Klundert (De), gem. in de heerl. Niervaart, prov. Noord-Braband, Vierde distr., arr. Breda, kant. Zevenbergen (12 k. d., 17 m. k., 9 s. d.); palende N. aan het Hollandsdiep , O. aan de gem. Hooge-en-Lage-Zwaluwe en Zevenbergen, Z. aan Zevenbergen en Stand-daar-Buiten, W. aan Willemstad en Fijnaart-en-Heyningen.
Deze gem. bevat het plattelandst. de Klundert, het d. Moerdijk en het geh. Woordschans, beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 3326 bund. 5 v. r. 28 v. ell., alles belastbaar land; telt 365 h., bewoond door 492 huisgez., uitmakende eene bevolking van 2150 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw.
Ook heeft men er, behalve eenen dominialen koren-windmolen, eenen houtzaag- en eenen wind-oliemolen, benevens eene zeepziederij en eene bierbrouwerij, welke aan partikulieren toebehooren.
De Herv., die hier 1560 in getal zijn, onder welke 650 Ledematen, maken de gem. van de Klundert en de Moerdijk uit.
De R. K., van welke men er 870 aantreft, onder welke 670 Communikanten, maken eene par. uit, welke tot het vic. apost. van Breda, dek. van Bergen-op-Zoom, behoort, en door eenen Pastoor en eenen Kapellaan bediend wordt.
Men heeft in deze gem. twee scholen, als: ééne in de Klundert en ééne aan de Moerdijk, welke gezamenlijk door een getal van 320 leerlingen bezocht worden.
Het plattelandst. de Klundert ligt 4½ u. N. W. van Breda, 1¼ u. N. W. van Zevenbergen, aan het riviertje de Keen.
Het was eertijds een dorp en toen ook Niervaart geheeten, doch werd door Prins Willem I, in het jaar 15i83, met wallen en grachten omringd. Het was regelmatig versterkt met wallen, die eenen omtrek hadden van omtrent een vierendeel uur gaans. Zij werden gedekt door negen bolwerken, omringd van zeer goede binnen- en buitengrachten, en beschermd door eenige halve manen en contrescharpen. Aan de overzijde van de Keen lag eene tamelijk groote schans, die van de binnenzijde stadwaarts open was, doch naar de buitenzijde de gedaante had van een kroonwerk, wordende deze schans Bloemendaal genoemd. Ook lag aldaar eene schans, de Suikerberg geheeten, alsmede de Noordschans, ¼ u. N. van de vesting. Alle deze werken zijn, na de omwenteling van 1795, in verval geraakt en na dien tijd grootendeels geslecht. De stad is bebouwd met acht straten, waarvan zeven lijnregt en eene ringvormig loopen. Zij wordt in het midden afgescheiden en bewaterd door eene tamelijk breede gracht, de Bottekreek geheeten, welke door het riviertje de Keen, langs de Roodevaart, van versch water wordt voorzien, en voorts door de vaart, genaamd de Aalskreek, naar de Noordschans in het Hollandsdiep, zich van het overtollige water ontlast. Tot het jaar 1807 bestond de vaart met schepen van het Hollandsdiep, door eene open sassing of schutsluis van de Noordschans tot aan de Klundert; deze is toen door bet Domein- en polderbestuur, als defect zijnde, uitgebroken, en tot tijdelijke voorziening der uitwatering, eene overdekte hulpsluis gelegd, welke tot heden door geene sassing is vervangen, waardoor dan ook de gem. de Klundert, van hare vroegere voordeelige ligging langs de rivier, is beroofd gebleven.
Het beslaat, met het gedeelte bezuiden de Oude-kaai, 53 bund. 15 v. r. 94 v. ell. Men telt er, in de kom der plaats, 190 h. en 1130 inw. Dit plaatsje wordt, door middel van de Zevenbergschehaven en het riviertje de Keen, nu en dan van doorstroomend verscb water voorzien. Toen dit laatste riviertje, omstreeks bet jaar 1680, nog geheel bevaarbaar was, bestond er in De Klundert eenen tamelijk bloeijenden koophandel, en werd aldaar eertijds de zoogenaamde Geervlietsche tol ontvangen.
De Herv., welke hier wonen, maken, met die van het geh. de Noordschans, eene gem. uit, welke tot de klass. van Breda, ring van Willemstad, behoort, en 1400 zielen, onder welke 540 Ledematen, telt. De eerste, die hier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Paschasius Gerritsz Pensaant, die in het jaar 1576 herwaarts kwam en in het jaar 1584 overleed. Het beroep is eene koninklijke collatie. De kerk is den 10 Maart 1737 afgebrand en werd, weder opgebouwd zijnde, den 11 September 1740 ingewijd. Deze kerk, welke tegen eenen hoogen vierkanten toren gebouwd is, staat op het midden van een groot plein en is een tamelijk fraai gebouw. In het jaar 1749 werd daarin een prachtig orgel geplaatst, hetwelk der gemeente door Willem IV, Prins van Oranje, vereerd was; terwijl daaraan verbonden was eene jaarwedde van honderd vijftig gulden voor eenen Organist, welke echter, na het jaar 1808, niet meer is uitbetaald.
