Het geheele eil. beslaat eene oppervlakte, volgens het kadaster van 15,784 bund,, waaronder 15,451 bund. 79 v. r. 79 v. ell. schotbaar land. Men telt er 2547 h., bewoond door 3075 huisgez., uitmakende eene bevolking van 15,000 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden.
Op dit eil, bestaan de navolgende fabrijken en trafijken: twee scheepstimmerwerven; eene zoutkeet; eene zeepziederij; eene bierbrouwerij; eene leerlooijerij; zestien meestoven; eene garancinefabrijk, dienende om de meekrap, nadat zij de gewone bereiding in de meestoven heeft ondergaan, door eene geheime kunstbewerking meer deugdzaam en hoogcr van kleur te maken; eene callicotfabrijk; vijftien korenmolens, drie grutmolens; een oliemolcn, tevens gort pellende, en twee oesterputten.
Men beeft er nog de volgende buitenplaatsen; Buitenlust, Grol, het Slot-te-Haamstede, de Haan, Heesterlust, Kort-Beraad, Kraaijestein, het Slot-Moermont, Mon-Plaisir, Rozegaard, Rustenburg, Weelzigt, Welgelegen en Zorgvliet.
De Herv., die er 12,500 in getal zijn, onder welke 4800 Ledematen, maken de volgende 11 gem. uit: Zierikzee, Brouwershaven, Burgh, Dreischor, Elkerzee, Haamstede, Kerkwerve, Noordgouwe, Renesse-en- Noordwelle, Serooskerke en Zonnemaire, welke 12 kerken tellen en door 14 Predikanten bediend worden.
De Evang. Luth,, die men er bijna 200 aantreft, onder welke ruim 100 Ledematen, maken de gem. van Zierikzee uit, welke aldaar een kerk heeft.
De R. K., die men er 1900 telt, onder welke 1230 Communikanten, maken de stat. van Zierihzee uit, welke aldaar eene kerk heeft.
De 60 Isr., die er wonen, behooren tot de rings. van Zierikzee.
Men telt er drie en twintig gewone lagere scholen, welke gemiddeld door een getal van 2100 leerlingen bezocht worden. De beide bewaarscholen, even als de Latijnsche school en andere inrigtingen van onderwijs te Zierikzee, zijn daaronder echter niet begrepen.
Het is bekend, dat het eil. Schouwen aan de noord- en bijzonder aan de zuidzijde, waar het zich in oude tijden tot digt bij Noord-Beveland uitstrekte, wanneer het Oud-Faal, tusschen dat eiland en Orizant, den loop van de Ooster-Schelde uitmaakte, zoo veel gronds verloren heeft, dat er mogelijk niet minder van dat eiland buitengedijkt en in zee verzonken ligt, dan de Polder-van-Schouwen thans nog groot is. Daarenboven is de Polder-van-Schouwen (om nu, van onderscheidene overstroomingen van andere polders niet te spreken), meer dan. eens, door bet doorbreken der dijken geheel van het zeewater overstroomd geweest. Op St. Aagtendag, in het jaar 1288, vloeide Schouwen aan de noordzijde onder, en in het jaar 1530, door twee gaten in den zeedijk, aan de Zuidzijde.
Dit ongeval was net naauwelijks te boven gekomen, wanneer, in het, jaar 1532, wederom onderscheiden gaten in den zuiddijk vielen en het land geheel overstroomd werd. Dat zelfde lot trof het ook in het jaar 1553 en bij den Allerheiligensloed van het jaar 1670, waarin behalve veel vee, meer dan 300 menschen jammerlijk in de golven omkwamen.
Vijf jaren na dien tijd werd het, om den Spanjaard te weren, met het doorsteken van den Oostdijk aan het Dijkwater, bij de Leverhuizen der stad Zierikzee, en van den Zuiddijk, bij Borrendamme, onder water gezet en eerst in den zomer des jaars 1578 wederom beverscht.
In het jaar 1682 ontstond niet alleen eene doorbraak in den Oosthavendijk van Zierikzee , waardoor de Zuidboek invloeide, maar ook brak de Oostdijk, bij de Leverhuizen, weder door, omtrent ter plaatse, daar die; in 't jaar 157I was, doorgestoken geweest.
