Ruigenhil (De), pold., gedeeltelijk in de heerl. Willemstad, gedeeltelijk in de heerl. Niervaart, prov. Noord-Braband, Vierde distr., arr. Breda, kant. Zevenbergen, gedeeltelijk gem. Willemstad, gedeeltelijk gem. Klundert; palende N. aan de buitengronden tegen het Hollands-diep, O. aan den Groote-Folder-vau-Nicrvaart en de Nieuwe-Fijnaart, Z. aan de Oude-Fijnaart, Z. W. aan de Oude-Heiningen, W. aan de voorgronden tegen het Hollands-diep en het Krammer.
Deze pold., welke in het jaar 1564 bedijkt is, beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 1410 bund. 84 v. r. 10 v. ell. j als: onder de Willemstad, 1389 bund. 11 v. r. 29 v. ell.; onder de Klundert, 21 bund. 72 v. r. 81 v. ell., zijnde alle de landen onder deze laatste gemeente vrij van poldcrlasten. Men heeft in Den Ruigenhil eene meestoof onder Willemstad. Hij heeft eenen steenen sluis, genaamd de Bovensluis, even beneden de Tonnekreek gelegen, wijd 3.51 ell., hoog 1.77 ell. en voorzien met twee paar vloeddeuren, en nog eene tweede sluis, de Nieuwe- of Benedensluis, in 1820 nabij de Willemstad gelegd, wijd 4,53 ell., hoog 1.88 ell., met twee paar vloeddeuren voorzien, welke sluizen dienen, om hem op het Hollands-diep van het overtollige water te ontlasten. Bovendien watert hij nog uit op de grachten der vesting Willemstad, door welke stad het water in de haven uitloopt. Het zomerpeil is 1.02 ell. beneden A. P. Het polderbestuur bestaat uit eenen Dijkgraaf, drie Gezworenen en eenen Penningmeester, onder den titel van Dijkskollegie van den polder De Ruigenhil.
In den noordwesthoek van dezen polder is gelegen de stad en vesting Willemstad. Aan de bovenzijde, beneden de Tonnekreek, ligt een gedeelte lands, bij het kadaster bekend ouder de aanduiding van Watermolen-in-den-Rigenhil (zie dat woord). Even ten Oosten van de Bovensluis, bestond eertijds het fort de Haven, en aan den zuidwesthoek het fort Anna, hetwelk tegenwoordig nog bestaat onder den naam van het fort de Hel. Aan de westzijde vindt men het buiteupoldertje Maltha. Zie dat woord. Ten Noorden heeft men nog drie bekade poldertjes, als: 1°. een Beneden-de-Benedenbuitensluis; 2°. een Tusschen -de-Beneden-en-de-Bovensluis, en 3°. een Boven-de-Bovensluis, genaamd de Willemspolder. Zie die woorden.
Volgens oude overleveringen heeft de polder van Ruigenhil dien naam verkregen, door de menigvuldige platen en riethillen, waaruit de gorzingen en buitengronden vele jaren vóór de bedijking bestonden, en al zoo bij de bedijking in 1564 den naam van den polder Den Ruigenhil verkreeg. Dan , daar bij de bedijking nog een aantal platen en riethollen buitendijks moesten blijven, zoo had dit bijzonder plaats in den zuid-zuidwestelijken hoek, of zijde van den nieuw gelegden dijk, alwaar toen een aanzienlijke riethil bleef liggen, zoo als nu nog, in den, in 1584 bedijkten, Polder-van-de-Heyningen te zien is, dat daar nog een gedeelte laag land over de buiten Barmsloot is gelegen, en naar welker bedijking van laatstgenoemden polder, al dadelijk cenige huizen zijn gebouwd geworden, welke toen den naam verwierven van het gehucht de Hil. Zie Hel (De).
Het voormalige Amortisalie-Syndicaat, bewerende eigenaar te zijn van de dijken, buitengronden, gorzen en aanwassen van den Ruigenhil, en dat het bestuur van dien polder slechts huurder daarvan was, heeft den 20 Januarij 1836 , bij acte voor de Notarissen Donker Curtius en Schiefbaan te 's Gravenhage verleden, al zijne regten afgestaan aan wijlen J. E. Plooster te Ameide, die, voor de Arrondissements-Regtbank te Breda, ecne vordering beeft ingesteld tegen het poldcrbestuur, welke vordering, bij vonnis van den 30 Junij 1840, is afgewezen, bewerende bet bestuur , naar aanleiding van charters uit het grafelijk tijdperk, niet huurder, maar erfpachter te zijn. Terwijl die ingewikkelde zaak, in hooger beroep , voor het provinciaal geregtshof van Noord-Braband aanhangig was, is zij bij dading afgedaan, zoodanig, dat door de erfgenamen van voornoemden Plooster, hunne regten aan het Domeinbestuur zijn terug gegeven, en dat door het Domeinbestuur, ten behoeve van het polderbestuur van den Ruigenhil, is afgestaan van alle regten op dien polder, alles tegen betaling door het polderbestuur van den Ruigenhil aan de erfgenamen van J. E. Plooster, van eene som van 25,000 guld. in gereed geld, den 1 December 1845, en van 10,000 guld. aan het Domeinbestuur, in tien jaarlijksche termijnen, ieder van 1000 guld, mede door het polderbestuur van den Ruigenhil uit te keeren. uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Ruigenhilpolder