Poortvliet, heerl. op het eiland Tholen, prov. Zeeland, arr. en distr. Zierikzee , kant. Tholen, gem. Poorlvliet-en-Nieuw-Strijen; palende N. aan de schorren gelegen aan de Krabbekreek en aan de heerl. Vrijbergen, O. aan de jurisdictie van Tholen, Z. O. aan de heerl. Nieuw-Strijen, Z. aan de heerl. Scherpenisse, W. aan Scherpenisse, St. Maartensdijk en St. Annaland.
Deze heerl. bestaat uit de polders: Polder-van-Poortvliet, den Priestermeet-polder, den Baarsdijksche-polder, den Bartelmeet-polder, den Smaalzie-polder en Malland, benevens een gedeelte van den Pluimpot.
Zij bevat het d. Poortvliet, de geh. het Oude-Kerkhof en de Rand, benevens eenige verstrooid liggende huizen. Men telt er 156 h., bewoond door 230 huisgez., uitmakende eene bevolking van 1190 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden.
De Herv., die er 1150 in getal zijn, maken, met de overige uit de burg. gem. Poortvliet-en-Nieuw-Strijen eene gem. uit, welke tot de klass. van Zierikzee, ring van Tholen, behoort, en 1270 zielen telt, onder welke ruim 800 Ledematen. De eerste, die hier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Albertus Herco, Kenno of Benno, die er reeds lang vóór 1581 moet gestaan hebben, en in 1583 opgevolgd werd door Thomas Reegerboom of Rageboom. Onder de later hier beroepen zijnde Predikanten vinden wij ook vermeld de bekende Nederlandsche Dichter Bernardus Bosch, Oud-Predikant van Diemen, die er des 16 Mei 1790 beroepen werd, maar welk beroep, uithoofde van 's mans bekende patriottische gevoelens en daden, op bevel van Heeren Gecommitteerde Raden, eerst geschorst en vervolgens geheel te niet gedaan werd.
De R. K., van welke men er 40 aantreft, worden tot de stat. van Tholen gerekend. — Hen heeft in deze heerl. eene school, welke gemiddeld door een getal van 150 leerlingen bezocht wordt.
Onder de voorregten, waarop deze heerl. en hare opgezetenen boogden, behoorde eertijds, dat Filips van Bourgondië haar den 22 October 1462 beloofde nimmer van de grafelijkheid te zullen vervreemden, in het hooge of lage, door gifte of bij koop, in eigendom of ter leen in eenigerlei maniere, vermits de Poortvlieters van ouden tijd af, wanneer de Graven van Holland in wapening te velde lagen, de gewoonte hadden en van regtswege gehouden waren, voor hunne tent als poorters en lijfwachten te waken. Of hiervan de naam Poortvliet zijnen oorsprong neemt is echter niet zeker. Zulk een voorregft was in 1462 gegeven of misschien voor geld gekocht, en in 1511 klaagden de Staten van Zeeland, bij eene acte,van consent, dat Jeronymus Laurin, Ridder, Ontvanger van Oost-Vlaanderen, Heer van Watervliet, Waterland, Waterdijk en Nieuwvliet, in 1509 overleden, deze heerlijkheid tot zeer cleenen prijse jegens den Coninc van Castillien gecocht hadde, en dit bij, Thesaurier-Generaal van den Aartshertog zijnde, had geweigerd het volle schot daarvan in de rekening Beoosten-Schelde te laten korten. Deze klagten schijnen invloed te hebben gehad, althans men vindt van geene opvolgers in dit heerlijke goed meer gewaagd; misschien heeft de leenvolger van opgemelden Laurin afstand van dit leen gedaan, of wel is het, bij gebrek aan bekwaam oir, aan den Graaf teruggekeerd. Dan, kon men het ambacht niet vervreemden, men waande regt te hebben, om zulks alle onderdeelen te mogen doen, als: Molens, Visscheriën, Dijkzettingen, Swanendrift, Vogelriën, Vlastienden en Derrinctienden, gelijk die meestal bij Heer Dirkcje van die Werve, als goed leen zijn bezeten geweest, en beleende het ambacht. Gevolgelijk bleef voor den Graaf weinig meer dan den naam en dat dit laatste zoo was blijkt, dewijl er nog jaarlijks door den Lande betaald worden de renten van kapitalen, daarop oudtijds geligt, die, na aftrek der honderste penningen, nog een honderd gulden bedragen, welke aan drie onderscheidene eigenaren behooren.
