Middelburg, gem. op het eil. Walcheren, prov. Zeeland, arr. en kant. Middelburg (1 m. k., 1 s. d); palende N. aan de gem. St. Laurens-en-Brigdamme, O. aan de gem. Kleverskerke en Arnemuiden-Nieuwerkerk-en-Mortiere, Z. aan de gem. Ritthem-Nieuw-Erve-en-Welsinge en Oost-en-West-Souburg, Z. W. aan de gem. Koudekerke, W. en N. W. aan de gem. Grijpskerke-Poppendamme-Buttinge-Zandvoort-en-Hoogelande.
Deze gem. bevat de stad Middelburg en het zoogenaamde buitengedeelte of stads-ambacht, bestaande uit de door de stad, in de jaren 1521, 1610 en 1719, aangekochte heerlijkheden of ambachten den Hayman, Noord-Munster, Mortiere of Oud-Arnemuiden en Poppenroede-Ambacht, welke, van de grafelijkheid verheven op de steenrol Bewesten-Schelde, achtervolgens ten name van een lid der Regering, als sterfelijk man, gesteld werden, en tot op de Fransche overheersching door een afzonderlijk bestuur, het Kollegie van Keurschepenen van Stads-Ambacht genaamd, zijn beheerd geworden. Volgens de verdeeling van het jaar 1808, bevat de gemeente 21 wijken , waarvan de zestien eerste (A tot Q) tot de binnenstad en de vijf overige (R tot V) tot het ambacht behooren. Zij beslaat, volgens de afsluiting van den kadastralen legger in het jaar 1840, eene uitgestrektheid van 1572 bund., en bevat in haren kadastralen omtrek 2966 belastbare en 158 onbelastbare gebouwen, onder welk eerste getal begrepen zijn 2656 woonhuizen. De bevolking , welke in vroegere tijden door onderscheidene schrijvers, voor de stad alleen, wel op 28,000 zielen geschat is, en bij de volkstelling van 1798 nog 20,146 zielen bedroeg, bestaat, volgens den staat daarvan, op ultimo December 1832 opgemaakt, uit 15,892 ingezetenen, waarvan 7,119 van het mannelijke en 8,773 van het vrouwelijke geslacht.
De gem. Middelburg bezit, behalve eene katoenweverij en meestoof, geene groote werkfabrijken, welke eene bijzondere vermelding verdienen, ten ware men daaronder nog zoude rangschikken: 1 azijnmakerij, 3 bierbrouwerijen, 5 chocolaadfabrijken , 2 leerlooierijen, 2 passementfabrijken, 2 saaijetspinnerijen, 2 touwslagerijen, 1 linnenweverij, 1 zeepziederij, 2 zoutkeeten, koren- en zaagmolens, 1 oliemolen, welke door stoom gedreven wordt enz. Haar voornaamste bestaan vond zij in vroegere jaren in den handel op meest al de bekende oorden der wereld , en droeg tot hare welvaart niet weinig bij, de binnen hare muren zoo zeer bloeijende kamer der Oostindische Compagnie, met hare aanzienlijke scheepstimmerwerven. Dan, deze welvaart is, ten gevolge der elkander opgevolgde tijdsomstandigheden, verdwenen; slechts blijft haar overig het vertier van ettelijke vermogende personen, welke er met hunne huisgezinnen wonen, en een zeer gering aandeel in de bevrachtingen der handelmaatschappij, bestaande het aantal daar te huis behoorende oostindievaarders thans (October 1843), uit 5 fregatten en 3 barkschepen, allen gebouwd op de oostindische commerciewerf. De scheepvaart is gering, zoodat in 1844 zijn ingeklaard 36, uitgeklaard 41 zeeschepen. Buiten de stad leven de meeste inwoners van den landbouw.
De Hervormden, die er ruim 12,800 in getal zijn, onder welke ongeveer 6000 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. en ring van Middelburg behoort, en vroeger twaalf, van 1774—1794 zelfs dertien, Leeraars telde, doch thans nog slechts door zeven Predikanten bediend wordt. De eerste, dien wij hier als Hervormd Leeraar vermeld vinden, is Gelein Jansz. d'Hoorne, die zich, om de gemeente niet lastig te vallen, met schoenmaken onderhield, doch anders een geleerd man was, en reeds in het jaar 1563 als Predikaat de gem. Middelburg heeft bediend, doch toen alleen in stilte, en zoodra het ontdekt werd, niet zonder tegenstand der stads overheid, tot dat men eindelijk overeenkwam, dat de Roomschen binnen, en de Onroomschen buiten de stad zouden prediken, dat tot in 1567 heeft volgehouden, toen de openbare dienst door de Heeren van de wet, op aanschrijven der Aarts-Hertogin-Gouvernante, gestuit en Gelein Jansz., benevens Petrus Datrenus en andere Leeraren, die hun in dit werk de behulpzame hand geboden hadden, verbannen werden. Doch na het overgaan der stad aan der Staten zijde, in het jaar 1574, bekwam alles weder eene andere gedaante en is de Hervorming zoodanig doorgedrongen, dat genoegzaam alle inwoners de R. K. godsdienst verlieten. De eerste, die toen het leeraarambt in deze gem. heeft waargenomen, is geweest de gemelde Gelein Jansz. d'Hoorne, die in bet jaar 1574 herwaarts terugkwam, en in het jaar 1575 overleed. De eerste tweede Leeraar is geweest Casparus van der Heyden, die in het jaar 1574 herwaarts kwam, en, in het jaar 1579 naar Antwerpen vertrok. De eerste derde Leeraar is geweest Johannes Boreel, die in liet jaar 1576 herwaarts kwam, en in het jaar 1577 overleed. De eerste vierde Leeraar is geweest Jacobus Kimedoncius, die in het jaar 1585 herwaarts kwam, en in het jaar 1588 naar Heidelberg vertrok. De eerste vijfde Leeraar is geweest Johannes Hizenbach of Johannes de Jonge, beide vervulden eerst elk eene halve dienst ; doch later beide ook eene geheele; eerst vermelde werd in eene halve dienst bevestigd in 1582 en overleed in 1615; de laatstgemelde, in eene halve dienst bevestigd in 1586, overleed in 1616. De eerste zesde Leeraar is geweest Johannes Jacobs Verpoorten, die in het jaar 1589 herwaarts kwam, en in het jaar l591 overleed. De eerste zevende Leeraar is geweest Henricus Heininger, die in het jaar 1597 hier kwam, en in het jaar 1612 overleed. De eerste achtste Leeraar is geweest Antonius van den Berge, die in het jaar 1597 herwaarts beroepen werd, en in het jaar 1633 overleed. De eerste negende Leeraar is geweest Hermannus Faukelius, die in het jaar 1599 hier kwam , en in het jaar 1625 overleed. De eerste tiende Leeraar is geweest Johannes de Mey, die in het jaar 1650 herwaarts kwam, en in het jaar 1678 overleed. De eerste elfde Leraar is geweest Petrus Coorne, die in het jaar 1661 beroepen werd, en in het jaar 1676 overleed. De eerste twaalfde Leeraar is geweest Daniel Hoornbeek, die in het jaar 1667 hier kwam, en in het jaar 1702 Emeritus werd. Bij deze twaalf Predikanten heeft de Regering den 13 April 1748, besloten een vasten Proponent aan te stellen: vervolgens, namelijk in 1773, den toenmaligen Proponent overleden zijnde, is in plaats van dezen aangesteld een Stads-Predikant. De laatste Stads-Predikant Jacobus Cremer, in 1783 herwaarts gekomen en in 1797 overleden zijnde, is zijne plaats niet meer vervuld. Den 17 Junij 1805 is het getal der Predikanten verminderd op tien; den 31 December 1807 verminderd op negen; den 31 Maart 1809 verminderd op acht, en den 51 December 1814 verminderd op zeven. Van de menigvuldige mannen van naam welke, hier het leeraarambt hebben waargenomen, vergenoegen wij ons op te geven, de geleerde Hermanus Fauckelius, die er in het begin der zeventiende eeuw, stond en de geschiedkundige Adrianus 's Gravezande, uit bet laatst der achttiende eeuw.
In het jaar 1676 ontstonden er hevige onlusten in deze gem. Het collegium qualificatum, bij hetwelk destijds de beroeping geschiedt, beriep tot Predikant der gemeente Willem Momma, Hoogleeraar te Ham, in het graafs. Mark, en de Regering benoemde hem tol Hoogleeraar der Godgeleerdheid, ter herstelling der aldaar toen aanmerkelijk vervallen kweekschool. Hiertegen kantte zich met kracht de klass. van Walcheren, hare bezwaren inbrengende eerst bij de Regering en vervolgens bij de Staten der Provincie; dit was tevergeefs. De Regering wilde, dat.Momma in de dienst openlijk, bevestigd zoude worden , hetgeen ook den 19 Julij des zelfden jaars geschiedde. Toen riep de klassis de hulp van den Stadhouder in, ten einde den hoog gestegen twist te vereffenen. De Stadhouder kwam, tegen het laatst van November te Middelburg, in der Staten vergadering, op welke zijn gezag zoo veel vermogt , dat men besloot Momna builen beroep te stellen. Ook werd de Prins door de Staten gemagtigd, om zulken, welke de voornaamste drijfveeren der beroeping van dien Predikant geweest waren, te straffen, met ontzetting van hunne posten of met schorsing in het waarnemen daarvan. Welhaast volgde de uitvoering; de regering en ook de krijgsraad werd veranderd. Momma werd op eene vereerende wijze ontslagen, en de Predikant vab der Waaijen, die in dit beroep voornamelijk de hand had gehad , afgezet en buiten de provincie gebannen. De eerstgcmelde, eene jaarwedde, naar men meent, uit de eigene goederen van den Stadhouder bekomen hebbende, leefde sedert dien tijd op eene fatsoenlijke wijze daarvan te Delft, tot in September van het jaar 1677, toen hij overleed. De andere ging als een ambteloos burger »onen in Amsterdam, zijne geboortestad, van waar hij, binnen den lijd van een jaar, op aanbeveling des Stadhouders van Friesland, Hendrik Casimir, die toen in openbare tweedragt leefde met Willem III, door de Staten dier provincie geroepen werd , tot het bekleeden van den Hoogleeraarspost in de Hebreeuwsche taal en in de Godgeleerdheid te Franeker, welke waardigheid hij met grooten roem tot in het jaar 1701, toen bij overleden is , bekleed beeft. Zijne gedachtenis wordt door eenen gedenkpenning levendig gehouden. Weinige jaren later, had men er in vollen gloed de geschillen wegens de Hattemisten, welke tot ongeveer 1716 duurde.
Men heeft hier ook eene Waalsche gemeente, welke tot de klass. en ring van Middelburg behoort. Sedert het jaar 1574 had men te Middelburg eene Waalsche-Gemeente, die evenwel eerst in 1577 in de Waalsche synode genoemd wordt. Er werd aanvankelijk slechts nu en dan gepredikt. Den 6 Junij 1574 werd het eerste Avondmaal gehouden. De gem. bestond meest uit oude soldaten, die zich hier vestigden. De consistorie bestond ook nog uit de zoodanige toen Jonkheer de Boisot, Admiraal van Walcheren, zich met hen vereenigde. Doch in 1582 vond men bij die gemeente al meerdere personen van hoogen rang. Reeds in 1575 waren er twee Predikanten, waarbij in 1598 een derde gekomen is. De eerste, die hier de dienst heeft waargenomen, is geweest Louis d'Outreleau, die van 1574 reeds werkzaam was. Hij predikte eerst voor de Waalsche soldalen, die Middelburg in 1572 en later belegerden en vervolgens, in het jaar 1574 bezetteden. In het jaar 1579 kwam de eerste gewone of vaste Predikant in deze gem., zijnde Lievin Massis, die in het jaar 1605 nog leefde. De eerste tweede Predikant was de reeds genoemde Louis d'Outreleau, die in bet jaar 1580 hier kwam, en er in het jaar 1602 nog stond terwijl Daniel de Niellis, in 1601, van Wesel ook herwaarts was gekomen, als eerste derde Predikant. Het beroep geschiedt door den kerkeraad. Onder de in deze gem. gediend hebbende Leeraren , was ook de door zijne geestdrijverij beruchten Jean de Libadie, die er in 1666 beroepen, doch later afgezet werd, waarna hij in 1674, in vierenzestigjarigen ouderdom, te Altona, overleed.
Die van de Engelsche gemeente, welke hier wonen, behooren tot de gem. van Middelburg-en-Vlissingen. Vroeger maakten de te Middelburg wonende Engelschen eene afzonderlijke gem. uit. Engelsche kooplieden hadden zich reeds in 1586 te Middelburg gevestigd, en het is vermoedelijk, dat er van toen af eene gemeente zal geweest zijn.
De Evangelisch-Lutherschen, van welke er hier 430 wonon, maken eene gem. uit , welke tot den ring van Rotterdam behoort, en vroeger door twee, thans slechts door eenen Leeraar bediend werd. Deze gemeente bestaat aldaar sedert het jaar 1588, als wanneer zij gesticht is, door de uit Antwerpen en andere plaatsen in Vlaanderen en Braband, om de vrijheid van geweten, gevlugten van die gezindte. De eerste, die deze gem. als Predikant bediend beeft, is geweest Mr. Johan Kersseler, die den 11 Augustus 1590 provisioneel en den 18 Februarij 1591 voor vast is aangenomen. De eerste, die als tweede Leeraar in deze gem. beroepen is, was Johannes Nicolaus Treisel, die in 1710 tot ambtgenoot van Hermanu Vast beroepen werd, en hier in 1741 overleed. Na het vertrek van Johan Nicolaus Damen, naar 's Gravenhage , in het jaar 1798, werd hier geen tweede Leeraar meer beroepen , maar moest de beroepene Willem Ferdinand Niemann, die in 1828 overleden is, alleen het leeraarambt waarnemen, zoo als er thans ook nog slechts een Predikant in die gem. gevonden wordt. Vroeger werd hier ook in het Hoogduitsch gepredikt, doch de laatste, die in deze taal de dienst waarnam, was Zacharias Feldman, die in het jaar 1785 overleed. Onder de in deze gem. gestaan hebbende Predikanten verdienen melding de Godgeleerde Theodorus de Hartogh, van 1729 tot 1735; de kundige en werkzame Christoffel Siedeberg, van 1785 lot 1796 en Johannes Nicolaas Damen van 1789 tut 1793. Het beroep geschiedt door den kerkeraad.
De Doopsgezinden, die er 120 in getal zijn, maken eene gem.uit, welke vroeger door twee Leeraren op kosten der gemeente bediend werd. In den beginne, nadat Middelburg aan der Staten zijde was overgegaan, hadden de Doopsgezinden aldaar vele moeijelijkheden te verduren; zoo poogde men in de lente van l578 de Leden dier gezindte, die zwarigheid maakten in het doen van den burgereed, omdat zij het eedzweren in het gemeen voor ongeoorloofd hielden, van het burgerregt te versteken of ten minste niet plegtiglijk tot burgers aan te nemen, doch de Prins had zich hiertegen zoo ernstig gekant, dat deze ophef voor dien tijd steken bleef. Hij beweerde » dat hun ja voor eed » eed te strekken had, en dat zij op dit stuk niet verder behoorde » gedrongen te worden , ten ware men wilde billijken , dat de Roomsch- » gezinden de Hervormden drongen tot het belijden van eene gods- » dienst, die met hun geweten streed." Doch nadat de Prins naar Braband vertrokken was werd de toeleg hervat. De Regeriüg vergde zelfs, dat zij gewapend de wacht zouden betrekken, of gebood hen anderzins hunne winkels te sluiten. Zij vertoonden hier tegen dat zij genegen waren alle schattingen te betalen, en zelfs wakers in hunne plaats te stellen; doch het mogt niet baten. Men scheen hun de stad te bang te willen maken. Zij keerden zich dan weder tot des Prins, die de Regering van Middelburg, op den 26 Julij, wel ernstig aanschreef en gelastte de Doopsgezinden , voor het weigeren van den eed en het wapenvoeren niet meer moeijelijk te vallen. De eerste, die als vaste Predikant hier gestaan heeft, is geweest Jan Winkelman, die er reeds voor het jaar 1649 was en in het jaar 1656 is overleden.
De Christelijke Afgescheidenen, van welken men er ongeveer 120 telt, hebben, in bet jaar 1841, vergunning bekomen tot het oprigten eener gemeente.
De Roomsch-Katholijken, van welke men er ruim 2000 aantreft, onder welken ruim 1000 Communikanten, maken eene stat. uit, welke tot het aartspr. van llolland-en-Zeeland, dek. van Zeeland, behoort, en door éénen Pastoor en eenen Kapellaan bediend wordt.
De Israëlieten, van welke er 380 zijn, maken eene ringsynagoge uit, welke tot het synagogaal ressort van Middelburg behoort.
Men heeft in deze gem. 14 middelbare en lagere scholen.
De stad Middelburg, oudtijds Middelburgh, hij sommigen ook Mittelberg, bij andere Metellusburg, in het Fr. Middelbourg en in het Lat. Medioburgum, ook wel Medium-Castrum, ligt ruim 32 u. Z. Z. W. van Amsterdam, 32 u. Z. van Haarlem, 13 u. W. van Bergen-op-Zoom, 11 u. N. W. van Gent, ruim 10 u. N. N. W. van Brugge, een groot u. N. O. van Vlissingen en weinig minder Z. W. van Veere, met welke beide laatste steden zij langs ruime en welbeplante straatwegen gemeenschap heeft; 51° 29' 59" N. B., 21° 16' 44" O. L., nagenoeg midden in het eiland Walcheren , daarom welligt Middelburg geheeten, als zijnde een burg midden op het eiland.
Zij is de zetel van bet Provinciaal bestuur en het Provinciaal Geregtshof van Zeeland. Ook bezit zij eene Arrondissements-Regtbank.
De eerste beginselen van Middelburg zijn, gelijk van vele andere steden onbekend. Sommige schrijvers, op de gelijkluidendheid der naam afgaande, willen de stichting aan den Romeinschen Veldheer Mettelus toekennen, maar op onredelijke gronden. Wij houden evenwel den Middelburg voor zeer oud en minstens uit de vijfde of zesde eeuw. Volgens sommiger gissing, is hij echter eerst omtrent het jaar 836, toen Eggard Graaf van Walcheren was, tegen de Noormannen gesticht, zijnde toen alleen een burgt of sterkte , bij welken, volgens aanteekening van Cornelis Battus, in den jare 991 een kerkgebouw, aan St. Maarten toegewijd, zoude gesticht zijn, of, zoo dit nog onzeker mogt geoordeeld worden, is het ten minsten omtrent het jaar 1000 begibnen gebouwd te worden tegen de Vlamingen, die Walcheren begonnen te bevechten, en niet, gelijk Reigersberg wil, omtrent het jaar 1121, wanneer Middelburg slechts een dorp zou geweest zijn, waarschijnlijk uit het misverstand van het woord villa, hetgeen bij hem een dorp, maar bij de schrijvers van dien tijd eene stad beteeknde. Dit is zeker, dat die van Middelburg, in het jaar 1217, eene keure bezat. waarin de stad voorkomt als eene besloten veste, een oppidum, voorzien van een regt- of raadhuis, waarbij de poorters met klokgeklep werden zaamgeroepen. En die keure verwijst naar eene vroegere, terwijl wij van elders weten, dat Middelburg, in de twaalfde eeuw, bekend stond als eene villa franca. Genoemde keur van 12l7, zijnde de oudste thans nog overig zijnde, bezworen bij Johanna, Gravin van Vlaanderen, en Willem I , Graaf van Holland, en hunne Kasteleinen van Zeeland, is, onder anderen, aan die van Middelburf ook vergund, dat geen Middelburger mogt worden gearresteerd in de graafschappen van Vlaanderen en Holland, ten zij om zijn eigen misdaad. Men vindt wel opgeteekend, dat men de stad eerst omtrent het jaar 1312 met muren en gemetselde wallen is gaan omgeven, doch dit zoude in tegenspraak ziju met het hierboven gezegde. Toen echter is de slad reeds uitgelegd geworden en de oude muur, welke men in April 1843 , bij bet herstellen van een riool, onder de Molstraat, ontdekt heeft (Zie Bijvoegsel tot de Middelburgsche Courant van Donderdag I Mei 1843, en de ??? Courant van 13 mei 1843), behoorde tot de eerste uitbreiding der stad in de veertiende eeuw , toen de Noordmonster-parochie mede in de wallen werd getrokken. Eene eeuw later werd de Westmonster-parochie in den ringmuur begrepen. Oorspronkelijk had Middelburg eene bijna ronde gedaante, door de Burgstraat in bijna gelijke helften verdeeld.
