Oudenbosch, gem. in het marktgr. van Bergen-op-Zoom, prov. Noord-Braband, Vierde distr., arr. Breda, kant. Oudenbosch, (13 k. d., 17 m. k., 7 s. d.); palende N. aan de Mark, die haar van de gem. Stand-daar-buiten scheidt, O. aan Hoeven-en-St.-Maartens-polder, Z. aan Rucphen-Vorenseinde-en-Sprundel en aan Oud-en-Nïeuw-Gastel, W. aan Oud-en-Nieuw-Gastel.
Deze gem. bevat het vl.: Oudenbosch, met de buurten Kalishoek en Moleneind, benevens de geh. Bosschedijk, Galgstraat en een gedeelte van het geh. Bosschehoofd. Zij beslaat, volgens het kadaster 1176 bund. 23 v. r., 28 v. ell., waaronder 1129 bund. 67 v. r. 9 v. ell,, belastbare grond, telt 481 h , bewoond door 532 huisgez., uitmakende eene bevolking van 2640 inw., die eenen aanzienlijken handel, vooral in graan, drijven en veel rijshout naar Zeeland verzenden. Ook heeft men er schoone boomkweekerijen, 4 bierbrouwerijen, 1 mouterij, 2 grutterijen; 6 leerlooijerijen, 1 scheepstimmerwerf, 1 touwslagerij, 1 graan- en 2 oliemolens, onder welks laatste 1 rosmolen.
De Roomsch-Katholijken, welke er ruim 2500 in getal zijn, maken eene parochie uit, welke tot het apost. vic. van Breda, dek, van Bergen-op-Zoom behoort, en door eenen Pastoor en twee kapellaans bediend wordt.
De Hervormden, die er 110 in getal zijn, behooren tot de gem. van Oudenbosch-Rucphen en de Hoeven. De 16 Israëliten, die men er aantreft, worden tot de ringsynagoge van Rosendaal gerekend. — Men heeft in deze gem. eene school.
Het vlek Oudenbosch, vroeger Ouden-Baarle-Bosch, en in de omstreken veelal Den Bosch geheeten, ligt 4 u. W. van Breda, 4 u. O. N. O. van Bergen-op-Zoom, aan een beekje, hetwelk uit de veenen bij Rucphen ontspringende, aldaar bevaarbaar wordt, tot in de Markstroom, gelijk ook binnen de plaats, eene zeer bekwame havenkom is. Deze haven, welke 1880 ellen lang is, werd in het jaar 1829 tot 2,55 ell., onder A. P. uitgediept. Zij dient niet alleen tot de scheepvaart, maar ook tot afwatering; van een gedeelte der Oude-en-Nieuwe-Landen-van-den-Oudenbosch, en, hoewel in geringe mate, ook voor een gedeelte van den Gastelsche-polder, alsmede tot suatie van de zoogenaamde Boterpatten en andere landen, ten Zuiden en Zuidwesten van den Oudenbosch, welker zomerpeilen omstreeks 0,30 ell. onder A. P. gelegen zijn. De sluis, gelegen aan de Westzijde van het boveneinde der haven, tot uitwatering dier Boterpotten enz. verstrekkende, wijd 1,57 ell. en van eene drijfdeur voorzien, diende, vóór de digting van de rivier de Mark-en-Dintel, ook tevens tot spuijing van de haven-van den Oudenbosch, ten welken einde daarin eene schuif gevonden wordt, en binnen de Oudc-en-Nieuwe-landen-van-den-Oudenbosch een groote boezem, waarin het vloedwater tijdelijk geborgen werd. Bij het, in 1795 of 1794, aanleggen van batterijen, aan het einde der haven, nu nog de Schans geheeten, welke in 1831 weder opgemaakt zijn, heeft men vele en zware fondamenten van oude gebouwen, op drie tot drie en een halve ell. onder de tegenwoordige buitengronden, aangetroffen, men vermoedt, dat hier, in vroeger tijd, het stadje de Nieuwen-Bosch zal hebben gestaan. Men telt in de kom der gem. Oudenbosch vijf bebouwde straten, behalve eenige steegjes, zijnde de hoofdstraat aanzienlijk breed en met vele deftige gebouwen voorzien. Van deze plaats loopt een smalle klinkerweg, in eene zuid-zuidoostelijke rigting, naar den grootenweg tusschen Breda en Bergen-op-Zoom.
Het houtgewas groeit er in den omtrek overvloedig, waarom de plaats van de daarbij zijnde bosschen haren naam zal ontleend-hebben.
