Goes of Ter-Goes, gem. in het eil. Zuid-Beveland, prov. Zeeland, dist., arr. en kant. Goes (7 in. k., 3 s. d.); palende N. aan den Wilhelminapolder , gem. Kattendijke, O. aan de gem. Kloetingen, Z. aan 's Heer-Abtskerke-Sinoutskerke-en-Baarsdorp, W. aan 's Heer-Hendriks-kinderen-en- Wissekerke.
Deze gem. bevat de st. Goes, benevens een gedeelte van den Goeschepolder en eenige verstrooid liggende h., van welken eenigen , ten Z.O. van de stad, eene fraaije voorstad uitmaken. Zij beslaat eene oppervlakte van 731 bund. 58 v. r. 25 v. ell., telt 911 h., bewoond wordende door 1180 huisgez., uitmakende cene bevolking van ruim 5500 inw., die meest hun bestaan vinden in handel en landbouw, welke handel , behalve in winkelnering, bestaat in granen , meekrap, aardappelen en boomvruchten. Ook heeft men er eenige fabrijken en trafijken, als: 2 meestoven; 2 zoutketen; 1 leerlooijerij; 1 oliemolen; 1 houtzaagmolen; 1 pel- of gortmolen; 2 korenmolens; 2 boekweitmolens; 2 brouwerijen; 1 azijnmakerij; 1 katoenweverij; 2 chocoladefabrieken; 1 patentoliefabrijk; 3 kaarsenmakerijen; 2 boekdrukkerijen en onderscheidene tabakskerverijen, Voor eenige jaren had men hier bovendien nog 1 bierbrouwerij; 1 zeepziederij; 1 leerlooijerij; 1 olie- en 2 korenmolens en onderscheidene zoutziederijen.
De Herv., welke hier ruim 4000 in getal zijn, maken eene gem. uit, welks tot de klass. van Goes, ring van Goes, Eerste sectie, behoort, en door 3 Predikanten bediend wordt. De eerste , die hier het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Henricus Brandt, die in het jaar 1578 herwaarts kwam en in hetzelfde jaar naar Kruiningen vertrok, komende, in September van dat jaar, in zijne plaats Timannus van Oosterzee, die in het jaar 1583 overleed. In het jaar 1579 werd tot tweede Predikant beroepen Quirijn Govaerts, die in het jaar 1580 schijnt gestorven te zijn, toen men in zijne plaats beriep Gulielmus Nicolai, die in het jaar 1615 overleed; terwijl men in het jaar 1611 tot derden Predikant beriep Petrus Lansberge, die in het jaar 1615 met zijnen vader Philippus Lansberge, ook hier in de dienst, ontslagen werd. In het jaar 1650 werd tot eersten vierden Predikant beroepen Johannes Lamberti Hesselius, die in het jaar 1651 naar Zwolle vertrok; in het jaar 1696 beriep men tot vijfden Predikant Petrus Schemer, die in 1707 overleed; doch de vijfde plaats duurde maar tot dat de Predikant Leidekker in 1698 emeritus werd, dus maar twee jaren. De vierde leeraarsplaats is in het jaar 1811 vervallen, want na het ontslag van Jacobus de Kanter, hetwelk in dat jaar plaats had, is er in diens plaats geen vierde Predikant meer beroepen, zoo dat er thans slechts drie gevonden worden. Het beroep geschiedt door den kerkeraad.
De Afgescheidenen, die hier 230 in getal zijn, maken mede eene gem. uit.
De Evang.-Luth., van welke men er een tiental telt, maken, met de overige in het eil. Zuid-Beveland wonende, eene filiale gem. uit, welke tot den ring van Rotterdam behoort, en waarin de Predikant van Middelburg de dienst waarneemt.
De Doopsgez., van welke men er 9 aantreft, vormen mede, met de overige uit het eil. Zuid-Beveland, eene gem., waarin de dienst door den Predikant van Ouddorp wordt waargenomen.
De R. K., die er ongeveer 1200 in getal zijn, onder welke 800 Communikanten, maken eene stat. uit, welke tot het aartspr. van Holland-en-Zeeland, dek. van Zeeland, behoort, en door eenen Pastoor bediend wordt.
De Isr., van welke men er 50 telt, behooren tot de ringsynagoge van Middelburg, en hebben hier eene bijkerk.
Men heeft in deze gem., behalve de Latijnsche en matressenscholen, 5 scholen, gezamenlijk gemiddeld door een getal van ongeveer 400 leerlingen bezocht wordende.
De stad Goes, gemeenlijk Tergoes, in de oude keur van Ijerseke van 1325 Goys, en in het Lat. Goesa genoemd, ligt 4 u. O. van Middelburg, 5 u. Z. van Zierikzee, 6 u. W. van Bergen-op-Zoom, 4 u. N. van Axel, tusschen grazige landouwen, welke, benevens vele boomgaarden, de stad omringen; 51° 30' 13" N. B., en 31° 33' 17" O. L.
Zij heeft langs de wallen nagenoeg ½ u. in den omtrek, maar buiten hare grachten, langs de buitensingels, welke zich met de haven ver naar het N. uitstrekken, wordt de omtrek wel op een uur gaans gerekend.
Binnen de stad beslaat zij eene oppervlakte van 44 bund. 93 v. r., 78 v. eil. Men telt er 794 h. en 4800 inw.
Wegens den oorsprong van den naam van Goes zijn de oude schrijvers het niet eens; sommige beweren, dat, daar de plaats voormaals eene schor was, waarop altijd vele ganzen gevonden werden, en het woord Goes in de oude Duitsche taal gans beteekende, de naam van Goes hieraan is toe te schrijven. Anderen willen, dat Goes, in de aloude Deensche en Nederduitsche taal, beteekent eene bij uitstek vruchtbare landstreek, en, daar nu Goes in zulk eene vruchtbare landstreek gelegen is, schrijven zij den naam dezer stad hieraan toe. Meer waarschijnlijk is het echter dat de naam afstamt van de oude villa Gosaha, welke reeds in het jaar 776 genoemd wordt. Aan de boorden van den stroom van dien naam, op den oosthoek van het westelijk gelegen hooge land, werd al vroeg eene sterkte opgeworpen, later als het slot Ostende bekend. Andere huizen werden er bij getimmerd en alzoo ontstond het dorp Ter-Gosaha of Goes geheeten. Het behoorde eerst aan den oudsten tak der Van Borsselen. Na verbeurdverklaring der goederen van Floris van Borssele, in 1315, kwam het in bezit van Jan van Beaumont, die de plaats in 1342, met 's Graven goedkeuring van keuren voorzag. Sedert breidde zij zich van lieverlede uit. Zij werd in het jaar 1406 nog een dorp genoemd, doch kort daarna eene stad, hebbende nog gene wallen, maar stadsregten, verkregen. In het jaar 1417 en volgende jaren werd Goes van poorten en vestingwerken voorzien, en de stad verkreeg van Jacoba van Beijeren, Gravin van Henegouwen, Holland en Zeeland, eene vrije jaarmarkt; alsmede een wapen.