In eene zeer groote mate heeft zij gedeeld in de rampen der tijden en vertoont thans slechts eene schaduw van den bloei en het vermogen, tot welke zij vroeger gestegen was en waarin zij zich nog tot aan de omwenteling van 1795 mogt verblijden.
In het laatst der zestiende eeuw, nam zij zoodanig toe in bevolking door het uitwijken van vele Hervormden uit de Spaansche Nederlanden, dat alleen van 1584 tot 1586, 2500 Ledematen dier gemeente overkwamen en zich binnen Middelburg nederzetteden. — Vervolgens kwam de vaart op Oost- en West-Indië; alle ledige erven binnen de stad werden betimmerd en evenwel was er geene ruimte genoeg voor de toenemende bevolking, zoodat de Regering zich meer dan eens verpligt vond om de stad te vergrooten en uit te leggen. Bij de laatste uitlegging, welke tusschen de jaren 1590 tot 1598 plaats had, werd zij voorzien van aarden wallen, bestaande uit dertien bastions, waar van een gedeelte, sedert bet jaar 1840, naar bet voorbeeld van andere steden geslecht en beplant is, en waar langs sierlijke wandelingen zijn aangelegd, welk werk te gelijker tijd dient om de behoeftige arbeidslieden des winters eenig werk te verschaffen.
De kermis valt in den vierden Zondag in Julij, de beestenmarkt den 9 Januarij.
De stad is nog altijd rondachtig van gedaante. Zij verschaft reeds van verre een aangenaam gezigt, door de menigte torens, spitsen, hooge en mindere gebouwen. Zij is omringd van eene wijde, versche en vischrijke gracht, vermakelijke en rondom sierlijk beplante buitensingels met eene groote menigte aangename speeltuinen, ook hier en daar met grasrijke weiden en bleekerijen omzoomd, hetgeen eene zuivere lucht veroorzaakt, zoodat de inwoners, volgens het oordeel der geneesheeren, daardoor weinig van waterachtige of besmettelijke ziekten aangetast worden.
De stad beslaat, binnen hare muren, eene uitgestrektheid van 127 bund. en met in begrip der vesten 151 bund. Men telt er 2299 h. en volgens de telling van ultimo December 1842 14,198 inw.. tot welke 6536 van het mannelijke en 7842 van het vrouwelijke geslacht. Middelburg had vroeger acht poorten, als: de Noordpoort, welke in 1798 afgebroken en toen van nieuws opgebouwd is, ten N.W. de Koepoort, ten N. O.; de Veersche - of Noorddampoort en de Zuiddam- of Slijkpoort, bevorens van hout en in 17?? van steen gebouwd, ten O.; de St. Geertruidspoort, in de wandeling meest de Segeerspoort genoemd, ten Z. O.; de Vlissingschepoort, ten Z.; de Langevilepoort, welke in 1791 geheel vernieuwd is, ten Z. W ., en de Seispoort, in 1793 in zijn geheel vernieuwd, ten W. Thans heeft de stad zeven uitwegen, te weten: de Vlissingsche- en de Veersche-poorten, twee zeer fraaije gebouwen, van buiten met arduinsteen opgehaald en van torens en slaande uurwerken voorzien; de Langevile-, Seis- en Noordpoorten, zijnde zoogenaamde Hameipoorten, en de twee onlangs geplaatste Barrières, ter vervanging van de Haven-en deGeertruidspoorten. De Koepoort trouwens, kan, ofschoon nog bestaande, niet wel meer onder de uitgangen van de stad gerekend worden. Sedert vele jaren was de brug aldaar alleen voor voetgangers bruikbaar en bij den uieuwen aanleg der wallen tot wandelingen, is die brug geheel weggebroken, zoodat de poort thans geheel afgezonderd staat en nergens toedient, dan om aan de wandeling zelve een fraai gezigtspunt op te leveren. De wandeling loopt voor en achter om de poort, zoodat de stad daar geen uitgang meer heeft. Er ligt evenwel een pontje, om de menschcn over te zetten. Ingevolge decreet van Keizer Napoleon, van den 27 Augustus 1811, moesten de poorten alle afgebroken, de wallen in de grachten geworpen en door het kanaal, dat nog in de gracht, ter ontlasting van het landwater over moest blijven, eenige breede dammen gelegd worden. Den 3 September kwam de order tot verkoop der poorten, met last om die oogenblikkelijk na den verkoop af te breken. De verkoop ging door en men begon dan ook het sloopen der Vlissingsche-poort. Reeds was de torenspits afgebroken, het uurwerk en de klokken uit den toren genomen, toen er bevel uit Parijs kwam, om niet verder voort te gaan. Naderhand zijn de klokken en het uurwerk weder op hare vorigs plaats terug gebragt; echter is de toren, schoon van boven tegen inwateren digt gemaakt, zonder kap en spits , een overblijfsel van Fransche verwoesting gebleven.
De tegenwoordige is de derde bekende Haven der stad. De eerste, reeds omtrent het jaar 1100 gegraven, kwam uit Arnemuiden, op de groole reede, die toenmaals daar was. Zij was eng en krom. De tweede, waarvan octrooi was gegeven door Keizer Karel V, op den 10 Maart 1530 werd begonnen op den 8 April 1532, en den 21 Augustus l533 geopend, blijkens het gedenkschrift, boven de Noord-Dampoort.
LD XXX11 in apriel den achtsten dach
dat men de nieu haven beginnen sach.
OP Sinte Bertelmeusdach /XXXD daer aen/
wiert de voorz. havene open ghedaen.
Deze was lijnregt, een half uur gaans lang en kwam uit in het kanaal van Welzinge. Zij was, door aanslikking, voor groote schepen evenwel al spoedig onbruikbaar geworden, zoodat men reeds in 1609 aan het graven van eene nieuwe haven dacht en hel verlof er toe in 1610 verkreeg. Die haven zou hebben moeten uitloopen in de Wester-Schelde, tusschen Rammekens en het nieuwe bolwerk, doch Vlissingen en Vere verzetteden zich tegen de uitvoering en het werk bleef steken (Vergelijk J. Ab Utrecht Dresselhuis, Wandelingen door Walcheren, bl. 15). Men verspilde gedurig aanzienlijke sommen ter diephouding. In 1692 alleen, werden er 274,000 guldens voor besteed, en reeds ten volgende jare bleef er een Oost-lndiëvaarder in zitten. De tegenwoordige haven heeft hare rigting bijna juist Noordoost en Zuidwest, en gaat, op omtrent drie vierde uur afstands van de stad, langs en voorbij hel dorp Kleverskerke; de mond komt uit, een kwartier zuid-waarts van Veere en het Noordelijk. Sloe, regt tegenover de Zandkreek. De geheele lengte, met insluiting van den boog, onmiddellijk aan de stad, is 5274 ellen, dus bijna een uur gaans, en de oppervlakte, welke zij met de dijken beslaat, 96½ bunders. De stad is deze haven verschuldigd aan de gunstige beschikking van Willem I, Koning der Nederlanden, welke voor de uitvoering van dit aanzienlijke werk, bij besluit van 1 December 1814, aan MIDDEI.BUHG een millioen gulden renteloos heeft doen voorschieten, te restitueren in jaarlijksche termijnen van niet minder dan 25,000 gulld., waartoe de stad 3/5 en het platte land van Walcheren, wegens de daardoor verkregene geschikte uitwatering, tot lozing van het polderwater, 2/5 gedeelte zoude moeten bijdragen. Na eenen arbeid van twee jaren werd deze haven, den 2 Augustus 1817 het allereerst door Z. M. Koning Willem I geopend. Hierna, toen het water hoog genoeg was, kwam binnen het fregatschip Middelburger Nieuwehaven, Kapitein F. T. Ferber, komende van Nieuw-Orleans; dit was het eerste zeeschip. Vier dagen daarna kwam mede binnen het schip Middelburgh , Kapitein A. van de Putte, van Canton, met eene lading thee. Als eene dankbare nagedachtenis aan bovengemelde koninklijke gunst, is door de ingezetenen der stad, in het jaar 1819, een arduinsteenen gedenknaald aan den hoek der kaai opgerigt, alsmede een gedenkpenning vervaardigd. Ook deze nieuwe haven voldoet niet, en men is er andermaal op bedacht, om die door eene doorgraving naar Vlissingen te verbeteren of te vervangen.
De stad is zeer ruim gebouwd en bezit vele openbare plaatsen, waartoe inzonderheid behoort de Grootemarkt, zijnde een der schoonste pleinen van het Rijk, op hetwelk acht straten uitloopen. Deze markt is geheel bestraat, in het midden voorzien van een arduinsteenen kolom, op welke eene lantaarn geplaatst is, en beslaat omtrent 7800 vierkante ellen.
Aan de noordzijde van dit fraai en opmerkenswaardig plein, praalt het Stedelijk. Raadhuis, een zeer schoon gebouw, uit twee afzonderlijke gedeelten zaamgcsteld; het oude, staande aan de zijde der markt, is van Gothische bouworde en met sieraden als overladen. De tegenwoordige gevels zijn begonnen in het jaar 1512 en voltooid in 1518. Aan de noordzijde staan vijf en twintig levensgroote steenen beelden van Graven en Gravinnen van Zeeland, beginnende met Graaf Dirk V (onder het beeld staat Dirk X), en eindigende met Keizer Karel V. De nieuwe aanbouw, aan de zijde der Noordstraat, werd begonnen in 1778 en voltooid in 1784, nadat dit gebouw reeds in 1671, aan die zijde, ecnigzins vergroot was. Het bestaat uit eene geheel nieuwe zijvleugel, van de Ionische bouworde, en eene woning van den conciërge, uitkomende in den Helm. De toren van het stadhuis is mede van eene zeer fraaije Gothische inrigting, en voorzien van een uurwerk. Aan de westzijde daarvan is de Vleeschhal, welke eene bijzondere gcveltop boven zich heeft, en waarvan, volgens de stadsrekening, den 21 April 1423 de eerste steen gelegd werd, nadat alvorens drie woonhuizen, te dier plaatse staande , daartoe door de Regering waren aangekocht. Het bovenste gedeelte dient tot Vergaderkamers en Bureau; van het stedelijk bestuur en het kantongeregt. Opmerkenswaardig is aldaar de zoogenaamde Oudheidskamer, tot eene verzamel- en bewaarplaats van oudheden en andere zoodanige voorwerpen, welke geacht kunnen worden tot de geschiedenis der stad in betrekking te staan. Het beneden gedeelte is geheel in gebruik bij de Arrondissements-Rcgtbank. Ook vindt men aldaar, bij het inkomen van de markt, het Bureau van de Stedelijke Policie.
Onder de openbare gebouwen verdient voorts eene eerste plaats de Abdij, staande rondom het plein van dien naam. Deze was oudtijds een klooster, gewijd aan de H. Maagd Maria, welks bouw dagteekent van hel midden der twaalfde eeuw (Ter Dresselhuis. Wandelingen door Walcheren , bl 101). Het stond vroeger buiten de stad, doch werd door Godebald, den vier en twintigsten Bisschop van Utrecht, in het begin der twaalfde eeuw , binnen de stad gebragt en daarin Premonstreitheeren uit de abdij van St. Michiel te Antwerpen geplaatst, die er ook tot het laatste toe gebleven zijn. De juiste tijd , wanneer dit klooster tot eene abdij verheven is, vindt men niet aangeteekend, doch het is waarschijnlijk, dat het bij de invoering der Premonstreiten, in het jaar 1128, geschied en Albad of Albald, die te voren het klooster Vormesele, bij IJperen, in Vlaanderen, bestierd had, tot Abt daarvan is aangesteld. Volgens eene lijst , uit de papieren der abdij van St. Michiel te Antwerpen, volledig gemaakt uit de Pauselijke bullen, zouden er vijf en dertig Abten van Middelburg, geweest zijn, van welken de genoemde Albald de eerste en Nicolaas de Castro de laatste was, zijnde deze, door Paus Pius IV, tot eersten Bisschop van Middelburg verheven. Die lijst is echter nog niet naauwkeurig, en voor vele verbeteringen vatbaar. Het geheel bestaat uit eenen onregelmatigen kring van aaneenverbondene gebouwen, die eene ruime, van vier ingangen voorziene plaats omsluiten, in welker midden zich een beplant wandelperk bevindt. De zuidweslclijke vleugel is de woning van den Gouverneur der provincie, zijnde een voortreffelijk gebouw, dat, door de bijtrekking aan de zuidzijde van de lokalen van den voormaligen Raad van Vlaanderen en de daaruit gevolgde aanwinst eener kapitale zaal, ten jare 1821 nog eene aanzienlijke verbetering heeft ondergaan. Ten tijde der grafelijke regering, diende dit gebouw reeds tot intrek voor deze hooge gasten, bij hun verblijf hier te lande. Het stond toen bekend onder den naam van Logement van de Graven van Zeeland, en behoort thans nog, met de overige gebouwen van de Abdij, voor zoo ver die niet verkocht zijn , tot 's Lands domein. Aan de zuidzijde zijn ook de Vergaderzalen van de Provinciale en Gedeputeerde Staten van Zeeland , benevens de Bureaux van het Provinciaal Gouvernement, en aan de noordoostzijde die van de Centrale Directie van het eiland Walcheren. Onderscheidene merkwaardigheden treft men in de abdij aan, te weten : een dubbel stel van de groote authentieke kaarten der Zeeuwsche eilanden , vervaardigd door de gebroeders Ingenieurs Hattinga, ten jare 1752, en de afbeeldingen van Prins Willem III (ten jare 1691 in koninklijk plegtgewaad levensgrootte geschilderd door John Brandon), van den Admiraal Michiel Adriaansz.. de Ruiter en van Koning Willem I, alsmede eenige kunstige tapijtwerken, voorstellende de afbeelding van Prins Willem I, en voorts eenige scheepsgevechten in den Spaanschen oorlog, die als gedenkstukken van den Zeeuwschen heldenmoed moeten worden aangemerkt. Bij de oprigting der nieuwe bisdommen in Nederland, door Filips II, Koning van Spanje, ten jare 1559, werd ook de abdij van Middelburg welke ongemeen rijk aan inkomsten was, in een bisdom veranderd, en Nicolaas de Castro of van den Burgh, door Paus Pius IV tot Bischop verheven. De overgang der stad, aan de zijde des Prinsen van Oranje, ten jare 1574, bragt echter te weeg, dat al de Geestelijken der abdij (zijnde de Bissebop de Castro gedurende het beleg overleden), met de geheele R. K. Geestelijkheid, reeds spoedig daarop de slad verlieten, waarna gezegde abdij, met alle hare goederen en eigendommen, tot de gemeene zaak van het land is overgegaan en sints dien tijd met uitzondering van de kerkgebouwen , alleen tot een wereldlijk gebruik is dienstbaar geweest. Tot deze gebouwen behoort mede de zoogenaamde Abdijtoren, een der sieraden, op welke de stad zich met regt beroemen mag. Deze toren staat tusschen de Nieuwekerk en het Koor aan de zuidzijde, en is waarschijnlijk reeds gegrondvest in de dertiende eeuw. Hij is tot onder den haan ruim 83 Nederlandsche ellen hoog en voorzien van een uitmuntend klokkespel, bestaande uit een en veertig klokken, wegende te zamen 34,540 Nederlandsen ponden; hiervan is ook bezienswaardig de fraaije en kunstig gemaakte trommel, zijnde van metaal, uit één stuk gegoten en wegende 3400 Ned. ponden; hij heeft 308 maten, elke maat 84 vierkante nootgaten en alzoo in het geheel 25,872 gaten. De trommel had vroeger eene scherpe spits, doch na drie onderscheidene malen door den bliksem te zijn afgebrand, werd hij laatstelijk, ten jare 1712 , weder op nieuw opgebouwd, en verkreeg alstoen -zijne tegenwoordige gedaante.
Het Provinciaal Geregtshof, aan het einde der Wagenaarstraat, bij het vroeger zoogenaamde Oude-Kerkplein, thans het Hofplein, behoorde in het jaar 1317 reeds aan de Duitsche orde, doch is later, partikulier eigendom geworden zijnde, geheel vertimmerd en bij de invoering der Provinciale Hoven, in 1838, tot dat einde, door de provincie aangekocht. De bijbouwing eener criminele regtzaal, met eenige kamer» voor getuigen en beschuldigden , in 1840, volmaakt dit zoo wel ingerigt gebouw, hetwelk ook aan de voorzijde een zeer fraai aanzien heeft.
Het Burgerlijk en Militair Huis van Verzekering, aan het einde van den Kousteenschendijk, is, als tucht-, spin- en vrijwillig werkhuis, ten jare 1642, voor rekening der stad opgerigt, doch dient thans tot eene Gevangenis van het Rijk, op welks kosten het in 1823 aanmerkelijk vergroot is. Het beheer van dit huis is aan eene afzonderlijke Commissie opgedragen, voorgezeten door den Gouverneur der provincie.
Het lokaal, vroeger dienende tot Latijnsche School, in de naar haar genoemde Latijnsche Schoolstraat, naast het Museum, dat in 1691 zeer verbeterd is, en tevens tot woning van den Rector dient, is in 1842 tot een Stedelijk Gymnasium ingerigt , hetwelk ongeveer 20 leerlingen telt. Het gebouw draagt sporen van een klooster te zijn geweest. Volgens Boxhoorn zoude de Latijnscbe school eerst in 1611 gesticht zijn doch in de stads rekening van 1593 komt het tegenwoordige schoolgebouw reeds als zoodanig voor; en in 1485 was te Middelburg ook al eene Latijnsche school aanwezig. geplaats in het Vogelzang, thans het St. Jorisstraatje. Vóór de Hervorming heette zij de Groote School en was onder dien naam al vroeg bekend. Bij de aanstelling der Rectoren volgde men geen vasten regel. Mr. Levinus Livi, b. v., werd den 11 October 1522 aangesteld voor zes jaren op twaalf pond Vlaamsen (72 gnld.) en de excys van een tonne bier; van elk kind niet meer dan zeslien stuivers ’s jaars leerende den rijken om loon en den armen om godswil, zonder hoogtijdegeld, drinkgeld , speelgeld enz. aan te nemen. De kinderen moesten kaarsen en barning brengen. Maar de man was Priester. Een opvolger, in 1547, die getrouwd was, kreeg dertien zulke ponden en twintig grooten gratuit, om dat hij eene vrouw had.
De Rijschool is gebouwd in 1753, door Jonkheer Jan van Borssele, Eerste Edele van Zeeland, aan de zuidzijde van het Molenwater. Na den dood van dien Heer beeft de stad haar in 1767 voor eene som van 2000 guld. overgenomen. De Pikeur heeft eene jaarwedde uit stads kas. De jaarwedde van den eerste, F. Waslander, was 500 guld.
De Wisselbank is van stadswege opgerigt in 1616 en toen geplaatst in de St. Pieterstraat, in het huis genaamd Aken; doch meer en meer uitgebreidheid verkregen hebbende, is zij in 1643 overgebragt in een— uit twee, voor 13,660 guld. aangekochte—huizen, daartoe vervaardigtd gebouw, op den hoek van den Dam en de Lange-Giststraat, waar zij nog is. Vóór 1793 bragt deze inrigting aanzienlijke voordelen aan de stadskas op. Van 1763 tot 1793 dooreen dertig duizend gulden 's jaars. Zij wordt bestuurd door eenen Directeur en vier Commissarissen, met de noodige Boekhouders en Kassiers.
De Rank van Leening, in de St. Jansstraat, werd reeds opgerigt bij een stedelijk octrooi van 20 Julij 1606. In November 1636 maakte men haar tot eene Stedelijke Leenbank; doch sedert den 17 December 1670 wordt zij verpacht. De vroegere Lombard stond in de Zusterstraat, naast de Vischmarkt of Zusterkerk.
