Hulst, gem; in Staats-Vlaanderen, prov. Zeeland, arr. Goes, kant. Hulst (12 m. k., 5 s. d.); palende. N. aan de gem. Hontenisse; O. aan de gem. Clinge, Z. en W. aan de gem. St. Jan-Steen.
Deze gem. bevat behalve de st. Hulst, niets dan twee woningen daar buiten, en op haar grondgebied staande. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 190 bund., waaronder 180 bund, 22 v. r. 66 v. ell. belastbaar land; telt 431 h., bewoond door, 555 huisgez., uitmakende eene bevolking van ruim 2400 inw., die meest hun bestaan vinden in den handel en landbouw, welke handel zich echter voornamelijk tot winkelnering bepaalt. Ook heeft men er eenige fabrijken en trafijken, als: 2 zoutkeeten; 2 leerlooijerijen; 2 boekweitmolens; 4 bierbrouwerijen ; 2 pottenbakkerijen; 2 tabaksfabrijken, en 1 in 1792, op 's Lands kosten in steen gebouwde kapitalen windkoren-, pel-, en moutmolen, prijkende boven een der ingangen, met het wapen der Algemeene Staten, kunstig in blaauwen arduinsteen uitgehouwen en in krijgstrofeën gevat; terwijl er thans nog een tweede steenen windkorenmolen in aanbouw is. Vroeger bestonden hier ook eene branderij, eene stijfselmakerij en eene zeepziederij, welke echter sedert lang te niet zijn gegaan. De Roomsch-Katholijken, die er ruim 2100 in getal zijn maken, met ruim 500 zielen van het zuidelijke deel der burg. gem. Honlenisse eene kerkelijke gem. uit, welke ongeveer 1650 Communikanten telt en tot in 1841 behoorde tot het Zeeuwsche gedeelte van het bisdom van Gent, doch thans deel maakt van het apost. vic. gen. van Breda, dek. Hulst en door eenen Pastoor en eenen Kapellaan bediend wordt.
De Hervormden, van welke men er ruim 280 vindt, makcn, met de overige Protestanten, zoo van Hulst als van de naburige burgerl. gem. Graauw, Clinge en St. Jan-Steen, eene gem. van 350 zielen uit, onder welke 160 Ledematen, die tot de klass. van IJzendijke, ring. van Axel behoort, en door éénen. Predikant bediend wordt. Casparus predikte hier het eerst de Hervormde leer. Na de herovering van Hulst; in 1645, geschiedde dit door eenige Predikanten uit het leger vervolgens door de klass. van Z,uid-Beveland, maar sedert 1646 door eigene Predikanten. De eerste die hier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Matthias Pergelius, die in het jaar 1646 van Schalkwijk herwaarts kwam, en in het jaar 1681 overleden is. In het jaar 1647 is hem, als tweede Predikant toegevoegd Mauritius Leeman, die hier van Wemeldingen gekomen en in het jaar 1687 overleden is. In hpt jaar 1649 is bij deze gem. nog een derde predlikant beroepen, zijnde Cornelis Gentman, die van Heinkenszand kwam, en in 1654 naar Utrecht vertrok. Deze gem. is alzoo onafgebroken door drie Predikanten gediend geworden, onder gehoudenhed, dat een hunner, bij beurten, in de nabijgelene gemeente St. Jan-Steen, des Zondags namiddags, de dienst zoude waarnemen; daar er aan deze laatste gemeent, nadat haar Leeraar in 1716 vertrokken was geen eigen Predikant meer is toegestaan geworden. Na.de verovering van Staats-Vlaanderen, door de Franschen in 1794, hield ook hier de bezoldiging der Leeraren, van ‘s Lands wege op, zodat twee van de toenmalige drie Predikanten naar elders beroepen en vertrokken zijn, worden Melchior Cremers in het jaar 1796 naar Nijkerk op de Veluwe, en Adrianus Cremers in het zelfde jaar naar Ijzendijke beroepen. Beide plaatsen zijn niet weder vervuld, zoodat hier alleen over is gebleven Dom. Leendert Geene, Jur. Utr. Doctor, die deze gem. heeft bedient,tot hij in 1817 het emeritaat verkreeg. Met groote en voorbeeldelooze opofferingen heeft deze gem., ofschoon in getal vcrminderende, gedurende meer dan twintig jaren in het tractement van haren leeraar, zoo wel als in dat der kerkelijke bedienden voorzien, tot dat bij de omwenteling van het jaar 1814 de Predjikant wcder één Rijks tractement verkreeg.
De Israëlieren, van welke men er 10 telt, behooren, tot de ringsynage van Middelburg, en hebben hier eene godsdienstige vergaderplaats.
Men heeft in deze gem. twee scholen, gezamenlijk: gemiddeld door een getal va.n 180 leerlinggen bezocht wordende.
De st. Hulst; in het Lat. Hulstum of ook Oppidum-Hulstense genoemd, ligt10 u. Z. O. van Middelburg, 6 u. Z.O. van Goes, 2 u. O. van Axel, 4 u. Z.O. van Neuzen, 3 u.N. van St..Nicolaas, 6 u. N. W. van Antwerpen, 7 u. N. O. van Gent, in eene aangename streek, tusschen welige landouwen, welke, benevens vele moeshoven en tuinen,.de stad omringen 51° 16'31''.N.B. 21°43'6”O. L. Zij heeft langs de wallen, met inbegrip harer bastions, nagenoeg: ¾ u. in den omtrek; en. beslaat, binnen de stad, eene kadastrale opperylakte,. van 35 bund. 57 v. r. 59 v. ell.
Sommigen hebben den naamsoorsprong van Hulst afgeleid van de Hunnen, welke, in deze landstreek om en nabij de stad langen tijd hun verblijf .zouden hebben gehouden, en, uithoofde der bevallige ligging, deze plaats Hun-lust of Hunnen-Lust hebben genoemd, yan waar dan, , bij verbastering de naam van Hulust, en met weglating van de tweede letter u de naam van Hulst zoude zijn ontstaan, welke stad men in oude oorkonden werkelijk Hulust of Hulustum gespeld vindt. Ofschoon dit gevoelen veel schiin heeft, komt het ons aannemelijker voor naam dezer stad.af te leiden, van de hulst of zogenaamden steekpalm.welk gewas, in oude tijden, toen Vlaanderen nog met uitgestrekte bosschen bedekt, was in deze .streken groeide hierbij komt nog dat, dat in het wapen dezer stad van oudsher hulstertakken voorkomen.
Deze stad is ongetwijfeld een der oudste van Vlaanderen. De vroegste oorkonde welke, ons, omtrent het gestaan van Hulst, is voorgekomen, is een open brief, bij Sanderus (Flandria Illustata Tom II, pag 124) vermeld, als in 1070, verleend door Margaretha, Gravin van Vlaanderen enHenegouwen, en waarbij, zij den geheelen inhoud van eenen openen brief van Filips haren voorzaat, herhalend, nog voegend: » En wij Gravinne van. Vlaanderen en Hene- » gouwen voornoemd, overdenkende dat het voorsch. voorregt door » den gemelden .Grave onzen voorzaat, aan onze burgers van Hulst » in den voorgaanden tijd verleend, bij ongeluk in » het vlek van Hulst ontstaan, verloren is, en, dat burgers de » gemelde vrijheid zo wel voor aIs na den brand, behoorlijk ge- » bruikt hebben, willen dat zij door ons geheele land van Vlaanderen » voor altoos vrij van alle tollen zullen zijn, doch die van St. Omer » uitgezonderd.
Reeds vroeger was Hulst niet meer dan eene sterke burg, welke onder den naam Hulsut; van de vroegste tijd af in den Vlaamsche geschiedienis, bekend, was. Zij heeft gestaan aan.de voormalige Asschepoort; aan het einde van den zogenaamden Langen Belling, en waarvan de bewaring als Kastelein of Burggraaf, aan den Graaf de Liedekerke was toevertrouwd. Buiten en om deze burg werden met der tijd enige woningen gebouwd, die dermate door de toeneming der bevolking vermeerderden dat de plaats eindelijk stadsvoorregten, en reeds bij zeker handvest van Filips van den Elsas, Graaf van Vlaanderen en Vermandoys (die ten jare 1156 regeerde) die den naam van oppidum (stad), verkreeg. Hoewel deze plaats, reeds reeds door Lodewijk, Graaf van Vlaanderen in 1350 met regten en vrijheden beschonken, als stad erkend was, en hare inwoners aanzienlijk toegenomem waren, was zij echter zeer zwak en alleen omsingeld door eene gracht, waarover eenige steenen bruggen lagen, zoodat zij aan vele vijandelijke invallen en verwoestingen blootgesteld was, hetgeen die van Hulst, in het jaar 1415, deed besluiten, hare gesteldheid voor te dragen- aan Johan den Onversaagde, Hertog, van Bourgondië en Graaf van Vlaanderen, met verzoek, dat zij hunne stad met vesten, wallen en poorten mogten voorzien, die, hun verzoek inwilligende, daartoe bij eenen openen brief, gegeven te Gent, den 20 December 1415,de noodige magtiging verleende, van welke echter destijds geen gebruik is gemaakt, door de omstandigheid, dat Graaf Johan den Onversaagde, zijnen vader Filips, bijgenaamd den Stoute, in de regering opgevolgd zijnde, met haar ook de vijandschap tegen den Hertog van Orleans had overgenomen, waardoor deze landen, waaruit de Graaf hulp en bijstand ontving, in langdurige, en kostbare oorlogen werden gewikkeld, die zoodanige verarming te weeg bragten, dat die van Hults, hun voornemen om de stad :te versterken, moesten opgeven. In het jaar 1426 verkregen zij van Filips den Goede, daartoe wederom brieven van octrooi, en zij sloegen ook wel de handen aan het werk, doch met weinig vrucht, uithoofde dat de voormelde oorlog naauwelijks geëindigd was, of er ontstonden inlandsche beroerten en hevige twisten in Vlaanderen, tusschen genoemden Graaf Filips den Goede en die van Brugge, en naderhand ook met die van Gent en hunnen aanhang, en daar de Hulstenaren zich steeds aan de zijde van hunnen wettigen Opperheer hielden, hadden zij veel jammers te verduren door de menigvuldige aanvallen:, waaraan zij, vooral door de nabuurschap van Gent bloot stonden, zoodanig dat hunne stad door de Gentenaars; in het jaar 1455 ten eenemale is verbrand en verwoest.
Ondanks deze opeenstapeling van rampen, verloren die vah Hulst den moed niet, zoo dat zij door het opnemen van gelden, en ten gevolge van verkregene kwijtschelding van het: aandeel, hetwelk zij in de gemeene: schattingen en lasten van den Graaf verschuldigd waren, de stad wederom hebben behuisd en versterkt, zoodat zij haar weldra met wallen en twee poorten; de Potterpoort en de Asschepoort, die beide niet meer bestaan, zagen omringd, welke in de jaren 1468 en 1471 nog zijn vermeerderd met de Hospitaal- of Gentstchepoort en de Beggijnepoort, 0nder welken naam thans nog twee poorten aanwezig zijn. Zeer veel bragt daartoe bij het octrooi door Maria, Gravin van Vlaanderen, den 19 Julij 1477 te Gent gegeven, waardoor die van Hulst werden gemagtigd » om te mogen omme stellen » ende poincten de somma van hondert ponden grooten onser munte, » loop: hebbende binnen onsen Lande van Vlaanderen eenswegs dra- » gens en ditte bij werfven te wetene t'elckent twee ofte dry maenden » de somma van dry hondert ponden Parisis munte, behoudens dat den » meesten en grootstendeel van de voorsz. ingezetenen van onse voorsz. » stede van- Hulst, daarinne, consenteeren omme de; voorsz. somma » bij henlieden bekeert en belegt te wordene aan de refectie en de vul- » makinghe van de voorsz. Poorten, Vesten ende Mueren, ten aller- » meesten oirboire ende proffytte van onser voorsz. stede." Door dit middel werden de begonnen vestingwerken zeer verbeterd en uitgebreid, onderscheidene bolwerken aangelegd, de oude grachten.uitgediept, eene, nieuwe buitengracht gedolven, mitsgaders twee blokhuizen gebouwd, voorzien van de noodige krijgsbehoeften, en in 1542 de aarden wallen, door eenen steenen muur vervangen, zoodat de stad destijds voor bijna onwinbaar werd gehouden. Na verloop van jaren waren echter deze vestingwerken zeer vervallen, toen zij, door het merkwaardige beleg van 1596, dermate gehavend en vernield werden, dat men in 1618 besloot, al de toen bestaande fortificatiën, poorten en andere versterkingen te sloopen, en te doen vervangen door die schoone en uitgebreide vestingwerken, waardoor Hulst in 's lands geschiedenis is vermaard geworden, voor welks verdediging en behoud zoo veel bloed heeft gestroomd, zoo veel heldenfeiten bedreven zijn, en die de stad benevens het ambacht, tot aan de komst, der Franschen , in het jaar 1794, tegen alle vijandelijke aanvallen beschermden.; Deze verdedigingswerken bestonden in hoog verheven wallen, met kloeke borstweringen, negen bolwerken, een dubbele kat, vijf ravelijnen; of halve manen, waarvan één om elk der, drie poorten, met nog twee andere, breede, en diepe grachten, mitsgaders de noodige contrescarpen, grootendeels door buitengrachten omvangen, waarbij tot meerdere verdediging van de approches der vesting nog verscheidene afzonderlijke forten en sterkten daar buiten waren aangelegd, als het fort Zandberg, ongeveer drie kwartier, en dat van de Moerschans een kwartier uurs ten N. O. van de stad gelegen, zijnde eerstgemeld met laatstgenoemd fort door eene tranchee of linie van communicatie gedekt, en door bolwerken, borstweringen, en eene breede gracht vereenigd en aangesloten geweest. Het land ten Zuiden van deze versterkte linie, welke tot dekking van Hulster-Ambacht is aangelegd, kon door middel van het doorsteken der dijken en later door eene kapitale sluis, liggende aan het zoogenaamde Boerenmagazijn, van Saftinghe af, onder water worden gezet, hetwelk niet, weinig tot de sterkte van Hulst toebragt. Behalve deze twee kapitale forten dekten nog andere mindere sterkten de stad, als: de Groote-Kijkuit en de Kleine-Kijkuit (gelegen hebbende in den Polder-van-Klein-Kieldrecht); de Groote-Verrekijker en de Kleine-Verrekijker (langs den weg naar de Belgische grenzen , op de hoogte van de tegenwoordige herberg de Roskam); de redoute de kleine-Raap (tusschen de Moerschans en den Zandberg); de Havenschans (even buiten de Gentsche-poort), en het fort Nassau (aan den zoogenaamden Havendijk van Hulster-Nieuwland). Dit laatstgenoemde fort was, vóór het doorsteken van den dijk van Absdale, in het jaar 1672, met eene tranchée of versterkte linie, voorzien van drie bastions, aan de stad gehecht.. Behalve alle deze middelen van verdediging, konden die van Hulst, bij belegering, doorgaans, onderstand en ontzet te water krijgen, voor dat de vijand zich van de genoemde sterkte had meester gemaakt.
Na de inlijving van Slaats-Vlaanderen in Frankrijk, in het jaar 1795, zijn de vestingwerken van Hulst van lieverlede vervallen; de militaire barakken , tuighuizen, magazijnen en andere in de vesting aanwezige, meest schoone, gebouwen, verkocht en afgebroken; de middelen van inundatie door bedijkingen weggenomen, en de forten geslecht, totdat eindelijk alle de glacis en tragels, met uitzondering van den bedekten weg, benevens de twee waterravelijnen, en de voor iedere poort gelegen hebbende ravelijnen, den 18 Augustus 1820, en de binnen- en buitenvesten, den 15 September 1828, door de Administratie van 's Rijks-Domeinen zijn verkocht, en thans herschapen in bouwland en moestuinen; terwijl van deze vesting nog maar alleen zijn overgebleven, de poorten, mitsgaders de grachten en wallen, welke laatste, met en benevens de oude versterkte linie, naar het geslechte fort Zandberg, in April 1822, tegen betaling van eenen jaarlijksche cijns aan het Domein, aan de stad zijn afgestaan.
