostwaarts gelegene, eilanden van de eilanden Bewesten-Schelde .afscheidt, ten minste de tweeklank ou of au werd oudtijds veel met al verwisseld en Schouwen heet in het Latijn Scaldia, gelijk de Schelde oudtijds ook den naam van Scoude droeg. Het oude en eigenlijke Schouwen in het bijzonder zoo genaamd, is zekerlijk een der oudste eilanden van Zeeland. Volgens het geen men er van vindt aangeteekend is het reeds in den jare 838 een bewoond eiland geweest. Wanneer en door, wien het eerst bevolkt zij, kan met weinig zekerheid gezegd worden.
De gedaante van dit eiland is langwerpig. Aan de zuidzijde heeft het eenen grooten boezem, de Bogt-van-Schouwen genaamd, waardoor ieder einde veel breeder is dan het midden. Zijne lengte is van het Oosten tot het Westen weinig minder dan 4½ uur gaans. De breedte, van het Zuiden naar het Noorden, is zeer verschillende, omtrent van ruim één tot bijna 2½ uur. Aan de west- en gedeeltelijk aan de noordzijde, wordt het door aanzienlijke duinen tegen de zeegolven beveiligd, en voorts met dijken voor overslroomingen gedekt.
In de duinen houden zich duizenden van konijnen op, wier vleesch en vellen een handel der duinmeijers is. Het strand van de duinen, zich uitstrekkende van den zuidwesthoek des eilands de Zuidduinen genaamd, eerst noord- en vervolgens oostwaarts op, tot aan den Repart, is lang omtrent drie en een half uur gaans. De grootste breedte der duinen van het dorp Haamstede tot aan bet strand is niet veel meer dan een half uur, en naarmate men verder zuid-, noord- of oostwaarts komt, worden zij allengs. smaller, tot dat zij weder te niet loopen en met de dijken vereenigd worden. Voormaals zijn de duinen veel breeder geweest en hebben verder zcewaarts in gelegen, maar bet afnemen der stranden enhel overwaaijen van het dninzand, heeft ze dermate ingekort, dat onderscheidene hofsteden en landen, niet alleen overzand , maar zelfs ver in zee verdronken liggen. Het verstuiven der duinen houdt van tijd tot tijd aan, onaangezien men zulks, met het stellen van rietschuttingen en het planten van helmpooten, zorgvuldig tracht te verhoeden. Ten welken einde jaarlijks, omtrent het laatst van October of in het begin van November, eene openbare aanbesteding van de helmpooting, aan den minst aannemende, wordt gedaan. Langs den duinkant, van Westen-Schouwen tot Renesse, vooral ook onder Haamstede en langs den Hoogen en Lagen-zoom is over eene aanmerkelijke uitgestrektheid, zwaar houtgewas, en er zijn hier zeer aangename oorden. Op het uiterste punt der duinen, die het eiland Schouwen aan de westzijde omzoomen, vond men lang twee vuurhaarden op het duin geplaatst, in welke, gedurende de wintermaanden, des nachts door het branden van steenkolen, twee kustvuren onderhouden werden. In vroeger tijd, toen de duinen zich nog veel verder in-zee uitstrekten, stond aldaar op een der hoogste dier zandheuvels of hillen een steenen vuurtoren. Bij het langzamerhand voortgaande afnemen der duinen vereischte het moeite en kosten, om dit gebouw te behouden; doch dit alles baatte niet, en er bestond gegronde vrees, dat de toren zou nederstorten, zoodat men hetvoorzigtigst oordeelde, dien af te breken. Meer achterwaarts bouwde men, in plaats daarvan, een houten vuurtoren, die, in het jaar 1744, tot den grond toe afgebrand zijnde, als toen vervangen werd door de vuurhaarden, vuurboeten genoemd (van het boeten of bijstoken des vuurs), welke tot in het jaar 1839 in de lange winternachten tot verkenning van Schouwen hebben gediend. Behalve dat men, door het afnemen van het strand, deze vuurhaarden reeds meermalen; achterwaarts heeft moeten plaatsen, zoo was ook overigens deze wijze van kustverlichting zeer gebrekkig en stond te veel achter bij de voortreffelijke inrigtingen langs onze kusten, b. v. op Terschelling, Westkapelle, Goedereede en elders, dan dat zulks de aandacht der Regering niet zou hebben getrokken, inzonderheid uit hoofde van het hooge belang, hetwelk de zeevaart heeft bij eene juiste verkenning dezer kust, bij het binnenkomen der zeegaten, in dezen omtrek, waarom in het jaar 1840 deze haarden vervangen zijn door eenen kustlichttoren , waarvan wij reeds in ons art. Haamstede eene beschrijving hebben gegeven. In 1846 zijn nog op de duinen geplaatst, aan de Noordkust van het eiland, langs het Brouwershavensche zeegat, niet ver van Renesse, twee licht-opstanden, tot geleimerken, om dat zeegat aan te doen. Zij staan nagenoeg W. N. W. ½ W. en O. Z O. ½ O. (miswijzend) van elkander. De westelijkste of kleinste is van hout en voorzien met schermen; de andere is een steenen toren, hebbende aan het boveneinde ook schermen. Beiden zullen in den loop van dit jaar (1847) ontstoken worden.