De Schouwburg, het eigendom van eenige partikuliere ingezetenen, is gebouwd in het jaar 1807, naast de Koepoort, ter plaatse, waar vroeger eene herberg, het Koningsplein genaamd, gestaan heeft. Dit gebouw heeft niet alleen van buiten een zeer fraai aanzien, maar ook eene voor de behoefte allezins voldoende zaal, in welke soms des winters tooneelvoorstcllingen gegeven worden.
Voor de Concertzaal is in 1838 ingerigt een der lokalen van het Domein, vroeger gediend hebbende tot Vergaderplaats van het Collegie ter Admiraliteit van Zeeland, en later tot Departementaal Geregtshof en uitkomende op de Groenmarkt. De kosten daartoe beliepen ongeveer 12,000 guld., welke gevonden zijn bij wijze van rentelooze actiën en waarvan de geregelde aflossing door de stedelijke Regering gewaarborgd is. De zaal , welke met zeer veel smaak gebouwd en ten opzigte van den klank zeer geschikt voor de muzijk is, dient ook voor de vergaderingen van het Departement tot Nut van 't Algemeen.
Het Museum Medioburgense, in de Latijnsche Schoolstraat, is tevens de Vergaderplaats van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen en van twee Natuurkundige Gezelschappen. Het Kabinet van eerstgemelde is zeer opmerkenswaardig en bezit, behalve het touwslagerswiel, hetwelk de Admiraal de Ruyter, voor zes stuivers in de week, draaide, vele bijzonderheden, waaronder ook eene zeer fraaije verzameling van gedenkpenningen en munten; onder deze laatstc allerzcldzaamste stukken, te Domburg op het strand gevonden. Ook heeft men er een voortreffelijk Planetarium, het fraaiste en kostbaarste, dat men in geheel Europa vindt. Hierin wordt de loop der planeten en de beweging van het gehele zonnestelsel uitgedrukt, wel ten deele in navolging van anderen, maar met veel meer naauwkeurigheid, en door onderscheidene nieuwe ontdekkingen meer volmaakt, dan eenig ander ktinstsluk van dien aard. Hel rust op eenen voet, waarin een uurwerk is, dat het planetarium in beweging brengt en met den hemel doet gelijk loopen. De planeten loopen in hare evenredige afstanden van de zon op hellende vlakken, om hunne inclinatie op de eklipsen aan te wijzen. Zij loopen niet in cirkels, maar in ellipsen, gelijk hare excentriciteit aan den hemel is. De zon en de aarde draaijen beide om haren as, welker laatste zich altijd paralel blijft met hare helling van 23½ graad. Rondom het ganschc loopveld der planeten en der ecliptica, verbeeld door eenen breeden koperen band verdeeld in even zoo veel uitgehouwen ruitjes, als zij graden van inclinatie bevat, wordt de lengte en breedte der planeten juist bepaald. Dit planetarium is vervaardigd door den Middelburgsche Kunstwerker J. van den Eeckhout, begonnen in 1782 en voltooid in 1787, op koslen van den Heer Mr. J. A. van de Perre van Nieuwerve en Welzinge, wiens nagelatene weduwe, Vrouwe Jacoba van den Brande dit kunststuk, aan het toen bestaande Departement Middelburg van het Zeeuwsch genootschap, ten geschenke gaf.
De Koopmansbeurs, een ruim vierkant plein, geleden op den Kortenburg, tegenover de Abdij, beslaat de plaats, waarop vroeger het Minnebroedersk1oostcr stond. Hare eerste stichting dagteekent van 1392. Zij heeft aan drie zijden eene overdekte galerij op arduinsteenen kolommen en aan de voorzijde is zij met een ijzeren hek afgesloten. Ongelukkig dient zij, bij den vervallen handel dezer stad, tot geen ander einde meer, dan voor de plaatsing van eenige kramen, bij gelegenheid der kermis. De Beursknecht heeft er zijne woning.
De Graanbeurs, ook wel de Engelsche beurs genaamd, mede een vierkant plein, gelegen op den Dam, bestond reeds op deze plaats in l52O. Nadat de oude in het jaar 1767 was afgebroken, is zij geheel vernieuwd en grooter gemaakt, en heeft eene, op arduinsteenen pilaren rustende, overdekte galerij.
Het Postkantoor is in de St. Geertruidstraat.
De Vischmarkt, eene opene en voor het doel wel ingerigte plaats, in de St. Jansstraat, bevat aan weerszijden eene ruime en luchtige galerij , rustende op arduinsteenen pilaren.
Het Molenwater, voormaals een waterkom van ruim 4 bund. oppervlakte, lag vóór de laatste uitlegging der stad, in 1590, nog daar buiten. De benaming duidt de bestemming aan, waartoe die kom in 1550 gegraven werd; ook dient het thans nog eenigermate, om de haven uit te schuren en diep te houden. Het moest van tijd tot tijd worden uitgediept. In Maart 1737 werd dit wederom aanbesteed voor 96,000 guld. In 1739 zag men daarin zeeschepen , welke uit Engeland waren gekomen. In bet jaar 1817, met uitzondering van eene gracht aan de zuidzijde, bijna geheel gedempt, is dit terrein thans tot eene aangename wandelplaats aangelegd en in verband gebragt met den aan die zijde der stad geslechten wal.
Het Dok is een gedeelte der oude Stads-Buitengracht, doch thans veel kleiner dan voorheen, en door middel eener groote schutsluis van de stads kaai afgesloten, over welke, ten jare 1671, eene ophaalbrug is gelegd. Daartegen aan vindt men de groote scheepstimmerwcrvcn van de voormalige Oostindische Compagnie, welke met de daarbij beboorende gebouwen , in 1818, aan de stad zijn afgestaan en thans door erfpacht in gebruik zijn van eene sociëteit onder den naam van Commercie Compagnie.
De zoogenaamde Kleine Werf ligt thans buiten de stad en is door de stad aan bovengemelde Commercie Compagnie verhuurd.
De gebouwen der eertijds bestaan hebbende Oost-en-West-Indische Compagnien worden thans tot geheel andere einden gcbruikt. Het schoone Oost-Indische Huis, op de Rotterdamsche-Kaai, dient thans tot een Vrij Handels-Entrepôt en voor de Bureaus der In- en Uitgaande regtcn en accijnsen; terwijl het West-Indische Huis, in den Langendelft, tot eene Armenschool is ingerigt.
Tot Kaserne is dienende het voormalig Oudemannen- en Vrouwenhuis, in de Korte-Noordstraat, in het jaar 1613 gesticht op den grond der oude Weesschool, doch bij gebrek aan fondsen in verval geraakt en op den 1 Januarij 1809 door de Regering gesloten. Omtrent de inwendige gesteldheid valt niets bijzonders aan te merken.
Het oude Waaggebouw, in 1526 gesticht op het plein, de Balans genaamd, is in 1825 afgebroken, en een aldaar zijwaarts staande gebouw der Commercie Compagnie tot eene Waag ingerigt.
Voor de Teeken-Akademie is, ten jare 1840, door medewerking van een groot aantal ingezetenen, van het Domein aangekocht een huis, in de Lange-St.-Pieterstraat, vroeger gediend hebbende tot verblijf van een der Gecommitteerde Raden van Zeeland. Behalve eene jaarlijksche subsidie uit de stedelijke kas, bestaat zij uit giften en legaten van bijzondere personen en jaarlijksche contributiën der honoraire leden. In dit lokaal treft men ook aan eene Industrieschool, door het Departement der Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Nijverheid, ten jare 1841 aldaar opgerigt.
De Hervormden hebben te Middelburg drie kerken, als: de Nieuwekerk, de Koorkerk en de Oostkerk, benevens eene Waalsche kerk en eene Engelsche kerk. Men predikte in 't begin van 1574 alleen in de St. Pieterskerk, zijnde de Oudekerk of Noordmonster. Den 19 September 1574 begon men ook te prediken en te doopen in de Westmonsterkerk (toen op de groote Markt slaande) 't welk den 15 Maart 1575 ophield, waarop, in plaats van deze, den 1 April 1575 tot eene tweede kerk is geopend de Nieuwe- of Abdijkerk, die ook Oostmonster werd genaamd. Den 22 April 1590 begon men in de Gasthuiskerk als de derde kerk, alleen 's voormiddags te prediken.
De Nieuwekerk, aan de Munt, voorheen de Abdijkerk, de Oostmunster en in de wandeling ook de Kloosterkerk geheeten, was destijds toegewijd aan de Moedermaagd Maria. Het is een langwerpig vierkant gebouw, dat met de abdijgebouwen gemeenschap had door middel eener gewelfde gaanderij, waarvan in 1580, toen er voor Zeeland voor het eerst een eigen muntgebouw werd daargesteld, een gedeelte is betimmerd en ingerigt tot de werkplaatsen der Munt. Vóór de Hervorming was zij eene parochiekerk, en werd door de Kanunniken van de orde der Premonstreiten bediend. Ofschoon thans de hoofdkerk der Hervormden, is zij zonder eenige praal of luister en tot nog toe zonder zoldering, allen met een beschoten dak voorzien. Zij zal evenwel in 1846 bekoepeld worden, waartoe de fondsen reeds voorhanden zijn. Het schoone orgel, hetwelk bij den brand van den abdijtoren , in 1712, genoegzaam vernield was, is sedert geheel vernieuwd. De predikstoel, welke den 1 Junij 1727 voor de eerste maal gebruikt werd , is een meesterstuk van schrijnwerkkunst, rustende op eenen gebeeldhouwden arend. Men vindt in deze kerk ook het schoone marmeren piaalgraf der Zeeuwsche Admiralen, de Zeehelden en gebroeders Jan en Cornelis Evertsen, welk praalgraf, ten jare 1683, in de Oude- of St. Pieterskerk was opgerigt ; doch sedert die kerk, door de inlegering van Engelsch krijgsvolk, in 1809, van binnen zeer verwoest was en dit uitmuntend stuk aldaar aan en geheel bederf bloot stond , ten jare 1818, op kosten van deb toenmaligen koning Willem I, in deze kerk overgebragt, en den 18 Maart van dat jaar, met eene openbare redevoering ingewijd, Het Latijnsche opschrift, welke vroeger op het eeregraf leed, is door- de volgende Nederduitsche vervangen:
TER
EEUWIGE NAGEDACHTENIS
VAN DE
ONSTERFELIJKE ZEEHELDEN
DE GEBROEDERS
JOHAN EN CORNELIS EVERTSEN,
LUITENANT ADMIRALEN VAN ZEELAND
BEIDEN
STRIJDENDE VOOR HET VADERLAND
GESNEUVELD
1N DEN JARE MDCLXVI.
waaronder staat: DIT PRAALGRAF OP LAST DER STATEN
VAN ZEELAND GESTICHT, EN UIT DE ST. PIETERSKERK
HERWAARTS OVERGEBRAGT OP BEVEL VAN DEN
KONING. MDCCCXVIII.
Voorts ziet men aan den noordclijken muur twee gedenkschriften, aldaar in 1820 geplaatst, ter eere en nagedachtenis van Willm, Roomsch Koning en van zijnen broeder Floris, bijgenaamd de Voogd, aan welke de stad Middelburg groote verpligting had en welke beide, omstrceks de helft der dertiende eeuw, in deze kerk begraven zijn. Het graf van wijlen evengenoemden Koning Willem, in den jare 1282, te Middelburg begraven in het koor der Abdijkerk, onder het portaal, is door Mr, N. C. Lambrechtsen van Ritthem, den 18 Maart 1817 ontdekt. Wij vinden eene resolutie van de Regering van Middelburg, in dato 13 December 1603 , volgens welke reeds toen bij de Wet en den Raad was goedgevonden : » dat men een plan of patroon zal laten bewerpen , ende de kosten » van sulck eene sepulture (voor Koning Willem) overwogen zijnde, de » zelve ter plaatse voorsz. (in de Koorkerk namelijk) tegen of in den muur » te laeten maecken van blaeuwen ende witten arduyn , met de inscrip-
» tien daartoe dienende," dan deze resolutie heeft geen gevolg gehad.
De Koorkerk, op het Koorkerkhof, ofschoon het koor of de achterkerk der nieuwe, is thans ouder dan deze en van haar afgescheiden; de afscheiding had plaats na de opheffing der R. K. eeredienst, in 1577, met oogmerk om de groote en onbruikbare ruimte van laatstgemelde kerk te verkleinen. Nadat dit gebouw tot onderscheidene einden gediend had, werd het, op den 29 Junij 1759, tot eene kerk voor de Nederduitsche Hervormde gemeente geopend. In 1602 werd de aldaar aanwezig konsistoriekainer vervaardigd. In 1842 is in deze kerk opgerigt een gedenkteeken, ter eere van den beroemden Nederlandsche geleerde Adrianus Junius, welke ten jare 1575 in het koor dezer kerk begraven is. Dit gedenkteeken, hetwelk den 22 April van dat jaar plegtig ontbloot is, werd daargesteld op last en op kosten van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, en bestaat in eene wit marmeren plaat, hoog 1 ell. 4 palm. 6 duim., breed 1 ell. 1 palm. 7 duim., gevat in een sierlijk lijstwerk van granietmarmer, met wit marmeren ornamenten en consoles; op de plaat leest men, in vergulden letteren, het volgende opschrift;
TER GEDACHTENIS
VAN
HADR1ANUS JUNIUS
DOOR ZIJNE GELEERDHEID
EEN SIERAAD DER. XVI . EEUW
GEBOREN TE HOORN
EN IN DIT KERKGEBOUW BEGRAVEN
HET ZEEUWSCH GENOOTSCHAP DER WETENSCHAPPEN
MDCCCXLII
De gedenksteen is geplaatst midden iu den noordelijken muur der kerk, juist bij de plaats , waar thans nog de grafzerk van Junius ligt. Het vorige gedeukteeken, hem door zijnen zoon, Petrus Junius, opgerigt, was sedert lang verdwenen. Dit verlies is nu op eene waardige wijze door liet Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen hersteld, en de man , dien de beroemde Lipsius, na Erasmus, voor den geleersten Nederlander verklaarde, en die door velen het liclit van Holland en het sieraad zijner eeuw genoemd is, heeft daardoor eene hulde ontvangen, waarop zijne verdiensten zoo regtmalige aanspraak hebben. Voorts vindt men er aan den zuidelijken muur een soortgelijk monument, ter eere van Jan Pietersz, voormaals Scheepskapitein, in dienst der Westindische Compagnie en in 1628 in een heldhaftig gevecht, tegen de Spanjaarden, gesneuveld, hetwelk aanleiding heeft gegeven tot het spreekwoordelijk gezegde: al is Jan Pietersz dood er leeft nog zijns gelijk, zijnde de laatste regel van het vers, hetwelk op dit monument te lezen staat. Deze kerk heeft geen orgel en van het koor is nog een gedeelte door eenen muur afgescheiden tot een auditorium, van hetwelk echter geen gebruik wordt gemaakt. In het jaar 1839 werden drie zilveren schotels, twee wijnkannen en vier bekers, ten gebruike bij de Avondmaalsbediening in deze kerk, aan de Hervormde gemeente door eenen onbekenden weldoener, ten geschenke gegeven. Ou den 24 Mei 1819 veroorzaakte een onweder brand in het biuncnbekleedsel der groote looden vangbak, aan de zuidzijde van de kerk. Door het onverschrokken en manmoedig gedrag van den Loodgieter Huibertus Munters, was men echter de brand spoedig meester. Hij had namenlijk de tegenwoordigheid van geest om, na zich uit de kapitale goot nederwaarts in den vangbak te hebben laten afzakken, het aldaar brandend houten bekleedsel al'te rukken, en het losgemaakte stuk, ter verdere uitblussching, in de kerkgoot te werpen, waardoor het gevaar voor den schoonen abdijtoren, de beide kerken, en de belendende gebouwen weggenomen werd. Ten blijke van goedkeuring en erkentenis ontving hij van Bnrgemeesteren dezer stad eene zilveren medaille, met toepasselijke opschriften; van Kerkmeestcren eene zilveren tabaksdoos, versierd met een, betrekkelijk het door hem gekeerde onheil, mede toepasselijk opschrift; van de Commissie van Eeredienst der Hervormden een schriftelijk bewijs harer erkentenis, en van het Middelburgsen Departement der Maatschappij : Tot Nut van ’t Algemeen een diploma als honorair Lid.
De Oostkerk, staande aan het einde der Bree- of Breedestraat is een zeer schoon gewrocht, van hedeudaagsche bouwkunde, een fraaije achtzijdige koepeltempel, van behagelijke evenredigheden en voorzien van een zeer schoon orgel, boven den predikstoel. Het plan, waarnaar deze kerk gebouwd is, met het bestek en de beraming, is gemaakt door den Bouwkundige B. F. Drijfhout, Architect te 's Gravenhage. Het binnenwerk van het rondopgaande dak of der kap, wordt voor een meesterstuk van kunst gehouden. Het rust gedeeltelijk op acht zware pilaren, binnen de kerk, doch zoodanig aan de hoeken geplaatst, dat zij, bij eene zeer goede uitwerking, de ruimte niets belemmeren, op het dak rust eene kleinere koepel of zoogenaamde lantaarn. Tot den bouw dezer kerk begon men de fundamenten te graven en te heijen in 1647. De muren reeds tot eene zekere hoogte opgehaald zijnde, heeft de voortgang van het werk, wegens gebrek aan geld, cruijt: jaren stil gestaan, doch is weder hervat in 1655 of 1656 en in 1667 het gebouw voltooid. Den 6 Julij des laatstgemeldcii jaars is deze kerk, door den Predikant Petrus vam Thoor voor de dienst geopend. Volgens stedelijke rekeningen van 1644 tot 1667 heeft de bouw dezer kerk aan de stad de aanzienlijke som van 355,467 guld. gekost, waaronder niet medcgerekend de uitgaaf voor het orgel, hetwelk eerst in 1782 gemaakt is, en , behalve eene gift uit de stedelijke kas van 1600 guld., geheel en al uit vrijwillige inschrijvingen der ingezetenen is bekostigd.
De Fransche- of Waalsche ker k , in de St. Pieterstraat, is van binnen zeer net ingerigt. Zij was voormaals de Kapel van het daaraan gelegen hebbend Klooster-van-de-Bogaarden, hetwelk zijnen ingang had in de Spanjaardstraat, en naderhand veranderd is in eene brouwerij, de Vijf-Ringen genaamd, welke niet meer bestaat, en waar ter plaatse thans een stalhouders bedrijf is, dat nog den zelfden naam draagt. Sedert het jaar 1656 is deze kerk ook in het bezit van een orgel , dat in 1815 aanmerkelijk verbeterd is.
De Engelsche kerk is de Kapel van het voorin. Cellebroedersklooster, in het Cellebroerstraatje. Het is een klein, luchtig, vierkant gebouw, van een orgel voorzien, en sedert het jaar 1621 door die gemeente in gebruik.
Vroeger hadden de Herv. hier nog drie kerken, als: de Oudekerk, de Gasthuiskerk en de Vischmarktskerk.
