Niervaart, heerl., prov. Noord-Braband, arr, Breda, kant. Zevenbergen; palende N. aan het Hollands-diep, O. aan Hooge-en Lage-Zwaluwe en Zevenbergen, Z. aan Zevenbergen en Standaar-buiten, W. aan de Willemstad en Fijnaart.
Deze heerl. wordt ook wel, ofschoon ten onregte, de heerl. De Klundert geheeten, naar het stadje van dien naam, dat er in gelegen is.
Zij bestaat uit den Grooten-Polder, den pold. Zandberg-en-Nieuwendijk, het Landeke-van-Hoogstraten, het Kwistgeld, den Losecaats-polder, de Keensche-gorzen, den Polder-van-Bloemendaal, den Mancia-Winter-polder, het Westlandeke, den Lokkers-polder, den Nassau-polder en den Aremberger-polders. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 3326 bund. 5 v. r. 28 v. ell., alles belastbaar land Men telt er 365 h., bewoond door 492 huisgez., uitmakende eene bevolking van 2670 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw.
Eenigen, die de Roode-vaart de rivier de Nier noemen, willen de oorsprong des naams hierin zoeken. Gemakkelijker schijnt echter de afleiding, indien men, met anderen, deze vaart houde voor eene nieuw gedolvene gracht, die zij Nieuwe-vaart noemen.
Niervaart was van ouds eene schoone heerlijkheid en dorp, met dubbele straten bebouwd. Ook had het een slot en eene fraaije kerk. In oude tijden waren de groote schepen verpligt hunnen weg langs dit dorp te nemen, welke doortogt hier eenen bloeijenden koophandel te weeg bragt, hetgeen deze plaats zoo welvarende maakte, dat men er wel zeven herbergen had, waar men wijn tapte. De Heeren van Strijen hadden hier het regt om zeker roeigeld of tol te vorderen, hetwelk hun, onder de regering van Willem van Henegouwen, Graaf van Holland, door die van Dordrecht betwist, maar, volgens de uitspraak van dien Vorst, toegewezen werd. De Graven van Holland hadden hier mede hunnen tol. In 1420 ontstond in dit dorp een zware brand, waardoor het te niet raakte. Later echter weder eenigzins opgekomen zijnde, werd het de Klundert geheeten, Zie dat woord.
De heerl. van Niervaart werd van die van Strijen afgescheiden, na dat er verschil ontstaan was over de opvolging of inbezitneming dezer landen, tusschen Zweder van Abcoude, Heer van Gaesbeek, Putten en Strijen, en Jan van Polanen, Heer van de Leck en van Breda, en zijnen zoon Jan van de Leck. Deze laatste, geboren uit Oda, dochter van Willem van Horne, Heer van Gaasbeek, en van Oda, Vrouwe van Putten en Strijen, schijnt regt gehad te hebben tot deze heerlijkheid, uithoofde van erfenis uit de nalatenschap zijner oudmoeijen, Beatrix en Alijd van Putten en Strijen, die in den jare 1363 op hem, en zijne zusters, was vervallen. Dit geschil, verbleven aan Diederik van Horne , Heer van Perweis, en aan Diederik van Horne, Heer van Horne en Altena, werd door hen uitgesproken ten voordeele van Jan van de Leck, die hierdoor de landen en heerlijkheden van Niervaart verkreeg. Hij droeg deze heerlijke goederen, in het jaar 1390, op aan Hertog Albrecht van Beijeren, en ontving ze weder van hem als een onsterfelijk erfleen. Na zijne dood en die van zijne vrouw, Odelia van Solms, die door hem met de heerlijkheid belijftogt was, kwam zij aan hunne dochter, Johanna van Polanen van de Leck, die naderhand in huwelijk trad met Engelbrecht van Nassau. Hierdoor kreeg de heerlijkheid gemeenschap met die van de baronie van Breda en den stamboom der Prinsen van Oranje. Bij de verdeeling der nalatenschap van Willem III, Koning van Groot-Brittanje, tusschen den Koning van Pruissen en den Prins van Oranje, werd zij in 1772 aan laatstgemelden Vorst toegedeeld, Thans, behoort zij tot de gedoteerde goederen van Prins Frederik der Nederlanden, ingevolge de wet van 25 Mei 1816.
Niervaart werd door den St. Elizabethsvloed van het jaar 1421 een eiland in den verdronken Zuidhollandsche waard, hetwelk, door aanslibbing, met den zuidwal vereenigd is; terwijl een ander klein gedeelte aan den noord wal van het Hollands-diep, onder den naam van het Strijensche-sas bekend, vroeger ook tot de hcerl. Niervaart behoorde; doch dit maakt, sedert eenige jaren, eene afzonderlijke gem. uit.
Het wapen dezer heerl. is een veld van sabel (zwart) met drie St. Andrieskruisen van goud.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Niervaart.