Het gemeenebest was naauwelijks gevestigd en de oorlog van dezen oord afgewend, of daar werd in overleg genomen om Poortvliet te verkoopen. De inwoners van Poortvliet dienden echter hier tegen een vertoog in op den 8 December 1627, welk vertoog dien ingang schijnt te hebben gevonden, dat voor eerst die koop geen plaats had. Dan de begeerte tot verkoop bleef levendig, zoodat die zaak, den 18 Junij 1639, wederom ter staatsvergadering in overweging werd genomen, maar ook terstond, als strijdig met bovengemeld privilegie van 22 October 1468, verworpen, ten minste werd et niets op besloten. Na verloop van vele jaren kwam dia oude voorslag weder te voorschijn, wanneer den 4 Maart 1681, bij de beschrijving der staatsleden, het tweede punt behelsde, om, onder andere grafelijke domeinen ook de heerlijkheid van Poortvliet te verkoopen, waarop evenwel weder geen gevolg gevonden wordt. Hel bleef zoo tot dat de oorlog, welke in 1702 een aanvang nam, den staat der geldmiddelen welhaast in verwarring bragt; daar de wanorde in staats- en burgerbestuur uit het overlijden des Konings van Engeland, Stadhouder dezer gewesten, voortgekomen, het hunne zullen hebben toegebragt: de nood vorderde, dat den 14 Julij 1704, bij ‘s Lands Staten werd vastgesteld om uit ‘s lands domeinen te verkoopen een groote partie van Schorren en Gorzen, Thienden, Landen, Dijckettingen, Veren en Visscheriën alsmede Ambachts-Heerlijckheden etc. Vervolgen» werd deze heerlijkheid geveild voor een goed en onversterffelijke Zeeuwsch Erfleen. Men moet veronderstellen, dat de verkoop toen geen voortgang had, en die eerst ten jare 1706, zijn beslag kreeg, wanneer de kooper ook het middelbare nevens het lage regtsgebied is afgestaan en besproken dat de hooge jurisdictie moest komen aan den Magistraat van Tholen. Zijnde de kooper toen geweest de Heer Jacob de Jong, Pensionaris van Brielle, die de heerlijkheid nagelaten heeft aan zijnen zoon den Heer Cornelis de Jong, Ontvanger-Generaal van de Unie, en deze weder aan zijne dochter Jonkvrouw Cornelia Matia de Jong, die in huwelyk trad met Jonker Adolf Julius Baron van Huffel tot Verburg, Landdrost van Zalland enz., en bij overlijden dit heerlijk goed achter liet; waarna deze heerlijkheid, ten jare 1766, door koop overgedragen werd aan de Heeren Christoffel Gaaswijk en Josias de Jonge, beide in het Thoolsche eiland gezeten, voor eene som van 28,800 gulden. Later moet deze heerl. echter uit het geslacht Van Gaaswijk, geheel aan dat van De Jonge gekomen zijn, zijnde nog voor eenige jaren daarvan eigenaars geweest de Heer J. de Jonge en Mejufvrouw C. de Jonge, beide woonacgtig te Poooortvliet. Thans wordt de heerl. Poortvliet bezeten door den Heer Tak, woonachtig te Middelburg.
Deze heerlijkheid behoorde onder die goederen, welke ten lijftogt moesten strekken aan de rampspoedige Gravin Jacoba van Beijeren, wanneer zij, ten jare 1433, haar gezag geheel aan eenen ontaarden bloedverwant moest overlaten.
Het d. Poortvliet, oudtijds Poertvliet en Poirtvliet, ligt 4 u. Z. O. van Zierikzee, 1¼ u. W. N. W. van Tholen. De klinkerweg van Tholen naar Gorishoek loopt er door, doch is in het dorp met keisteenen. Het d. is vrij groot en goed bebouwd, ter wederzijden van dien weg en daardoor van eene aanmerkelijke lengte; het ligt eenigzins hooger dan de omtrek en heeft ten W. eenen hoogen viedberg. Men telt er in de kom van het d. 90 h. en 700 inw.