De Oude- of Noord-Monster-kerk werd ook de St. Pieterskerk geheeten, als zijnde vóór de Hervorming aan den H. Petrus toegewijd, met een kollegie van Kanunniken vereenigd. Zij is begonnen gebouwd te worden in het jaar 1306, en was in het jaar 1310 of, volgens anderen, in 1313 voltooid. Zij was in de gedaante van eene kruiskerk, lang, van het Oosten naar het Westen, twee honderd tien Middelburgsche voeten (60 ell), en breed, van het Noorden naar het Zuiden, honderd acht en vijftig dergelijke voeten (47 ell. 4 palm). Haar bouwheer was Graaf Willem III; doch, volgens eenen zekeren Nederduitschen brief, zou deze kerk, in het jaar 1284, door Graaf Floris, Koning Willem's zoon, gesticht, aan de Duitscbe orde geschonken, en door haar, in het jaar 1310, aan den Graaf wedergegeven zijn, die toen daarin een kollegie zoude gesticht hebben, hetgeen Reygersbergh echter aan Willem III toeschrijft, en op het jaar 1514 brengt. Hij had daarin een kapittel van eenen Deken en veertien Kanunniken geplaatst, wier ambt en prebenden, gelijk ook dat van den Pastoor ter begeving des Graven stonden. Deze kerk heeft voorheen zevenhonderd vijftig gemeten of ruim twee honderd vier en negentig bunders land bezeten. Onder hare reliquiën was een aanzienlijk stuk van het H. Kruis, hetgeen in een kastje gesloten en met kristal bedekt, in plegtige omgangen gedragen werd. Die van Arnemuiden waren verpligt jaarlijks het H. Kruis, op hunne eigene kosten, door hunne Gilden ten toon te stellen en weder af te nemen; ook moesten de drie Scluittersgilden van Arnemuiden, met wapenen, wagens, trommels en fluiten op den jaarlijkschen omgang verschijnen. Waar dit stuk van het kruis gebleven is, weet men niet. Deze kerk was de eerste, die terstond, na het overgaan aan Prins Willem I, in 1574, tot der Hervormden eeredienst werd ingerigt, en tot op bet jaar 1809 daartoe is gebruikt; doch toen is zij, door het inlegeren van het Engelsche krijgsvolk, van binnen zeer verwoest. Na dien tijd is zij alleen gebruikt om er in te begraven en in het jaar 1834 geheel afgebroken, zoodat er nu niets meer dan een groot open plein, het bovengenoemde Hofplein, van overig is. Nopens het hier gestaan hebbende marmeren praalgraf der Luitenant-Admiralen, de gebroeders Evertsen, is bij de beschrijving der Nieuwe kerk het noodige aangemerkt. Ook buiten en binnen had deze kerk, voor den opmerkzamen beschouwer alle blijken van eenen lateren en niet voltooiden herbouw. Buiten, aan den zuidelijken muur van het koor, tusschen den derden en vierden pilaar, gerekend van den ingang der kerkmeesterskamer, was een oud, eenvoudig gedenkstuk geplaatst, bestaande in eenen langwerpigen steen , waarop twee handjes waren uitgehouwen, welke eene rol vasthielden; de letters, die voormaals het bijschrift uitmaakten , waren echter in den laatsten tijd grootendeels verdwenen, en uit hetgeen er nog van overig was kon niets gelezen worden. De overlevering zegt dat het geplaatst was ter gedachtenis van een paar jonge lieden, welke in den echt zouden worden ingezegend , maar beiden, bij het geven van de regterhand, dood bleven.
De Gasthuiskerk is in het jaar 1798 aan de R. K. afgestaan, en thans bij de Afgescheidenen in gebruik.
De Vischmarktkerk, dus gemeenlijk wegens hare nabijheid aan de Vischmarkt genoemd, droeg eigenlijk den naam van Bachtsgravenhovekerk, als gelegen achter 's Gravenhof, want bacnten wil, in oud Vlaamsen , zoo veel als achter zeggen. Dit Gravenhof stond voorheen in de naburige 's Gravenstraat, die er haren naam nog van behouden heeft. Zij werd ook wel de Zusterkerk, en de straat, in welke zij stond, de Zusterstraat genaamd, naar zeker klooster, in 1473 door Jonkvrouwe Margriet Simons Duitschdogter, met hulp van vrienden, voor vrouwen van den derden regel van St. Franciscus, gesticht tot een Zusterhuis, met de daaraan palende huizing, volgens zeker privilegie, door Filips, Hertog va» Oostenrijk, aan de linnenwevers binnen Middelburg, op den 13 September des jaars 1448, gegeven. Het gebouw, dit maar klein was, werd in het jaar 1650 aanmerkelijk vergroot en aan de godsdienst toegewijd. Deze kerk is , wegens het verminderd getal Predikanten den 1 February 1808 gesloten en den 8 September 1808 voor afbraak verkocht. De plaats, waar zij gestaan heeft, is tot een tuin ingerigt, welke aan een der belendende huizen getrokken is.
De Evangelisch-Lutherschen te Middelburg hebben zich eerst beholpen met hunne godsdienst in bijzondere huizen te verrigtten tot den jare 1617, wanneer, bij vermeerdering van de leden der gemeente, door den kerkeraad, op den 9 Febrnarij 1617, een pakhuis gekocht en tot eene kerk ingerigt werd, doch welke, door brand twee malen onbruikbaar geworden zijnde, van tijd tot tijd hersteld en verbeterd moest worden, tot dat, door den aanwas dezer gemeente en de opname der Salzburger Emigranten, volgens eene overeenkomst tusschen de drie Vroedschappen van Middelburg, Vlissingen en Veere, den 17 Mei en 11 October 1732 gesloten, deze kerk tot de openbare godsdienstige bijeenkomsten te klein geworden zijnde, door de Regering der stad, in den jare 1738, aan deze gemeente tergund is geworden eene nieuwe kerk met eene Predikantswoning en scboolhuis te mogen bouwen, waartoe de plaats van stadswege, door de Regering, zonder eenige kooppenningen noch cijnsen, aanmeten en geschonken is, volgens Resolutie, ten Rade der stad Middelburg, dato 11 Januarij 1738, en tot goedmakiug der bouwkosten aan deze gemeente toegelaten, zoo in Zeeland als in Holland en Duitschland, collecten te doen, zijnde, ter meerdere bevordering der collecten in de Nederlanden, de collectant voorzien geworden van eene voorschrijving en aanbevelingsbrief van Burgemeesters, Schepenen en Raden der stad Middelburg, in dato 4 Mei 1740. Dan, daar de ingezamelde penningen niet toereikende waren, om alle de bouwkosten daaruit goed te maken, hebben de Staten van Zeeland, bij besluit van den 27 Februarij 1741, den kerkeraad der Luthersche gemeente te Middelburg gemagtigd tot het doen eener tontine-negotiatie, bij instervende lijfrenten, met vrijdom van alle 100ste en 200ste penningen, of oude lasten voor altoos, van eene capitale som van 500 ponden Vlaamsen (3000 gnld.) van welke genegotieerde gelden vervolgens zijn aangekocht voor 20,000 guldens aan obligatien ten laste der provincie Zeeland, die ter verzekering der geintresseerden in de tontine-negotie voor kapitaal en renten zijn geplaatst geworden. De kerk, aan de zuidzijde van het Molenwater staande, lang ruim 26 ell., hreed 15 ell. buiten de opgaande muren, is een zeer schoon gebouw, gesticht onder het beleid van den Stads Bouwmeester 3. de Munck. Zij werd ingewijd den 20 Mei 1742, (blijkens onder anderen eenen gedenkpenning met de afbeelding der kerk) en heeft een fraai orgel. De tafel binnen het doophek is men aan de mildadigheid van den Majoor Potkamer verschuldigd. In het jaar 1748 bekostigden de Leden der gemeente reeds eene zilveren kan en een zilveren, van binnen vergulden, kelk, voor de bediening des H. Avondmaals en een fraai bewerkt zilveren doopbekken. Bij het vijftigjarig jubilé dier kerk is het orgel versierd met een verguld beeld en twee dito vazen, welke voorwerpen , den 6 October 1792, ten geschenke zijn gegeven door Mr. Daniel Rademacher uit Nieuwerkerk (Hen die meer in het bijzonder omtrent deze kerk en de Evaogelisch-Luthersche gemeente Middelburg willen onerrigt wezen, verwijzen wij naar H. Haaring, Feestrede over het tweehonderdjarig bestaan der Evangelisch-Luthersche kerk, te Middelburg, Middelburg 1812) .
De kerk der Doopsgezinden, op de Hoogstraat, vroeger een bnrgerhuis, waarin men zamenkwam, is thans eene zeer nette eigenlijke vergaderplaats, met een orgel voorzien. Zij werd in het jaar 1658 in orde gebragt, en was sedert als zoodanig bij die gem. in gebruik.
De Christelijke Afgescheidenen hadden, sedert het jaar 1841, voor de uitoefening hunner godsdienst een bijzonder huis op den Kinderdijk aangekocht, hetwelk van binnen tot eene kerk was ingerigt, doch als zoodanig geen uiterlijk aanzien had. In 1843 is die gemeente door aankoop eigenaar geworden van de zoogenaamde Gasthuiskerk, dus naar het daarnevcnsstaande gasthuis genoemd, waarin thans de dienst verrigt wordt. Zij werd in het jaar 1589 tot een predikplaats voor niet Roomschen geopend. eerst te dienste der Engelschen, zijnde het gestoelte van den Courtmeester, onder eene soort van triumfboog, daar nog in overig. In Julij 1621 verzocht evenwel de kerkeraad der Nederduitsche gemeente, om deze kerk en een tienden Predikant; dien ten gevolge kwam zij bij deze in gebruik en den Engelschen werd hunne tegenwoordige kerk toegevoegd. In het jaar 1798 werd zij aan de R. K. gem. afgestaan, die haar als kapel gebruikte en aan de H. Barbara toewijdde, doch in 1843 in het openbaar verkochten. Het is een oud, eenvoudig en niet groot gebouw.
De Roomsch-Katholijke kerk, aan den H. Petrus toegewijd, staat op den Stads Binnensingel, genaamd den Blaauwendijk. Dit gebouw uit eenige onderscheidene huizen zamengesteld, is met een kostbaar altaar en een fraai orgel voorzien; de tijd, wanneer daarna de openbare dienst is begonnen , is niet bekend , ofschoon in de notulen der stad, van het jaar 1682, reeds van eene R. K. kerk wordt melding gemaakt, welker gebruik door de Regering verboden werd.
Er is thans eene fraaije R. K. kerk , in de Noordstraat, in aanbouw.
Vóór de Hervorming hadden de R. K. hier, behalve de Oude-Noordmonster- of St. Pieterskerk en de Nieuwe-Oostmonster- of Lieve Vrouwekerk, nog eene kerk, de St. Maartenskerk geheeten , staande op de tegenwoordige Groote-Markt. Deze kerk was in het jaar 1390 gebouwd en werd in het jaar 1479, op den 7 Junij , door Keizer Maximiliaan en zijne huisvrouw Maria, begiftigd met een kapittel van 12 Kanunniken. Zij had den naam van West-Monster, in tegenstelling van de beide anderen. Het regt van voorstelling tot deze kerk, kwam op zekere voorwaarden den Graven van Holland en Zeeland toe. De Hervormden hebben deze kerk echter ook nog gebruikt van 19 September 1574 tot 13 Maart 1573, na welken tijd de stad haar heeft doen afbreken, ten einde de markt te vergrooten. De steenen , het ijzerwerk, de klokken en al het overschot zijn op bevel der Regering voor eenen geringen prijs, te weten voor 1820 gulden, ten behoeve der armen verkocht aan zekeren Pieter Pietersz. Men had, vóór de Reformatie, te Middelburg, behalve de Abdij, nog vijf Mans- en drie Vrouwenkloosters. De Manskloosters waren: het Duitsche-huis, in de Wagenaarstraat, op de plaats, waar thans het Provinciaal Geregtshof gevonden wordt; het Klooster der Tempeliers, in de St. Janstraat, dat, na het uitroeijen dier orde, door de Heeren van Borssele aan de Minderbroeders gegeven is, welke Broeders later Observanten geworden zijn, terwijl bet gebouw na de Hervorming lot eene Bank van Leening is ingerigt; het Klooster van St. Augustinusorde, in het Schuttershofstraatje, eertijds het Augustijnestraatje, later het Schuttershof van den Edelen Handboog; het Klooster der Bogaarden, inde Spanjaardstraat, thans dienende tot Stallingen van eenen Huurkoetsier en de kapel tot Fransche kerk, en het Klooster der Cellebroeders, in het Cellebroedersstraatje, waarvan de gebouwen later zijn ingerigt tot een Krankzinnigenhuis, doch thans gedeeltelijk door de commissie voor spijsuitdeeling aan behoeftigen voor eene Soepkokerij gebruikt wordt, terwijl de kapel tot Engelsche kerk dient. De Vrouwenkloosters zijn geweest: Bachtensteene of het Zwarte Zusterklooster, aan de Balans, later tot een Schuttershof ingerigt en thans eene Sociëteit, nog dien naam dragende; Bachtsgravenhove of het Graauwe Zusterklooster, in de Zusterstraat, dat van 1473 dagteekende en waarvan de kapel later tot Hervormde kerk gediend hebbende, zoo als wij hierboven gezien hebben, in bet jaar 1808 is afgebroken, en bet Beggijnhof, aan de Bree, dat in het laatst der twaalfde of het begin van de dertiende eeuw reeds werd opgerigt, thans uit particuliere woonhuizen , meest van behoeftigen, bestaande.
De Kerk of Synagoge der Israëlieten , uitgang hebbende in de Heerenstraat, was vroeger het eigendom van Benjamin en Heyman Levi, doch is op den 15 Mei 1705 door dezen verkocht aan vijftien huisgezinnen van die gezindheid, door welken hel, met goedkeuring der Regering tot eene synagoge is ingerigt. Vóór dien tijd hadden de Israëlieten geene openbare kerk binnen deze stad.
Onder de godshuizen van Middelburg noemen wij eerst: het Gasthuis, in den Langendelft, dat reeds aanwezig en vóór het jaar 1534 bekend was onder den naam van St. Barbara-Gasthuis, als zijnde aan St. Barbara toegeheiligd. Vroeger diende bet alleen tot de verpleging van vreemdelingen, thans worden alle personen zonder onderscheid, zoo wel voor partikuliere rekening, als voor die der armbesturen, daarin opgenomen. Dit gesticht heeft nog vele fondsen en vaste goederen, en is daarmede bijzonderlijk begiftigd door zekeren Johan Matens den Ouden, Burgemeester der stad Vlissingen, bij uitersten wil van den 11 November 1605.
Het Zieken-en-Simpelhuis, staande aan de Herengracht, is door de stad gesticht in de jaren 1781 tot 1784 ; het dient tot inwoning van oude en ongeneeslijke personen. In 1812 is op last van den toenmaligen Prefect, het tegenwoordig voorgebouw tot een Simpelbuis aangelegd, en zijn daartoe eenige naburige huizen door de stad aangekocht. Bij Koninklijk besluit van 25 Junij 1843 is dit Simpelhuis, boezeer slechts voorloopig en tijdelijk, tot eene bewaarplaats van krankzinnigen erkend; doch in het jaar 1845 is het opgeheven en aan het gebouw nog geene bepaalde bestemming gegeven, liet vorige Simpelhnis was het oude Cellebroersklooster, welks kapel nu nog de Engelsche kerk is; het werd in liet jaar 1611 tot een zoodanig gesticht ingerigt.
Het Burger-Weeshuis, op het Molenwater, werd in 1718 gebouwd, grootendeels uit eene ruime erfmaking eener rijke burgeres, genaamd Lijdia Borreys, wed. Verbrugge, † 5 Augustus 1717, en moest volgens uitersten wil der testatrice bestemd blijven, voor wettige kinderen uit den burgerstand en van de Hervormde godsdienst. Bij de vernietiging van bel Armen-Weeshuis, in 1812, heeft men zich verpligt gezien, hiervan voor eenigen tijd af te wijken, docli thans is dit gesticht gelukkig weder tot zijn oorspronkelijk doel teruggebragt. Ook dit gesticht is bij onderscheidene erfmakingen rijkelijk begiftigd, zoodanig dat een dertigtal der daarin geplaatste weezen uit de fondsen van dit huis onderhouden worden.
Alle drie de bovengenoemde gestichten staan, overeenkomstig het Vorstelijk besluit van den 31 December 1814, onder de administratie van een centraal bestuur, zijnde het collegie van Regenten over de godshuizen.
Het Stads Werkhuis; voorheen bet Arm-Weeshuis, in de Noordpoortstraat, is in het jaar 1817 opgerigt, met het voorname doel om de bedelarij te weren, en wordt uit stedelijke fondsen onderhouden. Het dient bovendien nog tot een Provinciaal depôt van bedelaars, voor dat deze naar de koloniën van weldadigheid worden verzonden. Het beheer over dit gesticht is opgedragen aan de commissie van bestuur over de Armeninrigtingen en Armenscholen. Voorts heeft men in dit gebouw nog de localen der Provinciale Geneeskundige school tot aankweeking van Heelmeesters en Vroedvrouwen, welke in 1825 binnen Middelburg is tot stand gebragt.
Onder de instellingen van liefdadigheid, welke behalve de bovengenoemde gestichten aldaar bestaan, kunnen nog worden gerangschikt: De Commissie tot het bezoeken van armen en behoeftigen, bestaande uit een zestigtal bezoekers, welke weder zijn verdeeld in zes wijkcommissiën , terwijl de hoofdderectie bestaat uit zeven leden, van welke een President en een Secretaris is; de Commissie: Loon voor Werk, zame gesteld uit tien leden, van welke een President en een Secretaris is; de Commissie tot spijsuitdeeling des winters aan behoeftigen, uit acht leden bestaande, van welke een Voozittcr en een Secretaris; de Commissie van moederlijke liefdadigheid , vier leden tellende; de Zeeuwsche Dorcas.
Bovendien bevat de stad Middelburg nog de volgende inrigtingen: Het Zeeuwsche genootschap der wetenschappen, in het jaar 1768 te Vlissingen opgerigt, doch ten jare 1801 in het Museum der stad Middelburg overgebragt, en thans bestaande uit eenen Voorzitter, eenen Vice-Voorzitter, 58 Directeuren en 1e0 leden; twee Natuurkundige gezelschappen, het eene wekelijks voor Heeren, en het andere om de veertien dagen voor Dames; een bloeijcnd Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, sedert 10 December 1793 bestaande, en 230 leden tellende, met eene Spaarbank en eene Leesbibliotheek; een Departement der Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der nijverheid; een Departement der Maatschappij tot bevordering der beeldende kunsten; eene Afdeeling van het bijbelgenootschap; eene Afdeeling van het zendelinggenootschap; een Vrouwelijk hulp-zendelinggenootschap; eene Afdeeling van het Nederlandsch tractaatgenootschap; eene Afdeeling van het genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen; eene Afdeeling der Maatschappij tot bevordering der toonkunst; een Departement van het Groninger instituut van doofstommen, ongeveer 90 leden, onder welken de minder betalende Donateurs, tellende; eene subcommissie der Maatschappij van Weldadigheid, en een Genootschap tot bevordering van landbouw en veeteelt, in 1844 opgerigt. In het jaar 1833 was hier ook eene Maatschappij van Veeverzekering opgerigt, welke echter thans ontbonden is.
Het onderwijs is binnen de stad Middelburg op eenen vrij hoogen trap; behalve het stedelijk Gymnasium, op hetwelk zoo wel het l.atijn en Grieksch, als de nieuwe talen, met de overige bijvakken geleerd worden, en hetwelk thans door ruim 20 leerlingen bezocht wordt, heeft men hier nog een Instituut voor het middelbaar onderwijs, voor mannelijke leerlingen, dat 30 leerlingen telt; een Stads Fransche kostschool, voor vrouwelijke leerlingen, waar ruim 30 meisjes onderwijs genieten; eene Openbare school voor de Nederlandsche taal, dat door ruim 40 leerlingen bezocht wordt; eene Stads Armenschool met ruim 600 leerlingen; eene Nederlandsche Israëlitische godsdienstige school, met nagenoeg 40 leerlingen; eene Stads Armen-bewaarschool; eene Zondag-school en zes Bijzondere scholen, welke acht laatste scholen gezamenlijk door ruim 600 leerlingen bezocht worden, terwijl op eene daarvan mede ondcrwijs gegeven wordt in de Fransche en Engelsche talen.
Te Middelburg waren vroeger ook drie schuttershoven, te weten: dat van den Handboog, het tweede van den Voetboog, het derde van de Busse.
Het eerste en oudste was het Schuttershof van den edelen Handboog . Voorheen stond het buiten de Seispoort, maar in het jaar 1372 werd het ten eenenmale verwoest, waarschijnlijk ter oorzake van de belegering der stad. Het gebouw, dat de schutters vervolgens betrokken, staande bij de Vlasmarkt, had een fraai torentje. Volgens privilegie van Filips van Ooostenrijk, van den 6 Maartdcs jaars 1501, inogt zulk een, die een ander aldaar kwetstede of doodde, na geroepen te hebben : » Sta buiten !" noch in het burgerlijke, noch in het lijfstraffelijk in regten betrokken worden.