In hetzelfde jaar, den 21 November, werd Goes, door Vrouw Jacoba als eene stad erkend, en vervolgens met wallen voorzien en versterkt, volgens hare handvesten, gegeven te 's Gravenhage. De stad werd in het jaar 1577, verheven tot de derde stemhebbende der provincie Zeeland.
Men heeft er thans zeven poorten, als: de Nieuwe-Hoofdpoort, de Oude-Hoofd poort, de Oostpoort, de Waterpoort, de Koepoort, de Zuidpoort en de Westpoort. De Nieuwe-Hoofdpoort, in het noorden, aan den West-Havendijk, is eene der fraaiste poorten van de stad, in het jaar 1637, naar de Dorische orde geheel nieuw gebouwd, en geleidt langs de straat tusschen de twee poorten of de Nieuwe Kaai, naar de St. Maartens of Oude-Hoofdpoort. De laatste, die thans binnen de stad ligt en gewoonlijk de Donkerpoort genoemd wordt, heeft een torentje met een uurwerk en slagklok, bij den gemeenen man het Schippersklokje genaamd. De Oostpoort staat bij of aan de Water- of Slikpoort, die ook den naam draagt van Bleikveldschepoort. Deze staat aan het noordeinde der oostzijde van de Binnenkaai, bij de zoogenaamde Draaibrug, nu een dubbele Valbrug. Aan de zuidzijde van de stad heeft men de Koepoort, tegenover de Poel, een distrikt vol grazig weiland. De Zuidpoort, ook de Ganzenpoort genaamd, is in het jaar 1624, aan hare buitenzijde geheel vernieuwd. Zij heeft aan den binnenkant eenen ronden toren, met eene tamelijk hooge spits. De Westpoort staat aan de westzijde van de stad. Zij wordt ook 's Heeren-Hendrikskinderenpoort genoemd, omdat men door haar naar het dorp van dien naam gaat. Op den toren van den Binnen-Havenpoort, genaamd de Kaaikloktoren, prijkt een metalen scheepje, hetwelk aldaar geplaatst is ter herinnering aan het aandeel, hetwelk de stad Goes gehad heeft in den eersten togt, der Oost-Indische compagnie naar Indië, en later weer in dien onder aanvoering van Pieter Both. De stad bemande toen een schip, dat den naam van Goes droeg, met eigene stedelingen, waaronder ook vrouwen, de eerste, die naar Indië zijn gevoerd, om zich aldaar te vestigen. De vloot bragt de tijding van het gesloten bestand over, en op het Zeeuwsche schip werden de eerste verrekijkers naar Indië overgebragt.
De stad heeft van alle Zeeuwsche steden, het minst van hare welvaart door de ongunst der tijden verloren. Het uitgestrekte land heeft haar altijd een bron van bestaan gegeven, en doet zulks nog. Jammer, dat haar naijver, ten jare 1452, een proces voor den hove van Holland deed ontstaan, over den lakenhandel, die op de omliggende dorpen sterk gedreven werd, en dien de stad hun benijdde, hetwelk in de gevolgen het verloop van dien aanzienlijken handelstak naar Engeland te weeg bragt. Toen de Oude-haven, een overblijfsel der Gosaha, in het midden der vijftiende eeuw verloopen was en niet meer op den Diepe uitkwam, zoo verzochten die van Goes, in den jare 1442, aan Filips, Hertog van Bourgondië, een stuks lands, bezijden de Oude-haven te mogen vergraven en deze gracht met eenen anderen uitgang, dan de Oude-haven bevorens had, tot aan den Diepe te mogen brengen. Ook verzochten zij, voor zich, al den derrie, dien men door het delven zoude bekomen. Hertog Filips, vergunde hun op die bede niet alleen den brand van dien derrie, maar gaf hun nog daarenboven verlof, om eene redelijke belasting te mogen leggen op alle hunne poorteren, en degenen, die de gemelde haven met hunne koopmanschappen gebruiken zouden. Zoo bleef het tot tegen het midden der zestiende eeuw, toen de later genoemde Nieuwe-haven was noodig geworden. Het consent der Staten van Zeeland, om nog gedurende zeven jaren twee stuivers per gemet door geheel Zuid-Beveland te heffen, tot herstel der stads vestingwerken, schijnt de Regering van Goes tot het stellig besluit te hebben gebragt, om het havenwerk te laten verrigten. Allen, tot de Secretarissen toe, verbonden zich (om redenen) met eede dat de kosten der haven daaruit, zoo veel mogelijk, bestreden zouden worden; en toen de gezegde termijn ten einde begon te loopen, vervoegden zij zich ook werkelijk bij Heeren Staten, met verzoek om zekere vrijdommen, accijnsen enz., en verlof tot het maken van eene nieuwe haven, vermits de oude, door de menigvuldige kromten, ondiepten en andere ongeregeldheden, onbruikbaar was enz. Den 18 November 1650 werd dit verzoek toegestaan. Ter naauwernood was het berigt er van te Goes of men besloot reeds den 25, om met de noodige voorbereidselen een begin te maken, door omverhaling van de huizen op de Zelke staande. en door aankoop der gronden, door welke de nieuwe haven loopen moest. Den 11 December besloot men die haven aan te besteden. Het werk werd aangenomen door Jacob Roerberg van Tholen voor 16 ponden vlaamsch (96 guld.) de strekkende Putsche roede. Hij begon er mede den 10 Maart 1681, ontving den 16 Mei 700 ponden vlaamsch (4200 guld.) op rekening , en bleef nog voortwerken tot 5 Julij, wanneer hij klaagde over den zwaren arbeid, en meer geld vroeg. Doch de Regering deed het werk opvatten, behoudende de aanspraken, die zij op den Aannemer had, en voltooide het geheel met het begin van October, zoodat den 6 van die maand de eerste schepen er door voeren. Reeds veel vroeger, in 1624, waren de kaai en andere belangrijke werken aan de haven in orde gebragt, en de houten brug over de haven, op den 1 April 1632, aanbesteed voor f 1694. Die havenwerken waren niet nutteloos, maar droegen veel bij tot bevordering der nijverheid.