Eertijds had Hulst vier poorten, te weten: de Potterspoort, welke eigenlijk, eer de stad was omwald, niet anders dan eene steenen brug is geweest, gelegen hebbende aan het einde van de thans nog bestaande Potterstraat, welke brug, in het jaar 1460, tot eene poort versterkt, naderhand bij het bouwen van de Dubbelepoort is afgebroken; Daarvan zijn ook volstrekt geene sporen meer aanwezig, even zo min als van de Asschepoort, welke aan den uitgang van den Langen-Belling of Warande heeft gestaan. Dit was een zeer sterk gebouw; gedeeltelijk gesticht uit de overblijfselen van den burg, waarvan hierboven gesproken. Deze poort, zoo door belegeringen, als door het geweld van het water bouwvallig geworden, is in het jaar, bij het aanleggen der nieuwe vestingwerken afgebroken. De Gentsche- of Hospitaal-poort was juist aan het uiteinde van de Gentschestraat gebouwd, doch niet ter plaatse, aldaar die thans staat. Deze poort, door welke men langs eenen, in 1825 voltooiden, nieuwen straatweg, in verbinding met dien, welke van St. Nicolaas naar de grenzen loopt, naar België komen kam, verschaft ook eenen toegang tot het Land van Axel, en tot dat gedeelte van Staats-Vlaanderen, hetwelk niet tot het eigenlijke Hulster-Ambacht behoorde. De Gentschepoort is de fraaiste van de thans bestaande drie poorten. Zij prijkt aan de buitenzijde met het Nederlandsche wapen, zijnde eenen gekroonden leeuw, hebbende in den eenen poot een zwaard, en in den anderen een bundel pijlen, kunstig in arduinsteen bewerkt, en omgeven door krijgstrofeën van wapenen en wapenrustingen. De vierde der voormaals hier bestaan hebbende poorten, was de Beggijne-poort. Deze poort, lag even als de Gentschepoort, juist tegenover de straat naar haar genoemd, in het bastion, later bekend onder den naam van Galgenbolwerk, thans tot eenen moestuin gebruikt. Zij ligt nu meer zijwaarts af, en verschaft toegang tot het Land van Hulst. In de kroonlijst aan de buitenzijde leest men: dat de eerste steen aan deze poort is gelegd door Pieter Benjamin de Beaufort, den 20 Augustus 1704, welke bij Lansbergh bekend staat, als in 1681 en 1682 de Burgemeesterlijke waardigheid te Hulst te hebben bekleed, en tijdens het stichten van deze poort nog Schepen der stad was. Van deze vier poorten bestaan alzoo nog maar alleen de Gentsche-poort en de Beggijne-poort. In het jaar 1506 is aan den uitgang van de nog bestaande Overdamstraat, eene poort gebouwd, de Dubbelepoort genaamd, om dat zij in tweeën was verdeeld. Deze poort was een zwaar en kunstig gebouw, meest van witten en blaauwen arduinsteen fraai opgehaald, en als een meesterstuk van bouwkunde geroemd. Een gedeelte.van de bouwvallen van deze poort zijn nog aanwezig, doch zoodanig met grond overdekt, dat zij eenen groenen berg is geworden, de Molenberg genoemd, omdat er eertijds eenen houten korenmolen opstond, die na het stichten van den tegenwoordigen steenen molen, in 1792 is gesloopt; welke berg, in 1835 door de stad in cijns is uitgegeven, en thans tot bouwland en hoveniering wordt gebruikt. Tegen; dezen berg stond voor 1795 een kruidmagazijn, hetwelk in 1818 is afgebroken, en verkocht. De thans bestaande Dubbelepoort ligt eenigzins zijwaarts van de vorige, en bevat niets merkwaardigs. Het tijdstip van de stichting hebben we niet kunnen opsporen, vermoedelijk is dit in 1618, bij het aanleggen der nieuwe fortificatiën geweest. Het jaartal 1771, aan de buitenzijde boven den uitgang in eenen arduinsteen uitgehouwen, wijst den tijd van de vernieuwing aan. Eertijds had Hulst nog eenige voorsteden als: het Kibbeldorp, gelegen op den weg naar Axel, uit verscheidene aanzienlijke huizen en gebouwen bestaan hebbende; de Zoutdijk, mede een zeer bewoonde voorstad, vooral door de zoutnering doende lieden, welke tak van handel hier eertijds dermate bloeide, dat de stad van Lodewijk de Crescy, Graaf van Vlaanderen, gemeene vrijheid van tollen door geheel Vlaanderen, mitsgaders van den tol van St. Omer verkreeg, waardoor het getal zoutkeeten tot over de negentig aangroeide. Zij stonden ter wederzijde van gemelden zoutdijk, thans de Nieuwestraat genoemd, loopende van de Dubbelepoort tot aan het gehucht Ter-Hoole. Het verval dezer nering dagteekent van de Nederlandsche beroerten, terwijl de doorsteking der dijken en het inunderen van de omliggende polders, zoomede de verlanding van de haven en andere onheilen haar geheel hebben doen verloopen. Voorts had men nog de voorstad, genoemd de Witte Weel, buiten de Beggijnepoort, terwijl ook zoodanige buitenbuurten buiten de Assche- en Gentsche poorten bestonden, komende alle deze voorsteden zoo na aan de stad, dat onderscheidene huizen en gebouwen, in de nieuwe fortificatiën gevallen zijnde, later, ten gevolge der belegeringen, welke Hulst heeft doorgestaan; afgebroken en geheel verdwenen zijn.
Reeds zeer vroeg had de stad eene bekwame haven, haar begin nemende bij Campen, voorzien van een aanzienlijk rabot of verlaat van zwaren arduin steen gemetseld, loopende de haven van de eene zijde voorbij de toen bestaande Groote- en Kleine-Copwijkpolders, den Casteelpolder, den Scharlakenpolder, den Sandepolder, Stoppeldijk en Hulster-Nieuwland, en van de andere zijde voorbij den Rummersdijkpolder, den polder van Groot- en Klein-Heynsdijk, den Sir Pauwelspolder en andere landen tot aan de stad, vervolgens door zware arduinsteenen bogen, welke, ter plaatse alwaar het bolwerk Brederode (zijnde het bastion tegen over de Molenberg) lag, waren aangelegd, tot op de plaats, thans de Vischmarkt genoemd, en van daar, eenen anderen loop nemende, onder eene arduinsteenen brug, de Visch-brugge genaamd, mitsgaders door eene dubbele boog van arduinsteen onder de huizen, thans de westzijde van de Bierkaaistraat uitmakende, tot de stadswallen. Lodewijk van Maele, Graaf van Vlaanderen; verleende bij opene brieven den 14 April 1358 aan die van Hulst octrooi tot het heffen van een havengeld op den aanvoer van wijn, bier en andere dranken, mitsgaders op den turf, de kaas, de visch, het zout en alle de met de maat en het gewigt verkochte koopwaren, en zulks tot goedmaking der kosten van het voorschreven verlaat. In het jaar 1475 werd deze haven uitgediept, alsmede eene nieuwe sluis aangelegd, welke uitdieping andermaal in 1527 en 1549 heeft plaats gehad, telkens tot groot bezwaar voor de stad, die zich ook genoodzaakt zag, om door het verval van de oude sluiswerken, in het jaar 1562, nieuwe te bouwen, doch aangezien deze haven een geruimen tijd daarna zeer begon te verlanden, is zij, bij gebrek aan de noodige voorziening, veroorzaakt door zware rampen en tegenspoeden der stad en hare ingezetenen, zoo door oorlog als watersnooden overkomen, te eene male in verval geraakt, geheel gedempt en op den grond binnen de stad huizen gebouwd. Met deze haven had vroeger gemeenschap een waterloop, de Moervaart genoemd, komende uit de Moeren omtrent Hulsterloo, en loopende alzoo tusschen het begin der versterkte linie, aan de zijde van de Moerschans en het eerste bastion, van die linie znidwestwaarts tot omtrent 120 schreden van de contrescarp aan de Beggijnepoort, alwaar zij door eene groote sluis in de gemelde haven liep, Uit eene oude stadsrekening van. het jaar 1341, nog in stads archieven berustende, blijkt, dat er op die vaart een zeker tol- of passagegeld door de stad werd geheven.
Deze Moervaart, sedert eeuwen niet meer bestaande, is er, na de reductie van 1645 eene andere vaart gegraven, insgelijks dien naam dragende, en haar begin nemende bij het fort de Zandberg, uit het verdronken land van Saftinghe, door een groot sas, met acht deuren, loopende alzoo met eenige kromten en bogten naar de Moerschans, alwaar ook een sas, in tweeën verdeeld, met vier deuren lag; verder liep zij voorbij de schans tot aan de stadscontrescarpen, alwaar zij zich in twee armen verdeelde, de eene uitmakende de buitenvest van de contrescarpen, zich uitstrekkende tot aan de vervallene linie van communicatie van het fort Nassau; terwijl de andere zich ontlastte in eene bekwame kom of kaai, liggende even buiten de Beggijne-poort. Deze vaart, lang de eigenlijke stads haven uitgemaakt hebbende, is na eenige jaren onbruikbaar geweest te zijn, eerst bij de doorsteking van de polders Kieldrecht en de Clinge, gedurende den oorlog met Frankrijk, in de laatste helft der zeventiende eeuw, en naderhand, bij het doorbreken van de evengemelde polders, geheel vervallen, waarna de scheepvaart aan de Gentsche-poort, langs den bevloeiden polder van Absdale, door het zeegat in den dijk van dien polder, ter plaatse, waar het fort Nassau heeft gelegen, plaats had. Toen dit middel van gemeenschap te water met Hults, op het einde der vorige eeuw, door de indijking van den polder van Absdale, in 1788 en 1789, is verloren gegaan, heeft men gebruik gemaakt van de dusgenaamde Hulstervlakte, en die, door het aanleggen van een sas te Luntershoek, in eenen bevaarbaren staat gebragt; doch deze vaart verlandde welhaast, ten gevolge van de indijking van bovengemelden polder van Absdale en andere omstandigheden, dermate, dat zij voor de Scheepvaart onbruikbaar werd, zoodat de stad, sedert het jaar 1795, geene gemeenschap meer te water met de Schelde heeft gehad. Het graven van het kanaal van Neuzen naar Gent, in het jaar 1826, verlevendigde de hoop bij de ingezetenen van Hulst, dat welhaast deze gemeenschap zou worden hersteld, vermits het bedoelde kanaal, door eenen zijtak, gemeenschap moest hebben met de steden Axel en Hulst. Dit zijkanaal is werkelijk gegraven en was tot op een half uur afstands van laatstgemclde stad voltooid, toen de Belgische onlusten uitbraken, en de werklieden, die in de maand Augustus 1830 er aan arbeidden en meest uit Belgen bestonden, het werk verlieten. De gevolgen dezer onlusten, welke zich meer bijzonder in de plaatsen, aan de Belgische grenzen gelegen, deden gevoelen, zijn dan ook oorzaak, dat tot heden (1844) dit gestaakte werk, waaraan zoo veel schatten zijn besteed, niet weder is hervat, en de stad Hulst beroofd is gebleven van een middel van communicatie te water, hetwelk zeker veel tot herstel van haren niet zeer gunstigen toestand zoude bijdragen.
Hulst heeft meestal luchtige en regte straten. De Grootemarkt, nagenoeg in het midden der stad gelegen, is eene ruime vierkante plaats, waaraan de kerk der Hervormden, het Stadhuis en het voormalige Gouvernementsgebouw zijn gelegen. Op deze markt komen de voornaamste straten uit. Het midden daarvan vormt een vierkant aarden plein, omringd met arduinsteenen palen en welig groeijende lindeboomen. Rondom dit plein is de markt bestraat, en daarop wordt de weekmarkt gehouden. Voorts is er eene Vischmarkt; eene Houtmarkt; eene Broodmarkt; eene Paardenmarkt en eene Beestenmarkt. De vier laatste markten worden echter niet meer gebruikt tot het einde, waartoe zij, volgens hare namen, oorspronkelijk schijnen bestemd-te zijn geweest.
Behalve twee jaarmarkten, waarvan de eerste, de Meimarkt, den 28 April; ende andere, deOogstmarkt, den 28 Augustus invalt, en beide acht dagen1 duren, wordt -alhier nog eene weekmarkt gehouden, welke zeer druk-bezocht wordt; zelfs door de bewoners van de naburige Belgische provincie Oost-Vlaanderen.
Te Hulst is een Kantoor der- Brievenposterij, waarbij in 1839 eene speciale. dienst, regtstreeks met België, is georganiseerd.
Onder de publieke gebouwen dezer stad verdient vooreerst vermelding het Stadhuis, in zijne-geheele breedte aan de zuidzijde van de Grootemarkt gebouwd. Vroeger stond terzelfde plaatse een ander stadhuis; hetwelk in 1452; toen Hulst door de Gentenaren ingenomen en verbrand werd, mede in de asch werd gelegde. Korten tijd daarna, en wel ten jare 1455, is hetiherbouwd, doch door de ingezetenen, in 1485, wederom in brand gestoken, bij gelegenheid, dat op den 2 Julij van dat jaar; een hoop krijgsvolk uit Gent, onder aanvoering van zekeren Engelschman-Robbert de Lange. zich bij verrassing in de stad gedrongen had, met oogmark om er zich meester van te maken. Nadat de burgerij, die zich tegen dat krijgsvolk te weer stelde , hevig aangevallen en al vechtende in de'straten meer dan 130 man, zoo dooden als gekwetsten; verloren had, maakten zich de Gentenaren met geweld meester van. de sleutels der stadspoorten, welke zij uit de woning van den afwezigen Baljuw, tevens Bevelhebber van Hulst, hadden gehaald. Intusschen hadden de inwoners de alarmklok geluid , waardoor, eene menigte landlieden de stad binnentrokken, en , met de burgerij gemeene zaak makende, op hunne beurt het binnengetrokken krijgsvolk, aanvielea, waarbij van wederzijde nog velen werden gedood of gewond, tot dat de.Gentenaren, eindelijk geen-stand meer kunnende houden, zich in het stadhuis opsloten, gelijktijdig uit een der vensters een banier, een ontbloot zwaard en een paar ijzeren handschoenen, als teekenen van gezag, uithangende. De ingezetenen, hierdoor nog meer verbitterd, staken, met toestemming van den Magistraat, het stadhuis in brand. De woede der vlammen was zoo groot, dat het geheele gebouw oogenblikkelijk in brand stond en gemelde aanvoerder, met al zijn volk, in de vlammen omkwam , daar zij, die zich daaruit trachtten te redden, door het verbitterde gemeen weder in den vuurgloed terug gedreven werden.