Het Schuttershof van den Voet- of Kruisboog, stond op de Balans, ter plaatse, daar eerrijds Bachensteene of het Zwarte-zuster-klooster plagt te staan, hetgeen bij vergunning des Bisschops van Utrecht afgebroken werd. Voorheen werd de Schuttcrskoning met eene kroon gekroond, die naderhand in een halsband veranderd werd, welke jaarlijks in handen en bewaring van kwartiermeesters, of thesaurieren, moest gebragt worden. Thans is dit gebouw tot eene Societeit iugerigt.
Het Schuttershof van de Busse of der Kloveniers (Eigenlijk Colubryniers, naar de vroegste benaming der snaphanen; zie verder xxx J Ab Utrecht Dresselhuys, Wandelingen door het eiland Walcheren, blz. 27) stond voorheen op de zuidzijde van den Dam; daar hun wapen in den voorgevel gemetseld stond. Dit gebouw was in het jaar 1607 door een ander vervangen en in Augustus van dat jaar aan het Kuipersgilde verkocht, die er de Kuipersgildekamer van maakte, waardoor het Schutterskof- of Molenstraatje den naam van Kuipersgang heeft verkregen. In het gezegde jaar schonk de stad den schutters een ander erf op den Binnensingel, regt over de Langeville, daar zij een deftig gebouw met eenen sierlijken toren stichtte, waartoe de stad aan de Broederschap 600 ponden Vlaams (3600 guld.) gaf. Deze toren was, in het midden der vorige eeuw, door den bliksem getroffen, zoodat hij moest afgebroken worden. Thans dient dit gebouw tot een Militaire Hospitaal.
Alle drie deze schuttershoven waren deftige gebouwen, van ruime zalen en zeer groote welbeplante hoven voorzien, daar men met boog of bus uit vermaak naar het wit schoot. Van binnen waren de kamers en vertrekken versierd met eene menigte schilderijen, waarin de Schutters of Konfreren van ouderen en jongeren tijd, zoo in ouder als nieuwerwetsche toerustingen en kleeding, waren afgebeeld. Men kon daarin, zoo als in andere herbergen, behoorlijk van alles geriefd worden; doch niemand mogt er huisvesting krijgen, dan alleen in sommige buitengewone gevallen. Zij genoten, boven de gewone tappers, eenige vrijheid van accijns, en strekten veeltijds tot uitspanning der burgerij, het aanrigten van gilden- of andere groote maaltijden en diergelijken. Oudtijds was der Schutters of Konfrerijen voornaamste doel zich te oefenen in den wapenhandel van dien tijd, om alle muiterij en oproer te weren, de vijanden af te keeren en bovendien de Prinsen des Lands hij hunne plegtige inhuldigingen of inhalingen, als lijfwachten te vergezellen. In de omgangen gingen zij in het harnas en moesten bonte mouwen dragen. De Schutterskoningen genoten, zoo lang zij Koning waren, vrijdom van accijns voor één vat wijn. De schutterijen plagten mede in gewigtige zaken , bij die van wet en Raad, gedagvaard te worden, nevens die van Rhetoria en de voornaamste gilden, om over stads oorbaar te helpen raadplegen. Hunne Regenten bestonden in eenen Boekhouder en drie Bedelers.
Vroeger was hier ook eene Rethorijkkamer. welke reeds sedert meer dan ééne eeuw is vernietigd. Het gebouw , waarvan mede geen spoor meer overig is, stond in de Noordstraat, tegenover de linkerzijde van het Stadhuis. Zij voerde tot blazoen en zinspreuk:
Het Bloemke Jesse of In minnen groeiende, en was, in het jaar 1430, ingesteld en met privilegiën en ordonnanttiën der Regering begiftigd. In het jaar 1507 won zij, op het Rethorijkspel te Reimerswaal, zeven tinnen slopen en tien tinnen kannen, waarop het wapen der stad Reimerswaal en het advijs der kamer geschilderd stonden, welke vervolgens op deze kamer ter loffelijkcr gedachtenis bewaard werden. Reeds vóór het midden der voorgaande eeuw waren alle Leden , waaronder ook doorgaans van de aanzienlijkste der stad, uitgestorven, en het huis, dat met bekwame vertrekken voorzien was en in welke somtijds eenige tooneelstukken door de Rethorijkers vertoond werden, verkocht en in cene herberg veranderd.
Te Middelburg zijn de volgende vermaarde mannen geboren: De Godgeleerden: Jacobus Middelburgensis, Suffragaan van den Bisschop van Kamerijk, met wien Erasmus briefwisseling hield in 1499; Petrus Ximerius of' Ximenius , † in Julij 1595; Maximilaen Teelinck, geb. 26 April 1602, † 26 November 1653, als Predikant te Middelburg; diens broeder Johannes Teelinck, † in Mei 1673, na slechts ééne leerrede gedaan te hebben, als Predikant te Leeuwarden; Adam Boreel, Heer van Duinbeke, geb. 2 November 1602 , † in Julij 1654 die ook de Nederduitsche lier handteerde; Petrus Wittenwrongel, geb. in 1609, † 7 December 1662 ; Joannes de Mey, geb. 2 September 1617, † 8 April 1678, als Professor Primarius Theologiae et Philosophiae en Predikant te Middelburg; Johannes Becius, geb. omstreeks 1622; Jacobus Burs, die in het midden der zeventiende eeuw Predikant te Tholen was; diens broeder Melchior Burs, die Predikant te West-Souburg geweest is, en wiens Kort begrip der Christelijcker religie, hetwelk hij, op last der klassis van Walcheren, had zamengesteld, tot nog op het einde der vorige eeuw in gebruik is gebleven en zelfs in het Maleisch vertaald is; Gislenus Perduin, geb. 13 October 1630, † 17 Augustus 1708, na drie jaren Rector of Hoofd van een klooster te zijn geweest; Guilelmus van Lake, die in de laatste helft der zeventiende eeuw leefde; Johan Steengracht geb. in 1635 , † 30 Januarij 1705, als Secretaris van den Raad ter Admiraliteit in Zeeland; Gualterus Boudaan, geb. in Mei 1637, † 14 Febniarij 1684, als Predikant te Amsterdam; diens xoon Petrus Boudaan, geb. in Auguslus 1666, † 30 Mei 1734; David Knibbe, geb. 13 Julij 1639, † 8 November 1701, als Predikant te Leyden; Melchior Leydekker, geb. 23 Januarij of, volgens anderen, 21 Maart 1642, † 6 Januarij 1721, als Hoogleeraar in de Godgeleerdheid aan de Hoogeschool te Utrecht; diens broeder Jacobus Leydekker, geb. 9 Mei 1636, † 1 Mei 1729, als Predikant in zijne geboorteplaats; Fredericus van Leenhof, die mede de Nederduitsche lier handteerde, geb. in Augustus 1647, † in November 1712; Servatius Hazevoet, geb. 2 April 1637, † 17 April 1729, als Predikant te Vlissingen; Jacobus Fruytier, geb. 5 Junij 1659 , † 23 Mei 1731, als Predikant te Rotterdam; Pieter Boddaert, geb. 4 Augustus 1659, † 14 Maart 1732, na Burgemeester in zijne geboorteplaats te zijn geweest; Daniel le Roy, geb. 8 October 1661, † 11 Mei 1711, als Predikant te Rotterdam; Johannes d'Octrien die mede de Nederduitsche lier handteerde, geb. 17 October 1662, † 24 Februarij 1722, als Predikant te Amsterdam; Izaak Schorer, geb. 7 September 1697, † 19 November 1750, als Hoogleeraar der kerkelijke geschiedenis aan de doorluchtige school van zijne vaderstad; Johannes Kien, die in liet begin der achttiende eeuw leefde; Aegidius Gillissen, geb. 12 .Julij 1712, † 13 Junij 1800, na Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, eerst te Franeker en daarna te Leyden te zijn geweest, en Petrus Abbesch , geb. in 1735, † 11 December 1812, als Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Groningen; Jacobus Willemsen, die, in het begin der achttiende eeuw geb., later Predikant en Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te MIiddelburg was en op het laatst dier eeuw overleed.
De Regtsgeleerden Jacobus Anthonii of Jacob Anthonisz, die in het begin der zestiende eeuw Hooglecraar in het Kanonieke regt te Brussel was; Petrus Nicolia a Middelburge, die tevens een bekwaam Godgeleerde was; Everhardus Nicolai, † in l560, als President van den grooten Raad te Mechelen; Nicolaas Nicolai, Raadsheer bij Filips II, Koning van Spanje, die tevens Dichter en Geschiedschrijver was; Apollonius Scotte, † 1 November 1639, als Raadsheer in den Hoogen Raad te 's Gravenhage; Cornelis Cau, geb. 1 Junij 1616; Anthony de Hubert, geb. in Januarij 1645, † in 1701, als Raadsheer in den Hoogen Raad te 's Gravenhage; Johan Schorer, die mede de Latijnsche lier handteerde, † 29 Mei 1705, als Pensionaris in zijne geboortestad; Cornelis Bynkershoek, geb. 29 Mei 1673, † 15 April 1743 , als Voorzitter van den Hoogen Raad over Holland, Zeeland en Friesland; Mr. Willem Schorer , President van den edele hove en leenhove van Vlaanderen , geb. in 1716, † 6 December 1800; Mr. Jan Both Hendriksen, geb. 20 Februarij 1744, † 28 Augustus 1817; Mr. Jacob Hendrik Schorer. geb.5 Februarij 1760, \ 19 Januarij 1822, als Oud-Gouverneur der provincie Zeeland, na in het jaar 1816—-1819 Curator der Hoogeschool te Leyden te zijn geweest; Mr. Antonii Willem Philipse, geb. in 1766, † 8 Febrnarij 1845 als President van den Hoogen Raad der Nederlanden.
De Staatsmannen: Jacob Boreel, geb. 28 October 1552, † 19 December 1636, na in 1618 Afgezant bij Jacob I, Koning van Groot-Brittanje te zijn geweest; diens zoon Willem Boreel, geb. 2 Maart 1591, † te Parijs 29 September 1668, na in onderscheidene buitenlandsche bezendingen veel lof te hebben verworven; Jan Boreel geb. 22 April 1557, † 1 November 1629. als Raadpensionaris der Staten van Zeeland; diens zoon Johan Boreel, Heer van Westhoven, geb. in 1621, † 10 Maart 1675; na buitengewoon Gezant aan het Hof van Engeland te zijn geweest. Jacob Scotte, † in 1641, na onderscheidene Staattcommissiën te hebben bekleed; Paulus van de Perre, geb. in 1598, † 1653, als Gezant aan het Hof van St. James; Johan de Knuyt, † in 1654, als Representant van den eerste Edele in Zeeland; Adriaaen Veth, † 13 November 1663, als Raadpensionaris van Zeeland; Michiel Michielszoon, geb. omstreeks het midden der zeventiende eeuw, † in 1684, als Pensionaris van Middelburg, terwijl hij ook door zijne Burlesque notulen van de Staten van Zeeland, als Dichter bekend is; Pieter de Huybert, geb. 1 April 1622, † 7 Januarij 1707, na extraordinaris Ambassadeur aan de Hoven van Zweden, Polen en Brandenburg te zijn geweest; Jacob van Borssele, geb. in 1622, † in 1686, na in 1663 een der afgezondenen geweest te zijn naar den Bisschop van Munster, om de geschillen, reeds in 1657 begonnen, te vereffenen; Aernout van Citters, geb 10 December 1633, † 12 October 1696 te Madrid, als Ambassadeur aan het Hof van Spanje, na eerst Ambassadeur bij den Koning van Groot-Brittanje te zijn geweest; diens kleinzoon Wilhelm van Citters , geb. 1725 † 17 Augustus 1802, na in 1772 een der Afgevaardigden tot de onderhandelingen te Brussel en van 1764 tot 1767 Vertegewoordiger van den eerste Edele in Zeeland te zijn geweest; Ladeen Pieter van der Spiege;, geb. 19 Jannarij 1737, † in 1800, na Raadpensionaris der Staten van Holland te zijn geweest; Johan Adriaan van de Perre, Heer van Nieuw-Erve-en -Welsingen, geb. 25 December 1738, † 8 April 1790, na Vertegenwoordiger van den eerste Edele in Zeeland te zijn geweest. Mr. Meinard van Visvliet, geb. 13 December 1702, † 13 Julij 1799, na eerst Pensionaris zijner geboortestad en daarna Opperboekhouder der Oostindische Compagnie te zijn geweest; Mr. Egbert Pieter van Visvliet, geb. 12 October 1736 † 6 Januarij 1799, die tevens een bekwaam Geneesheer was. Jean Henri Appelius, geb. in 1767, † te ’s Gravenhage 12 April 1828, als Minister van Finantien vau het Koningrijk der Nederlanden.
De Gouverneur-Generaal van Neerlands-Indië, Reinier de Klerk, geb. 22 November 1710, † 1 September 1780.
De Zeevaarders: Apollonius Schot, uit het begin der zeventiende eeuw; Jan Somer, uit het midden dier eeuw; Jacob Roggeveen, geb. in het laatst van Januarij 1659, † in het begin van Februarij 1729; Danker Amys Haringsma, geb. 5 Mei 1757, † 2 December 1840, als Oud-V ice-Admiraal en diens broeder Marinus Jacobus Haringsma, geb. 26 October 1761, † 22 November 1838, mede als Oud-Vice-Admiraal.
De Krijgsman Jacob Scotte, die in het jaar 1574 de Spanjaarden buiten Middelburg, niet ver van Brigdamme, versloeg.
De Genees-Heel-en- Kruidkundigen: Tobias Roels, die in het begin der zeventiende eeuw leefde; Cornelis Herls , mede in het begin der zeventiende eeuw, Stads-Chirurgijn in zijne geboortestad; Casparus Pelletier. of Pilletier, † in 1659; Anthony Everaerts, † 28 April 1679, als Geneesheer in zijne geboorteplaats; Cornelis van de Voorde, die in het midden der zeventiende eeuw leefde, † in of na 1686; Steven Blanchard of Blankaert, meer bekend onder den naam van Stephanus Blancardus, geb. 24 October 1650, † 25 Februarij 1702, als Geneesheer te Amsterdam; Michiel Pille, uit het begin der achttiende eeuw; Jan Kouwenburg, die in het begin der achttiende eeuw leefde en Boudewijn Dobbelaar de Wind, geb. 1773, † 14 December 1818, als Geneesheer in zijne geboorteplaats.
De Wijsgeeren: Theobaldus Ab Hoghelande, die tevens een vermaard scheikundige was; Johannes Harthemels, † 25 Junij 1776, als Hoogleeraar in de Wijsbegeerte te Utrecht en Dionysius van de Wijnperse, geb. 18 Maart 1724, † 8 October 1808, na Hoogleeraar in de Wijsbegeerte, Wis- en Sterrekunde aan de Hoogeschool te Leyden te zijn geweest.
De Wiskundigen: Paulus Middelburgius, eigenlijk Paulus van Middelburg, die tevens een vermaard natuur-, geneeskundige en godgeleerde was, geb. in 1443, † 15 December 1534, als President van het concilium van Lateranen te Rome na eerst Bisschop van Orbinen, in Italië, te zijn geweest; Petrus Capitaneus, die tevens een bekwaam Geneeskundige was, geb. in 1512, †- in 1557, als Hoogleeraar in de Geneeskunde te Koppenhage en Lijfarts van den Koning van Denemarken; Hendrik van Lanschot, Isaak Beekman, † 20 Mei 1657 , als Rector der Latijnsche scholen te Dordrecht; Adriaan de Neef, die in het laatst der zeventiende eeuw geleefd heeft; Daniel Waeywel, geb. 2 Februarij 1654, † 14 Februarij 1736; en Johan Pieter Boerje, die tevens een bekwaam Schilder was, geb. 27 April 1774 , †12 Maart 1834.
De Oudheid- en Geschiedkundigen: Adrianus Valerius of, zoo als zijn eigenlijke naam was, Adriaan Valery, die in 1626 de Neder-landtsche Gedenck-clanck in het licht zond; Willem Goeree, geb. 11 December 1633, † 3 Mei 1711, als Boekverkooper te Amsterdam; Pieter de la Rue, die mede een niet onbekwaam Nederduitsch Dichter was, geb. 30 Mei 1693, † 1 December 1770, als Rekenmeester in de Grafelijkheids-Rekenkamer van Zeeland; Josua van Iperen die ook met bekwaamheid de Nederduitsche en Latijnsche lier handteerde, geb. 25 Februarij 1726, † 11 Februarij 1780, als Predikant te Batavia, en Mr. Zacharias Paspoort, Heer van Grijpskerke en Popendamme, geb. 5 Maart 1759, † 29 Junij 1824, na in het jaar 1820 eene Beschrijving van Zeeland, ten vervolge op het 9de en 10de Deel van den Tegenwoordige Slaat der Nederlanden, te hebben in druk gegeven.
De Nederduitsche Dichters: Jan Fruitier, uit de zestiende eeuw; Johan de Brune, geb.. in 1585, † in 1658, als Raadpensionaris der Staten van Zeeland; Joannes de Swaef , die in het begin der zeventiende eeuw leefde; Johannes Wilmerdonx, die in het midden der zeventiende eeuw Hoogleeraar aan de Illustreschool zijner geboortestad was; Matthias van Westhuyse, † 29 Mei 1679, als Geneesheer in zijne geboortestad; Remigius Schrijver, † 11 Februarij 1681; Izaak van Hoornbeek, † 5 November 1682, als Rector der Latijnsche school in zijne geboortestad; Nicolaus van Hoorn, die in de laatste helft der zeventiende eeuw gebloeid heeft; Alexander de Muinq, geb. 9 Mei 1633, † 24 Mei 1719; Jacob Luyt, uit de zeventiende eeuw; Johan Steengracht, die in de eerste helft der achttiende eeuw bloeide en Pensionaris in zijne geboortestad was, geb. in 1692; Adriaan de Klerck, die in het begin der achttiende eeuw leefde; Adriaan Uyterschout, uit het begin der achttiende eeuw; Jacob Willemsen, geb. 22 Junij 1712, als Kiesheer zijner geboortestad; Pieter Boddaert, geb. 6 Junij 1694, † 28 Januarij 1762 , en Pieter Johannes Heron , geb. in 1778, † 18 September 1818.
De Latijnsche en Grieksche Letterkundigen: Matthias Martinez de Waucquier, † in 1642, als Corrector op de drukkerij van Plantijn te Antwerpen, terwijl hij zelf een Latijnsch-Grieksch, Fransch en Vlaamsch Woordenboek vervaardigde; Frans Anthonie Bosse, geb. 14 September 1775, † 23 December 1839, als Rector der Latijnsche scholen te Leyden, en Johannes Kappeine van de Coppelp, geb. in 1790, † 27 April 1833 , als Rector der Latijnsche scholen te 's Gravenhage.
De Latijnsche Dichters: Hugo Favoleus of Vavolius, † in 1585; Godfried van der Hagen; Arnoldus Helius; Hugo de Bonte, † 3 Junij 1601, en David van Reygersbergh, geb. in 1670, † 28 Januarij 1690.
De Oostersche Taalgeleerde Johan Boreel, geb. 22 April 1577, † 1 November 1629.
De Schilders: Johannes Goedaert, die tevens een bekwaam Natuurkundige was, † in 1668; Philip van Macteren, † vóór 1690; Hermanus Coets, geb. 27 September 1663, † na 1713; Daniel Vinkenhuis, † in 1740; Anthony van Dam, geb. in 1681 of 1682, † 21 Februarij 1741; Abraham Meertens, geb. 7 Februarij 1757, † 27 April 1823; Simon de Koster, geb. 22 Augustus 1767, † 24 Junij 1831; Pieter Gaal, geb. 19 Junij 1770, † 13 Januarij 1819, Jean Baptiste Ham, geb. in 1771, † 2 April 1802; Johannes Cornelis Haccon, geb. 18 April 1798, † 21 Januarij 1839, en Johannes Koekoek, geb. 8 December 1811, † 28 April 1841.
De Teekenaars: Daniel de Keizer, geb. in 1739, † in 1806, Jacobus Perkois, geb. in 1756, † in 1804, en Cornelis de Blois, geb. in 1768, † in 1801.
