Hulster-Ambacht, een der vier ambachten, naar de vier hoofdplaatsen Assenede, Axel, Bochaute en Hulst genoemd, welke met en benevens het Land van Waes, door Keizer Otto I, omtrent het jaar 940, aan het nieuwe kasteel van Gent, dat toen gebouwd is, werden onderworpen (zie verder Ambachten [Vier-])
Hulster-Ambacht grensde ten N, aan de Honte-, of Wester-Schelde, ten O. aan het Drooge Land van Saftinge, ten Z. aan de stad Hulst en het Land van Waes, ten W. aan Axeler-Ambacht. Het bevatte vier dorpen (zijnde Ossenisse, Hontenisse, Hengstdijk en Sir Pauwels of Paulipolder). Onderscheidene, naar men wil acht, dorpen en eene menigte polders, te voren mede deel gemaakt hebbende van Hulster-Amabacht, zijn door de zee verzwolgen. Onder deze telde men een groot deel van de Grouw of Graauw, met het dorpivan. dien naam, dat destijds meer landwaarts in gelegen, was, dan het naderhand aangelegde tegenwoordige dorp Graanw. Voorts den Westpolder, den Brugschepolder, den Bunderpolder, den Noordpolder, den Zuidpolder, den Casuelenpolder of Kieskas en het grootste gedeelte van Oud-Hontenisse. Alle deze overstroomde polders kwamen mcerendeels toe aan de abdij van Duinen, te Brugge. In latere lijden zijn de heerlijkheden van Saftinghe en van Namen, mede deel makende van Hulster-Ambacht, insgelijks ondergevloeid. Tot dit ambacht behoorde ook een gedeelte van het dorp Kieldrecht. Dit gedeelte werd daarom Staats-Kieldrecht geheeten, ter onderscheiding van Oostenrijks-Kieldrecht, vermits de grensscheiding tusschen Staats-Vlaanderen en Oostenrijks-Vlaanderen, door het dorp heen ging. Het Staatsche gedeelte is thans eene tamelijk uitgestrekte buurt, bekend onder den naam van den Hollandsche-Kauter. Ook lag mede in Hulster-Ambacht, de Vrije heerlijkheid en baronie van St. Jan-Steen.
Onder de nalatenschap van Willem III, Koning van Groot-Britittanje, waren ook eenige goederen in Hulster-Ambacht, volgens de overeenkomst, in het jaar 1732, tusschen den Koning van Pruisen en den Prins van Oranje gemaakt, den Prins toebedeeld; Zij bestonden in het dorp en den polder van Hontenisse en een aamerkelijk deel van de polders Ossenisse en Hengstdijk. Alle deze goederen behoorden, eertijds tot het klooster van Zande (zie dat woord) en van de abdij van Eversom, welke van gemelde abdij van Duinen afhingen, doch zij werden, in het jaar 1582, door de vier leden van Vlaanderen aan Willem I, Prins van Oranje, geschonken, om hem het verlies zijner goederen in het graafschap Bourgondiëre enigermate te vergoeden. De Algemeene Staten bevestigden deze-giften, na de inneming van Hulst in 1645, ten behoeve: van Frederik Hendrik en zijne nakomelingen.
De Prins van Oranje had in Hulster-Ambacht eene regtbank, die kennis nam van de overtredingen der wetten en keuren; welke omtrent de dijken, wegen, waterloopen en stroomen bestonden, doch alle andere deelen der lage en middelbare, en inzonderheid der hooge geregtsoefening, behoorden aan de regering van Hulsterambacht, bestaande in eenen Hoogbaljuw, eenen Burgemeester, zes Schepenen, eenen Griffier en eenen Thesaurier. De Hoogbaljuw, die tevens het ambt, van Opperschout waarnam, .werd, door de Algemeene Staten voor zijn leven aangesteld. Bevorens werden de ambten: van Hoogbaljuw van de stad en van het ambacht, door twee onderscheidene personen, bekleed, doch wij vinden dat, sedert het begin der achttiende eeuw, een en dezelfde persoon beide ambten in zich vereenigde. De Burgemeester en de Schepenen werden, gelijk die van de stad, jaarlijks door Afgevaardigden van de Algemeene Staten veranderd of nog voor één jaar in hunne bedieningen bevestigd. Zij hielden hunne vergaderingen in het nog bestaande Landshuis, in de Steenstraat te Hulst, welk gebouw thans als Stadhuis gebruikt wordt. In dit Landshuis werd, over de gansche uitgestrektheid van het ambacht (behalve in de heerlijkheid St. Jan-Steen, welke haar eigen regt had):, hoog, middelbaar en laag regtsgebied uitgeoefend, zoodanig ,dat deze jurisdictie