De zeedijken van dit eiland, inzonderheid aan de zuid- en noordzijde van Schouwen, zijn zwaar en vereischen een zeer kostbaar onderhoud. De kramwerken aan deze dijken;welke dienen om het wegspoelen van de aarde zoo veel mogelijk te beletten, worden in dit eiland om de zeven jaren, bij gedeelten aanbesteed. Vroeger werden zij op de gemeten, bij rekeningen of heveningen, verkaveld, waarvan dan ook onderkavels konden gemaakt worde , zoodat ieder zijne rekening dijks moest onderhouden of een jaarlijks dijkgeld daarvoor betalen; en aangezien tot onderhouding van eene rekening vereischt werden vijftig gemeten, zoo moest dengenen, op wiens naam de rekening stond, indien hij de vijftig gemeten alleen niet uitmaakte, van zijne ondergemeten aan anderen tcebehoorende, doch tot, vervulling der gemetgetallen, op zijne rekening gebragt, naar evenredigheid van een ieders gemetgetallen, het dijkgeld worden goed gedaan. En dewijl boven de rekeningen, welke volgens, deze verkavelingen uit de gemelde gemetgetallen onderhouden werden, eenige stukken dijks overschoten, werden deze, om de zeven jaren, van 's Lands wege zelven aan de dijkers besteed, en meentewerken genaamd; Deze geheele handelwijze droeg veel bij; tot de bedrijvigheid en welvaart der ingezetenen van Schouwen. Zij maakt nog den grondslag uit waarop het dijkgeschot berekend en over de landerijen omgeslagen wordt. Tot afleiding van het getij en bewaring van den oever of voorgrond, zijn op onderscheidene plaatsen nellen en hoofden, mede van rijs, steen en palen, zeewaarts uitgewerkt. De kosten, die tot onderhoud dezer paalwerken, vereischt worden, zijn in de vorige eeuw, door het knagend zeegewormte, aanmerkelijk vermeerderd. Aan de lanzijde zijn de dijken steiler en met gras begroeid, om die hij overstrooming voor afzakken te bewaren. Achter den zeedijk en op de gevaarlijkste plaatsen liggen in den Polder-van-Schouwen ook eenige binnendijken, die men inlagen of slapers noemt, en op zoodanige plaatsen zijn gelegd, alwaar de buitendijk met gevaar van grond- of doorbraken scheen bedreigd te worden, om in zulk een geval het water daarmede te stuiten, en die des noods tot eenen bekwamen zeedijk te kunnen verzwaren. Aan de zuidzijde zijn er nog zeven zulke inlagen, met name: Cauwers-Inlage, Kisters-Inlage, Suzannes-Inlage, Flaauwers-Inlage, Heertjes-Inlag, de Inlage-van-Koudekerke, die bij Burghsluis, de Inlage-van-Westenschouwen, de Inlage-van-Burgh en de Inlage-aan-het-einde-der-Nieuwehaven-van-Zierikzee. Vroeger had men er aan de zuidzijde nog twee: de Lockers-Inlage en de Inlage-van-Rengerskerke. Aan de noordzijde zijn er drie; de Inlage-van-Repart, de Inlage-van-Kloosternolle en eene aan de Noordnolle, bij Brouwershaven.
