Krabbendijke, heerl. op het eil. Zuid-Beveland, prov. Zeeland, arr., kant. en distr. Goes, gem. Krabbendijke-en-Nieuwlande; palende N. aan de heerl. Nieuwlande en het verdronken land van Zuid-Beveland, O. aan het Verdronken land van Zuid-Beveland en de heerl. Maire, Z. aan de heerl. Maire, de heerl. Valkenisse en de heerl. Waarden, W. aan de heerl. Kruiningen.
Deze heerl. bestaat uit den Maags-polder, den Monnike-polder, den Nieuwe-polder, den Oost-polder en den polder Stroodorpe, benevens gedeelten van den Oud-Krabbendijkepolder, den Nieuwlande-polder, den Nieuw-Valkenissepolder en den Maire-polder. Zij bevat het d. Krabbendijke en een gedeelte van het geh. Oostdijk, benevens eenige verstrooid liggende woningen. Men telt er eene bevolking van 590 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw. Ook heeft men er eene meestoof en eenen korenmolen.
De inw., die hier allen Herv. zijn, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Goes, ring van Kruiningen, behoort. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Cornelis de Koning, die in het jaar 1699 herwaarts kwam, en in het jaar 1670 naar Kloetingen vertrok. Het beroep geschiedt met medestemming van den Ambachtsheer.
Men heeft in deze heerl. eene school, die gemiddeld door een getal van 60 leerlingen bezocht wordt.
De oude heerl. Krabbendijke was eene geestelijke bezitting. Henricus van Schoten, een Zeeuwsch Edelman, had haar, met toestemming van zijne vrouw en vier zonen, in het jaar 1187, aan de Abdij der H. Maagd van der Does, in Vlaanderen, geschonken. De Graven hadden, bij herhaling, deze gift bevestigd, en de bezitters bovendien vrijdom van allen tol, schat en belastingen gegeven, en er nog andere goederen bijgevoegd. Eenige hofdiensten moesten, ja, daarvoor bewezen worden, doch omtrent deze werden doorgaans schikkingen gemaakt, en eindelijk die last, in het jaar 1677, geheel afgekocht. Al vroeg verrees hier dus, in stede van eenen burg, een klooster op het dorp. In den Monsterhoek, thans Monnikenpolder, en ook op het dorpsplein, vindt men hij het graven overblijfselen van gebouwen en grafkelders. De schraapzucht der Geestelijke Heeren had echter den ondergang der bezitting ten gevolge. Aan de Oostwatering verbonden, weigerde de Abt in hare buitengewone zeewerken te betalen, ofschoon hij de binnendijken had laten slechten. Daardoor deelde dan ook de heerlijkheid in haar ongelukkig lot, en, ofschoon zij zich na de vloeden van 1530, 1532 en 1551 nog weder oprigtte, zij bezweek in 1570 voor het grootste gedeelte, werd kort daarop, als geestelijk goed, verbeurd verklaard, aan Vrouwe Catharina van Nassau overgedragen, en door deze verkocht aan Johan Junius de Jonge, die zich als Gouverneur van Vere, en door de gezantschappen, met welke hij is belast geweest, beroemd heeft gemaakt. Hij verzocht reeds den 12 December 1591, bij requeste, octrooi van vrijdom van accijns, imposten en andere gemeene middelen, ter indijking dezer heerlijkheid, waarop toen geen besluit genomen werd, maar den 19 derzelfde maand werd deswege goedgevonden, dat de verzoeker opgave zoude doen van de grootte der dijkaadje, welke hij voornemens was aan te vangen, en die te doen afteekenen bij kielspitten, om, zulks gezien en geweten zijnde, daarop verder te kunnen besluiten.
Van dezen Heer is dit goed, met gelijk regt, gekomen aan zijne erfgenamen, die in het jaar 1594 schijnen geweest te zijn, of verbeeld werden door Jonkheer Johan de la Salte, Jonkheer Otto van Hove, Daniël de Renialme en Alezander de Renialme, aan welken, den 4 Februarij des evengemelden jaars, octrooi werd verleend tot het indijken van zoo veel gemeten lands in Crabbendijcke als hun sal gelieven ende gelegen syn.
Hoe groot de hoop was, dat deze ingedijkte grond vruchtbaar zoude wezen, zoo voldeed die echter niet aan de verwachting; hoe vlijtig en onvermoeid men met ploegen en mesten aanhield, zoo kon het de waarde van den arbeid daaraan besteed, niet opwegen, waardoor vele indijkers of koopers der landen te gronde gingen, hebbende de kosten van indijken tot twaalf of veertien ponden Vlaamsen van iedere gemet beloopen, waarvoor hun niet meer dan tien jaren vrijdom van lasten schijnt te zijn toegestaan, en zij om verlenging van nog andere zeven jaren verzochten. Hoedanig hiervan de uitslag was is niet gebleken; maar wel dat de respective Ambachts- en Tiendheeren, in het jaar 1606, zich ook bij de Algemeene Staten vervoegden, zich beklagende over het afvorderen van de cijnspenningen op de tienden, waarvan zij, zoo wel als van andere lasten, vermeenden verschoond te moeten blijven, ingevolge oude grafelijke vergunningen aan den Abt en het konvent van der Does, als bezitters van dit leen, toegestaan; doch waarop zeker geen gunstig besluit zal genomen zijn. Zoo er, vóór gemelde bedijking, nog eenige overblijfselen van het gewezen klooster waren te zien geweest, geraakten die nu geheel te niet, wijl daarvan niets meer voorhanden is; de naam van Monniken-polder duidt alleen aan, waar het vroeger te vinden was.