De Graveurs: Hendrik van Hulsen, geb. in 1566; diens broeder Jesaias van Hulsen, geb. in 1570, en Jan Goeree, die mede de .Nederduitsche lier handteerde, geb. 20 October 1670, † 4 Januarij 1731
De kunstige Schrijfmeester, Plaatsnijder en Drukker, Samuel de Swaep, die zich ook als Nederduitsch Dichter heeft bekend gemaakt, geb. in 1597.
De Beeldhouwer Joannes Canhout, geb. in 1738, † in 1797.
De kunstige Tapijtwerker Jan de Maeght, die in de jaren1391 tot 1398 het fraaije tapijtwerk, nog in de zalen der Abdij te Middelburg te zien, vervaardigd heeft.
De bekwame Brillenmaker Zacharias Jansen, aan wien de eer van de uitvinding der verrekijkers, in hel jaar l590, wordt toegekend. Hij woonde op de Groenmarkt, in het huis gemerkt A, No. 24, en vond in 1610 of 1618, met zijnen zoon Jan Zachariasz, de groote teloskopen en zamengestclde mikroskopen uit (Men zie over deze uitvinding, waaraan, volgens sommigen, ook zekere Johan of Hans Luttelbert. die in het Kapoenstraatje, in hett hui:s gemerkt A, No. 17, in welks gevel nog.zijn afgebeeld drie verrekijkers, met het bijschrift: de drie ware Gezichten. -woonde, duel zoude gehad hebben: J. de Kanter Philz. en J Ab Utrecht Dresselhuis. de Provincie Zeeland, bijlage X).
Ook zagen te Middelburg de volgende beroemde vrouwen het eerste levenslicht: De Geleerde Cornelia Leydekker, geb. in Maart 1654. De Dichteressen: Johanna Coomans, † 12 October 1659; Elizabeth Nays, uit de zeventiende eeuw; Anna Rethaan, geb. 6 Januarij 1684, † 30 October 1729, en Anna Maria Vincentius, geb. 18 September 1697, † 23 Mei 1730.
Zoo onzeker als de stichting is, zoo duister zijn ook de oude lotgevallen der stad, zijnde alle de oudste papieren en bewijzen door het vuur verteerd. Want, volgens Reyghersbergh, is in oude tijden binnen Middelburg tweemaal een groote brand geweest. In den eersten, die op het einde der dertiende eeuw moet voorgevallen zijn, werd het stadhuis, waarop vele oude gesten en secreten van Zeeland waren , nevens het Augustiner-klooster en de halve stad aan de westzijde verteerd. Twee honderd jaren later trof diergelijke ramp de stad andermaal. Op den 22 October 1492 werden, het derde deel der stad aan de noordzijde, met een gedeelte van de abdij , waarin de oudste en schoonste boekerij van Zeeland was en het klooster der Bogaarden, met nog wel drie honderd haardsteden , door de vlammen verslonden.
In het jaar 1253, op St. Gregoriusavond, gaf Koning Willem, binnen Dordrecht, aan die van Middelburg eene keure, die nog voorhanden, is. Zij, daarentegen, stonden hem dapper bij in den vermaarden slag bij Westkapelle, op den 4 Julij des zelfden jaars voorgevallen , tegen Zwarte Margriet, Gravin van Vlaanderen, in welke zij door hunne dapperheid niet weinig tot de overwinning toebragten, welke dienst hij van zijnen kant niet onvergolden liet, door het schenken van eenige voorname handvesten en privilegiën, met nog meer vrijheden dan zij te voren hadden; ook deed hij hun rijke geschenken, ter herstelling en versterking hunner stad. Hij vergat de Abdij aldaar mede niet, maar schonk deze erven en tienden en verschafte haar geleerde mannen , om de kerk te bedienen. Onder andere keuren verkregen die van Middelburg op dezen tijd : » dat men nergens » in Zeeland hooge vierschaar mogt houden dan te Middelburg eerst, en » wat van criminele zaaken viel Bewestcr Schelde of ten platte lande, » dat men dat in de stad richten zoude , en de gevangenen op 's Gravensteen brengen."
Omtrent het jaar 1279 of 1280, onder de regering van Graaf Floris V, hadden de Middelburgers, doch onzeker om wat oorzaak, eenen inlandschen oorlog met die van Zierikzee , waarover de laatsten eene boete van twaalf honderd gulden moesten betalen aan den Graaf, maar de Middelburgers schold hij die kwijt.
In het jaar 1288 werd Middelburg van de Vlamingen, die eenen inval in Walcheren gedaan hadden, aangetast, daartoe opgehitst door de misnoegde Zeeuwsche Edelen, inzonderheid die van Borssele en Renesse; doch Graaf Floris, daarvan kennis bekomen hebbende, zond zijne gemalin Beatrix en zijnen jongen zoon Jan, naar Middelburg, welke stad hem zeer gunstig was, met last om haar tegen alle aanvallen te verdedigen. Het schijnt dat hij der Gravinne , die eene eigene dochter van den Graaf van Vlaanderen was, deze stad heeft toevertrouwd om de Vlamingen en haren vader van het beleg af te schrikken. Zoodra de Vlamingen geland waren, werd het echter ondernomen. De poorters, ofschoon zij geene hulp van de Edelen te wachten hadden, weerden zich dapper. De Mortier, eene vesting aan den mond der haven, was rijkelijk van voorraad voorzien en wel bezet. Uit haar ging men de Vlamingen en eenige Zeeuwen, die zich bij hen gevoegd hadden, zoo vinnig te keer, dat zij de hoop om de stad te bemagtigen bijna hadden opgegeven. Desniettegenstaande zette zij het beleg ijverig voort. De burgers, beducht dat zij het niet lang zonden kunnen uithouden en de stad ongaarne aan eene plundering blootgesteld ziende, kwamen eindelijk met Graaf Guy overeen, dat zij hem op zekeren bestemden tijd zouden binnen laten , zoo er middelerwijl geen ontzet kwam. Niet lang daarna kreeg men berigt, dat Graaf Floris, met eene wel bemande vloot, tot voor Zierikzee genaderd was, met oogmerk om naar Walchercn over te steken en Middelburg te ontzetten. Toen zakte de moed der belegeraars; terwijl de Graaf van Vlaanderen, voor de magt van zijnen schoonzoon beducht, Jan II, Hertog van Brabnnd, bewoog tusschen beide te treden en Graaf Floris van den togt op Walcheren te doen afzien, dat ook gelukte, waarna het beleg werd opgebroken.
Naauwelijk was Jan I, in het jaar 1296 , aan de regering gekomen, of Middelburg moest al weder de wapenen der Vlamingen en den wrok der Heeren van Borssele ondervinden, wordende door Heer Wolfaart van Borssele, met behulp der Dordrechtenaren en Vlamingen, belegerd. De geheele zomer, zonder ontzet verloopen zijnde, waren de dappere burgers tot het uiterste gebragt en scheen de zeer verzwakte bezetting het te zullen moeten opgeven, zoo niet Graaf Jan van Avesnes door zijne komst het beleg had doen opbreken, zonder dat de belegeraars slag of stoot durfden afwachten.
In het begin der veertiende eeuw begon men er schepen te bouwen voor de Europesche staten, waardoor de koophandel toenam.
In het jaar 1305 moest Middelburg, door Guido van Dampier belegerd, bij gebrek aan leeftogt, na eene verdediging van acht of tien dagen, bukken; doch werd in het volgende jaar door die van Zierikzee den Vlamingen, die daarbij eene groote nederlaag leden, ontrukt, waarna de stadsmuren, welke door de Vlamingen, tegen het verdrag, waren nedergeworpen, door den Graaf van Oostervant weder hersteld werden.
Graaf Willem III, eerst aan de Regering gekomen zijnde, hield te Middelburg, gelijk hij ook te Haarlem gedaan had, acht dagen lang open hof, van tien Graven, honderd Baanroetsen of Baronnen en duizend Ridders, en stichtte daar de Noord-Monster- of St. Pieterskerk met het kollegie der Kanunniken, hetwelk hij rijkelijk begiftigde. Hij liet in het jaar 1304, des Zaterdags na St. Denysdag , eene belasting van zes penningen van het geniet, door geheel Walcheren invorderen, om de stad daaruit te vesten en te versterken; doch dit schijnt echter n:et voor 1313 ten volle te zijn volbragt, als wanneer hij de stad met muren, grachten en aarden wallen deed omgeven, ongetwijfeld uit vrees voor de Vlamingen, die steeds op goede gelegenheid loerden, om de Zeeuwen te overvallen; doch kort daarop werden die woedende oorlogen, tusschen Vlaanderen en Zeeland, door een vriendschappelijk verdrag, geëindigd.
Zijn zoon, Willem IV, verleende bij zijn privilegie, gegeven op Zaterdag na St. Bonifaciusdag des jaars 1340, den Middelburgers tolvrijheid, mits, bij wettelijk bescheid doende blijken, dat zij poorters waren; maar Hertog Karel verleende, den 4 September 1462, hun een dergelijk privilegie, waarbij hij geheel Zeeland tolvrij stelde over geheel Holland, Zeeland en Friesland.
Toen vrouw Margriet, weduwe van Keizer Lodewijk, met haren zoon, Graaf Willem V, over het bezit van Holland en Zeeland in twist geraakt was, hield Middelburg de zijde van den Graaf, hem getrouw bijstaande in den ongelukkigen slag, dien hij zijne moeder leverde, tusschen Veere en Arnemuiden, in het jaar 1331. Onder deze stribbelingen werd aan Middelburg, op Vrijdag na Onze Vrouwendag (in Maart) des jaars 1347, vergund, dat geene Ambachtsheeren, Schepenen van Middelburg mogten worden, Door deze uitsluiting der Ambachtsheeren werden de Edelen, die uithoofde van hunnen adeldom, het tweede lid van de Regering waren, uit de Regering der stad geweerd, dewijl in dien tijd de amhachtsheerlijkheden in Zeeland, genoegzaam alleen in handen der Edelen waren, en zij derhalve, indien zij voet in de Regering der stad kregen, te groote overmagt gehad, en die welligt tot nadeel der stad zuoden misbruikt hebben. Acht jaren daarna gaf Graaf Willem, op den 31 Mei van het jaar 1355, den Middelburgers nog onderscheidene voorregten , als: dat zij hunne schuldenaren over geheel Bewester-Schelde, geene Poorters van Middelburg zijnde, mogten betrekken voor Provisor en Dekens van Walcheren; een ander, bij welken den Geestelijken het tappen werd verboden; nog een ander, bij hetwelk aan Schepenen van Middelburg, ter afwering van geweld, vergund werd knijven, dat is lange messen of zwaarden , te dragen, hetgeen destijds aan zeer weinige personen, buiten 's Graven hofgezin, toegelaten werd; nog bij een ander, dat, zoo wie bij den Geregte aldaar gebannen werd uit Holland, Zeeland en Friesland, daaruit zoude gebannen blijven, tot dat hij herroeping of rappel zal verkregen hebben. Ook beloofde hij dien van Middelburg alle hunne privilegiën, voor niet, weder te zullen doen vernieuwen en herzegelen.
Toen Vrouwe Margriet, in het jaar 1530, bij hare opene brieven, het stapelregt aan de stad Dordrecht verleende of dit bevestigde, werden de steden Middelburg en Zierikzee daarvan vrij gehouden.
Omtrent het jaar 1368 nam de handel en zeevaart der Zeeuwen, en in het bijzonder van Middelburg, op Denemarken, Noorwegen enz. aanmerkelijk toe, bij welke gelegenheid Middelburg, Zierikzee en Arnemuiden, als Hanzesteden , met de overige steden van dat verbond, in 1370, een verdrag met Waldamar, Koning van Denemarken, hebben aangegaan, waarbij een einde aan den toenmaals ontstoken oorlog gemaakt werd. Onder de regering van Hertog Albrecht, eerst Ruwaard en naderhand Graaf van Holland en Zeeland , bloeide de koophandel en inzonderheid de lakenhandel op Engeland te Middelburg zeer, ook nam de koophandel op Portugal krachtig toe, dies de Hertog, bij onderscheidene privilegiën van de jaren 1380 tot 1391, voor de veiligheid der kooplieden en hunne goederen zorgde, waardoor de stad aanmerkelijk in volkrijkheid toenam, hetgeen in het jaar 1390 aanleiding gaf, tot het bouwen der Westmunsterkerk. Vervolgens heeft ook niet weinig tot den handel toegebragt, het stapelregt en andere voorregten, door Willem IV, Hertog van Beijeren, in het jaar 1404 gegeven, bevelende, dat geenerhande goederen voor den Lande van Walcheren overgescheept zouden worden, ten ware die eerst te Middelburg waren opgeslagen. Een dergelijk privilegie gaf ook naderhand Hertog Filips aan Middelburg, belastende alle schippers en anderen, binnen Walcheren komende, hunne goederen niet te verporren of te vervoeren, ten zij zij eerst binnen Middelburg ten stapel geweest waren. Nog verklaarde de genoemde Hertog Willem, in het jaar 1407, de ingezetenen van Middelburg vrij van alle markttollen van Heusden en Woudrichem. Hertog Filips gaf, bij privilegie van den 10 Augustus 1456, aan de stad Middelburg de judicature in criminele zaken, bijzonder ook in de haven, op den dijk en voor Arnemuiden, en op den 4 Maart des jaars 1463, dat de vonnissen van Middelburg executabel zouden zijn , niettegenstaande appel of reformatie , bij zooverre dezelve reparabel zijn en onder genoegzame borgtogt.
In het jaar 1463 begon men te Middelburg de vesten en poorten, met eene schoone galerij rondom de stad aan te leggen, nemende omtrent dien tijd de stad zoodanig in bloei en luister toe, dat Paus Sixtos IV, bij eene bulle van het jaar 1481, den ingezetenen van Middelburg, zoo geestelijken als wereldlijken, toestond , dat zij in geenerhande zaken, in den aanvang des gedings, buiten de stad mogten betrokken worden.
In het jaar 1478 kwam Aartshertog Maximiliaan, naderhand Keizer, in Zeeland, en werd te Middelburg plegtig ingehuldigd. Roomsch Koning zijnde heeft hij die stad andermaal bezocht in het jaar 1488. Zoo deed ook zijn zoon, met zijne gemalin Johanna, in het jaar 1505, daar eenigen tijd verbeidende, om de reis naar Spanje, ter aanvaarding der kroon van dat land, aan te nemen, hebbende daar, vóór zijn vertrek, hetgeen op den 10 Januarij 1506 inviel, in de abdij van Middelburg den 17 December des jaars 1505, de zeventiende hoofdvergadering der Ridders van het Guldcnvlies gehouden, en tien nieuwe Ridders beslagen. Ook heeft Prins Karel, daarna Keizer, als Landheer, in Mei 1515, aldaar de hulde binnen Middelburg ontvangen. Deze Vorsten waren der stad niet minder gunstig dan de vorige Graven, dewijl de eerste in het jaar 1489, die van Middelburg vergunde, de kennis en het regt over alle doodslagen en vredebreuken Bewcster-Schelde, hetzij de misdadigers door den Rentmeester Bewester-Schelde of door den Baljuw van Middelburg aldaar in gevangenis gebragt waren, en de laatste hen, bij privilegie van 12 Mei 1517, beloofde, dat men de Middelburgers zou laten hij hunne oude voorregten, usantiën en costumen, en nog in dat jaar, dat zij zouden blijven houden de kennis van hunne poorters in criminele zaken, niettegenstaande de Provoost van den Prins eenen poorter van Middelburg gevangen had. In het jaar 1522 vergunde hij hun het privilegie, om jaarlijks twee vrije markten te mogen houden, die vijftien toondagen duren mogten. ingaande de eene op St. Jakob, de andere in de week van Palm-Zondag, doch dewijl deze laatste, om de nabijheid der hoogtijd van Paschen, niet veel bezocht werd, werd zij verlegd op den 5 Februarij. Thans wordt er maar eene jaarmarkt gehouden, die op den 22 Julij, met het blazen der stadstrompetten van den sladhuistoren, wordt aangekondigd, en op gelijke wijze den 5 Augustus daaraanvolgende gesloten.
Omtrent liet jaar 1551 zijn tusschen die van Middelburge en Arnemuiden zware geschillen ontstaan, zoodanig dat de laatsten daarover ten Hove klagtig vielen, die van Middelburg ten laste leggende: dat zij die van Arnemuiden, houdende voor hunne burgers, niet als burgers van Middelburg handelden, maar jaarlijks door accijnsen en imposten zware sommen afpersten; hen voor hunne stad wilden doen te regt staan; verboden koopmanschap in het gros te doen, uitgenomen van zout en masten; dat zij hunne lijnslagers verboden lijnbanen te maken; hunne kaarsenmakers meer dan twintig en een half pond roet in hunne winkels te hebben; geene ankers, wapentuig enz, te mogen maken, en vele andere bezwaren meer. Waartegen echter die van Middelburg hun regt en handel zoo wel ten Hove verdedigden dat het verzoek en de klagten van die van Arnemuiden , bij vonnis van den Keizer van den 25 Augustus 1531, onreglmatig werden verklaard, onder vermaning nogtans aan die van Middelburg, om voortaan, zoo veel mogelijk, in vrede, vriendschap en bescheidenheid met die van Arnemuiden te leven, wordende aan Arnemuiden het verzoek, om onmiddellijk onder des Keizers bescherming te staan en van het gezag van Middelburg ontslagen te worden, ontzegd, niettegenstaande zij beloofden daarvoor, ten voordeele van des Keizers domeinen, jaarlijks, zoo lang hun tegenwoordige welvaart zoude duren , drieduizend gulden te zullen betalen.
