Nieuwland, voorm. d. in de heerl. Nieuwlande, in het eil. Zuid-Beveland, prov. Zeeland, hetwelk op 5 November 1530 door den watervloed verzwolgen is.
De grondslagen der kerk en huizen zijn, bij laag water, duidelijk op het verdronken land van Zuid-Beveland te zien, en zijn gelegen op een half uur gaans van den Oostdijk en dijk van den Nieuwlande-polder, wordende er nog heele gebakken steenen daarvan gebruikt, waarvan verscheidene woningen in dezen omtrek gebouwd zijn.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Nieuwlande