Nog staande het werk rusteden Cornelis Colve en Jacob Pieter Fanges wederom een zeekoopvaardijschip uit, en werden uit dien hoofde den 11 Julij 1651 door de Regering beschonken met eene vlag, ter waarde van 5 ponden vlaamsch (50 guld.). Den 14 April 1652 stond de Regering aan Jan Vernon toe, om in het noordeinde der stad eene nieuwe brouwerij op te rigten , en het water, ter afspoeling der vaten, te halen uit den put bij de 's Heer-Hendrikskinderen-poort; ofschoon eerst 6 jaren te voren de brouwerij de Gans, op octrooi van 8 Januarij 1644, was opgerigt. Aan dezen werd, den 9 Mei 1686, 20 ponden vlaamsch (120 guld.) toegezegd, tot goedmaking der kosten, wegens het leggen van waterbuizen tot aan de kaai . welke nog aanwezig zijn, ofschoon zij niet meer gebruikt worden. Eindelijk had men nog altijd maar de eene meestoof, op octrooi van 50 Januarij 1595, door Charles de Prato gesticht. Aan hare deelhebbers werd nu, den 28 November 1656, vergund aan de overzijde der haven eene tweede te bouwen, vermits men reeds , wegens het meerder vertier, had moeten toestaan, om ook des Zondags avonds, na het luiden der poortklok, in de stoven te mogen werken. Men had die nieuwe haven gelegd aan de westzijde der oude haven, bijna regt noordwaarts, tot aan de diepte van de latere Schenge, aldaar het Goesche-diep geheeten. De verlanding van deze haven belemmerde intusschen de vaart weder, in de laatste helft der vorige eeuw; terwijl de bedijking van den Lodewijk-polder, nu Wilhelmina-polder, in 1809, eene voortzetting van het havenkanaal volstrekt noodzakelijk maakte. In eene meest noordoostelijke rigting werd dan ook een kanaal gegraven, van de havenschansen af, hetwelk zich ten zuid-oosten van Oost-Bevcland in de Ooster-Schelde uitstort, en daar aan den uitloop voorzien werd van een schutsluis, hebbende aan de zcezijde een paar vloeddeuren, en aan de binnenzijde een paar waaijerdeuren. In den zomer van 1810, werd deze haven voor de scheepvaart geopend, doch na weinige weken weder toegedamd, uithoofde van eene ontdekte ontgronding der sluis. Met het aanwenden der noodige herstellings middelen, duurde het tot de maand Julij 1811, eer de haven van nieuws werd opengezet, doch voornoemde ramp openbaarde zich in het volgende jaar in eene zoo hooge mate weder dat, op den 24 Junij 1812, eene tweede aldamming bewerkstelligd moest worden. Het werd onraadzaam geoordeeld, aanzienlijke sommen te besteden aan de herstelling van een werk van zoo beperkt gebruik, en hetwelk nu ten tweedemale mislukt was. Wenschelijk en noodig daarentegen was het voor den welstand der stad en herstel der zeevaart, dat een ander ontwerp gevolgd werd. Men besloot daartoe in 1817. De eerstgelegde schutsluis werd met vele voorzieningen tot eene binnensluis gemaakt, met vloed- en ebdeuren. Vóór haar naar de zeezijde, op eenen afstand van bijna 31½ ellen is een buitensluis gebouwd, die, behalve van vloed- en ebdeuren, nog van eene stormdeur voorzien is. Beide sluizen zijn 6,28 ellen wijd. Aan hare zijden zijn twee uitloozing-sluisjes, ten dienste van den Wilhelmina-polder vervaardigd. Tusschen beide sluizen is een kolk ter doorschutting van vaartuigen, wijd aan de einden 12,50 ellen, en in het midden 18,21 ellen. De doorschutting zelve kan ruim 7 uren van elk getij, van voor halven vloed tot na halve eb, bewerkstelligd worden. De buitenhaven is niet lang, maar genoegzaam beveiligd en van eenen trekberm voorzien. De binnenhaven heeft over zijn geheel geene lijnregte rigting, en is van het Sas tot aan de stad ongeveer een uur gaans lang, van de sluis af tot 940 ellen binnenwaarts, heeft het kanaal verschillende breedte; doch van hier tot aan het oude hoofd, heeft de waterspiegel bij het aangenomen peil van 25 palmen, de breedte van omtrent 25 ellen. Aan de ophaalbrug bij het Wilhelminadorp, nagenoeg ter halverwege tusschen de stad en het Sas, is de afstand van kant tot kant 52 ellen. In Augustus 1819 waren haven en sas zoo ver voltooid, dat zij voor de scheepvaart geopend konden worden.