De R. K. kerk, aan den H. Johannes den Dooper toegewijd, is een tamelijk fraai gebouw, met daaraan verbonden pastorij, voorzien van een orgel, doch geen toren. Een en ander is gesticht in het jaar 1802, op de oude fondamenten van het, ten jare 1795, bij de belegering, afgebrande Arsenaal of Magazijn, daartoe door het Gouvernement geschonken.
Het Raadhuis staat op een ander vierkant plein, rondom met boomen beplant, op hetwelk de markt gehouden wordt. Aan den hoek, ten Noordoosten van deze markt, staat het Prinsenhof of de Kastelenij, vroeger bewoond door den Rentmeester van het Hof, en thans dienende tot woning en kantoor van den Rentmeester der Domeinen van Zijn Koninklijke Hoogheid Prins Frederik der Nederlanden; het heeft zijnen ingang door eene laan met boomen aan de zijde der markt.
De gemeenteschool wordt gemiddeld door een getal van 250 leerlingen bezocht. — Ook heeft men er een liefdadig gesticht, waarin vroeger weezen werden opgenomen, en eene Bank van leening.
Er worden te Klundert twee paarden- en beestenmarkten gehouden, de eene op den derden Donderdag in April en de andere op den tweeden Dingsdag in November. De kermis valt in den eersten Zondag na St. Jan.
In het jaar 1333 werd deze plaats zeer door brand geteisterd, en in den St. Elizabethsvloed van het jaar 1421 heeft zij mede veel schade geleden.
Onsterfelijk is de roem, die de Baron von Kropff behaald heeft door de heldhaftige verdediging dezer vesting, in 1793, tegen het leger van Dumouriez, welk doorluchtig wapenfeit krachtdadig medegewerkt heeft, om den val des vaderlands nog twee jaren te vertragen. De Fransche Generaal Berneron eischte, op den 25 Februarij, des middags tusschen een en twee ure , de stad schriftelijk op. De Kapitein von Kropff van het regiment van Bosc de la Calmette, die er het bevel voerde, weigerde volstrekt daaraan te voldoen, waarop de vijand, ten drie ure, de stad op eene hevige wijze, van den Bloemendaalsche-dijk, begon te beschieten; dit hield aan tot 's avonds ten elf ure, als wanneer de vijandelijke troepen, onder geleide van voornoemden Generaal Berneron, de stad stormenderhand aanvielen en vermeesterden.
De aanval geschiedde aan den kant van de Waterpoort. De bezetting, aangevoerd door den dapperen Von Kropff, en den Luitenant P. Colthoff, die de artillerie bestuurde, kweet zich dapper en met cene buitengewone kloekmoedigheid. Colthoff, die met den braven Commies Hielen het kanon vernagelde, alvorens de vijanden binnen kwamen, werd met zijne manschap krijgsgevangen gemaakt; terwijl de gekwetsten, door de Franschen in het hospitaal gebragt, en, bij de ontruiming der stad nog niet hersteld zijnde, door hen weggevoerd werden. De dappere Von Kropff, zich niet op genade aan de Franschen willende overgeven, en, met veertig zijner overige manschappen, den lande nog van meer nut trachtende te wezen, trok daarmede, bij het stormloopen, door de Heipoort terug, met oogmerk om zich naar de Willemstad te begeven. Genaderd tot bij de zoogenaamde Tonnenkreek, werd hij, met eene verdubbelde woede, door den vijand, onder begunstiging van zeker oud fort of batterij, op den Oostdijk aangelegd, aangevallen, alwaar hij nog quarré formeerde, en, zich dapperlijk verdedigende, bij die gelegenheid den Luitenant-Kolonel L. Hartman, een uitgeweken Bataaf, doodschoot. Een ander uitgewekene, Boogmans, jaagt Von Kropff hierop het doodelijk lood door de hersenen. Dit nog niet genoeg zijnde, mishandelde men het doode ligchaam op eene allezins onmenschelijke en wreede wijze. Behalve het schot door het hoofd, dat aanstonds doodelijk was, bragt men het ligchaam onderscheidene wonden toe, en weigerde het ontzielde lijk de aarde: men bond het eenen zwaren steen om den hals, en wierp het, even als een kreng, in het water, waaruit het naderhand is opgevischt, en in de Willemstad, met alle teekenen van eer, deftig ter aarde besteld.
Het wapen van de gem. Klundert is van sabel (zwart), met drie St. Andrieskruissen van goud: in het midden (en Abime) van azuur (blaauw), met eenen klimmenden leeuw en bezaaid met staande blokjes, alles van goud, zijnde het schild gedekt met eene koninklijke kroon.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Klundert