Dit laatste viel ook voor in den hoogen vloed van 5 Maart 1715, omtrent 113 ell. nader aan de stad, dan de breuke van 1682 was geweest: door welke breuken Schouwen telkens geheel invloeide. In den laatstgemelden vloed van 1715, was het water te Zierikzee ongeveer 4 palm, hooger geweest dan in dien van 1682.
Onder de grootste rampen van Schouwen, zijn vooral te stellen de schrikkelijke val en daarop gevolgde doorbraak van den Zuidhoek, liggende aan de oostzijde der haven van Zierikzee, hetwelk in het jaar 1720 gebeurde. Den 19 October, des namiddags, was, met schoon weder en lage ebbe - bij welke gelegenheid de vallen het meest plaats grijpen, om dat de ondermijnende grond dan zijn steun mist — na eenen sterken storm en hoogen vloed van daags tevoren, de dijk beoostcn het Sluishoofd weg gevallen, ter lengte van tachtig roeden, en van omtrent 113 ell. door de kruin, zoodat er niet meer dan de hoogte van 2.50 ell. boven den binnen berm overbleef. Deze overgeblevene zoom of kant was zoo steil en scherp afgebroken, dat er geen mensch of dier kon overgaan; echter werd hij, buiten alle verwachting , nog tegen den vloed behouden met zeilen, die, tot dat einde door eenige manschappen, met eene boot in zee gestoken, van buiten over de afgekalfde zijde werden overgehaald, en met ankers in de aarde vastgeheid, door eenige mannen, buitenwaarts hangende in een touw, hen onder de armen om het lijf gebonden, hetwelk van anderen aan den binnenkant werd vastgehouden. De overgeblevene kant dijks werdt daarna met aarde verzwaard. Omtrent vijftig duizend gulden, en zeer veel moeite en arbeid, zijn daar toen tot verzekering besteed. Maar naauwclijks was men hier mede zoover gevorderd, dat het werk scheen buiten gevaar te zijn, of tusschen 1 en 2 December van het zelfde jaar joeg een vliegende storm, uit het Westen opstekende, het zeewater dermate op, dat er een geweldige doorbraak door veroorzaakt werd, die den Zuidhoek in een oogenblik vervulde, onderscheidene menschen in doodsgevaar bragt en veel vee het leven kostte. Het zeewater stond tot aan de poorten van Zierikzee. De Meel- of Middeldijk van het Zuider-Nieuwland, tegen het water niet bestand, brak op drie plaatsen door, zoodat ook die polder overstroomd werd. De Ruige- of Goude-Veersche-dijk werd ter naauwernood voor eene doorbraak bewaard. In den val van den Zuidhoek, bevond men naderhand een diepte van 11 ell. beneden het oude dijkstaal, ter wijdte van omtrent 130 ell. Om den Zuidhoek en ‘t Zuider-Nieuwland weder droog te krijgen, werd in ’ t volgende jaar een nieuwe dijk gelegd, van den boek van Kaas-en-Brood, tot aan de Kolk. 230,626 gulden , werden daaraan besteed. Sedert zijn de twee dijkbouten van den ouden dijk, van tijd tot tijd, bijna geheel weggevallen, zoodat men genoodzaakt is geworden, om de hoeken te bewaren, en er zeer kostbare zinkwerken te maken. Door deze en dergelijke ongelukken, zoude het Land-van-Schouwen, met de stad Zierikzee, en welligt ook alle de overige polders van dit eiland, reeds lang eene prooi der zee geworden zijn, indien aan den Polder-van-Sohouwen, van tijd tot tijd, door de Graven van Zeeland geen vrijheid van schot en bede, en daarna ook geene aanmerkelijke vrijdommen en onderstanden, uit des gemeenen lands inkomsten, door de Staten van Zeeland, waren verleend geworden. Het land is ook.gestadig, dermate, aan grond- en dijkbreuken onderworpen, dat het onmogelijk zoude zijn, zonder zulke vrijdommen en onderstanden het lang te kunnen behouden, in dien staat, in welken wij het hier beschouwd hebben.