De oude haven, die, zoo als gezegd is, aan de oostzijde van de nieuwe haven lag, werd bij den Havenboom van haar gescheiden, door eenen dijk of breeden dam, zich van den ouden tot aan den nieuwen havendijk uitstrekkende, en aan het zuideinde van de oude haven gelegen. Van dien dam strekte deze haven zich met eenige bogten, noordwaarts uit, tot dat ze tegen de noordoostelijke zijde van den dijk der nieuwe haven stuitte, zij diende later zoo tot gerijf van eenige zoutkeeten, als om de nieuwe baven te schuren, of van haar zand en slibber te zuiveren ; ten dien einde was er een spui- of valsluis in den voorgemelden dam, tusschen de oude en nieuwe haven, waarvan men het schoft, wanneer de oude met hoog water volgeloopen was, liet vallen, en het dus daarin ophield en bewaarde, om bij laag water in de nieuwe haven schuring te veroorzaken. Ten dezen einde werd ook gebruik gemaakt van eene mol, zijnde een soort van platgebodemde schuit, die met laag water voor aan de nieuwe haven gebragt, en aldaar zoodanig geplaatst werd, dat het water met geweld door de geopende sluizen van de oude haven uitbarstende, tegen de achterzijde van dat werktuig aandrong, en hare deuren opende. Dus sloot de mol den geheelen doorgang der haven, en het water zich tegen het schot en de deuren aan hare achterzijde wel drie, vier of meer voeten hoog opzettende, dreef dit werktuig met eene groote kracht voort, zelfs zoodanig, dat, niettegenstaande de tanden van den achterbalk diep door den grond sleepten, om dien los te maken, nogtans de mol tot aan het einde van de haven voortliep en al het onklare mede schuurde. Om zulks te verrigten waren er acht of negen mannen noodig, als, vijf ofl zes om den voorsteven regt in de haven te houden en een of twee om het raam te doen rijzen of dieper in den grond te drukken. Deze haven is echter reeds sedert lang droog en beplant.
Behalve de voorschreven Oude- en Nieuwe-haven, was er nog een water, de Achterhaven genaamd, dienende gedeeltelijk tot hetzelfde einde als de Oude haven, en ook om eenen water-koren molen , staande op den noordwesthoek van de Binnenkaai, in beweging te brengen.
De Stad Goes plagt bij het inkomen der haven gedekt te worden door twee schansen , de eene aan de oostzijde, tegen de oude haven aanliggende, en de andere aan de westzijde, bij den mond der Nieuwe-haven, digt aan het Groote-diep. Van deze laatste liep eene linie van communicatie, de Groene-dijk genaamd, nabij de hoofdpoort uitkomende. Deze schansen en communicatielinie, thans tot het gezegde doel onnut, worden even als de wallen, ravelijnen , enz. die de stad omgeven, en alle vroeger tot verdediging der stad gediend hebbende, door partikulieren gebruikt tot grasetting, moestuinen enz. Oudtijds schijnt de stad voor het grootste gedeelte met eenen steenen muur omtrokken te zijn geweest. Of zij gesticht is op vergunning van Vrouw Jacoba van Beijeren, die aan de stedelingen, in het jaar 1417, heeft toegestaan: » haaren stede te bevesten, sterken, bezorgen » met poorten, graften enz.," kunnen wij niet bepalen. Immers was de stad, vóór dien tijd, nog geheel open en onversterkt. Tot heden (1842) vindt men nog onderscheidene overblijfselen van eenen ouden steenen muur, als: aan de oostzijde, bezuiden de 's Heer-Hendrikskinderen-poort. Ook staat nog een oud overblijfsel van dezen muur tegen de Zoute-vest aan. Men heeft thans nog hier en daar bolwerken om de stad, liggende er onder anderen een aan de Nieuwe-poort, doch onregelmatig, waarvan de halve gordijn door het water van de Zoute-vest bespoeld wordt. In de jaren 1578 en 1585 werd de stad nog aanmerkelijk versterkt. Aan wederzijden van de haven werden toen bolwerken en ravelijnen gelegd, benevens twee schansen, aan het einde van den Havendijk. Aan de oostzijde, bij de Ganzenpoort, werd de stad toen ook met een tandwerk uitgelegd en vergroot.
De stad heeft vijf pleinen, waarvan de Groote Markt het grootste en fraaiste is, zijnde van gedaante langwerpig vierkant, in het midden beschulpt en met boomen omzet; terwijl er zeven straten op uitloopen. Aan de zuidzijde levert het Stadhuis, en een weinig ter zijde de voorgevel van het kruispand der Groote kerk, een waarlijk schoon gezigt op. Deze markt is omtrent 5600 vierkante ellen groot. Op het midden staat eene fraaije arduinsteenen pomp, omzet met een ijzeren hek.
Veel kleiner is de Vlasmarkt, door eene steeg van de vorige gescheiden. Dit plein is bestraat. Digt daarbij is de Beestenmarkt, een vrij ruim plein, even als de Groote Markt, in het midden beschulpt en vroeger met eene arduinsteenen, thans met eene houten pomp, voorzien.— De Oude-Vischmarkt is een klein plein bij het Gasthuis. Het heeft mede eene pomp. — De Ali kruik en- of Kreukelmarkt, ten zuiden der Grootekerk, is mede een niet groot plein. Tot het doel, dat door den naam wordt aangewezen, wordt het niet gebruikt.
Het Stadhuis, aan de Grootemarkt, is een oud gebouw, dat in het jaar 1771, en vier volgende jaren grootendeels vernieuwd is. De ingang is in den regter vleugel en voert naar eenen fraaijen gang, welke oostelijk en westelijk loopt, waaruit men in zeer nette en doelmatig ingerigte vertrekken komt, van welke eenige tot raadkamer secretarie enz. anderen tot vergaderplaats van de arrondissements-regtbank, griffie, enz. dienen. In dat, waarin de regtbank zitting houdt, vindt men fraaije zinnebeeldige schilderijen en basreliefs van de hand des bekwamen Geraerts. In een ander vertrek, is eene kleine, doch niet onbelangrijke boekverzameling; ook bewaart men er eene oude, schoon slecht uitgevoerde schilderij, voorstellende het beleg der stad in 1572, onder Tsebaerts en haar ontzet onder Mondragon, een stuk, hetwelk sommige bijzonderheden opheldert en daardoor alleen van eenige waarde zijn kan, ofschoon het als kunstwerk geen de minste verdienste heeft. De westervleugel bestaat uit eenen zeer ouden en niet hoogen vierkanten toren, in welken de groote klok hangt, en die bij genoemde verbetering, een fraaijen koepel heeft ontvangen; doch thans bouwvallig zijnde, eerlang zal vernieuwd worden. Men vindt daarin eenige gevangenplaatsen, alsmede een uur en slagwerk. Vroeger waren aan de noordzijde van dezen toren, ijzeren kettingen opgehangen, welke in het midden eenen kraag hadden en waarschijnlijk in oude tijden gediend hebben , om met zware steenen aan de einden, misdadige vrouwen om den hals te hangen. (Men zie over deze straf J. Ab Utrecht Dresselhuis: Wandelingen door Zuid- en Noord-Beveland. bl. 196). In dezen toren ontstond, door een zwaar onweder, op den 6 September 1687, een hevige brand. De oostervleugel van het stadhuis heeft, van de markt te zien , insgelijks eenen gekoepelden lagen toren, doch kleiner dan de vorige. Deze heeft in de Lange Kerkstraat de gedaante van eene hooge burgerwoning.