Bij octrooi van den 11 Mei 1528 verleende Keizer Karel V, Koning van1 Spanje, aan die van Hults verlof en consent, om van stads goederen zooveel te verkoopen » tot de somma, van honderd Carolusgul- » dens, van twintig stuyvers 't stuk 's jaers losrente den penning ses- » tiene en niet daaronder, omme de penningen komende en procedee- » rende van de voorsz. verkopinge te besteden, beheeren, ende em- » ployeren tot der opmaeckinge van hun Schecpenhuise enz.” Nog in hetzelfde jaar begon men aan dit nieuwe stadhuis te bouwen, hetwelk in 1534 voltrokken is, zoo als het zich thans nog vertoont , zijnde bijna geheel van hare grondslagen uit graauwen arduinsteen opgetrokken, en inwendig in ruime zalen en kamers verdeeld.. Langs eenen dubbelen arduinsteenen trap van twintig treden, voorzien van eene balie of leuning, insgelijks van graauwen arduinsteen gewerkt, kwam men op het bordes, op hetwelk eene groote poort toegang verleende tot eene ruime zaal> voorzien van onderscheidene, kunstig uit eikenhout vervaardigde, gestoelten, langs den muurs, regt voor den ingang aangebragt. In deze zaal, waarvan, thans niets meer dan de vier muren over is, werd de vierschaar, in lijfstraffelijke zakcn.gespannen. Ter regterzijde was de Gijzelkamer en de Stads-Griffie; zijnde een verwulf lokaal, in den toren gebouwd, met eene ijzeren en zware eikenhouten deur afgesloten, en waarin thans nog de stadsarchieven, waaronder zeer belangrijke geschriften en oorkonden voorkomen, alle nog gaaf en in goede orde, bewaards worden . Deze vierschaar verleende door eene dubbele deur toegang tot een Cipier- ;of Bodenkamertje alsmede tot een ander lokaal, de Prokureurskamer genoemd, : van welke twee vertrekken men door een portaal in de Groote-Raadzaal kwam, waarin, men nog de overblijfselen van voormalige schoonheid ontwaard, zijnde zij geheel met eikenhouten, fraai gebeeldhouwde gestoelten omzet; gelijkvloers was.een afzonderlijken ingang, geleidende naar twee vertrekken tot verblijf verstrekkende van; eenen Conciërge, en nog eene ruime.zaal, gediend hebbende tot het houden van verkoopingen, verpachtingen, vergaderingen van Gilden en tot andere einden. Onder het geheele gebouw zijn twee groote kelders, waarvan de toegang tot den eenen onder het bordes en den anderen van binnen verleend wordt. Door verloop van tijden en het verarmen der stad, ten gevolge van de in bezitneming van Staats-VIaanderen door de Franschen, in het jaar1794, is dit in de daad fraaije gebouw dermate in verval geraakt, dat het welhaast geheel bouwvallig en onbruikbaar werd. In dien toestand is het een aantal jaren gebleven, doch sedert eenigen tijd is door de ijverige bemoeijingen des stedelijken bestuurs een plan beraamd tot den opbouw van het stadhuis en werkelijk is de stad, bij Koninklijk besluit van den 19 februarij 1844. no. 59, gemagtig, om aan dit plan de vereischte uitvoering te geven, zoodat men eerstdaags de publieke aanbesteding der bedoelde herstellingsiwerken te gemoet ziet. Gedurende de negen jaren, tijds, dat Hulst, na de omwenteling van 1830, door militairen magt is bezet geweest, hebben de nog eenigermate bruikbare gedeelten van dit gebouw tot huisvesting van militairen, tot provoost, of tot berging van militaire voorwerpen gediend. Thans dient het, behalve tot het bewaren den stads archieven, tot niets meer. Aan de westzijde, van dit stadhuis slaat de toren, in 1539 gebouwd, zijnde een kolossaal vierkant gebouw, mede van graauwen arduinsteen en met muren, hebbende eene van 132 Nederlandsche duimen, opgetrokken. De omgang was voorheen met eene balie omringd, op dezelfde wijze in arduinsteen bewerkt; als de leuning van den trap, leidende naar de pui van het stadhuis. Deze toren was gedekt door eene fraaije lantaren van blaauwen arduinsteen kunstige zonder eenig houtwerk gebouwd, en, waarin een slaguurwerk hing. Boven deze lantaren was eenen tweeden omgang, gelijk aan de eerste, en de toren vervolgens met eene peervormige spits gedekt, op welke een vergulden adelaar met de keizerlijke kroon prijkte, zoo men wil ter herinnering dat Hulst in zeer oude tijden, onder het keizerrijk zoude behoord hebben, waarvan het bij de: Graven van Vlaanderen ter leen werd gehouden. Deze toren is, ten jare 1806, door de Franschen, tot aan het voetstuk der lantaren op den eersten of ondersten ommegang, afgebroken, en daarop een zogenaamde semaphore of seinpaal geplaatst, zijnde, daarna het uurwerk en de klok publiek verkocht.
Aan.de zuidzijde, van den toren staat een,oud gebouw, oorspronkelijk tot.Vleeschhal gediend hebbende, als, wanneer het ook een uitgang gehad heeft,langs de! deur, welke nu tot den grooten kelder onder het stadhuis, toegang.verleent. Dit gebouw wordt thans tot eene Stadswaag gebruikt. Daarnevens, eenigzins vooruitspringende, stond de Hoofdwacht; in 1778 gesticht, en in 1825 tot eene Stadsschool ingerigt.
Het .zoogenaamde Landshuis staande aan de zuidzijde van de Steenstraat;is in het jaar 1651, op den grond van het oude Landshuis gesticht. In dit gebouw, waarop een torentje met slaguurwerk staat hield, vóór de inlijving van Staats-Vlaanderen in Frankrijk de Magistraat van Hulster-Ambacht hare vergaderingen; thans dient het tot Stadhuis. Men komt er in langs eenen dubbelen arduinsteenenstrap, waaraan ijzeren leuningen. Boven den ingang waren uitgebeiteld de, in blaauwen arduinsteen bewerkte, wapens der Algemeene Staten en van Hulster-Ambach, door eenen hand of strik vereenigd, welke wapens door den moedwil der Franschen, uit de schilden zijn weggekapt. In het Voorportaal hangen zeven portretten, waarvan dat met open helmet, versierd met Oranjepluimen en omhangen met de Deensche Ridderorde van den Oliphant, is dat van Graaf Hendrik Van Nassau, eersten Gouverneur .van Hulst na de reductie, overleden den 7 November 1652. Een ander is dat van den tweeden Gouverneur van Hulst, Gijsbrecht van Hardenbroek; overleden den 18 October 1658, hetwelk zeer beschadigd en bijna onkennelijk is. Voorts vindt men er de beeldtenis van Heer Jacob van der Meer van Berendrecht, derden Gouverneur van Hulst, overleden den 14 November 1661,. en het portret van Maurits, Prins van Oranje. Een ander is denkelijk:dat van den Aartshertog Albertus van Oostenrijk, in Kardinaals- of Geestelijk gewaad. Van de beide overige weet men niet juist na te sporen van wie zij zijn. Het eene is-vermoedelijk van een der oudste.Gouverneurs; het andere van eenen der Prinsen van Oranje, in jeugdigen leeftijd. In de groote zaal, weleer de Vierschaar, ter regterzijde bij het- inkomen, is een op marmeren kolommen rustende schoorsteenmantel, waarboven eene schilderij van Jordaens, in het jaar 1663 geschilderd, .welke niet zonder verdienste is, ene allegorische voorstelling van de geregtigheid verbeeldende: men ziet er eenen krijgsknecht, hebbende eene rol in de hand, waarop de woorden uit Deuteronomium, hoofdst. 1, vs. 16, staan geschreven, op welke door eenen, grijsaard, in geestelijk plegtgewaad, met eenen staf gewezen wordt. Ook op de zijstukken, van den vooruitspringenden schoorsteenmantel zijn, waarschijnlijk door denzelfden kunstenaar,: dergelijke zinnebeeldige voorstellingen geschilderd. Overigens, wordt in die zaal eene schilderij bewaard, welke vroeger, in eene der zalen van'het oude Stadhuis hing, verbeeldende een gezigt op de stad Hulst, van uit den polder de Clinge genomen. Aan den voet dezer schilderij leest men; » Als men dusent ses hondert acht en » twintich sach gheschreven, doen heeft Cornelis de Vos,van Hulst » gheborene, dese schilderie wt liefde ghemaeckt ende ghegeven aan » de stadt tot eeni eeuwighe memorie." Voor het overige heeft dit gebouw, waarin, behalve de zolders, negen vertrekken gevonden worden, niets merkwaardigs.
Vroeger stond ook aan de westzijde van de Markt het zoogenaamde Gouvernements- of Kommandeurshuis, waarin de militaire Gouverneur, als Opperbevelhebber van het. krijgsvolk der vesting en onderhoorige forten zijn verblijf hield. Het was, zoo; niet het fraaiste, dan toch eene der schoonste gebouwen van de stad, voorzien van ruime vertrekken, stallingen en eenen fraaijen tuin. Dit huis kwam voor 1795 der stad en Hulster-Ambacht elk voor de helft toe, doch moest op kosten van het gemeene land onderhouden worden, zijnde de aannemer van 's-lands werken met het opzigt daarover belast geweest. Na de inbezitneming van Hulst door de Franschen, in 1794, is dit gebouw zeer in verval geraakt en als het ware geheel verlaten, zoo dat het opvolgende heeft gediend tot verblijfplaats van krijgsvolk en, van ieder, die er zijnen intrek maar in wilde nemen, tot dat dit gebouw eindelijk, onbewoonbaar geworden zijnde, met de erve, in October 1815, door de Genie, aan de meestbiedende, publiek is verkocht, hetwelk anderhalf jaar later ook met den uitgestrekten tuin het geval is geweest. Dit gebouw, tot een fraai, bijzonder woonhuis herbouwd, wordt thans bewoond, door den eigenaar den Heer Willem Seydlitz, Wethouder der stad.
Bijzonder onderscheidt zich, onder de publieke gebouwen van Hulst, de Kerk, een voortreffelijk gebonw van graauwen arduinsteen, en in eene kruiswijze gedaante opgehaald, staande aan de Markt. Zij was vóór de Hervorming aan den H. Willibrordus, eersten Bisschop van Utrecht, toegewijd, welke, volgens de overlevering, die van Hulst van het heidendom tot het christendom zoude hebben bekeerd, wordende dan ook nog heden ten dage, den naamdag van dien Heilige, op den 7 November van elk jaar, met kerkelijke plegtigheid gevierd; terwijl zijn beeld, levensgrootte, tegen een der pilaren in de R. K. kerk is geplaatst. De kerk heeft van ouds geressorteerd onder het bisdom van Utrecht tot in 1559, als wanneer zij, bij de oprigting der nieuwe bisdommen in Nederland, onder dat van Gent is gebragt. Van de eerste stichting dezer kerk zijn geene bescheiden voorhanden. Men kan daarvan zelfs niets bij gissing bepalen. Waarschijnlijk is, bij den fellen brand van 1468, waarvan hierna zal worden gesproken, deze kerk geheel afgebrand en dus later herbouwd. Zij was van oudsher eenen parochiekerk, welke parochie, zich ver buiten de stad in Hulster-Ambacht uitstrekte, en verdeeld was in zeven wijken of bezetten, begrijpende.de navolgende landen en polders, te weten. Lamwaarde, Dullaert, Oost-Vogelpolder en West-Vogelpolder, Havenpolder, Stoppeldijk, Absdale, Hulster-Nieuiwland, Ferdinandus-polder, Clinge, Kieldrecht, Langendam, Oude-Graauw en Nieuwe-Graauw, welke te zamen de Hulstersche parochie uitmaakten, van welke de inwoners in het geestelijke onder deze kerk behoorden, zoodanig, dat de Tiendheffers van gemelde landen , bedragende wel twaalf duizend gemeten (5547 bund. 20 v.r.) lands, gehouden waren niet alleen jaarlijks bij te dragen tot het onderhoud der kerk (welke verpligting gewoonlijk echter voor eenige jaren werd afgekocht), maar-uit krachte der ordonnantie , door de Aartshertogen Albert en Isabella, ten jare 1613 uitgegeven, zelfs verpligt waren om, ingeval van brandschade of andere rampen, tot herstelling der gemelde kerk te contribueren, hebben de H. H. M., ondanks de sterkste doleanciën van die van het ambacht, bij resolutie van 6 December 1663 (dus nog na de reductie van het jaar 1645), dien ten gevolge den voornoemde Tiendheffers de verpligting opgelegd, om tot herstel dezer kerk, welke door den brand van 20 November van dat jaar zoo zeer geleden had, zoo als hierna vermeld wordt, het inkomen van twee jaren hunner tienden, binnen zes jaren te betalen, telken jaar een derde, bij te dragen. Vóór het overgaan der stad, in-het jaar 1645, werd deze kerk door eenen Pastoor bediend, welke den titel van Landdeken voerde, en uit de tienden van het kapittel van Kortrijk werd betaald, als hebbende dit kapittel het Jus patronatus; voorts door eenen Onder-Pastoor en twee Kapellanen welke uit de goederen van den Obyte bezoldigd werden. Vóór den tweeden, brand ,van het jaar 1562, waren er in deze-kerk-onderscheidene prachtige grafsteden en- daaronder eene van-Albert, Markgraaf van Baden; gesneuveld in eenen veldslag voor den Roomsen. Koning Maximiliaan, ten jare 1488. Na den brand was alleen nog overgebleven een gedenkteeken, opgerigt ter eere-van Jacques d'Heynin, Gouverneur en verdediger dezer vesting, bij het beleg van- 1645, zijnde diens afbeelding, benevens die zijner gemalin, geknield en behangen met hunne stamwapens, uit witten steen gehouwen, op dat gedenkteeken aangebragt geweest; van dat kunststuk is thans niets meer te zien. Voorheen was aan de noordzijde van het koor het marmeren praalgraf van Leodegarco Cardon, eertijds Pastoor, alhier; doch ook dit gedenkstuk is verdwenen, en de plaats, alwaar het gestaan heeft, in de R. K. kerk alleen nog aangewezen, door eenen blaauwen marmeren steen in den muur, in eene kapel, omtrent achter het hoog-altaar gemetseld, doch waaruit het opschrift, hetwelk in koperen letters in het schild schijnt te hebben gestaan, zoo mede de wapens en verdere versierselen, dóór de schendige hand der Franschen zijn weggekapt en. vernietigd. De kerk was verdeeld in een zoogenaamd koor, eene wandelkerk en eene preekkerk, zijnde het koor en de wandelkerk, in het jaar 1806, aan de R, K. afgestaan, waarvan hierna zal worden gesproken.
De oppervlakkige .beschouwing, van het inwendige van dit gedeelte der kerk door de Hervormden in gebruik, waarvan wij nu in de eerste plaats zullen spreken, doet duidelijk ontwaren, dat het opverre na niet is voltooid, daar wel de panden.of zijgangen, maar niet het binnenste of schip der kerk met een steenen gewelf is gedekt, zijnde dit laatste alleen door eene houten zoldering van het dak afgescheiden; terwijl de pilaren, waarop het verwulf van het schip zoude hebben moeten rusten, reeds zijn aangebragt en gereed gemaakt schijnen om het gewelf te ontvangen; welke zoldering, benevens de gewelven der zijpanden, door middel van eenen, in eenen zijmuur aangebragten, kunstig uit blaauwen arduinsteen gewerktcn trap, kunnen bezocht worden. Deze kerk is luchtig gebouwd, rustende op twaalf pilaren, aan-beide zijden voorzien van eene dubbele, rij van drie en twintig boogvensters, die met de drie in den voorgevel aangebragte ramen, een helder licht in het gebouw verspreiden. Boven den ingang en tegenover den sierlijk, in hout gcbeeldhouwden predikstoel, eenen beker op zijn voetstuk voorstellende, is een welluidend fraai orgel van zestien voet grootte, met dertien sprekende registers en een aanhangend pedaal. Vroeger, was het slechts een achtvoets werk, doch is-in 1704 aanmerkelijk verbeterd en in den tegentyoordigen staat gebragt. Nog kort geleden waren aan den ingang van buiten twee zijpanden of zijmuren zigtbaar, die schenen bestemd te zijn geweest tot grondslagen eener portieke, doch, welke, voor zoo veel wij hebben kunnen nagaan, nimmer is voltooid geworden. Deze zijmuren zijn in de maand Augustus 1841 afgebroken; terwijl als eene merkwaardigheid vermelding verdient, dat door de werklieden, bij het afbreken daarvan, van binnen in het muurwerk, in eenen hollen steen, .zijn gevonden; drie muntstukjes, te weten; ecn van zilver zijnde een Fransche stuiver van Lodewijk XII, denkelijk als hertog van Milaan geslagen; hebbende aan de eene zijde tot randschrift, rondom. het wapen van Frankrijk: Ludovicus Rex. Francorum, Mili Duc..; en aan de keerzijde, rondom het kruis: Sit nomen Domini Benedictum. Deze munt staat bij Van Loon aangeteekend, als hier te lande in het jaar 1544 gangbaar geweest, te zijn, tot de waarde van een blank 4 myten Vlaamsen (5 centen). Zij is vermoedelijk geslagen tusschen de jaren 1499 en 1515. De twee andere zijn, koperen munten van twee myten, zoo het schijnt van Luxemburg, geslagen omtrent het jaar 1500. Rond het geheele gebouw was een, met eenen muur omringd kerkhof, waarop echter sedert het.jaar 1829 niet meer is begraven; als wanneer, even buiten de Dubbelepoort, eene nieuwe begraafplaats is aangelegd, van welke ongeveer drie vierde gedeelte aan de R. K., en de overige ruimte aan de Protestanten tot rustplaats verstrekt. In het jaar 1841 is de muur rondom het oude kerkhof afgebroken en het terrein met opgaande lindeboomen omringd, terwijl het met partijen bloeijend heestergewas, in den smaak van eenen Engelscnen-tuin is aangelegd, en beplant.