zich, volgens contract, aangegaan, tusschen den Magistraatvan Hulst en dien van Hulster-Ambacht, door de Algemeene Staten goedgekeurd, bij resolutie van 16 Mei des jaars 1645 (Zie Groot Plakkaatbok, dl II,.bl 1230). uitstrekte tot binnen het gemelde Landshuis en erve, en dat diensvolgens » de eerde en de gront van denselven huyze binnen den »begrype ende mueren sal syn ende blyven, bodem ende eerde van » Hulster-Ambacht, gelyck ook sal wesen den gront tot ten halven » van de voorsz. Steenstraete, ende ter breedte van des voorsz. huyse, » op wekken halve straete zy lieden Magistraten van. den Ambachte » by dien, altyts sullen mogen recht ende justitie administreren soo » crimineel als civil, ende hare sententie feytelyck ende opentlyck ter » executie stellen naer hare forme ende inhoudt, in den selven stant ende « forme, al of sylieden. deselve executie ende rechtspleginge deden » ende doende waren binnen den. districte van den voorsz. ambachte." Hulster-Ambacht volgde, in zijne regtspleging, de wetten en costumen van Gent. Men kon zich van hare vonnissen, gewezen in burgerlijke zaken, op den Raad van Vlaanderen beroepen.
Behalve dit collcgie bestond in Hulster-Ambacht, nog een ander, de Vergadering van Notabelen genoemd, bestaande uit eenige van de voornaamste ingezetenen, welke konden bewijzen ten minste 30 gemeten (13 bund. 36 v. r. 80. v. ell.) lands in het ambacht te bezitten, hebbende eenen Voorzitter aan het hoofd. Zij werden door den Magistraat van het ambacht gekozen, en zonder: toestemming van de Vergadering van Notabelen, kon er geene belasting op het ambacht worden gelegd. Zij kwamen ten minste een maal ’s jaars bijeen. De Magistraat legde haar eene petitie of bede voor, bevattende eene staat van onkosten en uitgaven voor het volgende jaar, die zij aannam of verwierp. In buitengewone en voor het ambacht belangrijke zaken, of wanneer de Regering den raad en voorlichting van Notabelen noodig had, riep zij die bijeen. Gecne regtsgedingen mogten worden ondernomen, dan met kennis en goedvinden van Notabelen, uit welke vergadering, door de Afgevaardigden der Algemeene Staten, jaarlijks twee of drie leden verkozen werden, om kennis van de regtsgedingen te nemen en daarvan ter eerste bijeenkomst; in tegenwoordigheid van: gemelde Afgevaardigden, verslag te doen.
Hulster-Ambacht had eene uitgestrektheid van 23,980 gemeten 57 roeden (10,564 bund; 65 v. r, 42 v. ell.) hemelsbreedte, doch was slechts 20,004 gemeten 83½ roeden (8914 bund. 15 v. r. 45 v. ell) schotbaar groot. Bij eene door de Regering in het jaar 1730 gedane opneming der bevolking vond, men dat deze niet boven de 4000 zielen beliep, terwijl thans het land, het welk Hulster-Ambacht beslaat, door ruim 10,600 zielen bewoond wordt. Zeven achtste deelen der ingezetenen waren, bij de telling van 1730, de R. K. godsdienst toegedaan. Zij hadden er twee kerkschuren, ééne onder Lamswaarde en de andere onder Hontenisse.
Hulsterambacht maakt thans een gedeelte uit van het kant. Hulst en bevat nu de gem.: Graauw-en-Langendam, Hengstdijk, Hontenisse; Ossenisse, Stoppeldijk, St.-Jan-Steen en de Clinge. Na de in bezitneming van Staats-Vlaanderen door de Franschen in 1794, heeft Hulster-Ambacht, als zoodanig, opgehouden te bestaan.
Het wapen van Hulster-Ambacht bestond in een schild, verdeeld in vier kwartieren. Het eerste van azuur, met het agnus Dei van zilver staande op een terras van sinople (groen), het tweede van zilver met, en Oranjeboom, tegengehouden door eenen windhond in natuurlijke kleur; het derde van goud, . met eenen steigerende (cabré) hengst van sabel (zwart) en:staande op een terras van sinople en het vierde tierce en fasce of in drie horizontale deelen; het bovenste van goud, het middelste van sinople, het onderste gegolfd van zilver; op het eerste vier schoven in natuurlijke kleur, op het tweede even gelijke schoven en op het derde een gegolfde fasce van sinople.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Hulsterambacht