Onder het Stadhuis, is de Stadswaag. Vroeger stond de waag afzonderlijk, ten westen over den toren van het Stadhuis, welk gebouw thans gebruikt wordt tot Hoofdwacht.
Aan de achterzijde van het Stadhuis, had men de Vleeschhal,doch dit lokaal wordt thans niet meer daartoe gebezigd, maar dient thans gedeeltelijk tot keuken en bergplaats van de Conciërge, gedeeltelijk tot bergplaats van aardappelen en brandstof, ter bedeeling aan de armen.
De Hal en de Waag, werden in het jaar 1406, door de stedelingen van den Graaf voor 700 Wilhelmus guldens gekocht, mits zij die moesten houden in rake en dake.
De Nieuwe Korenbeurs, aan de Groote markt, boven welken de Muzijkschool wordt gehouden, is in het jaar 1558 voltooid, en met smaak gebouwd. De voormalige Korenbeurs, staande tegen de Oude Waag, dient thans tot Hoofdwacht. De Goeresche korenmaat was reeds in het begin der veertiende eeuw bekend. In de keur van Yerseke van 1525 leest men: die Coerenmate, die es te Goys dit sol sulc wesen te Jeerseke.
Een gebouw, het Stads-Weeghuis genaamd, staat bij den Molendijk. Het heeft dien naam, om dat vroeger het koren alhier gewogen werd, eer men het ter molen bragt.
De Stadsschuur dient tot bewaring van de gereedschappen der stad, en tot toebereiding van zware werken. Zij staat buiten de Water of Slijkpoort, op het eerste bolwerk aan den Oost-Havendijk, tegen de Houtkaai aan. Daar neven stond vroeger 's Landsschuur zijnde ook eene bewaarplaats der gereedschappen tot zware werken aan 's lands sluizen en van bet hout daartoe benoodigd. — Ook is er te Goes een Kantoor der brievenposterij.
Voorheen stond hier een sterk slot, het slot Ostende genoemd, gesticht door eenen der Hcercn van Borssele, die toen ook Heeren van Goes, welligt in de negende eeuw reeds, waren ; welk slot eene der laatste verblijfplaatsen van Vrouw Jacoba van Beijeren, Gravin van Holland is geweest. Dit slot had eenen ruimen kelder met zwaar gewelf, gesteund door zeer breede muren, van welken kelder nog een gedeelte bestaat. Men wil dat deze kelder, door onderaardsche gangen, gemeenschap had met gebouwen op de Groote markt, en zelfs met het slot dat te 's Hendrikskinderen gestaan heeft. Dit laatste is evenwel zeker zoo niet geweest, en het eerste zeer twijfelachtig, wanneer men den stadhuistoren uitzondert. Het slot Ostende is, den 23 October 1747, door de Heeren van der Goes, aan de Staten verkocht, om tot een Militair Hospitaal of Kazerne gebruikt te worden, en is in 1748 door den Stedelijken raad van Goes voor den honderdsten penning overgenomen. In November 1750 werd het, voor f 2400,00, toegewezen aan zekeren Cornelis Steenaart, die het tot Herberg en afspanning inrigtte; waartoe het bij voortduring gebruikt wordt. Op het plein staat nog een moerbezieboom, waarschijnlijk ten tijde van Vrouwe Jacoba, en naar men zegt door haar zelve geplant. (Men zie over dit slot J. Ab Utrecht Dresselhuis , Wandelingen door Zuid- en Noord-Beveland, bl. 9-14; het jaar 838, of de Deenen in Zeeland, medegedeeld in den Zeeuwschen Volks-Almanak, Voor het jaar 1838, bl. 10, tegen over welke bladz. eene afbeelding van den Helder te zien is, en E. B. Swalue: Het slot Oostende te Goes en de Moerbezieboom van Jacoba van Beijeren op hetzelfde, in dezelfden Almanak, bl. 126-134, waarbij tevens eene afbeelding van de Moerbezieboom voorkomt.).
De Grootekerk, ook wel de Maria-Magdalenakerk genoemd, omdat zij vóór de Reformatie voor een derde part aan de H. Maria Magdalena was toegewijd, staat aan de zuidzijde der stad, aan het einde van de Korte Kerkstraat. Het is eene overheerlijk gebouwde kruiskerk, welker gelijke in Zeeland niet gevonden wordt. Langs de westzijde van de Grootemarkt, tusschen het Stadhuis en de Oude Koornbeurs doorgaande, komt men door de Korte Kerkstraat in de Wandelkerk van het Noordeinde. Aan het zuideinde is ook een ingang, waardoor men mede in de Wandelkerk komt. Uit de Wandelkerk gaat men in de Preekkerk, die overtogen is met een kunstig gewelf, rustende op twee dubbele rijen van pilaren, twee en twintig in getal. In het oosteinde van de Preekkerk is een schoon orgel, overdekt met een zeer kunstig gemaakten kap, eene Turksche tent verbeeldende. Het westeinde van de kerk, het Koor genaamd, rust op twee rijen pilaren, ten getale van twintig heelen, en vier halven in den west-gevel. Het begin der stichting is onbekend, doch toen in den aanvang der vijftiende eeuw, het westelijk gedeelte werd opgetrokken, bestond het oostelijke reeds. Hertog Albrecht gaf den 22 Julij 1407 reeds eenige voorregten, welke de stads bierdragers bezeten hadden, aan de Lieve Vrouwenkapel in deze kerk. Jacobus Ridder, Bisschop van Hebron, beloofde als Vicaris van den Utrechtschen Bisschop, den 25 Julij 1410 groote aflaten aan degene, die op zekere tijden de Maria-Magdalenakerk te Goes bezoeken zouden, of haar iets legateren. Dertien jaren later was het geheel met den toren voltooid. De Vicaris Matthias wijdde haar den 18 Junij 1423, ter eere van den Almagtige God en van de Godbarende Maagd Maria en van Maria Magdalena in. Nieuwe aflaten werden toegezegd, en hieven niet zonder uitwerking. Eertijds stond op het midden van het kruis eene spits, waarin eene klok hing.