Vóór deze bedijking schijnen reeds twee sterkten of forten op de Schorren aanwezig te zijn geweest, wijl de indijkers bezwaard werden met die op hunnen nieuw aangelegden dijk te verleggen, » tot » sulcken lenghte, hoochte, breette ende diepte, in grachten ende » borstweeringen als die jegenswoordelyck is," van welke gewezene sterkten nog de overblijfselen te vinden zijn; zij hadden gemeenschap met het fort op het Keizershoofd in Valkenisse, en moesten hier alle vijandelijke aanvallen afweren; maar naderhand, de Oostpolder ook aangewonnen zijnde, werden zij onnut, nadat de Munstersche vrede hier reeds alle vrees voor inval verdreven had. De Oostpolder schijnt in het jaar 1655 aangewonnen te zijn, wijl den 23 Maart van dat jaar aan de Ambachtsheeren werd toegestaan het beverschen van 228 gemeten (ongeveer 105 bund.), op de voordeden, zoo als 's lands Rekenkamer die opgegeven had te behooren; doch hoe die mogen geweest zijn, zij moeten de kosten van bedijking niet opgewogen hebben; want den 27 Maart 1664, verzochten de Ingelanden verlenging van hun octrooi. Sedert is er geen land meer aangewonnen; doch de hoop daarop voor het vervolg is niet zonder grond. Langs evengemelden polder pleeg de zoogenaamde Piermans-kreek, Oost aan, in de verdronken landen van Zuid-Beveland te loopen.
De geduchte vloed van 26 Januarij 1682 deed deze heerlijkheid het lot ondergaan van met anderen, door het geweld der golven, overstroomd te worden, doch waaraan zij, door de nijverheid der Ingelanden en opgezetenen, ras ontrukt en tegen zulke rampen beter, dan voorheen verzekerd werd.
Door den watervloed van Januarij 1808 liep deze heerlijkheid weder geheel onder; doch de schade werd spoedig weder hersteld.
Voorts komt als Heer dezer heerl. voor Louis de la Sale, wiens moeder Catharina Wielants, den 16 Junij 1614, de toestemming van de Algemeene Staten verkreeg tot den verkoop van de helft dezer heerlijkheid, maar aan wien die helft overging vindt men niet aangeteekend; voorts meldt men, dat Heer Jean François de la Sale, Ridder, uit Gascogne herkomstig, Ridmeester over honderd Kurassiers dezer landen, in den jare 1650 overleden, Heer van Krabbendijke is geweest. Hij liet eene dochter na, Lucretia de la Sale, die in huwelijk is geweest met Jonker Jasper Blois van Treslong, den tweeden van dien naam. Ruim eene eeuw geleden waren de huizen Van Reigersbergen en Van der Nisse hiervan in bezit, en in het jaar 1747 was de Heer Jacob van Reigersbergen, wegens Middelburg, Gecommitteerde Raad der Admiraliteit van Zeeland, Ambachtsheer, die dit heerlijke goed naliet aan zijn zusters zoon, den Heer Mr. Johan Pieter van den Brande, Ridder Baronet, den 2 April 1793, overleden, de heerl. nalatende aan zijne oudste dochter, Jonkvrouw Maria Petronella van den Brande. Thans wordt deze heerl. in eigendom bezeten door Jonkheer J. Versluis, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Zeeland, woonachtig te Middelburg.
Het d. Krabbendijk ligt 3½ u. Z. O. van Goes, ½ u. N. W. van Bath. Het strekt zich in de lengte noordwest- en zuid-oostwaarts uit. Het oude d. schijnt gelegen te bebben tusschen het tegenwoordige en het Noord-Oostfort.
De Herv. kerk, welke in het jaar 1655 gebouwd is, was een klein vierkant gebouw, hetwelk in het jaar 1823 verlengd, verhoogd, verfraaid en met een houten kloktorentje is voorzien geworden. In deze kerk hangen twee koperen kroonen, ter verlichting van de avonddienst, met dit opschrift:
Deeze kroonen zijn gegeven door de Heeren Jan Pieter van den Brande, Ridder, Baronet, Heer van Crabbendijke etc, etc, op verzoek van de gedeputeerden uit den kerkenraad, de heer predicant A. van Steenbergen, ouderling Louis Christiaansen, diaken Christiaan Pieterse Koole.
In het jaar 1834 werd daarin een orgel geplaatst, hetwelk aan de gem. geschonken was door Jonkheer C. J. Versluijs, destijds Ambachtsheer dezer plaats; terwijl de Heer Adriaan Kaakebeeke, Notaris aldaar, in hetzelfde jaar, een kostbaar zilveren doopbekken aan deze kerk ten geschenke gaf.
Men beeft hier een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, dat den 9 Augustus 1822 opgerigt is en ruim 50 leden telt.
Vroeger lagen twee schansen ten Noordoosten en Zuidoosten van dit dorp (zie Noordoost-Fort en Zuidoost-Fort), en voor ruim zestig jaren is op het Plein afgebroken eene zeer bouwvallige Ronduit, die vele jaren door ingezetenen is bewoond geworden.
In het jaar 1834 heeft men op een open plein op het dorp, onder de veelvuldige fondamenten van gebouwen, eenen verwulfden grafkelder gevonden, en, nadat daarin met groote moeite eene opening was gemaakt, ontdekte men dat deze kelder met aarde was gevuld, waar bovenop een geraamte van een volwassen mensch lag.
Den 8 Julij 1845 is onder dit d. eene schuur door den bliksem getroffen, en daarna, met eene aanzienlijke hoeveelheid bouwgereedschappen en granen, tot den grond toe afgebrand.
Het wapen dezer heerl. bestaat in een veld van sabel (zwart), met twee golvende fascen van zilver, boven welke twee en waaronder ééne St. Jacobsschelp van goud.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839
Terug naar beschrijving van Krabbendijke