Het eerste gesticht dat er te Hulst, tot uitoefening van de R. K. godsdienst bestaan heeft, was eene Kapel, aan den H. Petrus toegewijd. Wij vinden van de stichting dezer kapel niets vermeld, doch dat zij van oude dagteekening moet zijn blijkt daaruit, dat zij ten tijde van de invallen der Noormannen verwoest zijnde, door Robert, bijgenaamd de Vries, Graaf van Vlaanderen, in, 1071 wederom is herbouwd geworden, Bovendien is het ons gebleken, dat Burchard, de drie en twintigste Bisschop van Utrecht, in 1108; aan het kapittel van St. Salvator te Utrecht, onder meer anderen, ook ecclesiam de Bocholt, ecclcsiam de Assenede, ecclesiam de Axele et capellam de Hulst schonk. Deze kapel moet gestaan hebben op den hoek van de Vischnarkt en het straatje, eertijds de Vlasmarkt genoemd, op de plaats alwaar bet huis staat, thans het eigendom van den Heer P. W. Jolt zijnde dit in de bewijzen van eigendom,: nog de St. Pieterskapel genoemd. Na de reductie van 1645 hebben de R. K. eerst hunne godsdienst uitgeoefend in eene kapel en vervolgens in eene schuurkerk, gestaan hebbende aan het einde, van de Bierkaaistraat, welk gebouw thans nog aanwezig:, tot eene schuur gebruikt wordt. Deze kerk is lang bediend geweest door eenen Priester uit het klooster der Recolletteen te St. Nicolaas, in het land van Waes, doch, volgens de resolutiën van de Algemeene Staten van 19 Julij 1730 en 12 Maart 1751, is zij na het overlijden van den laatsten Priester, door wereldlijke geestelijken bediend. De gemelde schuurkerk te klein geworden en niet meer geschikt zijnde voor de eeredienst eener zoo talrijke R. K. bevolking, is in het jaar 1806 het koor en de wandelkerk van de-Hervormde kerk aan de R. K., afgestaan, die haar op eene doelmatige wijze voor hunne eeredienst hebben ingerigt. Het is een luchtig gebouw rustende op eene dubbele rij van twintig kolommen, en waarin behalve het hoog altaar, nog drie andere altaren gevonden worden, als een ter linkerzijde, ter eere van het H. Kruis, een ter regterzijde ter eere van den H. Antonius, en een daar achter ter eere van 0. L. Vrouw, zijnde dit laatste uit de vroegere schunrkerk, alhier overgebragt. De kerk is in gemeld jaar mede van een orgel voorzien, zijnde een achtvoets werk, met zeven voluit en vijf halve sprekende registers. Het gebouw is in de laatste tien jaren aanmerkelijk, verfraaid en versierd. In het jaar 1833 zijn daarin twee nieuwe biechtstoelen en in 1838, een fraai in eikenhout gebeeldhouwden predikstoel aangebragt; terwijl in 1841en 1842; het gehel gebouw inwendig is beschilderd en daarbij eenige beelden en sieraden zijn gevoegd, waaronder uitmunt een, in October van laatst gemeld jaar, aan de kerk geschonken: kruisweg, bestaande in veertien schilderijen, door Francisus de Looze, te St. Nicolaas geschilderd, en in schoone vergulde lijsten gevat. Vier schilderijen, in het voorste gedeelte der kerk, tegen den toren hangende; de H. H. Barthelomeus, Petrus, Johannes en Simon ten voete uit en in levensgrootte geschilderd, voorstellende worden als zeer verdienstelijke stukken geroemd; jammer, dat zij door eene onkundige hand met een onzuiver vernis bestreken zijn, waardoor zij veel van: hare waarde verloren hebben. Deze schilderijen versierden weleer eene der zalen van het stadhuis. In het midden van het geheele ligchaam der kerk prijkt zij met eenen, op vier gewelfde pilaren rustende, fraaije toren, welke, na die van Middelburg, voor de schoonste van geheel Zeeland gehouden wordt. Nadat de stadstoren, tot drie malen toe; namelijk in, de jaren 1468, 1562 en 1663 was afgebrand, heeft men, in het jaar 1666, met den herbouw van den tegenwoordigen toren eenen aanvang gemaakt, zooals te zien is uit het opschrift in eenen witten steen boven den trap, aan het zoogenaamde horologiekamertje in den muur gemetseld, bestaande uit de woorden: Begint met Godt; terwijl op de ballustrade van den eersten of ondersten ommegang dit tweeregelige versje te lezen staat:

Bernardus Maes van Aelst gheboren
Heeft ghemaeckt desen thoren 1666

Wij vinden aangeteekend, dat de: eerste steen van den toren is gelegd door Benjamin de Beaufort, vermoedelijk-dezelfde, welke dit werk ook aan der Beggijne-poort verrigt heeft. Het dak of de kap rust op acht net bewerkte pilaren van graauwen arduinsteen, rond welke eene vandenzelfden steen vcrvaardigde ballustrade is aangebragt. Tusschen deze pilaren ziet nen de wapens, van Vlaanderen, van de Vereenigde Nederlanden, van Hulst en van Oranje: in blaauwen' arduinsteen uitgehouwen. Boven de kap is eene tweede, voortijds van hout, doch thans van ijzer vervaardigde ommegang, boven welke een goed uurwerk en klokkenspel, het eenigste dat in Staats-Vlaanderen gevonden wordt, is geplaatst, bestaande, behalve de uurklok, uit acht en twintig klokken beginnende van C tot F, meestal gegoten uit de spijs van de gesmolte en gebarste klokken, bij den laatsten brand vergaderd.: Voorts hangt in den toren nog eene welluidende luiklok, te Hulst gegoten, waarop men het volgende leest:

J. H. Gallandat en Baron van Rade, Burgemeesteren, Aubert en Gaulard mon fondu 1822
(d. i. Aubert en Gaulard hebben mij geg oten)

Boven het klokkenhuis verheft zich de peer en het kruis; waarop een vergulde Nederlandsche leeuw prijkt. Van den tweeden ommegang kan men met helder weder de steden G'ent, Antwerpen, Bergen-op-Zoom, Middelburg, Vlissingen en Goes ontdekken.
Voorheen bestond te Hulst een Minderbroeders, daarna Observanten-klooster, volgens den regel van den H. Franciscus. Dit klooster stond eerst buiten de Asschepoort, doch in verval geraakt zijnde, heeft Heer Joost van Cruyningen, Ridder, Raad en Kamerling van Filips de Goede, Hertog van Bourgondië; met toestemming van den Paus, het in 1458 herbouwd, doch in 1488, op de geruchten van de nadering van den Gentenaren, tot behoud der stad weder afgebroken. Daarna is een ander klooster, binnen de stadsmuren, op een stuk gronds, de Schelphoek genaamd, omtrent de toenmalige Kaai gelegen, en tot dat einde van de stad aangekocht, gebouwd, hetwelk met de daartoe behoorende kerk, bij de algemeene beeldstorming in 1666, bijna geheel vernield, doch in 1596, na de overgave der stad aan de Aartshertogen, weder tamelijk hersteld werd. Vóór 1645 en eenigen tijd daarna, was dit klooster nog in wezen, hoewel de Geestelijken zich, onmiddellijk na de reductie, naar Vlaanderen hebben begeven. Het was een fraai gebouw, met vermakelijke en uitgestrekte tninen omringd, doch vervolgens door het gemeene land aan zich getrokken zijnde, is het verkocht en de grond in cijns uitgegeven, behalve de kerk, in 1627 gebouwd, die langen tijd tot een landsmagazijn is gebruikt geweest, en eindelijk, in het jaar 1821, geheel is gesloopt. De grond, waarop die kerk gestaan heeft, is thans een moestuin, terwijl een gedeelte der gebouwen , na verloop van tijd, is ingerigt tot eene bierbrouwerij, tegenwoordig nog in werking en toebehoorende aan de Heeren Neyt en Wauters. Na de reductie, en wel ten jare 1655, is het grootste der gebouwen van dit klooster tot een Weeshuis verbouwd, waarin ouderlooze kinderen van drie jaren en daarboven, uit ouders te Hulst geboren en tot hiertoe bij de ingezeten, voor rekening van de diakonie, besteed, werden opgenomen en verzorgd, benevens zoo vele ouderlooze soldaten-kinderen als men kon onderhouden, waartoe door de militaire Officieren der bezetting jaarlijks eenige vrijwillige giften verstrekt werden. Dit weeshuis is in stand gebleven tot kort na de komst der Franschen in 1794, als wanneer het door verschillende omstandigheden, voornamenlijk door het aanzienlijk verlies van inkomsten, ten gevolge van den veranderden staatkundigen toestand dezer landen, geheel is te niet gegaan. Dit gebouw, thans nog het eigendom der Hervormde diaconie, en 's Gravenhof genoemd wordt, is daarna tot een Militair-Hospitaal gebezigd, welke bestemming daaraan ook gegeven is na den opstand in België, als wanneer het, op 's lands kosten, eenige verbeteringen heeft ondergaan, en op eene allezins doelmatige wijze, voor eene tijdelijke garnizoens-ziekenzaal is ingerigt, waartoe het ook tot op het vertrek der laatste troepen, in 1839, heeft gediend. Tegenwoordig staat dit gebouw ledig; terwijl de voormalige uitgestrekte kloostertuinen in moeshoven zijn herschapen, welke tuinen zijn omringd door de overblijfselen van den ouden kloostermuur, in welken nog de nissen zigtbaar zijn, waarin de beelden der Heiligen geplaatst zijn geweest.
In de voormalige voorstad de Witte Weel moet vroeger ook een Bcggijnhof geweest zijn, waarna de tegenwoordige Beggijnepoort en Beggijnestraat nog den naam voeren. Wij vinden deswege geene bijzonderheden aangeteekend, dan alleen, dat eene dienst van de H. Agneta in dat klooster:was gesticht.
In het midden der veertiende eeuw heeft alhier een Gasthuis of Hospitaal bestaan, waarvan de Hospitaalstraat —nu de Gentschestraat en poort — haren naam droegen, als hebbende dit Hospitaal in die straat gestaan., In dit gesticht werden eertijds vreemde en arme reizigers, gedurende drie dagen om Gods wille gehuisvest en gevoed, en het werd bestuurd door Nonnen van de Augustijner orde, die er ook eene school hielden voor arme kinderen.De vrij aanzienlijke inkomsten van dit, gesticht bestonden in renten, landen, en cijnsen, dóór de liefdadigheid van godvruchtige lieden daaraan geschonken. De Geestelijke Zuster, na verloop van tijd uitgestorven, en de gebouwen in groot verval geraakt zijnde, zijn deze laatste, in de jaren 1602 tot 1608 aanmerkelijk hersteld en verbeterd en daarbij een ziekenhuis gevoegd, waarvan de zorg aan Gasthuis-Nonnen uit het St. Elisabeths-Gasthuis van Antwerpen; daartoe verzocht en aangenomen, en, op zekere voorwaarden, door den Bisschop van Gent, Petrus Damant, den 3 April 1604, bekrachtigd, was toevertrouwd. Dat hospitaal;en verder daar toe behoorende gebouwen, benevens de vaste goederen en inkomsten, zijn, na de reductie van 1645, aan het gemeene land geraakt, en vervolgens in onderscheidene bijzondere woningen.verbouwd, .zoo dat daarvan niets; dan de herinnering is overgebleven. Zij maakte de blok huizen, uit, staande in de Gentschestraat, tusschen de tegenwoordige Beestenmarkt en den Stadswal, van achter uitkomende aan den Vestdijk, nu het Houtenkwartier genaamd.
Oudtijds bestond hier ook een Gemeen Armen- of Heilige Geesthuis, aan het einde van de Potterstraat, van: achteren uitkomende tegen de stadswallen, gebouwd in 1549 en 1550, op de grond, waar later het Arsenaal heeft gestaan, hetwelk in-het jaar 1808 gesloopt is. In dit gesticht werden arme ouderlooze kinderen gehuisvest., en uit de inkomsten aan behoeftigen onderstand verstrekt. Deze inkomsten, bestaande in bezette renten , tarwe- en koorntienden, landerijen, cijnsen enz., zijn, na de opheffing van het gesticht, aan de diaconie toegevoegd; Van de gebouwen is thans niets meer te zien, en de gronden zijn tot moeshoven aangelegd. Onderscheidene Geestelijke Hoeren, die elders, en buiten het gebied van den Staat hunne kloosters hadden, doch in Hulster-Ambacht aanzienlijke goederen en tienden bezaten, hadden ook binnen de stad uitstekende gebouwen of refugiën, als de Réfuge van de abdij van Baudelo, van ouds genaamd het Hof van Baudelo (zie dat woord), hebbende eenen ingang nevens het stadhuis, en prijkende met een spits torentje. Dit gebouw , thans nog het Hof genaamd, schijnt in het jaar 1584 tot een hospitaal te zijn gebruikt geweest, waarin vele Spaansche, Italiaansche en andere zieken en gekwetsten, zelfs hoogere en mindere Bevelhebbers, zijn verpleegd. Het wordt thans in eigendom bezeten en bewoond door Mevrouw de Douairière Baronnesse von Rade; voorts, een Refuge van de abdij van Duinen, staande in de Steenstraat, tegen over het Landshuis, waarvan het hoofdgebouw, waarop mede een toren staat, thans bewoond wordt door den eigenaar den Heer Norbertus Franciscus Verdurmen, en eindelijk de Refuge van de abdij van Gambron, gesticht in 1568, staande in de Overdamstraat thans gedeeltelijk gebruikt wordende tot pakhuis en gedeeltelijk tot huisvesting van behoeftige lieden, doch waarin nog duidelelijk de sporen zigtbaar zijn van de voormalige bestemming. Dit gebouw is:thans het eigendom van Mejufvrouw de wed. Jan Pieter Wauters.
Eertijds bestonden in Hulst drie Schuterijen, als van den Voetboog (St. Joris), van den Handboog (St. Sebastiaan), en van de Bussche (St. Christoffel).
De Graven van Vlaanderen hebben deze schutterijen met verschillende voorregten begiftigd, jammer dat de opene brieven, deswege uitgegeven, bij de belegering en overgave dezer stad, in 1648 meerendeels zijn te zoek geraakt. Van eerstgemelde schutterij wordt reeds gewag gemaakt, op het jaar 1213. Ofschoon de oude, bescheiden van dat genootschap verloren zijn, vinden wij echter op stads griffie eene resolutie.van de Regering van Hulst, in dato 9 October 1657, waarbij het sedert de reductie te niet gegane.gildc van St. Joris, op nieuw wordt hersteld en de Magistraat, zich als beschermer daarvan verklaarde, terwijl zich verscheidene personen van hooge. geboorte en aanzien als broeders hebben doen inschrijven,
Van de Schutterij van St. Sebastiaan vinden wij aangeteekend, dat de broederschap ten jare 1300 » had opgestelt een landtprijs daer- » over beroepen en verschenen wheren, die van vele andere Steden, » hebbende die van Gent zeven zilveren schacckels tot prijs bekommen."
In het begin der vorige eeuw, bestond er nog onder de papieren van deze broederschap zeker handvest van Filips, Graaf van Vlaandeven, den 18 December 1445 te Gent gegeven, » Waerbij aan den Koninck, » Dekens en Gildebroeders alsdan en de naemaals sijnde wert toege- » staan te mogen dragen eenderley soorten van rocken, klederen en de » caproenen van sodanigen couleure als hun soude behagen," zoo mede een brief van Maximiliaan, Roomsch Koning, en van den Aartshertog Filips zijn, zoon, Grave van Vlaanderen, gegeven binnen Hulst den 26 Junij 1486, behelzende nog verscheidene andere voorregten.
De Schutterij van: de Bussche of Kloveniers (eigenlijk Colubryniërs), naar de vroegste benaming der snaphanen. 'Zie deswege onder anderen J. Ab Utrecht Dresselhuis, Wandelingen door het eiland Walcheren,bl. 27.) is te Hulst opgerigt eenigen tijd vóór het jaar 1530, ten welken, jaren Keizer Karel V, den 22 September, aan die van Hulst heeft vergund: » dat sy sullen » mogen opstellen en erigeeren eene broederschap ende gilde van den » Couleuvre-ter eere van Mijn Heere Sinte Christoffel, behoudelyck » dat die gene, die in ' t selve gilde ontfaen sullen worden, sullen » wcsen goede paisible mannen van goede faeme en renommé, machtig » ende idoine deselve Couleuvre te voeren ende hanteren, ende ten »desen syne sullen mogen dragen klcdingen van paruren ende levrijen » als sy sullen willen kiesen, om allene in onse landen ende heer- » lyckheden mogen gaan te schietspele met hare parure, kledingen » ende Couleuvre om prys te winnen ende andersints, sonder mis- » beuren.". Hebbende genoemde Keizer, bij nader octrooi van den 20 Junij 1531, de wetten van deze broederschap goedgekeurd. Deze Schutterij, uit de aanzienlijkste inwoners bestaan hebbende, was nog in vollen bloei op, het einde der vorige en in het begin dezer eeuw. Van deze drie Schutterijen, bestaat alleen nog die van St. Sebastiaan, doch slechts in naam, als zijnde daarvan nog maar eenige weinige leden over.