Om de landen van het binnenwater te ontlasten, liggen aan de zijden daar zij het laagst zijn, in de buitendijken, zeesluizen, tot welke het binnenwater wordt heen geleid door watergangen, die in den Polder van Schouwen ook des winters, wanneer de wegen onbruikbaar zijn, voor de schuitvaart dienen, en ter plaatse daar ze van de rijwegen doorsneden worden, met. houten of steenen heulen overdekt zijn, in welke watergangen de bijzondere slooten doorzijlende, onder de wegen en dammen als anders uitloozen. Dus zijn er in den Polder van Schouwen aan de zuidzijde, drie sluizen, met name de Prommel-sluis, de Jonge-sluis en de Wevers-sluis, benevens eene aan de oostzijde bij Brouwershaven, en daarenboven twee sluizen in de Havendijken bij de bolwerken van Zierikzee, aan de zuidzijde dier stad. Vroeger werd het binnenwater met drie molens opgemalen. Een daarvan is in 1726 afgebroken; een ander heeft in 1749 opgehouden te werken. In 1746 is onderzocht, of er nog eene sluis aan de noordzijde konde gelegd worden, maar het werd toen bij de meerderheid van Burgemeester en Heemraden, Opper-Dijkgraaf, Dijkgraven en Gezworenen van het Wester- Ooster- en Zuiden-Vierendeel, besloten den tweeden watermolen bij voorraad te doen stil staan, zoodat er thans niet meer dan een watermolen maalt aan de Wevers-sluis, op de Prunje; een lage binnen polder in Schouwen. In plaats, van den, vervolgens afgebroken, tweeden watermolen heeft men zich hoofdzakelijk met het verdiepen der watergangen en laag leggen der sluizen beholpen, om de kosten, die tot onderhoud en opzigt van den watermolen vereischt werden, te besparen. Van de overige van, de zee liggende polders heeft ook ieder meest zijn eigen sluis. De binnenpolders lozen hun water door de naast aanpalende buitenpolders, waarvoor deze doorgaans jaarlijks zekere sommen betalen, welke men suatiepenningen noemt. De uitlozing van het water ondergaat thans eene aanmerkelijke verbetering, door het graven van vaarten en het liggen van eenen, boven winterpeil verheven, ringdijk. Hierdoor wordt het lagere deel des lands van het hoogere afgescheiden en het water van het eerste langs den zuidelijken zeedijk geleid, naar de Jonge-sluis, welke de voormalige Flaauwerssluis vervangen heeft, tot en waar nu (1847) een tweede kapitale , achtkante watermolen roet staande schepraden gebouwd zal worden. Ook zijn de wegen veel verbeterd. Door de noodige sassen blijven de beide deelen aan elkander verbonden. Het eil. Schouwen bevat alzoo de steden Zierikzee en Brouwershaven en de plattelands gem. Bommenede-en-Bloois, Burgh-en-Westenschouw en, Dreischor, Duivendijke-Klaaskinderenkerke-Brijdorpe-en-Loopcrskapelle, Elkerzee, Ellemeet, Haamstede, Kerkwerve-Nieuwerkerke-Rengerskerke-en-Zuidland, Noordgouwe, Noordwelle, Renesse, Serooskerke en Zonnemaire. Het geheele eil. beslaat eene oppervlakte, volgens het kadaster van 15,784 bund,, waaronder 15,451 bund. 79 v. r. 79 v. ell. schotbaar land. Men telt er 2547 h., bewoond door 3075 huisgez., uitmakende eene bevolking van 15,000 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden.
