Kruiningen, heerl. op het eil. Zuid-Beveland, prov. Zeeland, arr., kant. en distr. Goes, gem. Kruiningen; palende N. W. aan de heerl. Schore, Vlake en Yerseke, N. O. aan de heerl. Tolseinde en het verdronken land van het eil. Zuid-Beveland, O. aan de heerl. Nieuwlande en Krabbendijke, Z. O. aan de heerl. Waarde, Z. W. aan de Honte of W ester-Schelde.
Deze heerl. beslaat uit bijna geheel den Kruiningsche-polder, den Oost-Inkelsche- of Onze-Vrouwe-polder, benevens gedeelten van den Oud-Krabbend ijke-polder en van de Breede-Watering-Bewesten-Yerseke. Zij bevat het d. Kruiningen, benevens een gedeelte van het geh. den Oostdijk. Ook is er de buurt Hanswest of Hansweert, waar vroeger een vast overzetveer was, het welk thans echter niet meer als zoodanig bestaat (zie dat woord). Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 1462 bund. 14 v. r. 6 v. ell., waaronder 1441 bund. 70 v. r. 5 v. ell. belastbaar land ; telt 218 h., bewoond door 261 huisgez., uitmakende eene bevolking van 1240 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw. — Men telt hier 1160 Hervomden en 80 Afgescheidenen.
De eerste oorsprong dezer heerl. is, zoo als die der meeste, duister, doch vrij oud. Het is zeker, dat deze landstreek, te weten Kruiningen en Nieuwlande, reeds in het jaar 1386, van bijzondere keuren is voorzien geworden , en wel door Hertog Albrecht van Beijeren; ook dat de Heeren dezer ambachten, ten jare 1405, in verschil kwamen met de Kanonniken van Sinte Pieter te Middelburg, ter zake van zekere nieuw gegraven watergang door deze parochie, en de kosten, daartoe gemaakt, in welke gemelde Heeren meenden, dat de Kanonniken, als eigenaars van landen in Hinkelenhuis aandeel moesten dragen; zij, in tegendeel, beweerden vrij te wezen. Hertog Albrecht van Beijeren beslistte, nog in hetzelfde jaar, >>dat de lan » den der voorzeyde Canoniken door dien nieuwen watergang zouden » uitwateren, doch dat die, ter zake hunner Handvesten , wegens dezelfde » Landen zouden vry zijn, van deze en alle andere onkosten." De Geestelijkheid bezat nog te groote overmagt en was te geducht, om niet over bijzondere Edelen, vooral in het stuk van belastingen, te zegepralen.
Over onbekende oorzaken, waarschijnlijk in den koophandel, ontstonden, in bet jaar 1422, tusschen deze opgezetenen, met die van Kattendijke vereenigd, en de stad Dordrecht zware geschillen, die ten gevolge hadden, dat die van Kruiningen vier poorters van Dordrecht gevangen namen, waarover de regering dier stad, den 18 Augustus des gemelden jaars, eenen dringenden brief aan Hertog Jan van Beijeren afzond, hem verzoekende op den eed, dien hij bij zijne inhuldiging had gedaan, de gevangenen te ontslaan. Hertog Jan beantwoordde den volgenden dag dezen brief, niet minder hartelijk, belastende niet te min Heer Aernt van Kruiningen, om gemelde vier poorters kost- en schadeloos te ontslaan, bevelende bij eenen naderen brief, van den 29 der voorzegde maand, aan beide partijen elkander geen last of hinder te doen.