Vroeger moet er te Hulst ook eene Rethorijkerskamer zijn geweest, het Gilde van de Heilige Transfiguratie genoemd. Van deze instelling en de voorregten dezer broederschap hebben wij geene bescheiden kunnen vinden; doch, in het jaar l496, is te Antwerpen een groot feest van Rethorijkers gevierd, waartoe acht en twintig kamers uit Braband, Holland en Zeeland waren bijeen, gekomen, :en waaronder ook die van Hulst wordt genoemd.
Behalve een Muzijkgenootschap onder de zinspreuk: Harmonie, tellende 26 werkende en 35 honoraire leden, bestaan er te Hulst geene instellingen van wetenschap of kunst, noch gestichten van liefdadigheid. Er is echter eene Afdeeling der Maatschappij van Weldadigheid.
Onder de vermaarde mannen, te Hulst geboren mogen worden geteld:
De Godgeleerden: Cornelius Jansenius, geb. in 1510, † in 1576, als eersten Bisschop van Gent, na, ter liefde zijner geboortestad, twee beurach'ïe hebber! Gesticht, waaruit twee zijner bloedverwanten en bij ontstentenis twee inboorlingen van Hulst hunne studiën, in het Seminarium te Gent, konden bekostigen; Anthonius van Hulst en Cornelius Coloneus eigenlijk Cornelis van Keulen, Pastoor der parochiekerk van Hulst, die, onder andere werken, de Vertroostende Redevoering van St. Jan Chrysostomus in alle tegenspoeden, in de Vlaamsche taal heeft overgezet.
Den Taalgeleerde Johannes Gerulphus of Gerolfs, .†-in 1605, als Vicaris in het Karthuiserklooster te Leuven, na vele geleerde werken te hebben geschreven.
Den. Geschiedschrijver, Adrianus Butius, eigenlijk Adriaan de But of Butz, Geestelijke in de abdij van Duinen te Brugge, geb. in 1453.
De Schilders: Ægidius Mostardus (Gillis Mostaart), diens broeder Francisucs Mostardus (Frans Mostaart): Paulus de Vos, en diens broeder Cornelis de Vos.
De fortificaticn der stad,:in heb jaar 1487 bijna voltooid .zijnde, zijn door Maximiliaan, Roomsch Koning bezocht. De Gentenaars destijds oproerig geworden zijnde tegen den Koning, werden door de dappere bezetting van Hulst, bestaande uit meer dan 1200 Walen en Duitsche troepen, aangevoerd door den Gouverneur Albrecht van Dackenhuyzen, zoodanig in bedwang.gehouden, dat zij tot brandschatting, over de gebouwen en molens, buiten de stad staande, maandelijks 4000 gouden schilden (9600 guldens) moesten opbrengen. De Gentenaars, om zich van dezen last te ontheffen en zich op de stad te wreken, vielen haar, in 1488, onverhoeds aan, doch werden door de welberadenheidn en den moed van de bezetting afgeslagen. Zij vernieuwden hunne pogingen, tot het bemagtigen, der stad weder, in het volgende jaar, aanvankelijk met beter, gevolg, zoodanig dat zij de vesting, gedurende eenige dagen, ingesloten hielden, doch, door den dapperen tegenstandy welke zij van binnen ondervonden, waren zjj eindelijk verpligt onverrigter zake af te trekken. In 1491 gelukte hun aanval beter; zij belegerden de stad op nieuw; namen haar den 10 Julij stormenderhand in, maakten alles buit en dreigden vervolgens de stad, aan vier hoeken in den brandde steken, welk onheil werd afgekocht voor 700 ponden Vlaamsch (4200 guld.), de eene helft dadelijk te voldoen, waartoe het zilverwerk uit de groote kerk en uit het klooster der Observanten werd besteed; terwijl de andere helft eenigen tijd daarna moest worden voldaan, tot verzekering waarvan zij eenige der voornaamste ingezetenen, als gijzelaars medevoerden; In Augustus 1492 de vrede, in de geschiedenis onder den naam .van de Pays van Kadsant, tusschen den genoemden Roomsch Koning en den Aartshertog; met die van Gent gesloten zijnde, werd aan de stad de onbetaalde helft der beloofde brandschatting kwijtgescholden en werden de gijzelaars terug gezonden. De stad bleef daarna in rust en van alle vijandelijke aanvallen van buiten bevrijd, tot tijdens de Nederlandsche beroerten, omtrent de zestiende eeuw, waardoor, de zaken van staat zoodanig veranderden, dat de grafelijkheid onder den Koning van Spanje, binnen deze stad, op nieuw de overhand verkreeg tot in 1578, als wanneer Hulst weder in de magt der Gentenaars is gekomen, en daar wij nergens van beleg noch van krijgsgeweld eenige melding gemaakt vinden, schijnt men zich, door verraad of heimelijke verstandhouding met die van binnen van de stad te hebben meester gemaakt, en haar van eene talrijke bezetting, niet alleen van soldatenj maar zelfs van hare eigene burgers, onder aanvoering van Jonkheer Bernard van Deynse, en van eenen aanzienlijken voorraad van krijgsbehoeften te hebben voorzien, hebbende men toen al de klokken van hier naar Gent vervoerd, om daarvan geschut te gieten.
In dezen toestand bleef de stad.tot in het jaar 1585, als wanneer zij door verraad van Servaes van Steeland, Hoogbaljuw van het Land van Waes, waarvan Hulst destijds de hoofdplaats was, door den Marquis de Roubaix, op last van Parma , onverhoeds en met weinig tegenstand is ingenomen.
Ten jare 1556, na de verovering der stad Axel door Prins Maurits, zond die Vorst den Gouverneur van Vlissingen, Philippus Sidney, herwaarts, die zich, met een goed deel krijgsvolk, van onderscheidene forten en schansen in Hulster-Ambacht, door de Spanjaarden tegen de uitvallen die dagelijks van Terneuzen werden gedaan, opgeworpen, meester maakte en, alzoo voet hebbende in het ambacht, bij herhaling de vesting in naam van Prins Maurits opeischte; doch deze intusschen ten spoedigste versterking van krijgsvolk ingekregen hebbende, heeft die opeisching geen gevolg gehad, terwijl de aanvallers, na de door hen ingenomene forten geslecht te hebben, wederom zijn afgetrokken.
In 1591 is gemelde Prins andermaal uit Zeeland te scheep; met vier duizend man voetknechten, geland aan de zoogenaamde Kalfstaart (Calfsteerte), eene buurt, toen liggende in den nu verdronken St. Bavopolder, ter plaatse, alwaar thans de inlaag is van den Nijspolder (gemeente Ossenisse), na eerst zeven cornetten ruiterij over land door Braband te hebben doen trekken, welke zich aan het eerstgenoemde landingspunt met de ontscheepte troepen vereenigden. Met deze magt rukte hij dadelijk op Hulst aan en sloeg het beleg voor die vesting. Zij werd den 19 September opgeëischt, en daags daarna, beschoten. De destijds aldaar bevelvoerende, Gouverneur Don Hieronimo Stribany, even te voren met een gedeelte van het garnizoen naar Antwerpen getrokken zijnde, had het bevel over de vesting aan zekeren Kapitein Castillo overgegeven, die door dat beleg verrast, na eenen tegenstand van vier dagen, tot de overgave besloot, daar het garnizoen zeer zwak was (bestaande slechts uit 280 man), er veel voorraad ontbrak, en geen hulp of ontzet te wachten was. Hij verwierf den vrijen aftogt met zijn volk en hunne bagaadje, doch is naderhand, wegens het geredelijk overgeven der vesting, op bevel van den Hertog van Parma, onthalsd. De stad alzoo door de Staatschch bemagtigd zijnde, stelde Prins Maurits als Gouverneur van Hulst en onderhoorige forten aan Graaf George Everhard van Solms, schoonbroeder van Prins Frederik Hendrik. Het is onder dezen Gouverneur dat in 1596 het merkwaardig beleg plaats had, hetwelk in de jaarboeken van Nederland als een heldenfeit is aangeteekend. In dat jaar verzamelde de Aartshertog Albert een aanzienlijk leger, deed het schielijk en onverwachts, onder aanvoering van den Maarschalk de Rhosse, een der hoofden van de Ligue in Frankrijk, zijnde Luitenant van den vermaarden Hertog van Maijenne, door Antwerpen over de Schelde in Vlaanderen rukken en den 3 Julij het beleg voor Hulst slaan, welke vesting des anderen daags werd opgeeischt. De stad was niet genoegzaam van bezetting voorzien, doch zij werd, zoodra de mare van het aanrukken van den vijand zich verspreidde, van dag tot dag versterkt, en voor een langdurig beleg van mond- en krijgsbehoeften rijkelijk voorzien, daar menzich overtuigd hield, dat de Aartshertog alle zijne krachten zou inspannen, om dit eerste bolwerk; in Nederland te vernietigen. De opeisching zonder gevolg gebleven zijnde, werd den 9 Julij het beleg begonnen, en aangezien de vijand kennis bekwam:, dat de redoute de Kleine Raap, gelegen tusschen de Moerschans en de Groote Raap, (toen Spitsenberg en later de Zandberg genoemd) slechts door eene geringe bezetting verdedigd werd, viel het niet moeijelijk die redoute te bemagtigen, en die te behouden, ondanks de hevige aanvallen; welke daartegen, uit evengemelde forten, ja uit de vesting zelve werden ondernomen. Intusschen gelukte het den belegerden in den avond van den 10 Julij, elf sloepen met ammunitie geladen, ongeacht een onophoudelijk schutgevaarte van. de belegeraars, en den volgenden dag 1300 soldaten binnen de vesting té krijgen, ook kwam aldaar den 12 dier maand Prins Maurits aan, om den toestand der verdedigingswerken in oogenschouw te nemen en het krijgsvolk aan te moedigen, latende Ernst Graaf van Nassau in de stad achter. De vijand alzoo de redoute de Kleine Raap ingenomen hebbende; was er voor de belegerden alles aangelegen om meester te blijven van de linie van communicatie, tusschen de Moerschans en de stad, welke linie steeds met zeven of acht sterke kompagniën bezet werd. ln den nacht van den 12 Julij, deed de vijand eenen heftigen aanval op de linie, waarin wel van wederzijden bloedig gestreden werd, doch de onzen echter meester bleven , terwijl die aanval den volgenden: dag weder, doch met eene veel sterkere magt, werd herhaald, maar door de belegerden, onder aanvoering van den Gouverneur Grave van Solms in persoon andermaal manmoedig afgeslagen, bij welke gelegenheid deze bevelhebber, benevens zijn Adjudant, de Kolonel Piron, gekwetst werden. Daar de belegering en insluiting der vesting intusschen met geene hoop op eenen gunstigen uitslag kon worden ondernomen, alvorens de vijand de gemelde linie van verdediging geforceerd had; beschoten de belegeraars gedurende de dagen van 14, 15 en 16 Julij met dc grootste hevigheid uit de bemeesterde redoute, en uit eene halve maan, door hen op eene hoogte opgeworpen, de forten Moerschans en de Groote Raap, gedurende welke kanonnade het aan den Maarschalk de Rhosne gelukte, om met meer dan 6000 man over de linie te geraken, hoewel deze overtogt zoo door het schieten uit de schansen als door sterke uitvallen van de vesting,van welke de belegerden doorgaans met buit en gevangenen terugkeerden, zelfs soms na het vijandelijke geschut te hebben vernageld, door de belegerden hardnekkig was betwist geworden. Toen werd de linie wederom op nieuw zoo-heftig aangevallen, dat de bezetting ongeacht de dapperste tegenweer, geen langer stand kunnende houden, genoodzaakt werd haar den vijand in te ruimen en naar de stad of naar:de Moerschans terug te trekken. Na deze verovering werd op den 18 Julij de evengemelde schans, die toen van de vesting afgesneden was, met elf stukken geschut, onder het-beleid van den Maarschalk de Rhosne en den Graaf de Varax, geweldig beschoten. De verdediging van dit belangrijk punt was den Kommandeur Bièvry toevertrouwd, die eene sterke bezetting onder zijne bevelen had en van geene overgave wilde hooren, niettegenstaande er reeds door het grof geschut eene bres in de wallen was gemaakt, welke bijna in staat was om bestormd te worden. Het garnizoen echter, door het verlies, van voorzeide linie, de zekerheid hebbende dat er geen hulp uit de vesting te hopen was, begon te morren; en de Bevelhebber, door de meeste zijner Officieren overstemd, was genoodzaakt, zich over te geven; bedingende alleen dat hij en zijne bezetting met vliegende vaandels, en de bagaadje zoude uittrekken, al den voorraad ta« levensmiddelen en ammunitie in handen des vijands latende. Deze alzoo van de approches der vesting- meester zijnde, beschoot haar onophoudelijk uit meer dan veertig vuurmonden. De voornaamste en bloedigste aanvallen hadden plaats op het bolwerk Brederode, over den Molenberg, aan de Beggijnepoort, op welker ravelijn zeven geweldige stormen, dóór de belegerden telkens, met groot verlies van wederzijden werden afgeslagen, bij eenen van welke de Maarschalk de Rhosne door eenen kanonkogel sneuvelde. Ondanks deze dappere verdediging, zette de vijand zijne loopgraven en andere werken tot naauwere, insluiting al meer en meer voort, ondersteund door het geweldig schieten uit het grof geschut, zoo dat de bezetting, niet meer op eenig, ontzet hopende, van overgave begon te spreken, daar zij door het onophoudelijk, werken tot het digt houden en herstellen der bressen (zijnde van het begin des belegs over de 300 roeden uitgestrektheid wal op nieuw gemaakt), door het graven van mijnwerken, het gestadig vechten, zonder eenige rust noch, bij dage noch bij nachte te kunnen genieten, dermate was afgemat, dat zij zich schier niet meerop de been, konde houden. Er was ook geen stof meer om de geschotene bressen te digten; waaraan dagelijks wel 600 man arbeidde. De vijand was met zijne werken tot aan den voet des wals genaderd, hij had het water uit de grachten afgeleid, zoodat er voor de bezetting geen ander, uitzigt bleef, dan door eenen algemeenen storm overvallen te zullen worden. Er werd krijgsraad belegd; zekeren Kapitein Heldt bood nog aan om met 600 nan eenen uitval te doen, waarbij de Kapiteinen Langeveld en Steenhuyzen en de Sergeant-Majoor Prince zich, dadelijk voegden, in vast vertrouwen den vijand te doen delogeren, of, zoo dat voorstel geen bijval vondt, eerst ten minste eenen storm af te wachten; maar hunne dapperheid bleef zonder gevolg, zoo dat op den 18 Augustus de stad bij capitulatie, na eene belegering-van zes weken, aan den Aartshertog overging, bij welk verdrag aan de dappere bezetting, ter erkentenis van haar manmoedig gedrag, werd vergund, .» om liber ende vrij, te waeter of te lande, waer het haer goetdunc- » ken sal, met vliegende, vaendelen, slaende trommelen, brandende » lonten, cogels in de mondt, wapenen, bagagie, paerden, wagens, » wapentuig, schepen, en de cbaloupen, ende generalijck alle het geene » haer toebehoort, te mogen vertreqken" Dit beleg heeft van wederzijde veel bloed gekost, daar van den kant der belegeraars meer dan 60, volgens anderen 100 Kapiteinen zijn gesneuvelden en daaronder de bevelhebber Maarschalk de Rhosne, terwijl zij wel 4000, zoo dooden als gekwetsten bij dat beleg hebben verloren. Ook de belegerden hadden het verlies van, een aanzienlijk aantal Officieren, en bij de 800 soldaten te betreuren. De stad, inzonderheid aan de Dubbele- en Beggijnepoorten, was bijna een puinhoop geworden, in dier voege, dat in de Beggjjnestraat tot aan de Grootemarkt, en voorts op de Bierkade en in de Overdamstraat, meest alle huizen waren plat geschoten. De stad werd vervolgens door een sterk garnizoen bezet, en daarover tot Gouverneur aangesteld Nicolaas de la Biche, Ridder, Heer van Liancourt. Het kan geene verwondering baren, dat het bezetten eener zoo sterke en belangrijke vesting als Hulst, door de Spanjaarden, een doorn was in het oog der Staatschen, en dat men er dezerzijds steeds op bedacht was, om, wanneer er slechts eenige kans tot herovering bestond, daartoe pogingen in het werk te stellen. Naauwelijks had Prins Frederik, Hendrik voornemens zijnde in 1640 een aanval in Vlaanderen te doen, niet vernomen, dat deze stad slechts van eene zwakke bezetting was voorzien, of hij zond een gedeelte van zijn beste krijgsvolk, onder bevel van Graaf Willem Casimir van Nassau Dietz, Gouverneur en Stadhouder van Friesland, te scheep, naar Hulst af. Deze landde aan den nu verdronken Polder van Namen, en overviel nog in den nacht van zijne aankomst onverhoeds de Moerschans en het fort Nassau. Het fort werd door den Kolonel Hauterive, na geringen wederstand ingenomen; doch de aanslag op de Moerschans gelukte niet zoo wel, doordien de bezetting van de stad, inmiddels daarvan, verwittigd, bij nacht eenen uitval, door eenig voetvolk, voorafgegaan door trompetten en ander krijgsgeschal, naar de zijde van het bedreigde punft, deed, ten einde den vijand in den waan te brengen dat men hem met een geduchte, magt op de hielen zat. Deze krijgslist gelukte volkomen. De Graaf trok zich met zijne troepen terug, en vereenigde zich met den.Kolonel Hauterive, in het door dezen laatsten veroverde fort Nassau, te meer daar de troepen, door de spoedige marschen, in gestadige regen en langs slibberige dijken zeer waren afgemat. Intusschen was Prins Frederik Hendrik, met het gros van zijn leger, mede aan den Polder van Namen geland. Hij stelde een deel van deze krijgsmagt ter beschikking van den Graaf, ten einde vereenigd met de bezetting van het meergenoemde fort Nassau, een ander fort of eigenlijk redoute, St. Anna genaamd, en hoger op langs, den, dijk, nabij den Ferdinandspolder, aan te tasten. Deze redoute, was niet zonder reden, als een zeer belangrijk, door die van Hulst beschouwd, zij lag op den dijk van Absdale, aan de eene zijde door het zeewater en aan de andere door eene diepe kreek gedekt, gevolgelijk ook niet dan langs den dijk te naderen; bovendien werd zij door niet minder dan twee regimenten Spaansche, en Italiaansche troepen; verdedigend, die deels in en deels buiten het fort gelegerd waren. De belegering der vesting, kon met geen .goed gevolg anders dan langs die kant ondernomen worden, zoodat men zich eerst van dat belangrijke punt moest meester maken. Het werd dan ook door den Graaf met de vereenigde magt, die ter zijner beschikking stond, en met de meeste koelbloedigheid en dapperheid aangevallen, doch door de belegerden even hardnekkig verdedigd, en wel door deze laatsten met te meer vrucht, daar de bezetting telkens, door middel van de opene gemeenschap te water, kon ververscht en versterkt worden; hierbij kwam nog; dat bij het hevigste van den aanval twee sterke vaandels Spaansche ruiterij uit de vesting, langs bedekte wegen in. de duisternis van den avond, door Absdale afgezonden; de belegeraars onverhoeds van achteren aanvielen. Het gevecht werd toen moorddadig en er werd van weerszijde met gelijke bitterheid gestreden. De Graaf, zich aan beide zijden benauwd en als ingesloten ziende, had geene retraite meer. De twee afgezondene kompagniën ruiterij waren bijna geheel vernietigd, toen de Graaf, door eenen kogel in den rug gekwetst, van zijn paard stortte en waarschijnlijk onder de dooden en gekwetsten; die het slagveld bedekten, zoude zijn blijven liggen ware hij niet door een zijner Kapiteinen herkend en gered. Intusschen was het leger, door overmagt en groot verlies van volk, genoodzaakt terug te trekken, het fort Nassau en vervolgens het land te verlaten. Hetgeen dezen mislukten aanslag, nog gevoeliger maakte was des Graven dood. Hij overleed den 11 Julij, zijnde den zevenden dag zijne bekomene wonde, in dertigjarigen leeftijd, betreurd door elk; die beleid en ware heldenmoed op prijs stelde.