Door de onvoorzigtigheid eens loodgieters werd echter het fraaije gehouw, op den 11 September 1618, vreesselijk gehavend. Ondanks allen ijver verbrandde, binnen den tijd van 3 uren , het geheele dak met den toren. Het gewelf van het westelijk deel stortte in; het overige werd gered, en door de zorg van de Regering was het gebouw, drie jaren daarna, reeds in dien staat hersteld, waarin wij het thans zien, rustende op zijne vieren zestig pilaren. Deze herstelling had der gemeente 124,282 guld. gekost. De oude toren werd niet herbouwd, maar bij deze gelegenheid plaatste men op de vier middelste pilaren der kerk op nieuw een zeer net torentje, en voorzag het nu niet slechts van een zeer goed uurwerk, maar ook van een klokkenspel, bestaande uit 40 klokken; de ijzeren trommel is met 120 maten voorzien, welke ieder 40 nootgaten hebben.
Dit klokkenspel, vervaardigd door Frans Jansz. Bakker, van Delft, hoezeer niet zwaar, heeft echter een zoo uitnemend liefelijk geluid, als men maar zelden elders aantreft. Bij de herbouwing werd de kerk ook met vele geschilderde glazen versierd, in welke, aan den westgevel, de brand zeer levendig was afgebeeld. Tegenwoordig zijn daarvan nog slechts geringe overblijfselen aanwezig. Nadat het vorige orgel bij den brand van 1618 vernield was, heeft men den 12 November 1641, het tegenwoordige aan den Orgelmaker Willem Diaken, te Haarlem aanbesteed, dat in December 1643 voltooid was. Het is groot, en naar den smaak van dien tijd fraai. Het is voorzien van 28 sprekende registers, 2 handklavieren en 1 vrij pedaal, en heeft met zinnebeelden beschilderde buitendeuren. In 1711 werd het aanmerkelijk verbeterd door den Orgelmaker J. Cool en in 1826, door den Orgelmaker C. J. van Oeckelen, te Breda. De heerlijke tent waaronder men het nu geplaatst ziet, is van het jaar 1739. De geluiden van het groot orgel, of groot manuaal en pedaal, zijn voortreffelijk; die van het rugpositief zijn echter meer scherp dan liefelijk. In de zoogenoemde wandelkerk, ligt het stof van den Kronijkschrijver Smallegange, en van den menschenvriend Frans Naerebout. Het graf van. den eersten is in het noordoostelijk vak, doch niet meer kenbaar. Op dat van den laatsten genoegzaam in het midden, heeft het Departement der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, op den 20 December 1819 eenen grooten blaauwen steen laten leggen, met het opschrift:

Hier rust
De beroemde zeeman
en edele menschenvriend
Frans Naerebout
geboren te Vere des 30 Augustus 1748 ,
gestorven aan het Sas van Goes
den 29 Augustus 1818.
De leden van het Goessche Departement
der Maatschappij
tot Nut van 't Algemeen
ter zijner eere.

Alleen het voormalige koor of oostelijk kruispand, wordt thans voor de godsdienstoefeningen der Hervormden gebruikt, en vormt eene zeer nette kerk.
De Hervormden hadden hier vroeger nog eene kerk, de Kleinekerk of Gasthuiskerk genoemd, aan het einde der Lange-Vosstraat, oorspronkelijk de kapel van het aan de H. Agnes gewijde Vrouwenklooster, dat in de eerste helft der vijftiende eeuw gesticht werd. Rij resolutie van den Raad van den 29 December 1601, werd dit klooster, met de daartoe behoorende goederen, den armen afgestaan, en het gebouw tot een gasthuis bestemd. Drie en veertig jaren later, werd de kapel vergroot, met opoffering van eene niet geringe som, en tot de Hervormde dienst geopend. In 1809, werd zij aan de R. K. aangewezen, doch, voor dat die door de gem. in gebruik is genomen heeft zij nog gediend tot Militair Hospitaal en in 1817 is zij aan de Herv. teruggegeven. Zij is evenwel niet weder in gebruik genomen, maar werd later tot een pakhuis of loods gebezigd, vervolgens afgebroken, Doch in het jaar 1859 weder opgebouwd en ingerigt tot weeffabrijk.
In het jaar 1841, hebben dé Afgescheidenen hier mede eene vrij goede, doch wat duistere, kerk gebouwd van eene voormalige zeepziederij, in de Wijngaardstraat, welke van 500 tot 600 personen kan bevatten.
De Doopsgezinde kerk, in de Korte-Vosstraat, werd in het jaar 1660 gebouwd. Het is een fraai luchtig en vierkant gebouw; de Fransche gemeente gebruikte haar insgelijks gedurende de laatste jaren van haar bestaan. De vroegere Waalsche kerk of Kapel der Zwarte Zusteren, in de Zusterstraat, aan de zuidzijde van de Groote kerk, is in het jaar 1824 aan het Weeshuis getrokken, en ingerigt tot eene Weezen- en Armenschool.
De R. K. kerk, even als de oude Hoofdkerk, aan de H. Maria Magdalen toegewijd, op het Plein ten W. der Groote kerk, in het jaar 1815 gebouwd, en den 22 Julij 1818 ingewijd, is van binnen net en met een klein orgel voorzien. In den fraaijen gevel, die zich op eenen afstand vertoont als van arduin vervaardigd, leest men het jaartal harer stichting in dit opschrift:

GVLIELMO REGNANTE
ET HOSTE DEVICTO
ERIGI COEPI.
(d. i: Onder de regering van Koning Willem en nadat de vijand Overwonnen was, is men begonnen deze kerk op te rigten.)

Vroeger had men hier drie kloosters, als: het Kruisbroedersklooster, dat, gesticht door de mildheid der Heeren van Maalstede, tegelijk met de kerk, den 29 Junij 1429, op St. Pieters en Paulusdag, werd gewijd aan de H. Maagd en aan het H. Kruis. Het bezat onder meer voorregten ook dit, dat het eene vrijplaats bood aan toevallige doodslagers. Door den zwaren brand van 1554 geheel verteerd, doch sedert weder opgebouwd , werd daarvan later een gedeelte als Latijnsche school gebruikt, dat thans tot eene stadschool is ingerigt; het St. Agnietenklooster , nu het Gasthuis, staande aan de oostzijde van de stad, en bet Klooster der Zwarte Zusteren, waarvan de gebouwen thans gedeeltelijk dienen tot Leenbank, gedeeltelijk tot Weeshuis, en de kapel tot Weezen - en Armenschool.