Deze heerl. is met den vloed van het jaar 1531 ingeloopen, en heeft, hoewel terstond herdijkt, gestadig met grondbrakcn te worstelen gehad, zoo dat men vreesde, dat, indien de dijk bij Hanswest doorbrak, de rivier de Honte haren loop en koers nemen zoude dwars door den Hanswestsdijk, en alzoo in de rivier de Schelde; waarom Keizer Karel V, den 29 Maart 1549, tot herstelling en onderstand dezer dijkaadje, daaraan onderscheidene vrijdommen verleende. Het is denkelijk, dat de Allerheiligenvloed van het jaar 1570 deze heerl., niet minder dan anderen, zal getroffen hebben; ofschoon deswege geene bijzonderheden bekend zijn, zoo is het zeker, dat de zorg, om geheel van de zee vermeesterd te worden, hier steeds toenam. Daarbij kwam de inlegering van Spaansch krijgsvolk, welks onderhouding den landzaat zwaar drukte, van welke vele bijzonderheden door den Heer van der Spiegel, in zijne Historie van de Satisfactie enz., zoo wel zijn opgegeven, dat men den lezer veilig derwaarts verwijzen mag. Dien last voorbij, en ook Kruiningen onder der Staten gebied gebragt zijnde, bleef de zee vijand genoeg, waarom men, ten jare 1598, zijn eenig vertrouwen meende te stellen in het leggen eener inlage, door dien, den 2 December deszelfden jaars, voor den Hinkelen-polder, zulk eene grondbraak gevallen was, dat, zonder zoodanig middel, aan geene behoudenis was te denken, waarom, den 7 van gemelde maand, aan 's Lands Staten om den noodigen onderstand in penningen verzocht werd, welke daartoe gereedelijk den zesden penning van de landen en tienden, over dat jaar, afstonden, en over verderen onderstand zich zouden beraden, nadat van den toestand dezer watering, door Gemagtigden onderzoek en verslag zoude zijn gedaan. Het een en ander geschiedde wel, maar bragt geen eindelijk besluit te weeg; terwijl men zich in beraadslagingen verdiepte, groeide hier de nood aan, waarom de Heer van Kruiningen, den 22 April des jaars 1600, daartegen dringende vertoogen inleverde, die geen ander gevolg hadden, dan dat er besloten werd, van deze verzoeken een punt van beschrijving te maken, gelijk ook, den 5 Julij des gemelden jaars, geschiedde, en den 17 daaraanvolgende alleen uitwerkte, dat de Heeren van Goes verzocht werden, voort te gaan in het aanwenden van middelen, ten einde geheel Zuid-Beveland onder een algemeen dijksbestuur te brengen, ten minste voor zoo veel grondbraken en vallen mogt betreffen, en die van den Hinkelen-polder, bij voorraad, in dier voege zouden worden ondersteund, als die van Hoedekenskerke, mits de Ingelanden van evengemelden polder, twee gulden per gemet zouden schieten, en van de tienden den zesden penning opbrengen, en de overige Ingelanden dezer heerl., zoo wel als die van Waarde en Valkenisse, tweemaal zoo veel zouden opbrengen, als het overige gedeelte van Zuid-Beveland, daartoe aanbragt. Dit belette echter niet, dat hier een slecht dijkbestuur bestond, en dus het gevaar van overstrooming steeds toenam, waarover de Heeren van Goes, den 22 Mei 1601, een wijdloopig verslag deden, en onder anderen vroegen dat de Dijkgraaf afgezet, door een ander opgevolgd werd, en het werk hier geschorst bleef, ten welken einde men de komst van den Heer verbeidde; doch 's Lands Staten gaven bevel, om terstond met het werk voort te gaan, zonder dat daardoor de regten van den heer zouden verkort worden. Het verschil zal gerezen zijn over het bedrag der som, welke dien Heer uit zijne eigene middelen tot herstel der zeewering moest aanbrengen. Hij zond zijnen Hofmeester herwaarts, doch die kon geene overeenkomst treffen, waarom 's Lands Staten, den 30 Mei 1601, besloten den Heer deswege aan te schrijven , te gelijk magt gevende aan drie Gecommitteerden , de Heeren Zoetwater, Zuytland en Oillaertsen, om eene overeenkomst tusschen partijen te treffen en, zulks niet doenlijk zijnde, dan zelf zoodanige beslissing te nemen, als zij ten meeste nut dezer noodlijdende dijkaadje zouden oorbaar achten. Hoedanig de uitslag ook moge geweest zijn, zeker is het, dat, omtrent het midden der maand November 1604, zich hier wederom een grondbraak voordeed, die door vier afgezondenen werd onderzocht, even als eene dergelijke in den dijk van Hoedekenskerke gevallen. Zij deden van het een en ander verslag en wezen de middelen tot herstel aan.
Het gevaar voor inbraken heeft hier altoos bestaan, en de vrees daarvoor werd telkens door nieuwe rampen verlevendigd, zoodat, den 16 Maart 1634, door Dijkgraven, die de dijken dezer heerlijkheid hadden gaan zien en opnemen, een rapport werd uitgebragt, waarbij zij hunne gedachten nopens de middelen, die tot herstel moesten aangewend worden, opgaven. Voorts werden zij nader gelast de middelen te bedenken, waaruit dit onderhoud en herstel zouden kunnen bestreden worden. Den 16 Maart 1639 kwam een nader verslag deswege in; hierop nog geen besluit genomen zijnde, zoo werd, den 24 April deszelfden jaars, door de Ingelanden en ingezetenen dezer heerlijkheid, uit vrees van doorbraak, een nader verzoek gedaan, om eene inlage of eenen binnendijk te mogen leggen, waartoe zij tevens verzochten met penningen ondersteund te worden; het eerste werd gereedelijk toegestaan en het laatste aangehouden. Deze heerl. blijft steeds eene lastige dijkaadje, want ten jare 1755 beliepen de water- of dijkpenningen tien schellingen op het gemet, en ten jare 1788 tien schellingen en twee grooten.