Bij den storm en watervloed van Januarij 1808 heeft het eiland Schouwen mede veel geleden. Door het eerst ovorstroomen en vervolgens bezwijken van den Westhaven-dijk der stad Brouwershaven, ter lengte van ruim 50 ell. bij eene diepte van ongeveer 5 ell. beneden de kruin des dijks, werd het zoogenaamd Jongkind-Poldertje geheel door de golven bedekt, zoodat het zeewater, met geweld voortgestuwd, doordrong tot tegen den beer van het Geest-Nieuwland-Poldertje, zijnde een zeer zwak dijkje, dat op zich zelve volstrekt niet geschikt noch bestand is, om de kracht van zoodanig eene hoogte van water af te weren. Deze gebeurtenis scheen, naar alle menschelijke berekening, van de noodlottigste gevolgen te zullen zijn voor geheel Schouwen. Immers, wanneer, gelijk men alle reden had te verwachten, dit geringe dijkje voor den aandrang van het water bezweek, dan kon het niet anders, of geheel het eiland, allhans het grootste gedeelte daarvan, dat is, eene uitgestrektheid van ten minste 8500 bund. Vruchtbaar land, werd eene prooi der woedende baren en de geheele ondergang van zoo vele opgezetenen voltooid. Dan ook hier weerde het hooge Albestuur, door de dienst van een en stouten en kloekmoedigen man, wiens naam bij allen, maar bijzonder bij Schouwens in-en opgezetenen, in gezegend aandenken behoort te blijven, het nabij zijnde gevaar gunstig af. Zekere Koenraad Rijsenberg, burger en stalhouder te Zierikzee, bevond zich, juist op het noodlottig tijdstip, te Brouwershaven. Deze, terwijl alle anderen, door schrik bevangen, niet wisten wat te doen, raadde den President van den Raad, om van alle de daar liggende schepen de noodige zeilen op te eischen , hetgeen terstond werd in het werk gesteld. Hij zelf sleepte, met hulp van eenige andere lieden, eene boot, door de stad, naar het gezegde dijkje; begaf zich, alles gereed zijnde, allereerst moedig daarin, in welk stout bestaan hem nog twee andere personen volgden, en hielp dus, met het grootste gevaar van zijn eigen leven, daar elken oogenblik de verbolgene golven de boot, met de zich daarin bevindende personen, in de zee dreigden te bedelven, met ingespannen krachten en de hoogst mogelijke tegenwoordigheid van geest, het zoo gevaarlijke en, in dit geval belangrijke dijkje met zeilen beslaan, waardoor het ook dadelijk bestand bleef. Hij verrigtte dus eene even zoo edele als moedige daad, waaraan Schouwen zijn behoud alleen schuldig was. Op dit eiland liepen evenwel de onderscheidene andere polders onder, en in het algemeen hadden de dijken aan de Noordzijde van Schouwen, als ook de paalhoofden en staketwerken op het noorderstrand, voor en ten westen van den Zoutenhaard, zeer veel geleden, terwijl, door het afnemen en wegspoelen van de voetgronden der duinen, het verband der paalwerken daarmede op de meeste plaatsen gebroken was. Op sommige punten spoelde de zee tusschen de eerste en tweede rij der duinheuvels door, en beroofde deze niet weinig aan den voet; zoodat zij, aan die zijde, loodregt afstortten.
Ook bij den watervloed van Februarij 1825 hebben de zeeweeringen der polders van bet eiland Schonwen zeer veel geleden. De duinvoetcn werden van ten tot achtien ellen ingekort. De Westhavendijk van Zierikzeé brak door, hetwelk een gedeelte van Schouwen deed ondervloeijen. De nieuw aangelegde buitenzeedijk aan Borrendamme was bijna, over zijne geheele lengte, aan de buitenglooijing, tot in en door de kruin, weggeslagen. Nog braken door: de Grootte St. Jacobspolder, bij Brouwershaven. Voorts de polders: de Verbrande Man, de.St. Jacobs- en de Galgepolder, alle drie gelegen aan het Dijkwater. Bij overvloeijing overstroomde de polder Goukens-Nieuwland, in het geheel uitmakende 28¾ bund. oppervlakte. Zeer beschadigd waren ook de dijken der polders van Bommenede en Kijkuit ; door onvermoeide pogingen werd echter eene doorbraak voorgekomen. De Polder-van-Dreischor en de Nieuwe-polder-van-Dreischor, liepen mede veel gevaar. Ook te Zierikzee steeg de vloed van den 4 Februarij over de stads vloedplanken; doch door dadelijk aangewende voorzorgen, werden aldaar geene onheilen van belang veroorzaakt. Op den Visschersdijk, buiten deZuidhavenpoort, werden eenige huizen en de straat door de overstorting van het water, aanmerkelijk beschadigd.