Bij de oprigting der nieuwe bisdommen in Nederland werd ook de abdij van Middelburg in een bisdom veranderd, en Nicolaus de Castro of van der Burcht, van laatsten Abt tot eersten Bisschop verheven, en op den 4 Januarij zeer statelijk ingehaald. Hoewel nu daardoor de Roomsche godsdienst in Zeeland, en inzonderheid te Middelburg, als onmiddellijk onder het oog des Bisschops zijnde, genoegzaam beveiligd scheen, kon zulks echter niet beletten, dat de Hervormde godsdienst in dat landschap en in die stad indrong en wortels schoot, en zelfs al vrij vroeg; nadien uit de stads resoluliën van den 13 Julij des jaars 1566, blijkt, dat de Hervormden toen en vroeger aan de Regering reeds zoo veel vrees inboezemden, dut zij de afkondiging der bloedplakkaten legen hen niet durfde ondernemen, maar die voor eenen tijd opschortte. In het midden van de maand Augustus 1566, werden de beelden aldaar mede uit de kerk weggenomen, doch buiten schuld der Hervormden, gelijk hun Predikant de Hoorne, met die van zijnen kerkeraad, voor Wet en Raad verklaarde, tevens toestaande dat de schuldigen aan de beeldstorming, als verstoorders der gemeene rust, zouden gestraft worden. Ondertusschen werden de gevangenen, ter zake van de godsdienst, ten getale van een en twintig, losgelaten. Op den 24 Augustus van dat jaar hadden de Hervormden aan de Overheid eene kerk verzocht, om daarin te mogen prediken, hetgeen hun wel niet regtstreeks geweigerd werd, maar met overleg van de Predikanten schijnt uitgesteld te zijn. Toen den 7 September daaraanvolgende, die van de Consistorie der nieuwe religie, in competenten getale, andermaal het verzoek deden, om, des anderen daags, binnen de stad in eene kerk of in het Gasthuis te mogen prediken, werden zij weder overgehaald, om buiten de stad, en wel in eene schuur of pakhuis hun door de Regering, buiten de Zuiddampoort, aangewezen, te prediken; en tevens besloten , dat een der Burgemeesters met zijne lijfschutten ter hunner bescherming zou zijn, terwijl de andere Burgemeester met de zijnen binnen de stad zou blijven , ter beveiliging der andere Priesters en Geestelijken, hunne dienst in de kerk doende. Ook werden kort daarna de openbare omgangen langs de straten, niettegenstaande de bevelen der Landvoogdes en in weerwil van den Bisschop, opgeschort, en volgens besluit der Regering, alleen binnen de kerken gedoogd. Ook stelde zij, op den 17 November, het afkondigen der plakkaten tegen de Hervormden en hunne Leeraars, uit vrees van verdere beroerten, uit. Niet lang echter schijnt die voorspoed der Hervormden in Middelburg geduurd te hebben, dewijl de zaken, met de komst van den Hertog van Alva, in deze landen, geheel van gedaante veranderden, zoodat zelfs hun getrouwe Leeraar, de Hoorne, nevens vele anderen, zich met de vlugt redden moest; tot dat eindelijk de stad, na eene lange en strenge belegering, in handen des Prinsen van Oranje viel. Want nadat Vlissingen zich, in 1572, voor den Prins verklaard, en die daardoor een vasten voet in Zeeland gekregen had, besloot hij Middelburg en Arnemuiden met geweld aan te tasten. Hij deed de stad te lande, door het doorsteken van dijken, en te water, door welbemande schepen, benaauwen ; terwijl hij de schepen, die den toevoer van Antwerpen derwaarts bragten , nu en dan met voordeel deed aanvallen , waardoor de ingezetenen den af- en toevoer was afgesneden en zij als een roerloos lid van alle gemeenschap met de Spanjaarden verstoken waren. Als dit eene wijl geduurd had en er gebrek begon te ontstaan, werden van Antwerpen twintig groote koopvaardijschepen, met allerhande nooddruft voorzien, en met Duitsche, Waalsche en Spaansche soldaten, ter verwisseling der bezetting, bemand, tot onderstand der benaauwde stad gezonden ; deze geraakten wel gelukkig daar binnen, maar het viel hun moeijelijk er weder uit te komen. Veertien daarvan gelukte het echter, doch de andere zes vielen den Zeeuwen in handen, doordien de Spanjaarden, wijzer dan het bootsvolk willende zijn, en geene droogte vermoedende, daar zij water zagen , hen dwongen het geschut te vermijden, tot dat zij op de banken vast raakten, daar zij van de onzen heftig aangevallen, na eenen dapperen tegenstand, veroverd, en nevens de gevangene matrozen, aan handen en voeten gebonden , over boord geworpen werden. Ook verhinderde dit onder de hand den Prins niet, de belegering voort te zetten en de stad in zulk eene engte te brengen , dat zij het, zonder spoedige hulp, niet langer zoude hebben kunnen uithouden; waarom ook de Heer van Beauvais, op bevel van den Landvoogd, Don- Louis de Requenses, met tachtig, zoo groote als kleine, schepen den steven naar Arnemuiden wendde, om aan Middelburg, alwaar weder hongersnood heerschte, onderstand te bezorgen, doch Karel en Lodewijk van Boyzot sneden hem niet alleen den weg af, maar de gelegenheid waarnemende, dat de Hopman, die binnen Rammekens gebood, naar Middelburg en een goed deel der bezetting, om koren te snijden, uitgetogen was, dwongen zij de overigen met schieten en mineren, de sterkte, op den 8 Augustus 1573, in hunne handen te leveren, behoudens lijf en pakkaadje, waarop Beauvais, nu ziende, op geenerhande wijze Arnemuiden te kunnen aandoen, eerst naar West-Kapclle en van daar den Roompot inzeilde en aan Onze-Lieve-Vrouwenpolder, daar de Zeeuwen niet op verdacht waren , met eenige ondiepe schepen, zijn volk deed landen en den lijftogt van achter met wagens naar Middelburg voeren, maar met dit spijzen in der haast gedaan, uit vreeze voor de Zeeuwen die zich dadelijk op de been maakten, was de stad zoo zeer niet geholpen als door de tegenwoordigheid van Mondragon, die daarover bevel voerde, met vijftien vendelen Walen. Don Louis wetende, dat de honger de bezetting tot overgave zoude noodzaken, deed , in Januarij des jaars 1574, nogmaals eene sterke vloot, zoo te Antwerpen als te Bergen-op-Zoom, uitrusten , en , zeer veel volk vergaderd hebbende, nam hij voor, met alle geweld, op twee of drie plaatsen, door te breken en de stad te ontzetten, of ten minste van leeftogt te voorzien, doch toen Sancio d'Avila , die het opperbewind had, en Juliaan de Romero, een dapper gevecht tegen de Zeeuwen, onder den Admiraal Boyzot, die daar zelf een oog uitgeschoten werd, de nederlaag gekregen hadden, klom de moed der belegeraars daardoor zoo zeer, als die den belegerden in Middelburg en Arnemuide ontzonk. Terwijl nu alle ontzet geheel hopeloos scheen en de stad in de uiterste benaauwdheid gekomen was, zoodat , den eenen dag door den anderen, meer dan twintig soldaten door den honger stierven, en de overblijvende bij moutkoeken, lijnzaadbrood en ander nog slechter voedsel, ter nauwernood het leven behielden. Volgens schrijven der Spanjaarden zelf, was de honger zoo groot, dat van Kersdag des jaars 1573 tot de overgave der stad , zijnde geen twee volle maanden tijds, in Middelburg gestorven waren 1566 personen. De gedachtenis van dit beleg wordt nog op eenige gouden noodmunten, in de belegerde stad , in het jaar 1573 geslagen , in deze oude rijmen bewaard:
DOEN IC WAS GHESLEGHEN,
WAS M1DDELBÜRC BELEGHEN,
ZO DAT HET VOLC AT VAN HONGERS WEGHEN
PEERDEN, HONGER , HUYEN ( 1 ) DEUR NOOT,
CATTEN, RATTEN , ENDE LISAENWAEFELEN VOOR BROOT.
(1) Huyen, d. i. gebraden schoenleer, J. Clarebout zegt, in zijn Droef Bly eindig vertoog op ’t Beleg en overgaan van Middelburg, bl. 23:
Nen braet de schoenriem hij het vyer,
Een modderpoel dat is ons bier,
Het paardevleesch is 't eerste dyer.
Dat smaeckt als honigh-graten.
Mondragon trachtte evenwel het beleg nog langer slepende te houden en hield het ook nog drie weken, na het verlies en den aftogt der vloot. Eindelijk dwong hem echter de nood, de overlevering der twee plaatsen den Prins van Oranje aan te bieden, mits dat men hem met de soldaten en pakkaadje, wapens en vliegende vaandelen liet uittrekken en, nevens de burgers, die het begeeren zouden, onbeschadigd aan den Vlaamschen wal aanzetten. Dit sloeg de Prins in het eerst af, begeerendc hem niet anders, dan op de Haarlemsche voorwaarden van genade en ongenade te ontvangen. Doch ziende de standvastigheid van Mondragon, die dreigde de stad veel eer op twintig plaatsen in brand te steken en daarna in eenen uitval zich vechtende in stukken te laten houwen; en overleggende wal de gevolgen konden zijn, wanneer men zoovele oude krijgslieden tot het uiterste dreef, waarbij tevens de kostelijke buit, die de Prins zoo noodig had, konde verloren gaan, werd het verdrag, den 18 Februarij l574, getroffen, waardoor Middelburg en Arnemuiden, zonder dat de vestingwerken mogten geslecht worden, met al het geschut, krijgsbehoeften, goederen en koopmanschappen, den Prins overgeleverd werden. Mondragon, met het voetvolk van zijn regiment dat den Prins niet zoude willen dienen, mogt met wapenen en pakkaadje uit Walcheren trekken; maar hij moest op zijn woord van eer beloven, zich weder in handen van den Prins te zullen overleveren , zoo hij binnen den tijd van twee maanden niet uit de gevangenis deed verlossen en veilig in Hollaud en Zeeland terugkomen Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde en nog vier anderen, wier verlossing ook eindelijk, na verloop van zeven maanden, op den 1 October des zelfden jaars, gevolgd is. Van de stad had de Prins, ter vrijkooping, geëischt driemaal honderd duizend gulden, doch nadat hij, den 2 Februarij, zelf in de stad gekomen was, en op, vele zaken orde gesteld had, heeft hij, in plaats van de eerst geeischte som, de stad niet meer dan honderd duizend gulden opgelegd. Deze tweejarige belegering heeft den Koning van Spanje, behalve het menschenbloed, nog in geld gekost zeven millioen gulden, zonder daaronder, de soldij der soldaten, de schepen of het geschut te rekenen, maar alleen de toerusting der schepen en de wedde van het scheepvolk. De stad is sedert, benevens het geheele eiland Walcheren, aan de Staatsche zijde gebleven.
In het jaar 1631 hadden de voogden van Willem II, Prins van Oranje, groot geschil met de Staten van Zeeland, in navolging die van Holland, welke voorhadden, het regt lot het aanstellen van de wethouderschap te geven of te laten aan de steden. De Stadhouder plagt in alle groote steden van Zeeland de wet te bestellen, behalve te Goes; in Vlissingen en Veere had hij het als Markgraaf, niet als Stadhouder gedaan. Immers dus was het, tot hiertoe, begrepen bij de meesten, hoewel het sommigen nu anders verstonden; doch de Staten van het gewest hadden, eer zij nog kennis konden hebbe van de geboorte van eenen Prins van Oranje, het regt van eerste Edele vernietigd verklaard, en het was wel te voorzien, dat zij ook het regt tot het aanstellen der Wethouders niet aan de uitheemschen voogden van den jongen Prins zouden laten. Twee Burgemeesters van Middelburg, Hendrik Thibaut, Heer van Aagtekerke, en Doctor Jan Lansbergen, zeer geneigd tot het huis van Oranje, arbcidden daarentegen, om den jongen Prins te doen aanstellen of ten minste bestemmen tot Stadhouder van Zeeland, waardoor hij, in tijd en wijle, de wet en de steden wederom zou kunnen aanstellen. Zij hadden, onder anderen, te weeg gebragt, dat de twaalf kiezers, die te Middelburg een dubbel getal plagten te kiezen, waaruit de Stadhouder de Wethouders aanstelde, deze benoeming niet deden uit de burgerij gelijk gebruikelijk was, maar voor een gedeelte uit de dienende wethouders, opdat zulken, die door den Stadhouder aangesteld geweest en zijn huis meer dan sommige anderen genegen waren, de meerderheid mogten behouden in de wet. De burgerij nam dit kwalijk, en sommigen verzuimden niet haar misnoegen óf op te wekken óf te voeden. Eenige Predikanten bemoeiden er zich mede en voeren er tegen in van den predikstoel. Het graauw werd eerlang zoo verwoed, dat het den 6 Junij op de abdij aantrok, dreigende den Burgemeesters Thibault en Lansbergen met den dood; doch deze wisten zich heimelijk te bergen en verlieten eerlang de stad en de provincie. Het onstuimige volk koelde toen zijnen moed aan het huis van Lansbergen, waar boeken, schilderijen , huisraad en alles vernield en geplunderd werd. Het zelfde lot zou ook het huis van Thibault getroffen hebben, zoo het niet door eenige Predikanten belet was. De nieuwe orde op de benoeming der Wethouders werd terstond hierop vernietigd en de wethonderschap te Middelburg, Zierikzee, Goes en Tholen, gelijk in Holland gekozen, volgens octrooijen , die elke stad van de Staten verkregen had.
In het jaar 1672 geraakte het graauw te Middelburg op de been op een valsch gerucht, dat de Franschen bezig waren met landen. Burgemeester van den Brande werd door eenen hoop wijven uit zijn huis gehaald en deerlijk geslagen. Kort hierna rukten de boeren gewapend de Noordpoort binnen , haalden Van den Brande van het stadhuis, daar hij door de Schutters bewaard werd, en voerden hem en de Burgemeesters Le Sage, Brouwer, Vrijberghen, den Pensionaris de Huibert en den Secretaris Reigersbergen, gevankelijk de stad uit, hen in hunne bierkroegen bewarende. Toen zonden zij Gcmagtigden uit de burgerij, die, nevens hen, de verraders (want beter naam kregen de Heeren niet) zouden onderzoeken. Dit geschiedde ruwclijk, waarna de burgers de gevangenen wederom naar de stad voerden en eerlang onder borgtogt ontsloegen. Doch de oproerigen lieten zich niet stillen, vóór dat de Prins, die te vergeefs door de Regering verzocht was in de stad te komen, eenige verandering in de Regering gemaakt had. Hij kwam te dien einde in Maart des volgenden jaars in persoon in Zeeland.
De burgerij, opgestookt door lieden van aanzien, onder welken Danial Fannius een der voornaamste was, kwam, in Julij 1702, op de been, beschuldigende eenige Regenten van kwaad bestuur en begeerende, dat zij ontslagen werden van het bewind, waartoe men, gedwongen, moest besluiten. Één Burgemeester, Alexander de Munck, twee Raden, Kornelis Versluis en Guillaume de la Palma, en vier Schepenen, Pieter Pedecoeur, Kornelis Korver de Jonge, Michiel Verpoorte en Joan Willem Parker, werden terstond bedankt. De veranderde Regering deed zelfs sedert, op verzoek van Fannius, eenige lieden in hechtenis nemen, die hem, zeide hij , op de beurs gehoond en nieuwe opschudding gezocht hadden; doch zij werden eerlang wederom op vrije voeten gesteld.
Te Middelburg was, in den aanvang des jaars 1704, eene geweldige beroerte ontstaan, die niet dan met veel moeite gestild werd. De Kiezers in de stad, die deel plagten te hebben in de aanstelling der jaarlijksche wethouderschap, toonden zich zeer gebelgd, dat deze aanstelling in het jaar 1702 geschied was, zonder hen naar behooren te kennen. Zij vervoegden zich sedert tot den Hoogen Raad in 's Gravenhage, om in hunne reglen te worden gehandhaafd; doch de Staten van Zeeland begeerden, dat de zaken in den staat gelaten werden, waarin zij waren, waarna de kiezers nog eenige vergeefsche pogingen bij de Staten en bij den Hoogen Raad aanwendden, om hunnen wensch te bekomen. Eindelijk besloten zij een vertoog, tot staving hunner voorregten, aan de Regering der stad in te leveren. Zij verschenen te dien einde, den 26 Januarij, in vollen getale op het stadhuis en leverden hun vertoog in, doch begeerden, dat er niet over geraadpleegd werd in het bijzijn van drie Schepenen, welke zij hielden le onregte ter Regering ingedrongen te zijn. Men nam aan hierover te willen spreken, terwijl zij zich in een ander vertrek vervoegden. Ondertusschen waren eenige afgezette Regenten, van eenen tamelijken hoop ingezetenen vergezeld, het zij met of zonder kennis der kiezers, voor het stadhuis bijeengekomen, welken hoop door eenige Vlissingers en Veerenaars vermeerderd werd, en men scheen eene geweldige verandering der Regering in den zin te hebben. De zaal van het stadhuis raakte vol volk en men riep, dat de oude Regering hersteld moest worden. De Heeren Versluis, Verpoorte en Parker, te voren ontzet van de Regering, hadden zich, naar het scheen, door het volk derwaarts laten voeren, waarop men inmiddels tot eene nieuwe verkiezing ter Wethouders overging, waarmede de Kiezers zich nu niet schenen te bemoeijen. Eenige Heeren waren middelerwijl van het stadhuis gegaan, om de burgerij in de wapenen te doen komen, waartoe Burgemeester van den Brande boven anderen zijn best deed; doch Versluis, die tot Raad en Pensionaris aangesteld was, zocht dit daarentegen te beletteen en bragt zijnen aanhang ook in het geweer, zich daarenboven meester makende van eenige vaandels der schutterij. Van den Brande deed echter eenige kompagrniën in de wapenen komen, die van de gewekene Regenten schriftelijken last kregen, om met scherp te schieten op elk, die hun tegenstand bood, waarna men van het huis van Van den Brande, daar de schutterij bijeengebragt was, naar het stadhuis trok. Hier stond een vaandel Schutters, hetwelk de zijde der herstelde Regenten scheen te houden, doch, ofschoon des gelast, niet schieten wilde op hunne medeburgers. De geweken Regenten de meeste manschap bij zich hebbende, deden het stadhuis hetwelk gesloten was, terstond beklimmen en overweldigen, verdreven de anderen, die omtrent drie uren geregeerd hadden en namen hunne vorige plaatsen wederom in. Zij beloofden kort hierop, bij openbare afkondiging, twee honderd rijksdaalders aan elk, die eenen der genoemde Vlissingers of Veerenaars in hechtenis leverde; doch de meesten van deze weken sedert uit Zeeland. Het Hof te ’s Gravenhage hoorde de gewekenen zeer tegen den zin der Regering van Middelburg en der Staten van Zeeland; ook raakten sommigen, die men beschouwde als in het oproer gemengd geweest te zijn, in hechtenis, waaronder Johan Matthisius, Raadsheer in den Raad van Vlaanderen, dien de Magistraat van Middelburg, kort na de beroerte, buiten vorm van regtsgeding, de stad ontzegd had, zonder dat hij had willen wijker. Hierover viel veel te doen tusschen de Algemeene Staten, van wie hij zijnen last, als Raad van Vlaanderen, had, en de Regering van Middelburg en de Provinciale Staten; ook werd hij weder in vrijheid gesteld.
Den 24 April 1747 trad zeker Heer te Middelburg in eene herberg, waar hij, wijn geeischt hebbende, de glasramen opschoof en de gezondheid van den Stadhouder, den Prins van Oranje dronk, hetwelk eenige beweging in de stad veroorzaakte en het volk deed zamenrotten. Hierop verbreide zich het gerucht, dat er verraad schoolde onder de Regenten en dat eenige Burgemeesters de stad wilden verlaten. Het graauw begaf zich naar de huizen van sommigen begeerde hen te zien, en men moest hen te wille zijn. Zij werden bij eenigen heuschelijk behandeld, doch te ruw naar hunnen zin aan het huis van den Burgemeester Johannes Cocquelle, hetwelk hierom op staande voet aangevallen en uitgcplundcrd werd. Men besloot hierop twee compagniën uit de bezettingen van Vlissingen en Veere te ontbieden tot voorkoming van meerder onheil. Nadat den volgenden dag Willem IV, Prins van Oranje, te Veere tot Stadhouder, Admiraal Generaal en Kapitein van Zeeland was verkoren, leed het naauwelijks een uur of er kwamen Veerenaars, met oranje versierd, te Middelburg, waar men den vorigen avond reeds voorbereidselen tot de verandering gemaakt had. Straks hierop waren de scheepstiniinerliedcn in de weer, zich, met eenen Catechizeermeester aan het hoofd, naar de abdij of het hof, waar de Staten vergaderd waren, begevende, de aanstelling van den Prins van Oranje tot Stadhouder vorderende. De Afgevaardigden, hiertoe niet gemagtigd, begeerden uitstel, doch men drong den Burgemeester Wilhelm van Citters, die het woord voerde, om den Prins, ten minste voor zoo veel de stad Middelburg aanging, tot Stadhouder te doen uitroepen. Het werd in beraad gelegd. Sommigen gavcn in bedenking of men hiertoe wel mogt overgaan, buiten kennis van Holland. Het raadplegen duurde middelerwijl der ongeduldige gemeente te lang, die, ter vergaderplaats ingedrongen, reeds een mes of twee lieten vliegen door het vertrek, waarop twee Heeren, bespeurende dat de meesten der leden neigden tot de aanstelling van den Prins, naar buiten traden en het volk aankondigden, dat de Prins, van wege de stad, tot Stadhouder benoemd werd. Dadelijk ging er een gejuich op onder het volk, de oranje vaandels werden uitgestoken en elk verscheen met oranjelinten versierd.