Men heeft er een net Gemeentehuis, een Distributiekantoor voor de brievenposterij, eene Bank van Leening en eene wekelijksche Markt.
De kermis valt in op den eersten Zondag na den 15 Augustus, en de paardenmarkt den 18 Maart.
De Roomsch-Katholijke kerk, aan de H. Agatha toegewijd, is een ruim oud, doch goed kruisgebouw, hebbende op het dak een spits kloktorentje. De kerktoren is kort en smal met een laag puntig dak. Deze kerk staat bijna op zich zelve, ten Oosten buiten het vlek, op een kerkpleintje met enkele boomen en huizen omringd. Zij was, sedert de Reformatie bij de Hervormden in bezit, doch is in het jaar 1799 weder aan de Roomsch-Katholijken overgegaan.
Sedert de terugkeer der parochiekerk aan de R. K. was de Herv. gemeente van eene geschikte plaats ter godsdienstoefening verstoken. Voorloopig werd hun, in het jaar 1804, het voormalige woonhuis der R. K. Geestelijken, ter bewoning voor den Predikant en tot het houden van hunne godsdienstoefeningen, aangewezen; welke aanwijzing Koning Lodewijk, in het jaar 1807, in eene bepaalde overgifte veranderde, en daarbij, in het jaar 1809, de toezegging voegde eener som, genoegzaam tot bouwing van eene kerk. Daar echter genoemde Vorst zijnen troon en ons Vaderland verliet, alvorens deze som geheel was uitbetaald, moest de gemeente zich blijven vergenoegen, hare godsdienst in gezegde predikantswoning te kunnen uitoefenen, tot in het jaar 1819, toen de tegenwoordige kerk gebouwd is, welke den 17 October van dat jaar werd ingewijd. Deze kerk is een eenvoudig, net, vierkant gebouw, hebbende met groote letters het jaartal MDCCCIX in den gevel en een koepeltorentje op het stomp toeloopend dak. Vóór den ingang is een ijzeren hek. In het jaar 1837 werd, door een der gemeenteleden, een fraai en kostbaar zilveren doopvont aan deze kerk ten geschenke gegeven.
Er is aldaar mede een klein Seminarium voor het R. K. vicariaat van Breda, waarin door zeven docenten aan ongeveer honderd Studenten onderwijs gegeven wordt. Het is eene afdeeling van het groot seminarium te Hoeven, in een nieuw en deftig gebouw, dat in dit jaar (1846) eerst betrokken is. Ook zijn er een Instituut voor het lager onderwijs onder de broeders van den H. Aloysius met 140 leerlingen, en eene Kostschool voor meisjes, bestuurd door Zusters van liefde.
Oudenbosch is de geboorteplaats van Adrianus de Vetri Busco of Adrianus van den Oudenbosch, die in de vijftiende eeuw, onder anderen, eene kronijk van Luik (Chronicon Leodiense) geschreven heeft. Hij overleed vermoedelijk in 1483.
Sedert het jaar 1421 was het veer of de gewone overvaart tusschen Holland en Braband van hier op Dordrecht, en er was hier ter plaatse een veerdam of hoofd gelegd, doch door de aanslibbing der gronden en het bedijken van den pold. van Stand-daar-buiten, was dit veer zoo moeijelijk geworden, dat de Staten in 1500 genoodzaakt waren, het naar eene andere plaats te doen verleggen.
In het jaar 1747 was op de heide, zuidwaarts van den Oudenbosch, de legerplaats der Staatsche troepen, onder het bevel van den Generaal Baron van Schwartsenberg, bij welke gelegenheid Willem IV, Prins van Oranje, als Stadhouder, de wapenschouwing deed en binnen deze plaats eenige dagen zijn hoofdkwartier hield. Ook bleven deze troepen daar liggen, gedurende het beleg van Bergen-op-Zoom door de Franschen, uit welke legerplaats telkens, voor en na, eenige versterking aan het kleine leger, achter de linie van Bergen, werd toegezonden. Ter zelfder tijd werd deze plaats met; eenen Wal, hoewel eeniglijk met fascinen (takkebosschen) toegesteld, omringd en versterkt, om tegen eenen onverhoedschen aanval gedekt te zijn, waardoor dit vlek eenigermate de gedaante eener stad bekwam, over welke de Generaal Graaf van Lillens, als Kommandant; het bevel voerde; dan f na den gesloten vrede te Aken, in het jaar 1748, is alles weder geslecht geworden.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Oudenbosch