Roosendaal, vlek in de bar. van Breda, prov. Noord-Braband, Vierde distr., arr. en 4½ u. W. van Breda, kant. en 2¼ u. N. O. ten O. van Bergen-op-Zoom, aan den grooten of straatweg van Breda op Bergen-op-Zoom.
Ten aanzien van den naam dezer plaats bestaat eene opmerkelijke bijzonderheid, die vermoedelijk in geen andere plaats of taal gevonden wordt; namelijk, dat de naam op zestien verschillende wijzen, geschreven wordt, zonder eenige onzekerheid, noch aanmerkelijk verschil in de uitspraak te geven, te weten: Roosendaal, Roosendael, Roosedaal, Roosedael, Roozendaal, Roozendael, Roozedaal, Roozedael, Rosendaal, Rosendael, Rosedaal, Rosedael, Rozendaal, Rozendael, Rozedaal of Rozedael.
Roosendaal was eerst eene afzonderlijke vrije heerlijkheid, want toen Raso van Gaveren, Heer van Breda, in het jaar 1300, tot zijne tweede vrouw gehuwd had, vrouw Adewine, dochter van Heer Willem van Strijen, heeft hij, met toestemming van zijne voorzonen, Raso, Heer van Boelaer, aan haar en hare nakomelingen gegeven de middel- en lage heerschappij van ROOSENDAAL. Later is deze heerlijklijkheid aan den huize van Reimerswale gekomen, maar in 1501 heeft Heer Claas van Reimerswale, Ridder, Heer tot Lodijke en Nieuw-Strijen, verkocht aan Graaf Engelbert II van Nassau » zijne nederheerlijkhe- » den van Rosendaal, Nispen en Woude onder het land gericht van » Rosendaal, tot drie ponden too, en de daar beneden, en de heer- » lijkheden van voorgemelde Heer Claas onder het vaartgericht en de » doorlichte, welke alle zijn voorzaten te leen ontvangen en gehouden » hebben van den Huyse en Hove van Breda.
In de oude registers van het gezegde huis vindt men dat deze verkooping is geschied, achtervolgens de communicatie, welke de Schout van den Graaf van Nassau, ter eenre, en de Schout van Heer Claas aldaar, ter andere zijde, met malkanderen gehad hebben, op den 13 Maart 1498, in tegenwoordigheid van Raden en vrienden van gemelden den Graaf van Nassau, te weten Heer Jan Maschereel, Ridder, Heer tot Schurwinantsroede, Drossaard van Breda, Graaf Jan van Nassau, Kastelein tot Heusden, Willem de Bije, Kastelein tot Breda, Adriaan van Bruheze, Rentmeester des lands van Breda, en Jan Meeussoon, Rentmeester des lands van Steenbergen enz. In het jaar 1500 aan Engelbert, Heer van Nassau, verkocht zijnde, werd de heerlijkheid Roosendaaal met de baronie van Breda vereenigd.
Roosendaal was voortijds een woest dal, met distelen en wilde rozen bewassen, waarvan men wil, dat het zijnen naam zoude ontleend hebben. Het is echter door zijne bekwame haven zoo groot geworden, dat het Nispen, waaronder het vroeger behoorde, boven het hoofd is gewassen, thans is het eene fraaije, groote en volkrijke plaats, welke in 1809 tot eene stad is verheven, maar in 1814 weder tot het platteland terug gebragt werd. Deze plaats heeft eene aanzienlijk lengte, van ¼ u. gaans en daarbij eene geringe breedte, zijnde de huizen grootendeels ter wederzijden van genoemden straatweg aan elkander gebouwd; terwijl deze weg binnen de plaats van zulk eene breedte is, dat zij een uitgestrekt marktveld daarstelt, waarvan het westelijke gedeelte de Grootemarkt en het oostelijke de Varkensmarkt genoemd wordt. Er zijn geene andere zijstraten dan de Achterstraat, de Molenstraat en de Kade; bovendien heeft men nog een geheel afzonderlijk gedeelte Klein-Roosendaal (zie dit woord). Men telt er in de kom van het vlek, dat vele fraaije huizen bevat, 460 h. en 2800 inw., en met de kerkelijk daartoe behoorende gehuchten Kalfsdonk, Hulsdonk en Langdonk, 654 h. en 3890 inw.
De Roomsch-Katholijken, die hier 3800 in getal zijn, maken eene par. uit, welke door eenen Pastoor en twee Kapellanen bediend wordt. Aanvankelijk had Roosendaal geen parochiekerk, maar slechts eene kapel, ter eere van de H. Maagd Maria gesticht, welke een aanhangsel was van de parochiekerk van Nispen, en bediend werd, door eenen afgezondene van den Parochiaan van die plaats. In het jaar 1268 werd er echter, met toestemming van Arnoud, heer van Gaasbeek, ter eere van O. L. Vrouw, eene kerk gesticht, uit gaven der inwoners van Kalfsdonk, Hulsdonk en Langdonk, om alzoo te beter hunne godsdienst te kunnen oefenen. Deze kerk, welke tot eene parochiekerk verheven en van die van Nispen gescheiden werd, moet aanvankelijk een zeer groot gebouw geweest zijn, gelijk men aan de nog lang daarvan gestaan hebbende muren heeft kunnen zien. In het jaar 1590 echter door de Spanjaarden verbrand en tot eenen puinhoop geraakt, is zij veel verkleind en de oude muur daarvan buiten om blijven staan. In deze kerk lag, zoodra men de middelste deur van het hooge koor inkwam, een graauwe zerk, waarop in de rondte te lezen stond:
begraven Jan Claessen van Liekerke die
sterft Ao. XXXXx en XX den XXXX dagh in
November
In het midden zag men het wapenschild Van Liedekerke. Men heeft altijd gemeend dat deze zerk op het graf lag, waar vroeger de Pastoors begraven werden. Ter plaatse, waar deze kerk gestaan heeft, hebben de R. K. in het jaar 1839 eene fraaije nieuwe kerk gebouwd, welke aan den H. Johannes den Dooper toegewijd, en van een orgel voorzien is. Zij sluit zich aan tegen den toren, welke met eene sierlijke nieuwe spits, met lantaarn, prijkt. De pastorij is een groot schoon gebouw, met water omgeven.