De verovering van Hulst werd vijf jaren later, en wel in het merkwaardige jaar 1645, met beter gevolg, ondernomen. Het leger der Staten, onder aanvoering van Frederik Hendrik; Prins van Oranje, kwam in den vroegen morgen van den 5 October, van Stekene te St. Jan Steen aan, alwaar het gros des legers, ten elf ure des voormiddags, aanwezig was. Met alle vlijt werd dadelijk aan de belegeringswerken gearbeid; terwijl de Bevelhebber van Brederoden met eenige regimenten, zoo voetvolk als ruiterij, ter verovering van de meergemelde forten St; Anna en Nassau werd afgezonden, die dan ook, het eerste reeds denzelfden, het andere den volgenden dag ingenomen werden. Op gelijke wijze trachtte men zich ook meester te maken van.het fort Spinola, liggende aan den Koningsdijk, in den Vlaamschen polder Kieldrecht, alsmede van.de Moerschans. Bij de opeisching van eerstgenoemde sterkte, door den Overste van Beverweert, verklaarde de Bevelhebber, wel bereid te zijn het fort over te geven, wanneer het eerst door kanon zou; zijn beschoten, hetgeen spoedig geschiedde, doch tegen verwachting, van de zijde der bezetting krachtdadig werd beantwoord, die, voorgevende inmiddels versterking bekomen te hebben, nu weigerde zich over te geven, alhoewel deze overgave, den 14 daaraanvolgende, doch niet dan na eenen hevigen tegenstand, evenwel plaats had. De Moerschans gaf zich reeds denzelfdcn dag (5 October), na eenigen tegenweer over, waarna de bezetting van den Zandberg ook dat fort verliet. De vesting werd verdedigd door den Heer Jacques d'Heijnin, met een garnizoen van, omtrent 600 man, hetwelk, op bekomene tijding van den aanval. hoewel toen reeds naauw ingesloten zijnde, nog met drie regimenten was versterkt. Den 8 October werden de loopgraven naar de stad geopend, ééne, onder dadelijk bevel van den Prins, aan zekere kromte van de Gentsche vaart en eene tweede, onder het beleid van Van Brederode, aan den Zoutdijk (zie hierboven bladz. 911). Aan het: opwerpen van batterijen werd de drie volgende dagen onvermoeid doorgewerkt; den 12 was eene der batterijen in zoo ver gereed, dat de stad daaruit aan de noordzijde hevig werd beschoten, onder dekking waarvan de werken wel 120 passen tot de vesting waren genaderd. Den 16 October waren al de batterijen in gereedheid, zoo dat de stad daaruit onophoudelijk beschoten werd, hetgeen de belegerden niet onbeantwoord lieten. Deze deden van tijd tot tijd dappere uitvallen, vooral op de-werklieden, hetwelk echter steeds hetzelfde gevolg had, namelijk den terugtogt van de uitvallers met groot verlies naar de vesting. Door den ijver der belegeraars waren zij den 24 October; na een gevecht van twee uren, meester van de contrescarp. Eene der gaanderijen, met welke men door de gracht dacht te komen, werd door eene vijandelijke bom vernield, waarbij zes man sneuvelden; dit verlies werd door het aanleggen van eenen rijsberm hersteld. Den 31 waren de werken zoo ver gevorderd, dat men de palissaden, aan den voet der wallen staande, begon te kappen en daar post te vatten. De stad werd op nieuw uit alle de batterijen gelijktijdig beschoten en daarin een aantal bommen geworpen. Eene nadere opeisching, met bedreiging van dadelijke bestorming, werd den 2 November gedaan, doch beantwoord met de verklaring : » dat de zaken nog niet » in dien staat waren, om eene vesting van zulk eene aangelegen- » heid, met eer te kunnen overgeven, en de bezetting besloten had » zich tot het uiterste te verdedigen; " doch de belegeraars, postgevat hebbende aan de wallen en op het Oranje-bolwerk, gingen voort de stad hevig te beschieteny en het was eerst den volgenden dag, toen er werkelijk aanstalte tot het stormloopen gemaakt was, dat de Gouverneur verzocht in onderhandeling te treden, waartoe van weerszijden gijzelaars geleverd werden. Deze onderhandelingen hadden ten gevolge, dat de stad zich den 4 November 1645, bij verdrag overgaf. De bezetting bedong, behalve de gewone krijgseer, » twee cartouwen » ende eenen mortiere en ’t geen daeraf dependeert, alle de reste van » 't canon en alle de munitie van oorloge, item de vivres en de provi- » sien, den Koninck van Hispanien toebehoorende, van wat soorte die » ook moge zijn; sullende volkomelijcken ende sonder bedrog ge- » levert werden aan Zijne Hoogheid." ; Den 5 November trok het garnizoen, :toen nog uit omtrent 700 weerbare mannen bestaande, naar Antwerpen; terwijl Graaf Hendrik van Nassau, Ridderder Koninklijke Deensche orde, tot Gouverneur der stad werd aangesteld. Gedurende, dit geduchte en merkwaardige beleg zijn, behalve de bommen, granaten en musketkogels, niet minder dan 13,497 schoten uit vier- en .dertig vuurmonden gedaan, zoo dat het in de daad te verwonderen was, dat de stad niet in eenen puinhoop was verkeerd, hoewel vele bijzondere en publieke gebouwen aanmerkelijk beschadigd waren, en inzonderheid de fortificatien bijzonder veel geleden hadden. Het gerucht dezer roemvolle overwinning, lokte dan ook zoo vele nieuwsgierigen uit Zeeland, Braband en elders uit, om de stad te bezoeken, dat honderden van menschen, geene huisvesting kunnende bekomen, op de straten moesten overnachten, in groote koude en ongemak, door de felle vorst, die juist in den nacht na den uittogt inviel. De vreugde over dit wapenfeit, de laatste van al de overwinningen, door welke Frederik Hendrik zijnen naam in Neêrlands gedenkboeken heeft vereeuwigd, was zoo algemeen, dat er te dier gelegenheid een gouden en zilveren gedenkpenning (Men vindt dien gedenkpenning bij Van Loon, D. II, bl. 288) geslagen werd, verbeeldende, aan de eene zijde de belegerde en beschotene stad, met de omliggende velden en belegeringswerken, met dit opschrift, boven het stadswapen, in eenen wimpel: Nunc sepes horrida russco, woorden uit het gedenkdicht van Columella getrokken, en op den naam der gewonnen stad zinspelende. Zij luiden vertaald: Nu is de tuin vreesselijk door Hulst; d. i.: nu is de Nederlandsche tuin, door het winnen van Hulst te meer versterkt en ontzaggelijker beheind. Op de keerzijde, onder het wapenschild der vereenigde gewesten, in een vierkant vak, omkranst met druiventrossen en wijngaardranken, leest men dit Latijnsche opschrift, verkort:

Deo Optimo Maximo, Et Reipublicae Sacrum
ANno CHRisti MDCXLV,
Fredericus Hendricus, AURaniæ PRincipe Pius,
Felix, Iinvictus,
POSTQUAM VICTRICES BAtavas LEGIONES AUSU,
POST RECUPERATAM LIBERTATEM,
INAUDITO,
FOSSAM UNAM FLUVIOSQue 4, PER IPSA FLANDRiæ,
VISCERA TRAJECISSET,
HULSTAM INTRA MENSIS SPATIUM,
ÆSTATE JAM ADULTA, CINXIT, OPPUGNAVIT,
AD DITIONEM COMPULIT.
J. Looff Fedit,

d. i. Den goeden en grooten God, en diers vrijen Staat toegewijd. In het jaar van Christus 1648, heeft Frederik Hendrik, de Godvruchtige, de Gelukkige, de Onverwinnelijke Prins van Oranje, na dat hij de overwinnende Bataafsche legerbenden met een bestaan, sedert het heroveren der vrijheid ongehoord, zelfs in het hart van Vlaanderen over ééne gracht en vier stroomen gevoerd had, de stad Hulst binnert den tijd van eene maand, nu al laa in den zomer berend, belegerd en tot de overgave gedwongen.
In het jaar 1672, .toen de oorlog uitbrak tusschen den Koning van Frankrijk en de Republiek, en de Franschen Staats-Vlaanderen afliepen, was men zéér bevreesd voor eenen aanval op deze vesting, welke destijds slecht van krijgsvolk voorzien was, zoo dat den 26 Junij van dat jaar :de zeedijk van Absdalc (welkte polder toen met Hulster-Nienwland gemeen lag),:omtrent de sluis nabij het fort Nassau, werd doorgestoken en met zeewater ondergezet; welk lot kort daarna ook Hulster-Nieuwland trof, zoodat het water, langs de buitengracht, naar de Beggijnepoort en door de Moervaart stroomendc, den polder de-Clinge, die tegen den aandrang des waters geen anderen tegenweer had dan eenen trageldïjk, welke geen stand kon houden, geheel deed ondervloeijen. In de maand Mei dcs volgenden jaars (1673) werd ook de Fcrdinandus-polder, door. middel eener doorsnijding in den ouden dijk van Absdale en eene andere, aan de kreek van St. A;ndries, onder water gezet; terwijl, almede de trageldijken van de Gentschevaart, en eindelijk ook de zeedijk van den polder van Kieldrccht werden doorgestoken. Hoe nadeelig deze overstroomingen voor den eigenaar en den landbouwer ook mogen geweest zijn, is het toch zeker dat daardoor Hulst van eén nieuw beleg:en da niet minder ijsselijke gevollgen daarvan is verschoond gebleven. Men heeft meermalen datzelfde middel met eenen goeden uitslag gebezigd, in den oorlog: wegens de Spaansche troonsopvolging, toen de Marquis de Bedmar, Bevelhebber der Spaansche troepen in de Nederlanden, die na den dood van Keizcr Karel II in Fransche dienst getreden was, desniettegenstaande, in het jaar. 1702;, eenen. Aanval op .deze stad waagde, waarin destijds de Generaal-Majoor van Dedem Gouverneur was, welke aanval door den naderhand zoo beroemd geworden Luitenant-Generaal en Maarschalk van Frankrijk, Vauban, bestuud werd, doch door den dapperen tegenstand der.bezetting mislukte, zoo dat de vijand met een verlies van meer dan 1000 man genoodzaakt was af te trekken. Een dergelijke mislukte aanslag, om zich van Hulst, door verrassing meester te maken, had. wederom in 1705 plaats, doch men ontdekte den toeleg tijdig. Eeniger ingezetenen, die er kennis van droegen en onder de zamenzveerders behoorden, werden gevat en ter dood gebragt.