Op dit eil, bestaan de navolgende fabrijken en trafijken: twee scheepstimmerwerven; eene zoutkeet; eene zeepziederij; eene bierbrouwerij; eene leerlooijerij; zestien meestoven; eene garancinefabrijk, dienende om de meekrap, nadat zij de gewone bereiding in de meestoven heeft ondergaan, door eene geheime kunstbewerking meer deugdzaam en hoogcr van kleur te maken; eene callicotfabrijk; vijftien korenmolens, drie grutmolens; een oliemolcn, tevens gort pellende, en twee oesterputten.
Men beeft er nog de volgende buitenplaatsen; Buitenlust, Grol, het Slot-te-Haamstede, de Haan, Heesterlust, Kort-Beraad, Kraaijestein, het Slot-Moermont, Mon-Plaisir, Rozegaard, Rustenburg, Weelzigt, Welgelegen en Zorgvliet.
De Herv., die er 12,500 in getal zijn, onder welke 4800 Ledematen, maken de volgende 11 gem. uit: Zierikzee, Brouwershaven, Burgh, Dreischor, Elkerzee, Haamstede, Kerkwerve, Noordgouwe, Renesse-en- Noordwelle, Serooskerke en Zonnemaire, welke 12 kerken tellen en door 14 Predikanten bediend worden. De Evang. Luth,, die men er bijna 200 aantreft, onder welke ruim 100 Ledematen, maken de gem. van Zierikzee uit, welke aldaar een kerk heeft.
De R. K., die men er 1900 telt, onder welke 1230 Communikanten, maken de stat. van Zierihzee uit, welke aldaar eene kerk heeft.
De 60 Isr., die er wonen, behooren tot de rings. van Zierikzee.
Men telt er drie en twintig gewone lagere scholen, welke gemiddeld door een getal van 2100 leerlingen bezocht worden. De beide bewaarscholen, even als de Latijnsche school en andere inrigtingen van onderwijs te Zierikzee, zijn daaronder echter niet begrepen.
Het is bekend, dat het eil. Schouwen aan de noord- en bijzonder aan de zuidzijde, waar het zich in oude tijden tot digt bij Noord-Beveland uitstrekte, wanneer het Oud-Faal, tusschen dat eiland en Orizant, den loop van de Ooster-Schelde uitmaakte, zoo veel gronds verloren heeft, dat er mogelijk niet minder van dat eiland buitengedijkt en in zee verzonken ligt, dan de Polder-van-Schouwen thans nog groot is. Daarenboven is de Polder-van-Schouwen (om nu, van onderscheidene overstroomingen van andere polders niet te spreken), meer dan. eens, door bet doorbreken der dijken geheel van het zeewater overstroomd geweest. Op St. Aagtendag, in het jaar 1288, vloeide Schouwen aan de noordzijde onder, en in het jaar 1530, door twee gaten in den zeedijk, aan de Zuidzijde.
Dit ongeval was net naauwelijks te boven gekomen, wanneer, in het, jaar 1532, wederom onderscheiden gaten in den zuiddijk vielen en het land geheel overstroomd werd. Dat zelfde lot trof het ook in het jaar 1553 en bij den Allerheiligensloed van het jaar 1670, waarin behalve veel vee, meer dan 300 menschen jammerlijk in de golven omkwamen.
Vijf jaren na dien tijd werd het, om den Spanjaard te weren, met het doorsteken van den Oostdijk aan het Dijkwater, bij de Leverhuizen der stad Zierikzee, en van den Zuiddijk, bij Borrendamme, onder water gezet en eerst in den zomer des jaars 1578 wederom beverscht.
In het jaar 1682 ontstond niet alleen eene doorbraak in den Oosthavendijk van Zierikzee , waardoor de Zuidboek invloeide, maar ook brak de Oostdijk, bij de Leverhuizen, weder door, omtrent ter plaatse, daar die; in 't jaar 157I was, doorgestoken geweest.
Dit laatste viel ook voor in den hoogen vloed van 5 Maart 1715, omtrent 113 ell. nader aan de stad, dan de breuke van 1682 was geweest: door welke breuken Schouwen telkens geheel invloeide. In den laatstgemelden vloed van 1715, was het water te Zierikzee ongeveer 4 palm, hooger geweest dan in dien van 1682.
