Rijsbergen, gem. in de bar. van Breda, prov. Noord-Braband, Vierde distr., arr. Breda, kant. Ginneken; palende N. aan de gem. Princenhage, O. aan Ginneken-en-Bavel, Z. O. aan de Belgische gem. Meer, Z. W. aan Zundert-en-Wernhout, W. aan Rucphen-Vorenseinde-en-Sprundel, N. W. aan Etten-en-Leur.
Deze gem. bevat, behalve het d. Rijsbergen, de geh. Tiggelt, Kaarschot, Breeschot, Groot- en Klein-Oeckel en Hazeldonk. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 3702 bund., waaronder 3605 bund. 79 v. r. 28 v. ell. belastbaar land; telt 282 h., bewoond door 326 huisgez., uitmakende eene bevolking van 1600 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw. Vroeger woonden er vele kooplieden, die handel op België dreven. Thans bepaalt zich de handel tot dien in kapoenen en kippen, welke hier aangekweekt en vetgemest worden en waardoor deze gem. vermaard is. Voorts heeft men er eene leerlooijerij, twee bierbrouwerijen, eenen graan- en oliemolen, welke door water en wind bewogen wordt, en aan de uiterste grenzen dezer gemeente, tegen het gehucht de Rith, onder ‘s Princenhage, op de turfvaart eenen, door water werkenden, ijsermolen, toebehoorende aan den Heer Hoffman te Rotterdam, alwaar zeer zware staven ijzer, ijzeren wagenassen en zeescheepsankers gesmeed worden. Deze ijzermolen is, volgens octrooi van Willem, Prins van Oranje-Nassau, van 28 October l763, in dat of in het volgende jaar, door Johan Frederik Hoffman, koopman te Rotterdam gesticht geworden, het octrooi werd toen verleend voor den tijd van vijftig eerstkomende jaren en onder speciaal beding, dat het water op zoodanig peil moest gehouden worden, dat geen overlast aan de ingelanden werd toegebragt, zijnde dat octrooi, bij Koninklijk besluit van 20 Februarij 1819, Lett. X, voor vijftig jaren verlengd.
De inw., die hier, op een twintigtal na, alle R. K. zijn, onder welke 1090 Communikanten, maken eene par. uit, die door eenen Pastoor en eenen Kapellaan bediend wordt.
De Herv., maakten hier vroeger eene gem. uit, welke tot eersten Leeraar gehad heeft Johannes Dammannus, die in 1616 herwaarts kwam, en nog in hetzelfde jaar naar Made-en-Drimmelen vertrok. Nadat in 1675 de Predikant Theodorus Santvoort van Rijsbergen naar Ginneken vertrokken was, werd deze gemeente, van 1676 en vervolgens, gecombineerd, of met Ginneken , of met 's Princenhage om de andere reis, of met Zundert, met welke laatste gemeente zij nu nog vereenigd is, zoodat de 20 Herv., welke hier wonen, thans tot de gemeente Zundert-en-Rijsbergen behooren.
Men heeft in deze gemeente eene school, welke gemiddeld door een getal van 160 leerlingen bezocht wordt.
Vroeger was Rijsbergen eene heerl., van welke, naar men wil, onder anderen; de H. Bavo Heer zoude geweest zijn. In het vervolg van tijd is zij bezeten geweest door den Abt en de Geestelijken van St. Bavo te Gent. Immers vindt men, toen Keizer Otto I, in 965, de bezittingen dier abdij bevestigde, daaronder voornamelijk genoemd het dorp Rijsbergen, gelegen op de rivier de Aa, met den molen enz. Naderhand, omtrent de twaalfde eeuw, behoorde zij aan Berner van Rijsbergen of, zoo als hij bij de Latijnsche Schrijvers genoemd wordt, Bernardus A Risebergen, die in 1150 onderscheidene goederen, onder Esschen en Calmphout gelegen, aan het konvent van Tongerlo heeft geschonken, welke gift door Godevaart, Hertog van Lothrijck en Braband, bij zijne opene brieven, gegeven te Loven, in 1179, nader bevestigd heeft. Deze Bernerus was, naar alle waarschijnlijkheid uit het huis van Braband afkomstig en zoude, naar sommigen willen, eenen zoon, volgens anderen eenen broeder, geweest zijn van Arnulfus, toegenaamd den Brabander. Hij was gehuwd met eene dochter uit het huis van Breda, zonder dat men echter ergens haren naam vermeld vindt en voerde ten wapen eenen zilveren leeuw, gekroond van goud, op een veld van sabel. Hoe lang Rijsbergen in dit geslacht gebleven zij, kan men, bij gebrek aan behoorlijke aanteekening, niet melden. Echter is het zeker, dat die heerlijkheid namaals gekomen is aan den Heer van Breda, hoewel de gemelde Abt en het konvent van St. Bavo, daarin nog eenige heerlijke regten behielden, bestaande in renten, cijnsen, jagt enz., welke zij eindelijk, op den 9 November 1523, aan Hendrik, Graaf van Nassau, Heer van Breda, overgaven in ruil tegen eene erfelijke rente van drie ponden groot Brabandsch (12 guld.), die de gemelde Graaf hen bezette op de Halle van Diest, genaamd de Colde, staande binnen de stad Antwerpen, en onder voorwaarde, dat aan den Abt zoude blijven bet regt om de pastorij en de vicarij te begeven. Deze overeenkomst is in alle zijne deelen, door Keizer Karel V, in het zelfde jaar, bekrachtigd.
Het dorp Rijsbergen ligt 2 u. Z. W. van Breda, kant. en 2 u. Z. W. van Ginneken en 1¼ u. van de Belgische grenzen, aan de rivier de Aa, langs den straatweg van Breda op Antwerpen. Het is een vrij groot dorp, in welks kom men 113 h., en ruim 600 inw. telt. De kerk, ter eere van den H. Bavo gesticht, was eertijds eene proostdij van. de abdij van St. Bavo te Gent, en later met een persoonschap en twee vicarijen voorzien. Het is een tamelijk ruim gebouw, met eenen fraaijen toren en van een orgel voorzien. Sedert de Reformatie was deze kerk bij de Hervormden in gebruik, maar zij is in 1796 aan de Roomsch-Katholijken terug gegeven.
In overoude tijden moet hier ook een klooster van Benedictijner-Monniken gestaan hebben, zonder dat ons echter gebleken is wanneer dit is opgerigt of vernietigd geworden.
Ook stond hier vroeger een oud kasteel het Hof-van-Rijsbergen genoemd. Zie Rijsbergen (Het Hof-van-).
De kermis valt in Zondag vóór St. Jan.
In 1572 werd dit dorp door de Spanjaarden geheel aan kolen gelegd. — In het jaar 1843 zijn hier, uit onderscheidene tumuli germaansche lijkurnen opgegraven.
Het wapen van Rijsbergen is van azuur (blaauw), met een keper vergezeld van drie leliën, alles van goud.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Rijsbergen