De Israëlitische bijkerk in de Lange-Vosstraat, is in het jaar 1836 gevestigd.
Onder de liefdadige gestichten telt men: het Gasthuis, bij de Oude-Vischmarkt, vroeger het klooster aan St. Agnes toegewijd. Dit gebouw is groot en ruim en tot dat gebruik zeer bekwaam; aan de west- en noordzijde omving het vroeger de Gasthuiskerk, thans een weefschool.
Het Weeshuis, in de Zusterstraat, aan de zuidzijde van de Groote kerk, staat nevens de voormalige Waalsche kerk, die van dat huis aan alle kanten, behalve naar het N., omvangen wordt. De gewone ingang van dit gesticht is aan de westzijde, tusschen die. kerk en het nieuwe gebouw, waarin de spijs gekookt wordt, welke men des winters der armen uitdeelt. Boven dien ingang staan de beeldtenissen van eenen jongen en een meisje in steen uitgehouwen, waaronder men vroeger dit vers las:

'T GEEN EERTIJDS HEEFT GEDIEND TOT 'T KLOOSTERLIJKE LEEVEN,
DAT IS DES WEEZEN HIER TOT WONINGE GEGEVEN,
DIE IN HAAR JONGE JEUGD VAN OUDERS ZIJN ONTBLOOT;
DEN ARMEN VINDT HIER HULP IN ZIJN VERLEEGEN NOOT.

Het huis is van ruime en groote vertrekken voorzien. Alle arme- en burgerlijke ouderlooze weezen worden er, zonder onderscheid, in opgenomen. De Roomsch Katholijken zijn in 1809 mede in dit gesticht opgenomen , en worden na dien tijd de weezen van alle gezindheden daarin opgevoed. Voorheen was het een gedeelte van een klooster der Graauwe- of Zwarte Zusteren, en werd het Zusterhuis genoemd. Sedert 1627 werd het tot het tegenwoordige einde gebruikt en door de regering met de goederen van het Zusterhuis, benevens die van het klooster der Kruisbroederen , begiftigd. In het laatst van de zestiende eeuw maakte een Burgemeester dezer stad, Pieter Jaspertz genaamd, al zijne goederen aan de armen, vermits zijne wettige en geregte erfgenamen genoeg met tijdelijke goederen begaafd waren. Doordien de Armen, in October 1689, met het Weeshuis vereenigd werden, zijn die goederen aan dit huis gekomen.
Het Armhuis, voormaals het Oude-Mannen- en Vrouwenhuis, in de Zusterstraat, is in het jaar 1635 gesticht en behoorde eertijds aan de stad. Het was in het midden der vorige eeuw zeer vermaard, doch kort daarna kwam er een groot verval in de financiën.
De Heeren Buiten-Regenten gaven dit, in het jaar 1733, ten tweede male aan de Regering te kennen. Zij klaagden , dat dit huis in het geheel naauwelijks meer dan 2000 ponden Vlaamsch (12,000 guld.) bezat, en, dewijl het jaarlijksch onderhoud op omtrent 1500 ponden (7800 guld.) gerekend werd, verzochten zij de regering, om eenen spoedigen bijstand. Deze de billijkheid van dit verzoek overwegende en de noodzakelijkheid, om in den hagchelijken toestand van dit huis te voorzien, tevens de stad van die lasten willende ontdoen, namen het besluit, om geene personen meer voor hun leven in dit huis aan te nemen, en alleenlijk diegenen, welke zich daarin bevonden, te onderhouden. Om nu de sommen, hiertoe noodig, te bekomen, zoude men aan dit gesticht eene hoofdsom van 12,600 ponden Vlaamsch (75,600 guld.) bezorgen. Op den 11 November 1741 werd goedgevonden, aan de alsnog in het huis zich bevindende, eene provenierssom van 30 ponden Vlaamsch (180 guld.) jaarlijks toe te leggen en dit huis, bij aangeslagen biljetten, te verkoopen. Verder besloot men, in het begin van het volgende jaar, alle de documenten van dit gesticht op de griffie te doen brengen. In Februarij 1742 werd dit Oude-Mannen- en Vrouwen-huis, voor eene somma van 245 ponden Vlaamsch (1470 guld.), met vrijdom van den honderdsten penning, voor den tijd van een en twintig jaren , verkoeht. Sedert is het tot inwoning van soldaten gebruikt; terwijl het thans ingerigt is lot woningen voor behoeftige huisgezinnen, zoo dat er 40 huisgezinnen, uitmakende eene bevolking van 150 zielen, huisvesting in vinden.
Ook heeft men te Goes eene Commissie tot Spijsuitdeeling aan behoeftigen ; eene Inrigting ter voorziening van kleeding aan de armen, genaamd de Zuid-Bevelandsche Dorcas; alsmede eene Bank van Leening, zijnde een stads gebouw, aan de zuidzijde van de Groote kerk, naast het Weeshuis- Zij werd opgerigt bij stedelijk octrooi van 10 Julij 1655. Sedert 1771 is zij geheel voor rekening van de stad genomen en door deze beheerd geworden.