In 1747 kwam echter de vesting in der Franschen handen. Hare verdediging was.toevertrouwd aan den Luitenant-Generaal Pieter de Rocques, eenen zéventigjarigen grijsaard, dïe zich beroemde reeds sedert zijn dertiende jaar te hebben gediend en dns in 's lands dienst grijs te zijn geworden. Zoodra hij tijding kreeg van de aannadering der Franschen, begon hij met de approches der vesting te demaskeren, en, na uit de schans de Verrekijker het dorp St. Jan Steen met gloeijende kogels te hebben doen beschieten, gaf hij aau een detachement troepen, den 26 April 1747, den verscbrikkelijken last, om dit geheele dorp in. de asch te loggen, zoo dat het, met uitzondering van twee huizen, benevens de kerk en toren, die echter ook zeer beschadigd werden, afbrandde. Eene daad van willekeur, waarvoor geene enkele gegronde reden kon worden opgegeven, daar de Gouverneur zeer wel wisty: dat de attaque niet van dien kant, maar van eene geheel andere zijde, zoo als straks blijken zal, zou worden ondernomen. Deze maatregel vervulde intusschen de harten der ingezetenen met ontzetting en vrees voor het akelige lot dat hun te wachten stond, vóoral daar de Gouverneur aan de Regering verklaarde, dat hij van voornemen was de vesting tot het uiterste te verdedigen, al zou er ook geen steen op den anderen blijven, met bedreigirig, dat diegen, welke zich verstouten zou van::overgave of verdrag te spreken, dadelijk op de markt zou worden opgehangen. In den nacht tusschen 28 en 29 April had de Fransche Generaal, Hertog de Broglio, de beide schansen, de Groote-Kijkuit en de Kleine-Kijkuit ingenomen, twee belangrijke punten, die genoegzaam van bezetting ontbloot en, tegen het eenparig gevoelen der Officieren, die den Gouverneur ter zijde stonden, schier verlaten waren. Deze verovering stelde den vijand: in de gelegenheid om ui' die schansen en uit de batterijen, diezïj er opwierpen, het fort den Zandberg, door den Luitenant-Kolonel du Rocq verdedigd, acht dagen achter elkander, uit zes en twintig vuurmonden, met de grootste hevigheid te beschieten. Vier aanvallen werden door de bezetting wel telkens met leeuwenmoed afgeslagen, het règiment van den Kolonel Thierry kweet zich hier wel voorbeeldig, zoo ook de Schotten onder Bragg, maar eindelijk moest toch de dappere bezetting zich, uit gebrek aan leeftogt en vooral aan ammunitie, den 10 Mei overgeven. Door het veroveren van dit fort was de vijand te gelijk meester van de linie, door welke de stad aan dien kant gedekt werd. Spoedig volgde de redoute de Kleine Raap. De Moerschans werd verdedigd door den Kapitein Johannes van Kooten, van het regiment van den Luitenant-Generaal de Vïllattes, met slechts 34 man ongeoefende troepen, die versch aangekomen, niet eens met het terrcin bekend waren, en waaronder niet een Kanonnier was, bovendien genoegzaam zonder eenigen leeftogt, tot schande van den Gouverneur, die, zoo men hem al niet van dadelijk verraad of verstandhouding met den vijand kon beschuldigen, dan toch van eene onvergeeflijke achteloosheid, in het verzorgen van de forten en schansen, welke het naderen van de vesting van buiten mocsten verhinderen, niet is vrij te pleiten. In den benarden toestand, waarin zich Kapitein van Kooten bevond, heeft hij zich echter, rnet zijne geringe magt, nog drie volle dagen staande gehouden, doch geen ontzet bekomende, was hij verpligt zich over te geven. De Franschen hadden ook, achter de gezegde linie, eenige troepen in Hulster-Ambacht doen oprukken, waaronder ook Engelschen, onder bevel van den Generaal Fuller, dan deze, na het forceren van de linie, toen van geene dienst meer kunnende zijn, begaven zich van daar te scheep naar Zeeland. Men moet inderdaad met verontwaardiging vervuld zijn. wanneer men de onbegrijpelijke handelwijs vap den Generaal de la Rocques; bij die gelegenheid, overweegt. Zoo beval hij alle de paarden der Kavallerie de poorten uit te jagen, onder het voorwendsel van die niet meer te kunnen voeden, terwijj er nog 20,000 pond hooi in de stad voorhanden was. Dit geschiedde ook met het hoornvee, hetwelk men eerst door Dragonders met-geweld van de hofsteden in Hulster-Ambacht weggehaald en in de vesting gebragt had, waardoor alzoo alle die paarden en dat vee in handen van den vijand vielen. De geheele lïnie met alle de sterkten als nu in de magt der Franschen zijnde, meende men dat de belegering van de vesting zoude aanvangen, dan de Gouverneur, scheen ondanks, zijn gezwets, niet gezind haar met ernst te verdedigen, want na een kort gesprek met den Hertog de Broglio; die men, tegen alle krijgsgebruik, binnen de stad had gelaten, en bij zijne binnenkomst door den Gouverneur werd omarmd, werd de, capitulatie, zonder dat er eens krijgsraad belegd, noch iemand der Officieren van de bezetting geraadpleegd was, den 11 Mei tusschen de beide Bevclhebbers, gesloten, wordende aan de stad eene oorlogscontributie van 1000 dukaten opgelegd, het garnizoen, uit 1500 man bestaande, behalve de gekwetsten, krijgsgevangen gemaakt en naar Frankrijk; gezonden, alleen met uitzondering van 400 man, welke vergund werden om benevens den Kommandant met krijgseer uit te trekken. Een neef van den Gouverneur de la Rocque, Kolonel bij de Franschen, werd tot den Gravenstand verheven, doch den Gouverneur, die wij in de capitulatie ook Comte de la Rocques getiteld vinden, verbeidde een ander, lot, hetzelfde namelijk, dat vroeger den Spaanschen Kapitein Castillo had getroffen. Het vonnis van den Hoogen Krijgsraad was reeds over hem geveld, hetwelk hem ter dood verwees, dan Prins Willem IV verzachtte het in zoo verre, dat de veroordeelde, behalve met de verbeurtverklaring zijner goederen, zou worden gestraft met het zwaaijen van het zwaard over het hoofd, welke straf den 26 Junij 1748, voor het front des legers, destijds te Gilze, bij Breda, camperende, werd volvoerd, waarna hij zijne overige levensdagen op het slot Loevestein, als Staatsgevangene, geëindigd,heeft (De bijzonderheden van dit beleg en overgave zijm meerendeels ontleend uit een geschreven dagverhaal, door eenen Magistraatspersoon van Hulst, staande het be\eg, met veel nauwkeurigheid gehouden, hetwelk aan.onzen volijverigen Correspondent den Heer J. G. de Potter,.goedgunstig is medegedeeld door den Heer Burgemeestervan Hulstt Jacob Livinus van Dortmont, onder wiens famillepapieren dit belangrijk.stuk wordt bewaard, en die de Redactie bovendien zeer aan zich heeft verpligt, door aan gezegden, onzen medearbeider toegang te verleenen tot de oude archiven der stad en van het ambacht, waardoor wij-in staat zijn gesteld vele.wetenswaardigheden, betrekkelijk de stad< mede te deelen, welke anders niet tor onzer kennisse zoude zijn gekomen.). Door de inneming van Hulst, reeds voorafgegaan door.de verovering van de vesting Sas-van-Gent en de sterkte Philippine, en welhaast gevolgd door de overgave van Axel en Neuzen, zagen de Franschen zich in minder dan eene maand meester van geheel Staats-Vlaanderen, hetwelk zij echter slechts in bezit hebben gehouden tot in het jaar 1749, als wanneer de stad Hulst, op den 28 Januarij, ten gevolge van het vredesverdrag, den 18 October 1748 te Aken geteekend, weder in het bezit van den Staat kwam. Zes en veertig jaren lang verheugde zich de stad in het voorregt van eenen onafgebroken vrede, die niet weinig tot den bloei en de welvaart harer ingezetenen heeft toegebragt, doch de Fransche omwenteling van het jaar 1789 en de heillooze gevolgen daarvan, deden zich niet lang daarna ook in Staats-Vlaanderen, en gevolgelijk in Hulst, gevoelen. Zoo veel tegenstand als de nationale conventie van Frankrijk, in, 1793, ondervonden had, zoo veel voorspoed, had haar de daarop volgende winter aangebragt. Aan den Rijn, in.de Vendée, in het Zuiden, aan de Oostelijke Pyreneën, behaalden hare, troepen voordeelen of bedwongen de tegenomwenteling, zoo dat het. oorlogsplan, der Fransche Republikeinen, door den schranderen Carnot ontworpen, zijne uitvoering naderde, hetwelk niets minder dan de verovering van de toenmalige Oostenrijksche Nederlanden, en, bij, eenen, gelukkigen;uitslag, het dieper indringen in de Vereenigde Nederlanden ten oogmerk had. Nadat de Fransche legerbenden, door een zamenloop van omstandigheden die hier niet behoeven te worden ontwikkeld, reeds een groot deel van de tegenwoordige Belgische gewesten had veroverd en bezet, na Menen, Kortrijk en IJperen te hebben ingekomen, trokken zij, '4 Junij 1794, Gent ongehinderd binnen. Van deze laatste stad werd eene afdeeling, onder de bevelen van den later zoo beroemd geworden Generaal Moreau, naar de grenzen van Staats-Vlaanderen gezonden. Daar wachtte den vijand een kloekmoedige tegenstand, in eene onaanzienlijke vesting, maar waarin zich mannen bevonden, wier :pligtsbetrachting des te loffelijker melding verdient als hun voobeeld in die dagen zeldzamer was. Die vesting was Slui, aan het hoofd dier mannen stond de Generaal-Majoor Willem Hendrik Baron van der Duyn en de Kapitein der Artillerie Willem Camp. Op dit belangrijk punt was derhalve het oog van 's lands regering niet zonder reden gevestigd. De vesting Hulst was intusschen in staat van tegenweer gesteld, van bezetting en levensmiddelen, om een beleg te kunnen doorstaan, behoorlijk voorzien; de wallen en forten, welke tot dekking der vesting in vroegere dagen zoo veel hadden bijgedragen, met geschut gewapend en naar eisch bezet; de toegangen tot de plaats door versperringen, en vooral door uitgestrekte innundatiën afgesneden, zoo dat de ingezetenen met allen grond in het bang vooruitzigt verkeerden, van in alle de rampen, welke eene belegerde stad te verduren heeft, te zullen moeten deelen. Alle maatregelen schenen genomen te zijn, om de vesting tot het uiterste te verdedigen, toen de mare aankwam dat Sluis, na een merkwaardig beleg van vier weken, in handen der Franschen was gevallen. Kort daarna werd ook de onverwachte en onbegrijpelijke last gegeven, om de vestingen Hulst, Axel en Sas-van-Gent te ontruimen. De bevelvoerende Generaal de Gumoens, scheepte zich met al zijne troepen, oorlogsmaterieel en anderen voorraad in, en begaf zich, op hoogeren last, naar Bergen-op-Zoom; alleen een twintigtal kanonniers, onder het bevel van een Luitenant, en twee onbruikbare ijzeren kanonnen achterlatende. Door het afstaan dezer sterke vesting aan den vijand, was het niet te verwonderen, dat de ingezetenen hunne ontevredenheid en hunnen wrevel over dezen ongehoorden maatregel niet konden verbergen en het ergste vreesden; vooral wanneer men het oog sloeg op de allerwege onder water gezette landen, waaronder ook die van den Polder van Absdale en de parochie Beoosten-Blij (zie dat woord), waarvan de bedijking eerst kort geleden (1790) was voltooid, de landen in 1794 tot den akkerbouw gereed gemaakt en voor het-eerst bezaaid waren, welke alzoo, volstrekt noodeloos, tot onberekenbare schade voor de bedrijven, werden bedorven. Niet lang duurde de onzekerheid bij de ingezetenen van Hulst. Den 25 October 1794 kwam een detachement Franschen 'ongehinderd tot voor de vesting en eischte haar op, welke eisch dadelijk werd ingewilligd, en denzelfden dag bij een, om den vorm, gesloten, verdrag, bij welke, de bezetting krijgsgevangen werd verklaard, zonder een enkel schot te hebben gewisseld, aan de Franschen onder den Generaal Merlin overgegeven.
Door het vredesverdrag, den 16 Mei 1795, tusschen Frankrijk en de Bataafsche Republiek gesloten, werd onder anderen Staats-Vlaanderen aan eerstgemelde afgestaan, en is een integerend deel van Frankrijk gebleven tot in het jaar 1814. Het oude Nederland had, na de overwinningen door de zegevierende wapenen der Bondgenooten behaald, ook het juk zijner onderdrukkers, onder hetwelk het zoo vele bange-jaren had gezucht, afgeworpen en Oranje als het plegtanker zijner hoop ingeroepen. Hoewel het eiland Walcheren nog in handcn der Franschen verbleef, waren echter, de overige Zeeuwsche eilanden reeds tot het verbond, toegetreden, zodat men op het einde van het jaar 1813, van tijd tot tijd, uit Zuid-Beveland en van elders vlugtende Fransche tolbedienden door Hulst zag trekken en naar België de wijk nemen. De treurige tijdingen, die zij meeebragten en het dagelijk verspreide gerucht van de aannadering der Kozakken, bewoog ook de Fransche ambtenaren, te Hulst geplaatst, om zich in veilgheid te stellen. Zij vertrokken achtereenvolgens van daar zonder enige last van de zijde der ingezeten te lijden, zodat op 14 Ferbruarij 1814, de Heer F.C. de Jonge, als Commissaris-Gcneraal van den Souvereinen Vorst, zijne plegtige intrede, in feestelijken optogt, te Hulst, deed, met luide vreugdebedrijyen door de burgerij werd ingehaald, en, ten huize van een der laats gediend hebbende burgemeesteren dezer stad, vóór de komst der Franschen in 1794, den heer Jan Jacob van Dortmont, onthaald. De Oranjevlag woei van den kerktoren, en de stad werd door den Commissaris-GeneraaI, in naam van den Souvereinen Vorst in bezit genomen, waarna, hij weder vertrok, zonder eene militaire bezetting achter te laten. Het scheelde weinig of deze inbezitneining en vooral het uitsteken der Oranjevlag, was de stad duur te staan gekomen. Den 8 Maart rukte eene afdeeling Franshe troepen, van meer dan 600 man, deel makend van de bezetting van het kasteel van Antwerpen, de stad binnen, zoodat de voornaamste ingezetenen, met hunne tilbare have, naar elders, de vlugt namen. De Heer Isaak Henry Gallandat, bij afwezigheid van den Maire diens functiën waarnemende, ontving den Franschen Bevelhebber met de hem eigene bedaardheid en vastberadenheid, en toen hem onder het oog bragt, dat hij door het opsteken eener oproerleus, eene daad van vijandelijkheid, tegen den Keizer had gepleegd, die eene gestrenge tuchtiging verdiende, voerde hij den Commandant toe: », dat even als de Oranjevaan van den toren had gewapperd; » toen de stad in naam van den Souvereinen Vorst van Nederland » in bezit genomen was, hij, ook nu bij het aannaderen der Fran- « schen, de Keizerlijke vlag had doen uitsteken ten bewijze, dat « de ingezetenen zich weder onder de heerschappij de Keizers hadden ge- » steld; en dat, waaneer den volgenden dag de weerlooze stad door « Turken zou worden bezet, hij geen ogenblik aarzelen zou om de » halve maan op den toren te doen plaatsen” Deze koene en onverschrokken taal behaagde den Franschen Bevelhebber, en behoede welligt de ingezetenen voor plundering en voor de ontzettende gevolgen, welke de in bezitneming der stad, van eenen verbitterden vijand, deed vreezen. De Franschen vergenoegden zich met het invorderen en zich toeëigenen van de achterstallige directe contributein, en met het wegvoeren van eenen aanzienlijken voorraad levensmiddelen en vee. Een dergelijk bezoek, met hetzelfde oogmerk en gelijk gevolg werd zeventien dagen later, den 25 Maart, herhaald.
De Vrede van Parijs maakte ee n einde aan den staat van onrust, waarin de inwoners zich bevonden. Den 2 Mei 1814 rukten de eerste Nederlandsche troepen, de stad binnen, en hebben haar bezet gehouden tot op het tijdstip der vereeniging van der vereeniging van de Noordelijke met de Zuidelijke provincien.