De Hervormden, die er 90 in getal zijn, hebben sedert 1810 een fraai modern kerkgebouw, hebbende een kloktorentje midden op het hooge dak, een orgel en een ijzeren hek voor aan de Varkensmarkt, waaraan zij staat.
Ook heeft men in dit vlek een gasthuis of gesticht van Liefdadigheid voor behoeftige vrouwen, opgerigt in het jaar 1617, waarin zeven oude vrouwen zijn opgenomen, alsmede een fonds van de gasthuisarmen gezegd Passante armen, dat zeer oud is, als zijnde afkomstig van eene in 1363 gedane stichting, waarbij Arnoldus van der Neste, Nicolaas Hendrikszoon en Johannes Buze een gasthuis voor arme reizigers, die te Roosenaal kwamen nachtverblijf vragen, in het huis van Peter van der Neste, hebben opgerigt.
Nog is er een gasthuis voor de Roomsch-Katholijken in 1844 gesticht.
In overoude tijden moet te Roosendaal ook een klooster van Cistercienser Nonnen gestaan hebben, want wij vinden dat Heer Gillis Berthout, zoon van Gillis Berthout, gezegd met den baard, in het jaar 1227, de tienden van Berlaer en een gedeelte van die van Gheel aan het gezegde klooster gaf, tot eenen uitzet voor twee zijner dochters, die daarin het geestelijke kleed aangenomen hadden.
Het Raadhuis, aan de oostzijde der Markt, is een ruim en goed gebouw.
Er zijn drie scholen, als: ééne gemeenteschool, met 90 leerlingen; ééne kost- en dagschool, met 85 leerlingen, en één huis van opvoeding voor meisjes, hetwelk door Geestelijken bestuurd wordt, met ruim 170 leerlingen. — Voorts is er eene brieven- en eene paardenposterij.
Builen de plaats, aan den weg naar Nispen, 8 min. Z. van het vlek, staat nog een ontwaterd kasteel het Leengoed, voorheen het Huis-te-Roosendaal genaamd. Zie Leengoed (Het).
Roosendaal heeft drie jaarmarkten, als: eene jaarmarkt, invallend den 6 Maart; eene voorjaars-beestenmarkt, op de drie eerste Woensdagen in April, en eene najaars-beestenmarkt, op de drie eerste Vrijdagen in November, terwijl de kermis den eersten Zondag in September invalt. Ook is er eene druk bezochte wekelijksche markt, welke door Graaf Engelbrecht van Nassau op Maandag gebragt is, terwijl zij vroeger opWoensdag gehouden werd.
De volgende geleerde mannen hebben hier het licht gezien: de Godgeleerde Laurentius Rosendalius (Laurens van Rosendaal), Prefekt der Karthuizers te Luik, daarna te Rome die onderscheidene godgeleerde schriften heeft nagelaten en in 1499 overleed; de Regtsgeleerde Henricus van Etten, President van den Raad van Braband; Petrus Cuypers, Licentiaat in de regten, in 1642, en vervolgens Lid van den Grooten Raad of Parlement te Mechelen, † in 1669, en Guillelmus Cuypers, Raadpensionaris der prov. Mechelen, geb. in 1652, † in 1702; beiden hebben in deugd en geleerdheid uitgemunt en onderscheidene geachte werken over de regtsgeleerdheid geschreven.
In het jaar 1561 bekrachtigde Willem I, Prins van Oranje, alle de regten en privilegiën van Roosendaal, benevens de magt, om tien mannen te verkiezen; terwijl bij voorts bepaalde, dat, hetgeen door Schout en Schepenen omtrent de orde van de Justitie bevolen werd, van zoodanige kracht was, als of het door de geheele gemeente was vastgesteld.
Roosendaal heeft in vroegere jaren vele rampen moeten verduren. In het jaar 1572, den 31 Mei, zijn de kerk, het raadhuis en honderd vijf der voornaamste huizen aan de markt afgebrand, veroorzaakt door de, als toen plaats hebbende onlusten; weinige jaren later is de kerk nog twee malen afgebrand en wel in 1590 en op den 28 Junij 1600.
Den 20 Mei 1687, heeft er nog eene zware brand plaats gehad, waarbij 35 huizen (waaronder 2 brouwerijen en 1 grutterij) en voorts meer dan 20 schuren en achterhuizen, een prooi der vlammen zijn geworden.
In 1705 woedde er eene verschrikkelijke pestziekte, waarvan vele honderden menschen het slagtoffer zijn geworden.
In het jaar 1637 is te Roosendaal de handeling over het uitwisselen der gevangenen gesloten, tusschen Kislaer, Heer van Marquette, Commissaris van de finantiën des Konings van Spanje, van de zijde der Infante, en Gerard Berkel met G. Verhooge, wegens de Algemeene Staten.
Het wapen dezer voorm. heerl. is van zilver met drie rozen van keel.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Roosendaal