Te Brouwershaven brak de Oosthavendijk door. De voortstrooming van het water spoelde de houten beschoeijing, aan de noordzijde van het Spui, weg. Al het land aan den wal en den polder St. Jacobs-Nieuwland waren ondergevloeid; de laatste was echter daardoor niet beschadigd. De Oostmeestoofgeraakte tot aan het dak toe vol water, en alleen met de grootste mogelijke inspanning gelukte het nog, 35 vaten bereide meede uit de stoof op den dijk te brengen. De gedroogde meede, en die men bezig was te bereiden kon. niet gered worden.
Opk in den winter van 1845—1846 heeft dit eiland door storm en hooge vloeden; vooral aan de Noord-en Westzijden, nogal geleden en was men nietzonder vrees. Bij Brouwershaven vloeiden twee poldertjes in en een onder Renesse bij de oude hoeve.
Mede had en heeft Schouwen veel te lijden van de grondbraken of dijkvallingen. Het gebeurt somtijds, meestal bij schoon en stil weder, dat aanzienlijke stukken van den buiten kant des dijks in de diepte op eenmaal wegzinken, hetwelk dan hersteld wordt door aaneen gevlochten rijs van genoegzame dikte en uitgestrektheid, die met een aanzienlijke hoeveelheid kleigrond worden beladen en alzoo tot winning van eenen nieuwen bodem dienen, te doen zinken. Meermalen heeft zich deze ramp aan de zuidzijde des eilands herhaald; het laatste ongeval van dien aard heeft vóór korten tijd aan de noordzij de des eilands plaats gehad, toen een nieuw aangelegd gedeelte, waarmede men den Noordzeedijk, aan de binnenzijde verzwaard had, door den dreun van den golfslag, afzakte. Dit alles veroorzaakte vele kosten en inspanning, maar in dien tijd gelukkig ook, veel werk voor de mindere volksklasse.
Schouwen heeft mede niet zelden tot een tooneel des oorlogs verstrekt. Zoo viel Hugo van Voorne, in het jaar 1204, in dat eiland, om er zich van te verzekeren voor Lodewijk Graaf van Loon. Willem I, Graaf van Holland, ontvloed .ter naauwernood de gevangenis, zich bergende in eene visschersschuit, alwaar hij onder de natte netten verborgen, van zijne vervolgers gezocht, doch niet gevonden werd. Hugo van Voorne gedroeg zich echter zoo slecht in Zeeland, dat hij er weldra door de Zeeuwen uitgedreven werd. De Graaf van Loon kon evenwel niet besluiten, van zijnen eisch op Holland en Zeeland af tezien. Hij trok dus tegen het volgend voorjaar wederom eenige benden te Utrecht bijeen, en bewoog Filips van Namen, om eenen inval in het eiland Schouwen te doen. Graaf Willem hiervan verwittigd, begaf zich bij tijds naar Zeeland. Hij kon de landing der Vlamingen niet beletten: doch stelde zich in staat, om hun slag te leveren, indien zij voorttrokken. Onze kronijken melden eenparig, dat er een verdrag getroffen: werd, eer men handgemeen raakte; doch alzoo dit verdrag, van welk nog afschriften voorhanden zijn, in het geheel niet voordeelig voor Graaf Willem geweest is , schijnt men veeleer te moeten vermoeden, dat hij door eenig aanmerkelijk geleden nadeel, hetzij in Zeeland of in Holland, tot het verdrag gedwongen geworden is. De Vlaamsche kronijken geven hier omtrent ook geen licht. Zij gewagen alleen van eene voorgenomen belegering van Zierikzee door de Vlamingen. Misschien heeft men Graaf Willem, in die stad, weten te benaanwen en tot het aangaan van een schadelijk verdrag te noodzaken. Wat er van zij, het verdrag is in wezen en op den feestdag van St. Donaas, in October des jaars 1206, te Brugge in de proostdij geteekend.