Onder de grootste rampen van Schouwen, zijn vooral te stellen de schrikkelijke val en daarop gevolgde doorbraak van den Zuidhoek, liggende aan de oostzijde der haven van Zierikzee, hetwelk in het jaar 1720 gebeurde. Den 19 October, des namiddags, was, met schoon weder en lage ebbe - bij welke gelegenheid de vallen het meest plaats grijpen, om dat de ondermijnende grond dan zijn steun mist — na eenen sterken storm en hoogen vloed van daags tevoren, de dijk beoostcn het Sluishoofd weg gevallen, ter lengte van tachtig roeden, en van omtrent 113 ell. door de kruin, zoodat er niet meer dan de hoogte van 2.50 ell. boven den binnen berm overbleef. Deze overgeblevene zoom of kant was zoo steil en scherp afgebroken, dat er geen mensch of dier kon overgaan; echter werd hij, buiten alle verwachting , nog tegen den vloed behouden met zeilen, die, tot dat einde door eenige manschappen, met eene boot in zee gestoken, van buiten over de afgekalfde zijde werden overgehaald, en met ankers in de aarde vastgeheid, door eenige mannen, buitenwaarts hangende in een touw, hen onder de armen om het lijf gebonden, hetwelk van anderen aan den binnenkant werd vastgehouden. De overgeblevene kant dijks werdt daarna met aarde verzwaard. Omtrent vijftig duizend gulden, en zeer veel moeite en arbeid, zijn daar toen tot verzekering besteed. Maar naauwclijks was men hier mede zoover gevorderd, dat het werk scheen buiten gevaar te zijn, of tusschen 1 en 2 December van het zelfde jaar joeg een vliegende storm, uit het Westen opstekende, het zeewater dermate op, dat er een geweldige doorbraak door veroorzaakt werd, die den Zuidhoek in een oogenblik vervulde, onderscheidene menschen in doodsgevaar bragt en veel vee het leven kostte. Het zeewater stond tot aan de poorten van Zierikzee. De Meel- of Middeldijk van het Zuider-Nieuwland, tegen het water niet bestand, brak op drie plaatsen door, zoodat ook die polder overstroomd werd. De Ruige- of Goude-Veersche-dijk werd ter naauwernood voor eene doorbraak bewaard. In den val van den Zuidhoek, bevond men naderhand een diepte van 11 ell. beneden het oude dijkstaal, ter wijdte van omtrent 130 ell. Om den Zuidhoek en ‘t Zuider-Nieuwland weder droog te krijgen, werd in ’ t volgende jaar een nieuwe dijk gelegd, van den boek van Kaas-en-Brood, tot aan de Kolk. 230,626 gulden , werden daaraan besteed. Sedert zijn de twee dijkbouten van den ouden dijk, van tijd tot tijd, bijna geheel weggevallen, zoodat men genoodzaakt is geworden, om de hoeken te bewaren, en er zeer kostbare zinkwerken te maken. Door deze en dergelijke ongelukken, zoude het Land-van-Schouwen, met de stad Zierikzee, en welligt ook alle de overige polders van dit eiland, reeds lang eene prooi der zee geworden zijn, indien aan den Polder-van-Sohouwen, van tijd tot tijd, door de Graven van Zeeland geen vrijheid van schot en bede, en daarna ook geene aanmerkelijke vrijdommen en onderstanden, uit des gemeenen lands inkomsten, door de Staten van Zeeland, waren verleend geworden. Het land is ook.gestadig, dermate, aan grond- en dijkbreuken onderworpen, dat het onmogelijk zoude zijn, zonder zulke vrijdommen en onderstanden het lang te kunnen behouden, in dien staat, in welken wij het hier beschouwd hebben.