Poortvliet plagt oudtijds een eiland te zjjn. In den jare 1274, was dit eiland nog door een vrij breed water van Tholen afgescheiden, en zelfs in het jaar 1420 wordt het nog zoo afgebeeld gevonden. Door wederzijdsche aandijkingen zijn deze eilanden, in latere tijden ten Westen, en wel, in het jaar 1656, door het overdijken van den Pluimpot met de heerlijkheden St. Maartensdijk en St. Annaland gehecht.
Dat Poortvliet op eenen hoogen ouderdom mag roemen is onbetwistbaar. Het eerst, dat men met zekerheid van deze plaats gewaagd vindt, is omtrent den jare 1204, wanneer Hugo van Voorn, een magtig Ridder, Graaf Willem I de heerschappij in Zeeland durfde betwisten, hier eene sterkte maakte, om zich tegen den Landheer te verzetten. In geheel den verderen loop der dertiende eeuw ontmoet men niets, dat in het bijzonder op dit ambacht toe te passen is, dan alleenlijk dat Graaf Floris V, in den jare 1230 daaraan tolvrijheïd verleende, en dat voorregt door volgende Graven tot viermaal toe is bevestigd geworden, als in het jaar 1306, op 8t. Catelijnenavond des jaars 1340, den 20 Maart 1346 en op St. Jansdag 1356.
Het was den 11 November 1319, dat Willem III, Graaf van Holland aan zijnen broeder Jan, Heer van Beaumont, zijne renten in dit ambacht overgaf. Deze in het Thoolsche land reeds aanmerkelijk gegoed, verkreeg daardoor nog meer magt en aanzien.
Daar nu hier, dan daar, door aaadijken, meer land gewonnen werd, kon het niet missen, of er moesten over het dijkregt, en wat daartoe behoorde, tusschen ingelanden, van tegen elkander gelegen polders telkens twist ontstaan, die niet, dan door hoog gezag konde gestild worden, waaruit zal voortgekomen zijn, dat evengemelde Graaf, den 20 April 1327, beval, dat alle, die geland waren in Janspolder-van-Steeland en in Heer-Hughen-polder bij Scherpenisse, wijl zij nitwaterden door Poortvliet, ook met die parochie de kosten moesten helpen dragen van sluizen en watergangen, dat is in het onderhond deelen, om die steeds bekwaam te doen zijn tot de dienst, waartoe zij geschikt waren.
Heer Bruijnsteen van Herwine was, om voorgewende of wezenlijke misdaden, balling verklaard, en dit diende Hertog Albrecht van Beijeren ten voorwendsel, om, den 20 Mei 1597, alle de goederen van dien Edelman in bezit te nemen, en, schaars van geld voorzien zijnde, dadelijk te verkoopen, gelijk hij deed omtrent de tienden in Malland en Poortvliet, aan Oede van Bergen, Vrouwe van St. Maartensdijk.
Den 2 Augustus 1408 bevestigde Hertog Albrecht van Beijeren, den Bastaard van Blois in de goederen, die hij van den Graaf van Blois had verkregen, te weten: twee molens in den ban van Poortvliet, die heede, visscherije ende zwanendrift in Poortvliet, den middeldijck met sinen toebehooren in Poirtvliet, 74 gemeten landt in alrehande stucken in Poirtvliet; dat huys te Tholen enz.
Hertog Albrechts zoon en opvolger Willem van Beijeren gedoogde, dat zijn Rentmeester Beoosten-Schelde, in het jaar 1411, op St. Jacobsdag, verkocht aan Heer Daniel Vylen den dijck die men heet den Nieuwen-Dyck — jegens den Pallanschen-wech.
Men gist, niet zonder grond, dat Poortvliet oudtijds eene zeehaven geweest is; want toen de Staten van Holland en Zeeland, ten jare 1458, besloten, hare vrije vaart en koophandel tegen de Oosterlingen te beschermen, en te dien einde eene vloot toe te rusten, waartoe alle zeesteden en plaatsen, naar mate hun handel en vermogen geschat werden, het hunne moesten opbrengen, werd deze heerlijkheid den last opgelegd, om een oorlogschip te leveren.