Bij den opstand van de Zeeuwsche Edelen tegen Jan II, Graaf van Holland; maakte Jan van Renesse zich meester van geheel Schouwen, uitgezonderd Zierikzee. De Graaf ontbood hierop eene vloot uit Holland, die, onder geleide van den Heere van Reimerswaale en van Guy van Henegouwen, in Walcheren landen moest. Doch eene schielijke donderbui verstrooide de vloot, die den misnoegden Zeeuwen, gedeeltelijk in handen viel. Guy zelf werd, bij deze gelegenheid, gevangen genomen; doch kort daarna uitgewisseld tegen de zonen van Heer Wolfert van Borssele, die Graaf Jan, vanwege den Koning van Frankrijk, eenigen tijd in hechtenis gehouden had.
's Konings krijgsvolk, dat voor Zierikzee gelegen had, was bij het overgaan dier stad, in 1576, wel twee en twintig maanden soldij ten achteren en men had hun voldoening beloofd, na dat de stad bemagtigd zijn zou. Doch de honderd duizend gulden, door de burgerij opgebragt, waren niet toereikend. De Spanjaarden, in Schouwen liggende, sloegen aan het muiten, roepende, om volle betaling en dreigende het land in vuur en vlam te zullen zetten, waarvan zij den 15 Julij een staal toonden aan het dorp Nieuwerkerk, hun voorbeeld werd gevolgd, door de Waalsche bezetting van Zierikzee, die Mondragon niet tot stilstand wist te brengen. De Spanjaarden, eindelijk het platteland kaal gestroopt hebbende, verlieten Schouwen en begaven zich naar Braband. Nog in hetzelfde jaar werd dit eiland dóór den Prins van Oranje bezet en is sedert in zijne magt gebleven.
De geest van oproerigbeid, welke in volgende tijden in Zeeland zich allergcweldigst vertoonde, begon in het jaar 1787 reeds het hoofd op te steken in het eiland Schouwen. In November hadden eenige boeren uit dat eiland, met oranje versierd, zich in Zierikzee vertoond. Op het gezigt van den Baljuw met zijne dienaars hadden zij zich nogthans van dien tooi ontdaan. Dan eenige uren later schoolde een aantal, door den drank verhit, zamen, en toonde alle teekens van een aangroeijend misnoegen. De Schout, hulp der bezetting verzocht hebbende, om twee boeren te vatten, werd zelf op den grond geworpen, onder het zeggen, dat men geene militairen tegen burgers mogt gebruiken; dat dit den Prins in het geval van Hattem en Elburg tot eene misdaad was gerekend. Welhaast echter kwam er hulp, en twee der oproerigen werden gevat. Verre dat dit doortasten het vuur dempte, stookte het dit nog meer aan. Men kreeg berigt, dat eene bende van drie honderd boeren naar de stad optrok, om hunne medeburgers te verlossen en het dragen van zwarten cocardes te doen verbieden. Groot was de onrust in de stad op deze tijding. Zich niet sterk genoeg oordeelende, om met de schutterij, het genootschap en de krijgsbezetting dien hoop te verdrijven, verzocht men krijgsvolk van Gecommitteerde Raden ter hulp. Echter bleek bij de uitkomst, dat de vrees het gevaar vergroot had, alzoo, zonder deze hulp, de oproerige bewegingen gestild werden.
De gesteldheid des lands en zijne gedurige worstelingen met de zee, in wier midden het moet staande gehouden worden, schijnt de inwoners weleer bewogen te hebben, om tot. wapen te nemen eenen meerman en eene meermin van natuurlijko kleur, dobberende op eene zee, voorgesteld door zes golvende fascen , afwisselend van azuur en zilver, alles op een goud schild, zoo als het thans nog gevoerd wordt.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Schouwen