Kapelle, heerl. op het eil. Zuid-Beveland, prov. Zeeland, arr., kant. en distr. Goes, gem. Kappelle-Biezelingen-en-Eversdijk; palende N. aan de heerl. Kattendijke en Wemeldingen, O. aan Yerseke, Z. O. aan Vlake, Z. voor een zeer klein gedeelte aan de Schorren tegen de Hont en de heerl. Eversdijk en 's Gravenpolder, Z. W. voor een klein gedeelte aan de heerl. 's Gravenpolder, W. aan Kloetingen.
De heerl. bevat de d. Kapelle en Biezelingen, benevens de geh. Dijkwel en Teekenburg en de b. Maalstede. De inw. vinden meest hun bestaan in den landbouw.
In de veertiende eeuw bloeide de lakenweverij zeer te Kappelle. De stad Goes, naijverig omtrent den bloei van de lakenfabrijken te platten lande, wist, in het jaar 1407, van Willem, Graaf van Holland, het voorregt te verwerven, dat geen ingezeten der plaats, op zware boete, voor een penningwaarde vleesch of bier buiten het regtsgebied der gemeente zou mogen koopen, noch iets elders doen weven of vollen. Dit laatste moest blijkbaar strekken, om de lakenweverij, die in sommige der aanzienlijkste dorpen, en vooral te Kapelle, sterk gedreven werd, zoo veel mogelijk naar Goes te trekken. Daar dit evenwel niet geheel gelukken wilde, ging men in 1451 een stap verder. Men wist van den Hertog brieven te verkrijgen, bij welke bevolen werd, dat, buiten de ingezetenen, niemand te Goes laken mogt uitsnijden, behalve bij gelegenheid der jaarmarkten. Die van Kappelle begrepen, dat dit voornamenlijk tegen hen gerigt was, en kwamen derhalve tegen dit voorregt op. Zij toonden Hertog Filip aan, dat binnen hunne parochie en in de omliggende dorpen vele lakenweverijen waren, door welke het grootste gedeelte der ingezetenen in meerdere of mindere mate bestond, dewijl zij van ouds gewoon waren hunne stoffen, bij stukken, ook te Goes ter markt te brengen, en openlijk, bij lappen van tien ellen, te veilen. Bleef hun dit verboden, dan zoude hunne plaatsen te niet gaan, vermits de gegoeden gedwongen zouden zijn, om naar elders te verhuizen, en de min gegoeden door dit vertrek en het daaruit voortvloeijend gebrek aan werk, tot den bedelstaf worden gebragt. De Goesenaren trachtten daarentegen wel te betoogen, dat de welvaart van hunne stad afhing van het handhaven van deze vergunning; dat de lakenweverijen binnen hunne wallen zouden verloopen, indien er lakens van Kappelle binnengebragt mogten worden; dat het arbeidsvolk zou vertrekken, en daardoor een belangrijk nadeel aan de stedelijke inkomsten worden toegebragt, en meer andere bezwaren; doch 's Hertogen Raden begrepen het anders. De uitspraak was, dat die van Kappelle hunne lakens, welke nogtans door een of twee aanhangende zegels in lood kenbaar moesten wezen, bij het stuk zouden mogen binnenbrengen, en op den wekelijkschen marktdag, evenwel niet minder dan bij vijf ellen tevens, verkoopen in een huis binnen Goes, door de Regering aan te wijzen, en, ter meerdere onderscheiding, voorzien van een uithangbord, met het opschrift:
Laken te Koop die te Kappelle gemaekt sijn.
De buitenlieden zouden daarvoor jaarlijks eene zekere som aan de stad uitkeeren. Weigerde echter de regering zoodanig huis, dan toogten zij hunne waren op de markt uitveilen. Hoe gunstig dit besluit in den eersten opslag schijnen mogt, in dit geding lag evenwel de eerste oorzaak van het verdorren van dezen tak van nijverheid, die in de volgende eeuw, gedurende den strijd tegen Spanje geheel wegstierf.
De Herv., die hier wonen, maken gedeeltelijk de gem. van Kappelle uit, en behooren gedeeltelijk tot de gem. Bieselingen-en-Eversdijk.
