Oostende, oude heerl. in het eil. Zuid-Beveland, prov. Zeeland, thans grootendeels door de wateren verzwolgen.
Het geringe overschot er van is, even als dat van Vinninge, vereenigd met Hoedekenskerke, en wordt tegelijk met deze bezeten door den Heer W. A. de Laat de Kanter, te Goes.
Het aanzienlijk geslacht Van Oostende, Van Oystende, ook wel De Vrieze van Oostende geheeten, had er zijnen naam van en komt van ]2ö7 tot in de zestiende eeuw veelvuldig voor. Reeds in de elfde eeuw waren de Ridders van dien naam beroemd, terwijl het hermelijn in het wapen door eene hertogsmuts gedekt, van hunne hooge herkomst getuigt. Met den tijd werden hunne bezittingen gesplitst en kwamen deze ook gedeeltelijk in andere familien.
Het slot Oostende, waarbij eene kerk stond, had zijnen naam van zijne ligging op de oostzijde van Oost-Baarland. Het was een der oudste Riddervcrblijven in dezen oord, doch de plaats, waar het stond, is thans niet meer te vinden. De kerk lag aan de oostzijde van den Oude-Vreeland-polder, en is desgelijks verdwenen (zie J. Ab Utrecht Dresselhuis, WanMingen door Noord en Zuid-Beveland, bl. 177 en 178).
Het wapen was van zilver, met negen hermelijnen, staande vijf en vier; hebbende een hoofdstuk van keel (rood), beladen met een lambel met drie pendanten van azuur (blaauw).
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Oostende