Bij den storm en watervloed van Januarij 1808 heeft het eiland Schouwen mede veel geleden. Door het eerst ovorstroomen en vervolgens bezwijken van den Westhaven-dijk der stad Brouwershaven, ter lengte van ruim 50 ell. bij eene diepte van ongeveer 5 ell. beneden de kruin des dijks, werd het zoogenaamd Jongkind-Poldertje geheel door de golven bedekt, zoodat het zeewater, met geweld voortgestuwd, doordrong tot tegen den beer van het Geest-Nieuwland-Poldertje, zijnde een zeer zwak dijkje, dat op zich zelve volstrekt niet geschikt noch bestand is, om de kracht van zoodanig eene hoogte van water af te weren. Deze gebeurtenis scheen, naar alle menschelijke berekening, van de noodlottigste gevolgen te zullen zijn voor geheel Schouwen. Immers, wanneer, gelijk men alle reden had te verwachten, dit geringe dijkje voor den aandrang van het water bezweek, dan kon het niet anders, of geheel het eiland, allhans het grootste gedeelte daarvan, dat is, eene uitgestrektheid van ten minste 8500 bund. Vruchtbaar land, werd eene prooi der woedende baren en de geheele ondergang van zoo vele opgezetenen voltooid. Dan ook hier weerde het hooge Albestuur, door de dienst van een en stouten en kloekmoedigen man, wiens naam bij allen, maar bijzonder bij Schouwens in-en opgezetenen, in gezegend aandenken behoort te blijven, het nabij zijnde gevaar gunstig af. Zekere Koenraad Rijsenberg, burger en stalhouder te Zierikzee, bevond zich, juist op het noodlottig tijdstip, te Brouwershaven. Deze, terwijl alle anderen, door schrik bevangen, niet wisten wat te doen, raadde den President van den Raad, om van alle de daar liggende schepen de noodige zeilen op te eischen , hetgeen terstond werd in het werk gesteld. Hij zelf sleepte, met hulp van eenige andere lieden, eene boot, door de stad, naar het gezegde dijkje; begaf zich, alles gereed zijnde, allereerst moedig daarin, in welk stout bestaan hem nog twee andere personen volgden, en hielp dus, met het grootste gevaar van zijn eigen leven, daar elken oogenblik de verbolgene golven de boot, met de zich daarin bevindende personen, in de zee dreigden te bedelven, met ingespannen krachten en de hoogst mogelijke tegenwoordigheid van geest, het zoo gevaarlijke en, in dit geval belangrijke dijkje met zeilen beslaan, waardoor het ook dadelijk bestand bleef. Hij verrigtte dus eene even zoo edele als moedige daad, waaraan Schouwen zijn behoud alleen schuldig was. Op dit eiland liepen evenwel de onderscheidene andere polders onder, en in het algemeen hadden de dijken aan de Noordzijde van Schouwen, als ook de paalhoofden en staketwerken op het noorderstrand, voor en ten westen van den Zoutenhaard, zeer veel geleden, terwijl, door het afnemen en wegspoelen van de voetgronden der duinen, het verband der paalwerken daarmede op de meeste plaatsen gebroken was. Op sommige punten spoelde de zee tusschen de eerste en tweede rij der duinheuvels door, en beroofde deze niet weinig aan den voet; zoodat zij, aan die zijde, loodregt afstortten.
Ook bij den watervloed van Februarij 1825 hebben de zeeweeringen der polders van bet eiland Schonwen zeer veel geleden. De duinvoetcn werden van ten tot achtien ellen ingekort. De Westhavendijk van Zierikzeé brak door, hetwelk een gedeelte van Schouwen deed ondervloeijen. De nieuw aangelegde buitenzeedijk aan Borrendamme was bijna, over zijne geheele lengte, aan de buitenglooijing, tot in en door de kruin, weggeslagen. Nog braken door: de Grootte St. Jacobspolder, bij Brouwershaven. Voorts de polders: de Verbrande Man, de.St. Jacobs- en de Galgepolder, alle drie gelegen aan het Dijkwater. Bij overvloeijing overstroomde de polder Goukens-Nieuwland, in het geheel uitmakende 28¾ bund. oppervlakte. Zeer beschadigd waren ook de dijken der polders van Bommenede en Kijkuit ; door onvermoeide pogingen werd echter eene doorbraak voorgekomen. De Polder-van-Dreischor en de Nieuwe-polder-van-Dreischor, liepen mede veel gevaar. Ook te Zierikzee steeg de vloed van den 4 Februarij over de stads vloedplanken; doch door dadelijk aangewende voorzorgen, werden aldaar geene onheilen van belang veroorzaakt. Op den Visschersdijk, buiten deZuidhavenpoort, werden eenige huizen en de straat door de overstorting van het water, aanmerkelijk beschadigd.