De R. K., die men er aantreft, worden tot de stat. van Goes gerekend.
Men heeft in deze heerl. twee scholen, welke gemiddeld door een getal van 180 of 190 leerlingen bezocht worden, en eene armenschool te Kappelle.
Het d. Kappelle of Kapelle, ook wel Kapelle-in-Zuid-Beveland genoemd, ligt 1 ½ u . z. O. van Goes aan den Postweg. Het is een zeer wel gelegen fraaije en aangename plaats, met veel doortogt en zwaar geboomte omringd.
De Herv., die hier wonen, maken met die van het geh. Dijkwel en Teekenburg eene gem. uit, welke tot de klass. van Goes, ring van Kruiningen, behoort. Na de Reformatie werd deze gem. met Biezelingen vereenigd, welke combinatie er den 1 December 1578 Ds. Joris de Raad tot eersten Predikant bekwam, terwijl de eerste Zuidbevelandsche klassis den 4 Mei 1578 te Kapelle gehouden werd. Het beroep geschiedt door den kerkenraad met medestemming van den Ambachtsheer.
De kerk te Kapelle, oorspronkelijk de Kapel op Dijkwel geheeten, kan beschouwd worden als de moeder der verdere rondom gelegene gestichten en inrigtingen. Gedurig uitgebreid en verfraaid, was zij eindelijk een fraai heiligdom der H. Maagd Maria toegewijd geworden. Toen een gedeelte der Ambachtsheeren in de zestiende eeuw pogingen aanwendde, om de kapel van Biezelingen tot eene parochiekerk te verheffen, ontstond daarover geschil, waaraan Keizer Karel V een einde maakte, door te beslissen, dat de kerk te Biezelingen eene parochiekerk zoude zijn, maar tevens ondergeschikt blijven aan het kapittel der Moederkerk te Kappell, hetwelk ook twee derde van alle inkomsten zoude genieten, doch tevens verpligt waren bij de twee, reeds aanwezige Kapellanen, eenen bekwamen Pastoor of Priester te zenden, die het overig derde deel der inkomsten genieten zou, maar door de ingezetenen te Biezelingen van eene bekwame pastorie voorzien moest worden. In deze kerk was, omtrent het jaar 1503, door Anna van Bourgondië en Kolaard, Heer van Liekierke, een kapittel van elf Kanunniken, en op den 20 Januarij 1506, door de Priorin van Biezelingen eene mis gesticht. Er waren mede drie vikarijen, als: eene van St. Catharina en St. Barbara, eene aan St. Jans outaar en eene aan het outaar van den H. Paus en Martelaar Cornelius. De kerk van Kappelle is een oud en ruim, doch stevig gebonw, rustende van binnen op twee rijen pilaren. Zij wordt voor eene der oudste kerken van de dorpen van Zeeland gehouden, en heeft boven den hoofdingang het jaartal 1427. De toren is de hoogste van Zuid-Beveland, en is vierkant met vier kleine spitse torentjes aan de bovenhoeken en een spits oploopend dak: daarin hangen vijf zware klokken (niet in de torentjes). In het half verwoest en afgesloten koor, ziet men de arduinsteenen graftombe van Philibert van Thuyl van Serooskerke, Heer van Tienhoven, Kappelle enz. overleden in 1643. De marmeren grafnaald van eenen anderen Heer van dit geslacht, welke mede in het koor stond, is verloren geraakt.
De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 70 leerlingen bezocht. Vroeger stonden digt bij Kappelle de adell. h. Gistellis, Maalstede en Bruelis, van welke de beide eerste niet meer bestaan, en het laatste een landhuis is. Ook heeft men er nog het landhuis Rust-na-Arbeid.
Thans wordt deze heerl. bezeten door onderscheidene partikulieren onder de benaming van Ambachtsheeren.
Het wapen dezer heerl. is van zilver, met eene kerk van keel (rood), met kerk- en torendak van azuur (blaauw), staande op een voorgrond van keel (rood), met de cijferletters XIIII van goud, welke beteekenen de ouderdom in eeuwen der kerk.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Kapelle