De Middelburgsche Regering had, in het laatst van Februarij 1787, eene waarschuwing uitgevaardigd tot handhaving der rust, wordende daarin, onder de rustverstorende middelen, geteld de onderscheidene benamingen der societeiten , de exercitie-genootschappen en het collecteren van penningen. Als een gevolg van deze zag men spoedig het wapengenootschap en de burger-sociëteit, half met half tegen wil, zich ontbinden. Toen een zeker verdicht vuilaardig stukje, getiteld: Formulier ran den Patriotschen eed, ook aldaar verspreid werd, beloofden de leden der laatste, duizend Zeeuwsche rijksdaalders aan ieder, die bewijzen kon , dat dit door een der leden was geschied en verklaarden zij, daartegen, ofschoon ongevergd, met de akte van verbindtenis van eenige Zeeuwsche Regenten in te stemmen. Het bleef hier niet bij, om zelfs het laatste overblijfsel van herstellingszucht te vernietigen, werden aan de schutterij van de Edele Busse, die zich wel het meest op de wapenoefening toelegde, alle exercitiën verboden; en veroorloofde de Regering zich om zich van de penningen van het Vaderlandsche fonds meester te maken. Alle deze maatregelen van zorg voor de rust van de eene, en toegeving en onderwerping aan de andere zijde, beveiligde de stad echter niet voor oproer. Het nam zijnen oorsprong uit een geschil over een rood vlaggetje, van de groote mast van het speeljagt waaijende, dat men voor eene prinsenvlag wilde verwisseld hebben. Het geweld kreeg hier volkomen voldoening, daar het jagt door het gezelschap verlaten was; doch daarmede niet voldaan , begon men de leden des genootschaps te dwingen, om op de gezondheid van den Prins te drinken. Een was er die weigerde; geene bescherming vindende, maakte hij van het regt van zelfverdediging een onvoorzigtig gebruik en schoot onder de menigte, hetgeen hem op eene geheele uitplundering van zijn huis te staan kwam. Hoezeer de bovengemelde schutterij haar hulp aanbood, werd zij afgewezen en het handhaven der rust aan anderen overgelaten, die blijkbaar deze schriktooneelen met een oog van welgevallen aanschouwden. Na de plundering van nog enige huizen op dien dag, bereidde men zich om den volgenden het zelfde werk te hervatten. Toen trof dit lot Doctor L. Stevening. Deze had zich tot tegenstand bereid, en, schoon alleen door een bediende geholpen, schoot hij met geweren uit zijne vensters op den onzinnigen hoop, van welken meer dan een zijne plunderzucht met het leven boette. De woedende menigte, thans nog meer verbitterd, plantte een stuk kanon voor het huis, waaruit zij dit beschoot, doch het wederschieten nu met een donderbos verwekte zulk een schrik onder hen, dat zij spoedig aftrokken. Welhaast zag Stevening een troep gewapende manschappen aankomen, niet ter zijner bescherming, maar om hem in hechtenis te nemen, waardoor hij, op lijfsberging bedacht wordende, zijne woning verliet en gelukkig in veiligheid geraakte. De Regering daagde hem vervolgens in, stelde eene premie van 1000 guld. op zijn lijf en sprak het doodvonnis over hem uit. Zijn huis was nu geheel ter plundering overgegeven. Nog gruwelijker wreedheid veroorloofde men zich ten huize van den Notaris Beljaard. Een bediende van dien Notaris, mede op den plunderende hoop schietende , trof doodelijk eenen boer. De verwoede menigte in huis gedrongen zijnde, eeet naar boven te geraken en werpt de knecht het zoldervenster uit, waarna hij door de overigen op het wreedst mishandeld en ontzield werd. Ons bestek niet toelatende breeder uit te weiden in een verhaal van de verdere plunderingen, zullen wij hier alleen aanteekenen, dat dit schandtooneel besloten werd met eene afkondiging der Regering, waarbij zij hare aankleving betuigde aan den Staats-Sladhouderlijke en Stads-Regering met het Erfstadhouderschap, gelijk het in 1747 den Prins was opgedragen, en met het uitsteken der oranjevlag van het stadhuis, gepaard van de hierbij gewone vreugdebedrijven, wordende tevens alle schutters van de Edele Busse onder eede verpligt, om deze constitutie te handhaven of zich het verlies van burgerregt en verbanning uit de stad te getroosten, waarna de rust wederkeerde.
De omwenteling van het jaar 1795 werd te Middelburg op de volgende wijze tot stand gebragt. Den 5 Februarij kwam de Fransche Generaal Moreau aldaar, nam den eed af van het Hollandsche garnizoen, van niet tegen de Franschen te zullen dienen. Dien zelfden dag werd het oranje dragen verboden en vrijheid gegeven om de nationale cocarde op te zetten. De twee nog overgeblevene Regenten van de, in 1787, geremoveerde schutterij de Busse, adresseerden zich bij requeste aan de wet en den Raad dezer stad, om voor zich en hunne schutterij ontheven te worden van den hun, op den 27 Julij en 6 Augustus 1787, afgedwongen eed, van zich nimmer te zullen bemoeijen of in te laten in gesprekken, bijeenkomsten, ongewone wapenoefeningen of andere daden, die in de gevolgen tot eenige verandering zoude kunnen strekken, van hetgeen geaccordeerd is, verzoekende verder herstelling hunner schutterij, teruggave hunne wapenen en om eene der kerken voor zich te mogen gebruiken. Alle deze verzoeken werden toegestaan: men dorst die niet weigeren, om de onaangename gevolgen, welke daaruit te voorzien waren. Wanneer op den 9 Februarij, volgens uitnoodiging, de burgerij te Middelburg in de Oostkerk bijeenkwam, leverde zij een adres aan de Staten van Zeeland in, tot ontslag van den eed op de oude constitutie gedaan; maar die zaak door gemelde Staten eerst commissariaal gemaakt zijnde, deed de Burgerij op den 10 Februarij eene proclamatie aan hunne medeburgers, om, op grond van de proclamatie de Fransche volksrepresentanten, de omwenteling in de geheele provincie te bewerken. Daarop werd door de burgerij besloten tot het oprigten van twee commité's, één voor de wapening en één dienende ter voorlichting des volks, genaamd, Burger-commité. De Staten aarselende in hun besluit, om het volk uit den eed, op de oude constitutie afgelegd , te ontslaan, zoo ontsloeg het volk zich zelf van den eed en besloot de stedelijke Regering van hare posten te ontzetten. De burgerij verkoos hierop zestien kiezers en deze benoemden twee Burgemeesters, elf Schepenen met twaalf Raden en hunne Sekretarisscn, welke benoeming door het volk goedgekeurd werd. De kiezers, die alhier het werk van eenen commité revolutionair verrigten, ontboden daarop de nieuw verkozen Regering, namen die in deze eed en een der vorige Burgemeesters werd verzocht, den overigen Leden der Regering van hun ontslag kennis te geven. Bij de landing der Engelschen in Zeeland, in 1809, was de stad Middelburg door den terugtogt van den Generaal Osten van Meliskerke, waar hij aanvankelijk post gevat had, naar de Abeele, blootgesteld, van alle oogenblikken overrompeld te worden. Slechts met eenen, en op verscheidene plaatsen nog niet veel beteekenenden, kapitalen wal voorzien, geheel van garnizoen en genoegzaam van geschut ontbloot, kon deze stad met hare op zich zelve staande burgermagt geen tegenstand bieden. Daarentegen lagen de Engelschen in de stelling, door Osten verlaten , te Meliskerke en te St. Laurens, hebbende voorts hun centrum te Giijpskcrke gevestigd; dus in staat zijnde, om, wanneer zij zulks noodig oordeelden, zich van de stad meester te maken. In deze gesteldheid van zaken, kon men het voor een bijzonder geluk rekenen, indien men een eerlijk verdrag bekomen kon. Vier der aanzienlijkste Heeren, te weten: Cornelis Gerrit Byleveld, P. G. Schorer, Jan Meinaart van Schoor. en Johan Cornelis van den Mandere werden daartoe, behoorlijk door den Landdrost van Zeeland en den Burgemeester der stad geautoriseerd, naar het kamp van den Engelschen Veldheer afgezonden, om met hem, was het mogelijk, eene overeenkomst te treffen. In den morgenstond van den 31 kwamen deze Heeren in het kamp bij den Engelschen Generaal aan, en werden het, na eenige onderhandelingen, over eene kapitulatie eens, waarover men allezins reden hadden te vreden te zijn, als kunnende dic zelfs niet gunstiger bedongen worden voor eene stad , welke het nog eenen aanmerkelijken tijd uithouden kon. Na het sluiten der capitulatie vertrokken de gezegde Heeren weder naar Middelburg, alwaar des anderen daags, zijnde den 1 Augustus, de Engelsche troepen binnen rukten, die echter de stad weder in December daaraanvolgende verlieten. Na het vertrek der Engelschen en kort nadat het eiland door de Franschen in bezit was genomen, ten gevolge van het verdrag van den 16 Maart 1810, vierden deze hunne inkomst door op de groote markt te Middelburg een vuur aan te leggen van aanzienlijke partijen kostbare Engelsche fabrijkgoederen, die men uit de magazijnen der handelaren gewcldadig had geroofd en alzoo nutteloos aan de vlammen opofferde. Toen er in het jaar 1812 eene Engelsche vloot, de Ooster- en Wester-Schelde opzeilde en men alzoo eene landing duchtende was, werden te Middelburg de bruggen van vijf Poorten afgezaagd; slechts een tweetal liet den toegang tot de slad geopend. De geest der bezetting was geenszins gestemd tot verdediging. Reeds in het laatst van November gaf de Grenadier-compagnie van de stedelijke schutterij daarvan het ondubbelzinnigste bewijs. Gelast om naar Vlissingen te trekken, weigerde zij stellig te gehoorzamen. De Generaal Gilly, Guoverneur van liet eiland, slechts eene krijgsbezetting en uittogt tot even buiten de stad voorwendende, werd niet gehoord en alzoo genoodzaakt de manschap tot nader bevel af te danken. De verschijning van twee honderd Pionniers en veertig Artilleristen met een paar vcldstukken uit Vlissingen , moest thans dienen om deze wederspannigen te ontwapenen. Niet dan met veel moeite kwam zulks tot stand. De stad zelve werd voor deze daad, door den Gouverneur, met eene schrikkelijke wraak bedreigd, welke alleen door tussenkomst van eenige aanzienlijke burgers werd gesusd. Enkele leden echter der compagnie werden opgeligt en naar Vlissingen gevankelijk weggevoerd. Bijzonder trof dit lot den Sergeant-Majoor Pieter van Eyndhoven, die op eene erge wijze mishandeld, eene onaangename gevangenis moest verduren. Doof voor alle bedreigingen, getroostte hij zich liever al dat leed, dan opgave te doen van de meest schuldigen, waartoe men hem zocht te dwingen. Hij werd vervolgens naar Rijssel weggevoerd, van waar het hem echter gelukte naderhand naar Goes te ontsnappen, en, nadat hij, bij de, heugelijke wending van zaken, te Middelburg terug was gekomen, werd hij door zijne dankbare wapenbroeders voor zijne trouw en standvastigheid, op eene plegtige wijze, met een gouden gedenkstuk beschonken. Het gewone gangpad op Arnemuiden werd op onderscheidene plaatsen doorgegraven en alle bruggen weggenomen. Een veilige aftogt naar het kasteel van Rammekens werd, door middel eener trekpont uit het Nieuwland verordend; maar hetgeen nog van alles de jammerlijkste uitzigten voor de toekomst opende, was het bijeenbrengen van alle dijkmaterialen der verschillende wateringen en van den West-Kapelschen dijk, te midden van zoodanige brandstoffen, die bij het minste ongeval alle huizen tot eene prooi der vlammen zou doemen. Ook had de Gouverneur in zijne veelvuldige bittere luimen, zich meermalen de bedreiging laten ontvallen, dat hij, op hoogeren last, in den uitersten nood, de sluizen zou openzetten, de mijnen van Vlissingen doen springen en alzoo het geheele eiland zoude vernielen, aan welke bedreigingen de gedane waterpassingen van dijken en kaden inderdaad maar al te veel schijn van waarheid gaven. Gelukkig echter bleef de Engelsche blokkade voor het eiland werkeloos. Vier maanden verliepen er zonder eenigen dadelijken aanval. Eenen enkelen keer mogten Britsche sloepen hier of daar aan wal roeijen, om eenigen voorraad tegen goede betaling in te koopen, doch zulks was ver van eenige onrust te baren en had alleen de verdubbeling van voorzorgen ten gevolge. Van hier, dat ook een Engels Officier, met eenen vlaggejonker en elf matrozen, zich met eene ongewapende sloep te digt bij den wal wagende en door de bezetting overrompeld, den Franschen in handen viel. Ook het herhaalde heen en weder zeilen der Britsche schepen voorbij Vlissingen, gaf nu en dan aanleiding tot eene geschutwisseling, welke eenmaal eenen loots de beide en een paar matrozen elk een der beenen verbrijzelde. Buiten deze weinig beteekenende voorvallen, bleef de uitwendige toestand gerust. Voor de moedige Zeeuwen, echter, viel dit langdurig leed , door binnenlandsch geweld vergroot, zeer moeijelijk te verduren. Met de uiterste moeite werd de hoog gespannene geestdrift beteugeld. Geruchten van den gunstigen voortgang der omwenteling in Holland en in de overige gewesten, dienden meer en meer ter aanvuring. Een drietal onverzaagde Middelburgers, Bernardus Dentz, Coenraad Eberson en Hendrik Onderwelder, ondernamen, in Maart 1814, eene zeer gewaagde proeve om deze duldeloozc onzekerheid te doen eindigen. Eene oude, lekke, platgebodemde boot, van eenen landman voor negentig gulden gekocht, op eenen met hooi overdekten wagen geplaatst, en bij het aanbreken van den dag met de uiterste moeite langs het duin, tusseben Domburg en Westhoven, in zee gelaten, moet hun tot vaartuig op de schuimende zee dienen. Zoo rank is deze kiel, dat zelfs de gewone deining één der drie mannen, die van plaats wilde verwisselen, buiten boord werpte, de geheele boot bijkans doet tuimelen, en zij niet zonder aanhoudend hoozen tegen het zinken wordt behoed. Men drijft echter met de ebbe in zee; er ontstaat een hevige mist; de voorraad van leefttogt is gering. Gelukkig heeft men van verre eenen voor anker liggenden Engelschen kotter ontdekt, en de koers al roeijende derwaarts genomen. Men vraagt naar den eenen of anderen Britschen Bevelhebber, welke men verlangt te spreken. Zij worden naar het Admiraalschip, dat bij het Veer-Gat ten anker ligt, gebragt, ontvouwen hun oogmerk en worden naar Goes verwezen, alwaar een Generaal der landtroepen hen welligt zoude helpen. Met moeite derwaarts geroeid, vinden zij zich in hunne verwachting te leur gesteld. Gelukkig vernemen zij alhier de gunstige berigten van der Geällieerden intogt te Parijs. Zij vervoegen zich bij eenen Notaris, doen een smeekschrift opmaken aan Neêrlands geliefden Vorst, met dringende bede om verlossing, bij de schets der ellende, welke Walcheren nog aanhoudend verduren moet. Zij vertoeven tot dat het antwoord komt, en het behelst den ernstigen raad, om nog voor eene wijl tijds geduld te oefenen, daar de verlossing nabij is. Thans verlangen zij deze gewigtige tijding aan hunne broeders over te brengen. De Engelsche Admiraal, door hen op nieuw geraadpleegd, ontraadt hun den gewaagden terugtogt. Te Zierikzee voorzien zij zich van een zeilvaartuig, en landen in den nacht op Domburg. Één hunner is reeds door den schipper aan wal gedragen, wanneer de kogels rondom hen henen snorren en gelukkig niemand kwetsen, maar alleen de zeilen teisteren. En nu in allerijl afdeinzende, moeten zij naar Zierikzee terug, en zondrr aan hunne vurige begeerte te voldoen, te Goes het tijdstip van den wapenstilstand afwachten, dat hen behouden huiswaarts voert. Thans nadert de gelukkige maand April van 1814, en op den 6 dondert uit het Britsche geschut der Geällieerden behaalden zege. Uit den top van den grooten mast waait de witte vlag en de vernederde van Napoleon daaronder. Een groot doekscherm, op den dijk van Kamperland geplant, deelt aan die van Veere, met zeer groote letters, de tijding mede: » De Bondgenooten zijn te Parijs: de Engelschen te > Bordeaux. Kort daarna wordt de zelfde aankondiging van des Keizers staatkundigen dood herhaald op het wrak van een in brand gestoken vaartuig, wederom met zeer groote letters op het in top gehaald zeil geschilderd : » Bonaparte bestaat niet meer." Nogmaals worden een paar parkementen brieven, met het groot Britsch zegel in rood lak gesloten, aan bet Breezand van Walcherens uithoek, op eenen omhoog geplanten roeiriem, met eene Engelsche vlag daarboven gehangen, waarvan het opschrift luidt: “Aan alle welgezinde Franschen," en waarin de Parijsche Moniteurs zijn besloten, die het belangrijke Staatsnieuws vermelden. Nog wantrouwt men deze berigten, en der Franschen logengeest wederspreekt niet slechts bij openbare aankondiging deze waarheden, maar verspreidt zelfs de schandelijke mare der overrompeling van de Fransche hoofdstad door Napoleon, met de gevangenneming des Russischen Keizers en het sneuvelen des Pruissischen Konings. Eindelijk op den 17 waait de witte vlag op Kadzand, en de Gouverneur ontvangt uit Ostende het officieel berigt van het gebeurde. Hij kondigt dit openlijk af, maar eischt nog de stelligste onderwerping aan het Fransene tusschenbestuur. Hollandsche en Oranjevlaggen wapperen door geheel Middelburg, en het dragen van Oranje wordt algemeen. Te Vlissingen duldt de Gouverneur geene andere dan de witte vlag en kokarde. Ook de eerste toelating van het oranje te Middelburg wordt daarna door den zelfden Gouverneur wederom ingetrokken. Reeds onderscheidene personen, die zich met deze kleur versierden, werden tot de aflegging daarvan genoodzaakt; de tusschenkomst alleen van den achtenswaardigen Middelburgschen Maire, den Heer Cornelis Gerrit Bijleveld, verhoedt de onlusten uit zulk een bevel geboren , en herstelt dezen vrijdom. Toen nu ook deze Maire, ter bewaring der openbare rust, den draad opnam van eene vroeger, in Februarij, aangeknoopte onderhandeling met den Gouverneur, ten einde eene gewapende compagnie uit de voornaamsle ingezetenen op te rigten, werd dit bij den Prefect als eene daad van moedwil bcschouwd, en de Maire, bij mondeling onderhoud, met grievende smaad en bedreiging bejegend, en in zijne bediening geschorst, tot dat de Fransche Koning over zijn lot zoude hebben beslist. De Gouverneur echter verstond, dat hij zich aan deze schorsing niet had te storen, en gaf hem eene wacht van veertig man ruiterij, ter schraging van het gezag des Stedelijken bestuurs. De wrevel der ingezetenen over soortgelijke tergingen bragt eenige kleine onlusten te weeg, welke echter zeer spoedig werden gestild. Intusschen nam de Secretaris-Generaal der landvoogdij, Dubosch, bij het vertrek van den Prefect, het gebeurde zeer euvel op, herriep de kracht der Fransche wet omtrent de geschorste ambtenaren, pastte die toe op den Maire, en beval de vernietiging van alle akten, door den laatste sedert zijne opschorting uitgevaardigd, met last van doorschrapping op de registers, waaraan echter niet voldaan werd. Op bevel van den Secretaris-Generaal werd de inzameling van het achterstallige der vereenigde regten en andere belastingen, op straffe van krijgspanding, beraamd, en een gelijk geweld bepaald omtrent de vervroegde invordering der patentregten, en alle maatregelen werden bij voortduring genomen, om het gezag en den invloed van de krijgsmagt op het bestuur te doen gelden. Gelukkig verscheen op den laatsten dezer maand de Fransche Generaal d' Abbeville, als, door zijn nieuw Gouvernement, gelast, met het bevel tot overgave der vestingen en tot ontruiming des eilands. Den volgenden dag kwamen de Heeren Willem Frederik van der Burcht van Lichtenberg en Jacob Hendrik Schorer, als Kommissarissen-Generaal des Departements, in naam van Neèrlands Souvereinen Vorst, te Vlissingen. Deze achtbare bezending begaf zich den vierden naar Veere, en werd den volgenden dag in vollen luisterrijken optogt, ook onder het geleide van den Generaal Sweerts de Landas, met zijnen staf en met de Officieren van den Zuid-Bevelandschen landstorm, in de hoofdstad Middelburg plegtig ingehaald; alzoo kwam Middelburg weder onder het wettige gezag van den Souvereinen Vorst der Nederlanden.
Het wapen van Middelburg bestaat in, de Rijks adelaar, houdende op zijne borst een schild van keel (rood), beladen met eenen dubbelen toren van goud.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Middelburg