Te Brouwershaven brak de Oosthavendijk door. De voortstrooming van het water spoelde de houten beschoeijing, aan de noordzijde van het Spui, weg. Al het land aan den wal en den polder St. Jacobs-Nieuwland waren ondergevloeid; de laatste was echter daardoor niet beschadigd. De Oostmeestoofgeraakte tot aan het dak toe vol water, en alleen met de grootste mogelijke inspanning gelukte het nog, 35 vaten bereide meede uit de stoof op den dijk te brengen. De gedroogde meede, en die men bezig was te bereiden kon. niet gered worden.
Opk in den winter van 1845—1846 heeft dit eiland door storm en hooge vloeden; vooral aan de Noord-en Westzijden, nogal geleden en was men nietzonder vrees. Bij Brouwershaven vloeiden twee poldertjes in en een onder Renesse bij de oude hoeve.
Mede had en heeft Schouwen veel te lijden van de grondbraken of dijkvallingen. Het gebeurt somtijds, meestal bij schoon en stil weder, dat aanzienlijke stukken van den buiten kant des dijks in de diepte op eenmaal wegzinken, hetwelk dan hersteld wordt door aaneen gevlochten rijs van genoegzame dikte en uitgestrektheid, die met een aanzienlijke hoeveelheid kleigrond worden beladen en alzoo tot winning van eenen nieuwen bodem dienen, te doen zinken. Meermalen heeft zich deze ramp aan de zuidzijde des eilands herhaald; het laatste ongeval van dien aard heeft vóór korten tijd aan de noordzij de des eilands plaats gehad, toen een nieuw aangelegd gedeelte, waarmede men den Noordzeedijk, aan de binnenzijde verzwaard had, door den dreun van den golfslag, afzakte. Dit alles veroorzaakte vele kosten en inspanning, maar in dien tijd gelukkig ook, veel werk voor de mindere volksklasse.
Schouwen heeft mede niet zelden tot een tooneel des oorlogs verstrekt. Zoo viel Hugo van Voorne, in het jaar 1204, in dat eiland, om er zich van te verzekeren voor Lodewijk Graaf van Loon. Willem I, Graaf van Holland, ontvloed .ter naauwernood de gevangenis, zich bergende in eene visschersschuit, alwaar hij onder de natte netten verborgen, van zijne vervolgers gezocht, doch niet gevonden werd. Hugo van Voorne gedroeg zich echter zoo slecht in Zeeland, dat hij er weldra door de Zeeuwen uitgedreven werd. De Graaf van Loon kon evenwel niet besluiten, van zijnen eisch op Holland en Zeeland af tezien. Hij trok dus tegen het volgend voorjaar wederom eenige benden te Utrecht bijeen, en bewoog Filips van Namen, om eenen inval in het eiland Schouwen te doen. Graaf Willem hiervan verwittigd, begaf zich bij tijds naar Zeeland. Hij kon de landing der Vlamingen niet beletten: doch stelde zich in staat, om hun slag te leveren, indien zij voorttrokken. Onze kronijken melden eenparig, dat er een verdrag getroffen: werd, eer men handgemeen raakte; doch alzoo dit verdrag, van welk nog afschriften voorhanden zijn, in het geheel niet voordeelig voor Graaf Willem geweest is , schijnt men veeleer te moeten vermoeden, dat hij door eenig aanmerkelijk geleden nadeel, hetzij in Zeeland of in Holland, tot het verdrag gedwongen geworden is. De Vlaamsche kronijken geven hier omtrent ook geen licht. Zij gewagen alleen van eene voorgenomen belegering van Zierikzee door de Vlamingen. Misschien heeft men Graaf Willem, in die stad, weten te benaanwen en tot het aangaan van een schadelijk verdrag te noodzaken. Wat er van zij, het verdrag is in wezen en op den feestdag van St. Donaas, in October des jaars 1206, te Brugge in de proostdij geteekend.