De ongelukkige Belgische omwenteling, in Augustus 1830 verstoorde de rust, welke Hulst nu zestien jaren lang had genoten. Op den 27 dier maand, terwijl de stad feestelijk getooid, en met duizende menschen vervuld was, die van alle kanten waren toegevloeid, om deel te nemen aan, of tegenwoordig te zijn bij het toedienen van het Sacrament des vormsels, waartoe de Bisschop van Gent, Monseigneur Franciscus van de Velde, opzetteliik was overgekomen, kwam alhier, door een der leden van de toenmaligen Tweede Kamer der Staten-Generaal, van Brussel komende, de onverwachte tijding aan, dat in den avond van den 25 het oproer aldaar uitgebroken en de plundering aan eenige. gebouwen begonnen was. Groot was de ontsteltenis bij alle goede inwoners die iets te verliezen hadden,vooral bij de aanwezigheid in de stad, van meer dan 6000 menschen, door de plaats hebbenden plegtigheid, in geestdrift ontvonkt waaronder vele Belgen waren. Gelukkig liep alles echter geregeld af. De Bisschop verliet de stad, na de aanwezige menigte tot rust, eensgezindheid en verdraagzaamheid aangemaand te hebben. De maand September werd niettemin door de ingezetenen in gestadige onrust doorgebragt. Het oproer verspreidde zich al meer en meer in België; de ongerijmdste geruchten kwamen schier dagelijks aan en werden door kwalijkgezinden niet weinig vergroot, tot dat eindelijk, op den 1 October, het berigt te Hulst werd ontvangen, dat ook Gent de oproervaan uitgestoken en de Gouverneur met de zijnen vaar daar gevlugt was. Deze tijding vervulde de harten der inwoners met angst en schrik, zoo dat eenige der voormaamsten onder hen met hunne best vervoerbare goederen, de stad verlieten en over de Schelde de wijk namen, vooral daar ieder oogenblik een-muizieke hoop uit het naburige België naar herwaarts konde overkomen, de wcerlooze stad overvallen en aan plundering overgeven. In deze hagchelijke oogenblikken verenigden zich, op verzoek des stedelijken bestuurs, de voornaamste burgers tot het doen van nachtwachten, gewapend met die wapens, welke voorhanden waren of die men zich kon aanschaffen. In dezen, hoogst onzekeren, toestand, bleef de stad tot op den 21 October, toen des morgens om acht ure, eene bende van 60 of 70 man hier binnenrukte, bestaande uit allerlei gemeen volk, waaronder jongens van zestiend en mannen van zestig jaren, verschillend en haveloos gekleed, sommigen zelfs met klompen, en gewapend met wapenen van allerlei soort, doch allen met blaauwe kielen en de meeste met zwarte chacots, waarop een doodshoofd geschilderd was. De bende werd aangevoerd door zekeren Ernts Grégoire zich noemende Belgisch Kolonel, die dezen ordeloozen hoop zelf aangeworven had, tegen eene soldij van één frank daags. Dit volk werd bij de burgerij ingekwartierd. Dadelijk werden door Grégoire 's lands kassen, zoo hier als in Hulster-Armbacht, voor zoo verre die niet in veiligheid gebragt waren, geroofd. Intusschen werd de Regering bijeen geroepen, in welke vergadering de genoemde Bevelhebber, met zijnen zoogenaanden Luitenant van Remoortere verscheen, eischende dat zij zich voor het provisioneel bestuur van België verklaren en de oproervlag zou uitsteken. Op de eenparige weigering van alle de leden des bestuurs, staakten zij van stonden aan hunne functiën. Des namiddags werden er werkelijk twee vlaggen op den kerktoren geplaatst, onder het luiden der klokken, het spelen van het carillon en het gejuich van sommigen, waarvan enkelen zich zelfs zelfs met de oproerleus versierden. Den volgenden dag, den 22 October, werd op last van den Komandant Grégoire het volk uitgenoodigd om zich op het raadhuis te vereenigen, tot de-keuze van eene nieuwe regering, die ook weldra tot stand kwam, hebbende tot hoofd als Burgemeester den Heer Andreas Fruytier, een vreedzaam, gegoed en ambteloos burger, die zich, op aandrang van, eenige notabele ingezetenen, deze keus liet welgevallen. Het gedrag van dien man is verschillend beoordeeld, doch wij aarzelen niet om hier te verklaren, dat hij, door het aanvaarden van zijne moeijelijke betrekking, in die hagchelijke en onrustvolle dagen, eene regtmatige aanspraak heeft verworven op de achting en erkentenis zijner medeburgers; terwijl hij daardoor veel heeft toegebragt, niet alleen om het gemeen in de stad zelve, maar ook om de zaamgeraapte bende, die zich weinig om subordinatie of ontzag bekommerde, in toom te houden, en waarvan men niet kon verwachten, dat zij met ledige handen, eene stad zoude verlaten, die zij met het vooruitzigt op buit was binnengetrokken. Met vreugde zagen dan ook alle welgezinde ingezetenen deze indringers, in den vroegen morgen van den 27 October, vertrekken, met zich voerende de nog voorhanden zijnde geweren, herkomstig van de voormalige schutterij der stad. Alles bleef er vervolgens stil. De voorloopige Regering bepaalde zich wijsselijk bij het handhaven der orde, en verrigtte geene enkele daad van gezag, welke haar, bij het herstel van de wettige orde van zaken, als ongeoorloofd en onwettig kon worden toegerekend, en daar men ook door bet naburige België, in naam van welk land de stad evenwel in bezit genomen was, volstrekt, niet scheen erkend, veel minder beschermd te worden, verkeerde de stad in eenen zonderlingen exceptionelen toestand, daargeene autoriteit, zoo min als de Regering, eene daad van gezag kon of durfde uitoefenen, niet wetende in wiens naam zij dit doen, moest, zoo dat de invordering van allerlei soort van belastingen, zoo wel als het beheer der justitie en de regtsbedeeling de facto, waren opgeheven. Deze gevaarlijke stand van zaken duurde bijna drie maanden, gedurende welke de gegoeden onder de burgerij en alle welgezinde inwoners, ernstig naar uitkomst uitzagen, vooral daar zij steeds, door valsche berigten, met het herstel van het wettig gezag werden gevleid, en te meer daar door het stilstaan van alle verdiensten, de schamele gemeente, met bijdragen in levensmiddelen en geld, te vreden moest worden gesteld en als het ware in het leven gehouden. De dag van verlossing brak eindelijk aan. In den voormiddag van 11 Januarij 1831 ontving men alhier de heugchelijke tijding, dat er in het, ruim twee en een half uur van Hulst gelegene, Welsoorde, Ncdcrlandsche troepen waren ontscheept, welke ten vier ure des namiddags binnentrokken, bestaande uit twee kompagniën van de toenmalige negende Afdeeling Infanterie, onder bevel van den Luitenant-Kolonel, thans gepensioneerd Generaal-Majoor, Ardesch. Denzelfden dag kwam hier ook aan, de Baron von Rade, als buitengewoon Commissaris des Konings, voor de weder in bczitneming van Staats-Vlaanderen. Deze hernam zijne voormalige betrekking als Burgemeester en herstelde het wettig gezag insgelijks in de hare. Dadelijk na het binnenrukken van evengemelde troepen, werden de noodige voorzorgen genomen tegen eenen onverhoopten aanval van buiten, voor zoo veel zulks zonder geschut, want daarvan was men niet voorzien, .mogelijk-was. Men versperde den toegang tot de stad door palisssaderingen, verhakkingen en doorsnijdingen, en bezette de wallen en poorten, terwijl troepen buiten de naar de grenzen leidende Gentschepoort werden gebivouakeerd; : Naderhand zijn deze troepen door een meer talrijke militaire bezetting, zoo van mobiele schutterij als linietroepen, vervangen, de in der haast opgeworpen verdedigingswerken naderhand aanmerkelijk verbeterd, ook door het bezetten van meer of min belangrijke punten buiten de stad. Zij is dan ook, gedurende de Belgische onlusten steeds door de onzen bezet gehouden, tot na het sluiten van het vredesverdrag met België, hebbende, de laatste troepen, uit den staf en twee kompagniën van het reserve bataillon der, toenmalige zeventiende Afdeeling nu zesde Regiment bestaande, den 21 September 1839, deze stad verlaten, zoo dat zij, tot heden (1844) geen garnizoen meer heeft gehad.
Heeft deze stad door de verschillende belegeringen, welke zij heeft ondergaan, zo veel geleden, zij is niet minder door vuur en watersnooden geteisterd. Nadat Hulst in de jaren 1467, 1468, 1511, 1530 en 1532 min of meer door storm of hoogen vloed geleden had, doch telkens door den ijver der burgerij en gepaste maatregelen der Regering, voor groote rampen, was. bewaard gebleven, is in 1584, als wanneer de polder de Clinge, met andere om- en aanliggende landen, voor de verdediging der vesting onder water waren gezet, omtrent Baefmisse (l October) van dat jaar de stad door een geweldig onweder en hoogen vloed aan grooter gevaar bloot gesteld geweest dan immer te voren, als zijnde van rondsom door het indringende zeewater bedreigd, doch ook ditrmaal door den moed en volharding der ingezetenen bewaard gebleven. In de maand November van het volgende jaar 1585; werd de stad wederom door een verschrikkelijk onweder en hoogen vloed bezoch, waardoor de grootendeels herdijkte landen van de Clinge, benevens de polders Absdale en Hulster-Nieuwland en de baronnie van St. Jan Steen, overstroomden. De stad werd daardoor van alle kanten door het zeewater bedreigd, zoodanig dat gedurende den geheelen winter, tot in het voorjaar van 1586, de Gentschepoort en de Asschepoort moesten gesloten en toegedamd blijven, waardoor wel de gemeenschap met het land van Waes geheel was afgesneden, doch de stad behouden bleef.
Niet zo gelukkig was zij twintig jaren later, Op den tweeden Paaschdag van het jaar 1606, ontstond er wederom een verschrikkelijk onweder, vergezeld van eenen grooten aandrang van water uit de Clinge, welke toen weder met de zee gemeen lag, zoodanig dat niettegenstaande de contrescarpen in den vorm van zeedijken waren aangelegd, het water daar over. heen liep, de stadsgrachten vulde en vervolgens de Gentschepoort instroomde, zoo dat de Langenbelk en de Houtmarkt, ja, zelf een gedeelte van de Grootemarkt, onder water stonden.
Na nog eennaaal, in het jaar 1609 door eenen hoogen vloed bedreigd geweest, doch verschoond te zijn gebleven, heeft de stad niet door het water geleden tot in het jaar 1672, toen.de dijken van naburige polders, ter verdediging van de vesting zijn doorgestoken, zoo als hier boven reeds is gemeld, waardoor de stad, vooral bij springvloeden in den winter, menigmaal. in het uiterste gevaar heeft verkeerd, doch steeds met de schrik vrij kwam.
Het was niet alzoo in het jaar 1682. Na dat het reeds eenige dagen uit het Zuiden hevig gestormd had, was den 26 Januarij, de wind Noordwest geloopen, zoo dat het water met eene onweerstaanbare kracht langs het Hellegat naar de stad werd voortgestuwd. Het was dien dag gier- of springtij en het water moest wassen tot des avonds zes ure; doch reeds tusschen drie en half vier ure des middags stond het water, dat met onstuimigheid kwam opzetten, zoo hoog op de contrescarpen dat die eindelijk doorbraken, en ten half: vijf ure, de stadsgrachten boorde vol liepen. Het eenige redmiddel, het toedammen der poorten in 1585 met zulk een goed gevolg ondernomen, werd door de algemeene ontsteltenis en verslagenheid verzuimd of te laat te werk gesteld, zoo dat het water met eeen vervaarlijk gedruisch de Gentschepoort binnenviel, de Gentschestraat vervulde, over de markt naar den Langenbelk liep, en: in zijne vaart een steenen wachthuis en een daarnevenstaande gebouw ondermijnde en omverwierp. Met niet minder geweld stroomde het ooit de Beggijnepoort binnen, nemende zijnen loop tot aan het Kreupelstraatje, als wanneer het:zich door de riolen, vereenigde met dat, hetwelk door de Gentschepoort was binnengevloeid, zoo dat het laagste of zuiderdeel der stad geheel blank, en het water in de huizen, staande aan de Houtmarkt, tot twee en drie voet, en in die van de Gentschestraat, tot acht voet hoog, stond. Ook door de Dubbelepoort kwam het water met onstuimigheid binnen; het verhief zich tot het bovenste gedeelte, van de leuning der brug aan die poort; doch bleef staan ter helft van-de eenig zins klimmende Bierkaaistraat. De storm bedarende en het getij afnemende, viel het water weder, doch zeer langzaam, veroorzaakt door de engte van de doortogten en vooral om dat het van buiten zoo hoog stond, en als het ware door den wind werd terug gehouden, De woed, waarmede de naderende vloed de stad instroomde, was zoo geweldig, dat het metselwerk van de Gentsche-poort, ofschoon van aanmerkelijke dikte en zwaarte, omtrent 2½ voet gezonken en bijna 1½ voet in zijne grondslagen uitgeweken was.Werwaarts men van de stads wallen, welke zeer beschadigd en waarin groote bressen geslagen waren, het oog wendde, overal zag men niets dan water. De contrescarpen en buitenwerken waren op vele plaatsen doorgebroken en vernield, zoo ook de bruggen van de Beggijnepoort. Het bolwerk, achter het toenmalige gouvernementshuis was dermate gehavcnd en afgenomen, dat men beducht was dat het, bij verheffing van den storm, zoude bezwijken, zoo dat men met onvermoeide vlijt al dadelijk dit bolwerk afdamde en alzoo de stad voor eene geheele overstrooming beveiligde. In de Gentschestraat hadden de inwoners zich op de daken hunne huizen gered, en hoewel de schade, door deze ramp veroorzaakt, zeer aanzienlijk: was, verdient het opmerking, dat men geen verlies; van menschenlevens te betreuren had, hoewel er veel vee omkwam, en velerlei soort van visch in de stad en zelfs ook in de huizen gevangen werd.
Zoo als wij hierboven reeds hebben opgemerkt, heeft Hulst ook veel door brand geleden. Van vroegere vuurnooden, zoo als van dien, waarvan in den open brief van Gravin Margaretha (bladz. 907) melding gemaakt wordt, zoo mede van het verbranden der Stad door de Gentenaren in 1452, vinden wij nergens. eenige bijzonderheden aangeteekend. In den jare 1468 sloeg de bliksem in den, kerktoren, zoo dat daarmede bijna de geheele stad en zelfs verscheidene hofsteden daar buiten, zijn vernield en afgebrand. Nadat dit verlies zoo veel :mogelijk hersteld was, trof deze stad eene nieuwe dergelijke ramp, den 6 Junij 1562, wanneer het onweder opnieuw in gemelden toren:sloeg, met dat gevolg, dat niet alleen de toren, en alle de daken der kerk, maar ook het klooster der Observanten, of Recolletten benevens honderd:-zestig bijzondere woningen in de asch werden gelegd.
Ruim eene eeuw later, en wel in den nacht tusschen 20 en 21 November 1663, barstte een vreesselijk omweder boven de stad los, eene kleine vuursprankel werd op den kerktoren aangedreven, zoo dat eenige oogenblikken daarna eenige vonken uit de peer vlogen, en weldra de geheele toren, tot zeer na aan het dak den kerk, afbrandde, dan ofschoon het houtwerk aan de kerkdaken vernield en zelfs de balken aangetast werden, bluschte men echter den brand met inspanning van alle krachten, zoo dat deze zich niet verder uitbreidde. Alle klokken zijn toen uit den toren ter neder gestort, en gesmolten, uitgezonderd de uurklok, die gloeijend op de kerk nederviel, en tot ieders verbazing buiten hare regtstandige rigting, op het kerkhof aan de noordzijde is nedergekomen, alwaar zij langen tijd heeft gestaan, doch eindelijk weder in haar vorig gebruik is hersteld. Op deze klok leest men, ter herinnering aan den vorigen brand van 1562, het navolgend vierregelig vers:

Anno 1562 ’t Vier heeft desen Torre, lest geschent
VI Junij in dat jaar met CLX huisen daer omtrent
God hoede Hulst, voort sulck misbaer.
Pieter ben ick gegoten van Adriaen Stylaer
In het Jaar onses Heere MCCCCCLXIII.

Nadat uit deze klok voor eenige jaren de klepel was gevallen, had men daaronder eene soort van driepikkel geplaatst, waapin de klepel gehangen is welke vervolgens tegen het ligchaam der klok aanslaande, gelijke werking deed als of die werkelijk in de klok hing. De storm van den 29 November 1836, waardoor de peer des toren heen en weder geslingerd werd, veroorzaakte dat diezelfde klok naar benedcn stortte, doch, door een onbegrijpelijk toeval met het bovenste gedeelte op een ladder en voorts op het ligte houtwerk van gemelden drievoet hangen bleef, zoo dat men zich verpligt- heeft gezien, om daar de laatste ring of oog, waarin zij hing gebroken was, van boven in het ligchaam der klok zelve gaten te boren, en daardoor bouten te drijven, aan welke zij thans nog hangt, doch waardoor het geluid eenen doffen klank heeft gekregen. De gemelde brand, vergezeld zijnde van eenen hevigen storm, verbreidden de brandende spranken zich over en in de stad, zoodanig dat de kruidmagazijnen met natte zeilen bedekt, en allerwege doelmatige voorzieningen genomen werden, om de stad voor eenen geheelen ondergang te behoeden. Behalve het afbranden van enkele huizen leest men niet, dat de stad verder door vuurnooden is bezocht geworden.
Het wapen van Hulst was oudtijds een schild, met eenen man in bisschoppelijk gewaad, aan welks regterzijde, een ander beeld geplaatst was, staande op eenen draak, hebbende boven zijn hoofd een kruis, omvlochten met een hulstertak, en houdende eene rol met het opschrift St. Willibrordus; aan de linkerzijde stond een klimmende gekroonde leeuw. Het randschrift, tusschen hulstertakken geplaatst, luidde aldus: Sigillum scabinorim oppidi de Hulst (d. i. het zegel van Schepenen der stad Hulst). Ten jare 1334 is dit wapen veranderd in het tegenwoordige, verbeeldende eenen klimmende, gekroonden leeuw van sabel (zwart), op een goud veld aan beide zijden van het schild met eenen hulstertak en boven hetzelfde schild nog eenige bladen van de hulsterboom, met dit omschrift: Sigillum scabinorum Hulstenses of liever Hulstensium),ad causis (d. i. het zegel van Schepenen van Hulst voor zaken). Wij vinden dit wapen alzoo, afgebeeld op al de stads ordonnantien, keuren en plakkaten vóór de inlijving in Frankrijk, door de Regering van Hulst uitgevaardigd en in een groot koperen cache gegeraveerd op de stadsgriffie voorhanden. Het is ons dus eenigzins zonderling, voorgekomen dat bij diploma van den Hogen Raad vanAdel, gedagteekend) den 31 Julij 1817, het wapen der stad aldus is beschreven; zijnde van goud, met een gekroonden leeuw, alles van keel (rood), het schild gedekt met eene kroon van goud, waarin derhalve van geen hulstertakken gewaag is gemaakt.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Hulst