Scherpenisse, heerl, op het eil. Tholen, prov. Zeeland, distr. en arr. Zierikzee, kant. Tholen, gem. Scherpenisse-en-Westkerke; palende N. en O. aan de heerl. Poortvliet, Z. aan de Ooster-Schelde, W. aan de heerl. Westkerke en den Pluimpot, die haar van de heerl. St. Maartensdijk scheidt.
Deze heerl. bestaat uit den Polder-van-Scherpenisse en den Zoute-polder, en bevat het d. Scherpenisse, benevens eenige verstrooid liggende huizen. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 440 bund., 97 v. r., 52 v. ell, waaronder 592 bund., 98 v. r. 98 v. eil, belastbaar land. Men telt er 151 h., bewoond door 206 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 970 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden. Ook heeft men er eene meestoof.
De inw., die er, op 22 na, allen Herv. zijn, behooren tot de gem. Scherpenisse-en-Westkerke. — De 15 R.K., die men er aantreft, worden tot de stat. van Tholen gerekend. — De 7 Isr,, die er wonen, behooren tot de ringsynagoge van Zierikzee. - Men heeft in deze heerl. eene school, welke gemiddeld door een getal van 90 leerlingen bezocht wordt.
Deze heerl. werd, bij brieven van den, laatsten Julij 1625, evenals die van St. Maartensdijk, verleid op Frederik Hendrik Prins van Oranje, en behoort thans aan het Domein.
Het d. Scherpenisse ligt 4 u. Z. O. van Zierikzee, 2 u W. N. W. van Tholen, aan den Pluimpot, welke het tot haven verstrekt en aan den grooten klinkerweg van Tholen naar Gorishoek.
Dit d. is zeer oud en komt reeds in 1206, met Poortvliet, als een afzonderlijk eiland voor. Het was toen gedeeltelijk in bezit van den Burggraaf van Zeeland, Hugo van Voorne, die, er eenen burg bezat, welke, omdat Hugo de partij van Gravin Ada gevolgd was, in 1206, door den Domproost Floris van Utrecht, ingenomen en verbrand werd.
Het dorp is zeer uitgebreid, zijnde de huizen aan regte elkander doorsnijdende straten en stegen gebouwd, en hoewel thans een armoedig voorkomen hebbende, draagt het nog sporen van vroegere welvaart en grootheid. Men telt er, in de kom van het d., 141 h. en 920 inw. Ten Noorden buiten het d. ligt een aarden dam of dijk met een spuishuisje op den Pluimpot, over welken de rijweg naar St. Maartensdijk loopt.
Het Gemeentehuis, in de kom van het dorp, is een hoog ouderwetsch gebouw, hebbende aan den voor en achterkant op de hoeken eenen achtkanten toren, met spits en het jaartal 1594 in den voorgevel.
De kerk, welke in het zuidelijkste gedeelte van het dorp staat, stond vóór de Reformatie ter begeving van den Deken en het kapittel der Utrechtsche kerk. Het is een oud en ruim, langwerpig gebouw, met leijen dak, hebbende ter wederzijden een lager gedeelte met pannen gedekt. Het onderste gedeelte van den toren is vrij zwaar en door groote schuinsche contreforten ondersteund en het bovenste deel, waarin men de klokken en een slaguurwerk aantreft, veel smaller en door een stomp dak gedekt, waarvan de spits naauwelijks boven de nok van het kerkdak uitsteekt, het geheele gebouw maakt eene wanstallige vertooning. Er is in deze kerk geen orgel, maar men heeft er eene eenvoudige marmeren plaat, door den Kapitein en Officieren van het Engelsen fregat Amphion opgerigt, ter gedachtenis van den Eerste Luitenant William Baydge, den 6 Maart 1814 overleden, aan zijne wonden te Lillo ontvangen, terwijl drie zijner manschappen aldaar sneuvelden.
Ook is er eene Confrerie of Gilde van Kloveniers, opgerigt, bij ordonnantie van 7 Maart 1594, door Maria van Nassau, dochter van Willem I Prins van Oranje, en bestaande nog, volgens de eerste instelling, uit zes en vijftig personen, onder welke een Deken, vier Officieren, vroeger Gezworene geheeten, dertien Rotgezellen, een Vaandrig, vier Zwaarddragers, en een Boekhouder. 's Jaarlijks op den eersten Woensdag na Pinksteren, tot Zaterdag daaraanvolgende, komt dit gilde op eene der bovenkamers van het Raadhuis, bekend onder den naam van gildekamer, te zamen, ten einde daar de in kas zijnde gelden te verteeren, nieuwe Leden in plaats van de afgestorvene of afgegane te verkiezen en in te halen, rekening en verantwoording te doen en voorts den tijd gezellig door te brengen. Ook zijn de Gildebroeders verpligt. bij het ter aardebestellen der lijken hunner medebroeders en die hunner vrouwen de baar grafwaarts te volgen; ten opzigte van de kinderen kan dit voor 40 cents 's jaars worden afgekocht. Komt een der Gildebroeders te huwen dan betaalt hij voor een trouwnobel 2 guld. 40 cents. Sedert het jaar 1840, wordt, ter nagedachtenis van de stichteres, hare geboortedag, door eene onderlinge bijeenkomst en het uithangen van het vaandel, gevierd (Men zie-verder over deze confrerie Iets over de confrerie of gilde van Cloveniers te Scherpenisse, enz. door J. Was Jz, medegedeeld in den Zeeuwsche Volks-almanak voor.1841, bl. 8-14).
Men heeft aldaar eene distributiekantoor voor de brievenposterij, en een station voor de paardenposterij.
Drie kwartier Z. W. van het d., vindt men het overzetveer van Gorishoek op Yersekendam, over de Ooster-Schelde.
De kermis valt in op den tweede Pinsterdag.
Dit d. is in het jaar 1538, grootendeels afgebrand.
In het jaar 1811 en 1812, heerschte er te Scherpenisse eene kwaadaardige ziekte, welke vele ingezetenen ten grave sleepte. De hier bovenvermelde gilde-kamer, op het raadhuis, werd toen ingerigt tot eene tijdelijke ziekenzaal, alwaar de lijders, ook door van elders gezondene Geneesheeren, werden verpleegd. Het Fransch Gouvernement, is te dier tijd, zoo door geldelijken onderstand, als door de toezending van geneesmiddelen, de gemeente te gemoet gekomen.
Bij den watervloed van 4 en 5 Februarij 1826, die elders in ons vaderland zoo vele onheilen heeft te weeggebragt, is ook-Scherpenisse met een gedeelte van zijne omtrek, bijna geheel ondergevloeid en heeft de landman Cornelis Menheere, te, paard van St. Maartensdijk komende, en door het water willende waden, om zijne woning, in welks nabijheid hij zich bevond, te bereiken, door de golven van zijn paard geworpen zijnde, ellendig het leven verloren; terwijl;het paard spoedige al zwemmende, den wal bereikte (Dit ongeluk, zoomede de, bjjzonderheden nopens de veroorzaakte schade door dezen .watervloed, vindt men omstandig geboekt bij, J. C. Beyer; Gedenkboek van Neerlands watersnood in Februarij 1825, bl. 503-507)
Het wapen dezer heerl. bestaat in een veld van zilver met eene fasee van azuur, het schild gedekt met eene kroon van goud.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Scherpenisse