Bij den opstand van de Zeeuwsche Edelen tegen Jan II, Graaf van Holland; maakte Jan van Renesse zich meester van geheel Schouwen, uitgezonderd Zierikzee. De Graaf ontbood hierop eene vloot uit Holland, die, onder geleide van den Heere van Reimerswaale en van Guy van Henegouwen, in Walcheren landen moest. Doch eene schielijke donderbui verstrooide de vloot, die den misnoegden Zeeuwen, gedeeltelijk in handen viel. Guy zelf werd, bij deze gelegenheid, gevangen genomen; doch kort daarna uitgewisseld tegen de zonen van Heer Wolfert van Borssele, die Graaf Jan, vanwege den Koning van Frankrijk, eenigen tijd in hechtenis gehouden had.
's Konings krijgsvolk, dat voor Zierikzee gelegen had, was bij het overgaan dier stad, in 1576, wel twee en twintig maanden soldij ten achteren en men had hun voldoening beloofd, na dat de stad bemagtigd zijn zou. Doch de honderd duizend gulden, door de burgerij opgebragt, waren niet toereikend. De Spanjaarden, in Schouwen liggende, sloegen aan het muiten, roepende, om volle betaling en dreigende het land in vuur en vlam te zullen zetten, waarvan zij den 15 Julij een staal toonden aan het dorp Nieuwerkerk, hun voorbeeld werd gevolgd, door de Waalsche bezetting van Zierikzee, die Mondragon niet tot stilstand wist te brengen. De Spanjaarden, eindelijk het platteland kaal gestroopt hebbende, verlieten Schouwen en begaven zich naar Braband. Nog in hetzelfde jaar werd dit eiland dóór den Prins van Oranje bezet en is sedert in zijne magt gebleven.
De geest van oproerigbeid, welke in volgende tijden in Zeeland zich allergcweldigst vertoonde, begon in het jaar 1787 reeds het hoofd op te steken in het eiland Schouwen. In November hadden eenige boeren uit dat eiland, met oranje versierd, zich in Zierikzee vertoond. Op het gezigt van den Baljuw met zijne dienaars hadden zij zich nogthans van dien tooi ontdaan. Dan eenige uren later schoolde een aantal, door den drank verhit, zamen, en toonde alle teekens van een aangroeijend misnoegen. De Schout, hulp der bezetting verzocht hebbende, om twee boeren te vatten, werd zelf op den grond geworpen, onder het zeggen, dat men geene militairen tegen burgers mogt gebruiken; dat dit den Prins in het geval van Hattem en Elburg tot eene misdaad was gerekend. Welhaast echter kwam er hulp, en twee der oproerigen werden gevat. Verre dat dit doortasten het vuur dempte, stookte het dit nog meer aan. Men kreeg berigt, dat eene bende van drie honderd boeren naar de stad optrok, om hunne medeburgers te verlossen en het dragen van zwarten cocardes te doen verbieden. Groot was de onrust in de stad op deze tijding. Zich niet sterk genoeg oordeelende, om met de schutterij, het genootschap en de krijgsbezetting dien hoop te verdrijven, verzocht men krijgsvolk van Gecommitteerde Raden ter hulp. Echter bleek bij de uitkomst, dat de vrees het gevaar vergroot had, alzoo, zonder deze hulp, de oproerige bewegingen gestild werden.
De gesteldheid des lands en zijne gedurige worstelingen met de zee, in wier midden het moet staande gehouden worden, schijnt de inwoners weleer bewogen te hebben, om tot. wapen te nemen eenen meerman en eene meermin van natuurlijko kleur, dobberende op eene zee, voorgesteld door zes golvende fascen , afwisselend van azuur en zilver, alles op een goud schild, zoo als het thans nog gevoerd wordt.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Schouwen