Het opzigt op zoo zware zeeweringen en wat daartoe behoort, kan niet te zeer bepaald worden, en moet uitgestrekt wezen, waarom 's Lands Staten, den 29 Maart 1670, aan Dijkgraaf en Gezworenen dezer wateringen octrooi verleende, om tot bevordering, verhooging en beter gebruik voor de wegen, gelijke bevelen te geven, als aan de watering Bewesten-Yerseke was toegestaan geweets. Ongetwijfeld hebben de latere zeevloeden, van het jaar 1682 en vervolgens, hier niet minder.dan elders schade en rampen veroorzaakt; doch men vindt daarvan geene aanteekening.
Bovenal was echter de ramp groot, die deze heerl. trof, op den 15 Januarij 1808, toen zij geheel door het water overstelpt en eene bare zee gelijk werd. Door eene, zestig roeden wijde, dijkbreuk stortte het water langen tijd binnen , en stroomde vervolgens, bij elke eb, als eenen prachtigcn waterval weder ter breuke uit. De ingezetenen waren verpligt de wijk naar elders te nemen , tot dat de polder weder gesloten zoude zijn, waartoe een nieuwe zeedijk, ter lengte van bijna elf' honderd ellen, gevorderd werd, die dan ook, voor eene som van vijfmaal honderd vijf en twintig duizend gulden , werd aanbesteed.
Het gebeurde, dat, ten jare 1663, zekere Quirijn van der Moed, in of omtrent deze heerl. eene brouwerij had opgerigt, waarover zich de Heeren van Goes, den 19 April des gemelden jaars, ter Staatsvergadering beklaagden, en verzochten , dat die geweerd mogt worden; doch waarop den 21 dier zelfde maand het besluit viel, dat zulk verzoek niet in te willigen was, ten ware gemelde Heeren bewezen, dat zoodanige nieuwe instellingen algemeen en zonder onderscheid waren verboden.
Deze heerl. is van oude tijden af een eigendom van het stamhuis der edele Heeren van Kruiningen of Cruiningen geweest, hetwelk uit het doorluchtig huis Van Berthout, in Braband, die oudtijds Heeren van Mechelen, Geeraertsbergen, Assche enz. waren, afstamden, en wel door den tak der Heeren van Assche, zijnde Wouter, de tweede zoon van Godfroi, Heer van Assche, die in 1214 leefde, Heer van Kruiningen geworden, uithoofde van zijne vrouw, de erfgenaam van Kruiningen. Dit geslacht heeft onderscheidene vermaarde mannen voortgebragt: zoo was, in het jaar 1328, Heer Arend van Kruiningen een der Ridders, welke Willem III, Graaf van Holland, in den krijg met Vlaanderen, voor de Franschen, volgde, en hem in den veldslag van Cassel het leven hielpen bewaren, toen hij van het paard geworpen en in groot gevaar was. — In 1405 vergezelde Heer Adriaan van Kruiningen, Willem IV, Graaf van Holland, in de belegering van Hagestein en Everstein. Jan van Kruiningen moest, den 28 Julij 1441, wegens zijne getrouwheid aan zijne wettige Landsvrouwe, Jacoba van Beijeren, zijne goederen, en daaronder ook de heerl. Kruiningen, zien verbeurd verklaren, door Hertog Jan van Beijeren, die ze aan zijn bastaardzoon Jan, ter besturing overgaf; terwijl zij, den 10 Januarij 1452, aan Otto van Reymerswaal verkocht werden. Later schijnt echter het geslacht Van Kruiningen weder in het bezit van deze heerl. te zijn gekomen, en men vindt, dat Heer Jan van Kruiningen, in het jaar 1467, door Karel den Stoute, Hertog van Bourgondië en Graaf van Holland, wegens zijne betoonde dapperheid in den Luikschen oorlog, tot Ridder werd geslagen. Maximiliaan van Kruiningen was een der Bevelhebbers van de vloot, welke in het jaar 1575, onder het oppergezag des Graven van Bossu, als Admiraal, wegens Alva, tegen de Hollanders streed. De laatste van dit geslacht was een andere Maximiliaan van Kruiningen, die in het jaar 1615 stierf, vijf dochters nalatende, van welke eene, met den Baron de Licques, een Vlaamsch Edelman, gehuwd zijnde, vervolgens de heerl. Kruiningen bezat, die, na het sluiten van den