Poortvliet had van ouds en heeft nog een Regthuis, zijnde een klein oud gebouw, kenbaar aan zijne bouworde en pui met trappen, en prijkende op de borstwering met een schild vastgehouden door twee leeuwen, die het wapen der provincie en heerlijkheid vertoonen. In de eigenlijke regtkamer vindt men eene uitvoerige kavelkaart der heerlijkheid, welke er sorgvuldig bewaard wordt en onder eenige schilderstukken is er ééne, waarvan in de dorpsrekening des jaars 1617, het, volgende gevonden wordt: Betaelt Tobias Manteau, die betaalt heeft aen den Schilder te Antwerpen voor de const ende ’t leveren van een nieuw tafereel van de onrechtveerdige Rechter dye by den Conimck Canbises gejusticeart wert, ter saecken van 't «nreehtveerdig vonnis bij hem vuytgetpreken. D'welk gecost heeft met licenten ende oncosten van dyen te samen XI pond, I schell. De tjjd, wanneer dit Regthuis gesticht zoude wezen, is niet zeker te bepalen. Zeer waarschijnlijk kan zijn aanwezen reeds drie eeuwen bereiken; een. geschilderd wapen der heerlijkheid daar te vinden, draagt het jaartal 1550. Een ander geschilderd bord, voor een overblijfsel der Rethorijkerskamer gehouden, verbeeldt de H. Catharina, met eenige bijsieraden en de zinspreuk: Wt rechter minne, met het jaartal 1542, boven welke de woorden: Net spe nec metu., - beduidende: noch door hoop, noch door vrees.
De kerk werd vóór de Reformatie door eenen Pastoor en Kapellaan bediend. In deze kerk waren twee vikarijen gevestigd, als: ééne aan den H. Judocus en ééne aan het altaar van de. H. Maagd Maria. Deze kerk is een ruim gebouw, zijnde eene krniskerk geweest, waar van het koorpand en het halve linker zijpand is afgebroken. Zij is, in de Nederlandsche beroerten of in het begin van den Spaanschen oorlog, waarschijnlijk afgebrand, ten minste verwoest, zoo dat men van zijnen ouden stand slechts gissen kan, dat het aan uit- en inwendige schoonheden niet zal ontbroken hebben. Door den Heer Abraham Dumont, Koopman te Amsterdam, en zijne echtgenoot Cornelia Jacoba Gaaswijk, die des zomers hier hun buitenverblijf hielden, is, in het jaar 1806, aan de kerk dezer gemeente een fraai orgel ten geschenke gegeven. Da toren is vrij zwaar en hoog, zijnde de onderste helft vierkant en de bovenste helft achtkant met uurwerk en kort spits dak, in het jaar 1829 is deze kerk aanmerkelijk hersteld, waartoe ook uit het fonds van noodlijdende kerken eene som van 300 guld. verstrekt is. Eene weldenkende vrouw, Janneken Smallaerts, heeft, naar men gist in het jaar 1650, aan de zuidzijde der kerk, op eigen kosten, eenen regenbak doen metselen, waaruit nog de geheele gemeente van regenwater voorzien wordt; terwijl de gedachtenis van deze christelijke daad in een opschrift, boven dien put of bak gesteld, bewaard wordt.
De in 1834 gebouwde school is een sieraad van het dorp.
Poortvliet is de geboorteplaats van de Godgeleerde Willem Anthonisz van Poortvliet, † 1 October 1514, als Kanunnik van St. Pieterskerk, te Leuven. Het is zeker, dat de ontzettende watervloeden, die de zestiende eeuw bijzonder kenmerken, ook hier diepe wonden achterlieten; dan, men vindt geene aanteekeningen daarvan, dan alleen dat door den vloed van het jaar 1532 aan dijken en door overstroonaingen groote schade geleden werd.
Een watervloed schijnt deze heerlijkheid den 22 September 1671, geheel of ten deele overstroomd te hebben , althans den 31 October des zelfden jaars werd ter dier oorzake aan de gelanden voor vijf jaren vrijdom vergund van den hondersten penning op de huizen, landen, tienden, dijkettingen, hoorngeld en bezaaide gemeten, ten einde daardoor zich van deze ramp te kunnen herstellen.
Het wapen dezer heerl. is een veld van goud, met vier leeuwen van keel (rood) en sabel (zwart), zijnde die van Holland en Henegouwen overhoeks geplaatst; door het midden loopt een pal (staande balk) van zilver , beladen met drie golvende pals van azuur (blaauw).

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Poortvliet