Munsterschen vrede, aan den Heer Gerard van der Nisse schijnt te zijn overgegaan; ten minste deze staat, ten jare 1651, als Heer bekend, wanneer hij dit heerlijke goed van een kwaad in een goed Zeeuwsch leen verbeterd kreeg. Van dezen laatsten Heer is het, door huwelijk van Vrouwe Cornelia van der Nisse, gekomen aan Heer Anthony de Huybert, die, ten jare 1673, als zoodanig bekend staat en Baljuw van Vere is geweest, vervolgens, ten jare 1683, Raadsheer in den Hoogen Raad werd, en in het jaar 1702 overleed. Deze liet de heerl. na aan zijnen zoon Pieter Anthony de Huybert, die ook Heer van Rillant en Drost van Muiden was. Van dezen Heer, welke in het jaar 1735 nog in leven was, kwam de heerl. aan zijnen zoon Anthony Joan de Huybert, die in het jaar 1759 Secretaris van Amsterdam werd, en wiens zuster Kruiningen ten huwelijk bragt aan zekeren Heer Pierre Louis de Tavel, die in Zwitserland woonde. Thans is deze heerl. een eigendom van den Heer Willem Prins, woonachtig des winters te Amsterdam en des zomers te Cleve.
Het d. Kruiningen, oudtijds Cruninghe, ligt 2½ u. Z. O. van Goes. Het is eene groote, schoone plaats, hebbende eene vrij lange boomrijke straat, benevens eene marktplaats en eenige miudere steegen. Men telt er, in de kom van het d., 152 h. en 770 inw.
De kerk stond vóór de Reformatie ter begeving van den Deken en van het kapittel van de St. Salvatorskerk te Utrecht. Twee gedeelten daarin kwamen den Bisschop van Utrecht toe. In gemelde kerk was van ouds eene vikarij, aan het altaar van de H. H. Catharina en Barbara, toegewijd. Het is een oud en ruim gebouw, rustende op twee rijen pilaren en heeft de gedaante van een kruis. De naald en het dak van den achtkantigen toren, welke aan de zuidzijde van de kerk staat, brandden, in Februarij 1625 af, doch later weder hersteld zijnde, is zij thans hoog en spits. De kerk is van geen orgel voorzien. In het gedeelte, dat voor de kerkeraadsvergaderingen gebruikt wordt, vindt men de eenvoudige, nagenoeg tien palmen hooge, arduinsteenen graftombe van Aarnout van Kruiningen van Voorhoute, in 1561 overleden. Op den deksteen is deze Ridder uitgehouden, als rustende met zijne voeten op eenen liggenden leeuw; terwijl zijne wapens en ridderteekenen hem omgeven.
De kerk der Afgescheidenen, in het jaar 1841 gesticht, is een klein gebouw, zonder orgel of toren. — De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 80 leerlingen bezocht. — Voorheen stonden onder dit d. het Kasteel van kruiningen en eene kleine riduerhofstad het Voorhout geheeten.
In het noordwesten van het d. zou, naar men wil, vóór de Hervorming, een Minderbroeders-klooster gestaan hebben; een hoog huis, daar te vinden, zoude nog eenige merkteekenen daarvan dragen. Ten Zuiden van het d. vindt men nog de zoogenaamde Slagvelden, welke misschien haren naam ontleenen van den veldslag, die, in het jaar 1258, tusschen de legers van Vrouwe Aleid, moei van Graaf Floris V, en Otto III , Graaf van Gelderland, geleverd is.
Men heeft er eene druk bezochte jaarmarkt, welke drie dagen duurt en den laatsten Woensdag in Junij een begin neemt.
Kruiningen is de geboorteplaats van den dapperen Zeeman Legier of Logier Pietersz., die op het laatst der zestiende eeuw leefde en alle scheepsbetrekkingen doorliep; alsmede van den Geneeskundige en Wijsgeer Godefried du Bois, geb. 27 Mei 1700, † 14 Januarij 1747, als Hoogleeraar in de Wijsbegeerte , Genees-, Ontleed-en Kruidkunde, aan de Hoogeschool te Franeker.
Bij het inlegeren van het krijgsvolk binnen Zuid-Beveland, in het jaar 1747, was te Kruiningen het hoofdkwartier.
Het wapen van Kruiningen is een veld van goud, beladen met drie palen van sabel (zwart).
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Kruiningen