Onder de wetenschappelijke inrigtingen tellen wij: de Latijnsche school, in het voormalige Schuttershof van den Handboog, op de Alikruikenmarkt, welke slechts door 6 leerlingen bezocht wordt. Deze school, vroeger op het westeinde van de Beestenmarkt, in het voormalig klooster van de kruisbroeders, is, na sedert het jaar 1796 gesloten te zijn geweest , in het jaar 1834 weder geopend. De eerste, die te Goes het rectoraat heeft waargenomen is geweest Hubregt van de Venne, beroepen in April 1592, doch weldra opgevolgd door Franciscus Meijerus , die er in het jaar 1593 was, na alvorens Rector te IJsselstein te zijn geweest, en in het jaar 1894 naar Utrecht vertrok. Ook heeft men er eene Afdeeling der Maatschappij van Toonkunst, met 30 leden; eene Zangschool, met 80 leerlingen; eene Teekenschool, mede gevestigd in een paar vertrekken van het voormalige Schuttershof van den Handboog, welke 80 leerlingen telt en in het jaar 1819 is opgerigt, door het, den 19 Februarij 1816, te Goes gevestigde Departement der Maatschappij Tot Nut van't Algemeen, hetwelk 70 leden telt; eene Afdeeling van het Bijbelgenootschap, met 100 leden en begunstigers, welke eene zondagschool heeft opgerigt, waar 80 bejaarden onderwezen worden ; eene Fransche school voor Jongeheeren, met 15 leerlingen; eene Fransche school voor Meisjes, met ruim 30 leerlingen; twee Nederduitsche scholen , met 260 leerlingen; eene Weezen- en Armenschool, met 200 leerlingen; en 5 Matressen-scholen, met 60 leerlingen. Nog heeft men er een Departement der Nederlandsche Huishoudelijke Maatschappij te Haarlem, met 6 leden; en een Departement van het Instituut voor Doofstommen, te Groningen, met 20 leden.
In Goes waren vroeger drie Schuttershoven, een van den Handboog , een van den Kraisboog en een van de Kloveniers of edele Busse. Dat van den Handboog , welke het oudste was, stond aan de zuidzijde van de stad bij den wal. Dat van den Voetboog of Kruisbogenhof, stond aan de noordzijde van den Handbogenhof, tegen de erven van die schutterij aan. Deze beiden waren elk met een torentje versierd; Karel van Bourgondië verleende hun, in het jaar 1469, octrooi. Tot de oprigting van het Schuttershof der Klovenieren werd, in 1516, door Karel II, octrooi verleend, het stond aan de westzijde van de stad, in de Wijngaardtraat, het was aan St. Adriaan toegewijd, waarvan de straat daar tegen over nog haren naam draagt. Dit was het schoonste gebouw van alle de schuttershoven, hebbende nevens zich een klein vierkant torentje, door middel van hetwelk men met blaauwen arduinsteenen trappen naar boven ging, tot in de schutterszaal; deze rustte aan hare voorzijde op pilaren yan dergelijken steen, en onder vond men eene gaanderij, welke in den jare 1619 op nieuw gebouwd werd, hebbende de oudste schutterij, tevorens aan de westzijde van deze, bij den wal gestaan. Alle deze schuttershoven waren tamelijk groote gebouwen, hebbende elk een ruime zaal, waaronder die van den handboog in luchtigheid en fraaiheid uitmuntte, zijnde ook door de gildebroeders met nieuwe Engelscbe ramen versierd, van binnen waren de schutterzalen behangen met schilderijen ,waarin de gildebroeders van ouden en lateren tijd , zoo in oude als in latere toerusting en kleeding, waren afgebeeld. Toen Prins Willem Karel Hendrik Friso in het jaar 1747, deze stad met een bezoek vereerde, werd hij op die zaal deftig ter maaltijd onthaald. In elk van deze schutterijen was een bepaald getal van een en veertig personen, uit de voornaamste der burgeren. Alle Regenten van de stad behoorden ertoe, en niemand, dan die schutter was, mogt in eenig ander minder kollegie zitting hebben. Dit had vroeger ook plaats omtrent diegenen, die van wege de stad in eenige vergadering zitting namen. Jaarlijks werd door Hoofdman en Dekenen van alle de schutterijen eene nominatie aan de Regering overgelegd, met een verzoekschrift, om uit gemelde nominatie eenen nieuwen Hoofdman en drie nieuwe Dekens te kiezen. Op gelijke wijze werden ook de opengevallen schuttersplaatsen vervuld.
Een schutter, eerst verkoren zijnde, moest den gewonen en daartoe gestelden eed, in handen van Burgemeesteren en Raden afleggen, en alsdan voor inkomstgeld in sommige broederschappen vier, in andere zes ponden vlaamsch betalen. In het jaar 1486 vergunde Maximiliaan, Roomsch Koning, en Filips, Hertog van Oostenrijk, aan de gildebroeders en schutters het gemeen privilegie der doelens, van schadeloosstelling der zulken, die iemand, na behoorlijke waarschuwing, gekwetst of doodgeschoten hadden. Thans dient het gebouw van de Handboogschutters tot Latijnsche en Stads-Teekenschool, dat van de Voet- of Kruisboogschutters tot Sociëteit en Schouwburg; terwijl dat van de Kloveniers- of Busseschutters in het jaar 1816 is afgebroken.
Goes heeft de volgende vermaarde mannen voortgebragt: de Godgeleerden: Jasper Barse, anders genoemd Gaspar Belga of Jasper de Nederlander, een der gezellen van Ignatius de Loyola, reisgenoot van Franciscus Xaverius, en bijgenaamd den apostel van Ormut, † te Goa den 18 October 1555; Bernardus van der Goes, geb. in 1550 , † in 1619; Leonardus Marius, geb. in 1588, † den 18 October 1652; Cornelis Gentman, geb. 13 November 1617, † 23 Jan. 1696, als Predikant te Utrecht; Adam Van der Hulk, uit de zeventiende eeuw; Petrus Lansberge, uit de zeventiende eeuw, en Jacobus van Strijen , geb. 15 Jan. 1662, † 21 Maart 1727, als Predikant te Rotterdam en Bernardus Settegld, geb. 20 Aug. 1668, † 6 Mei 1759 als Predikant te Middelburg.
De Regtsgeleerden : Johannes Ramus , geb. 28 Feb. 1535 , † 25 Nov. 1578, als Hoogleeraar te Dole, en Martinus Caesar , uit de zeventiende eeuw.
De Geneeskundigen: Hieronymus Smallegange, die in het jaar 1503 een werk in het licht heeft gezonden ; Daniel Miverius , wiens werken in 1611 en 1647 zijn uitgekomen, en Ferdinand de Gruitwardt, geb. 19 Maart 1628, † 1 Mei 1701.
De Wiskundigen : Cornelis Fransz. Everdijk, geb. den 23 Mei 1586 , † 19 December 1666, als Lid van de Rekenkamer van Zeeland, en Jacobus Lansberge , uit de zeventiende eeuw.
Den Geschiedschrijver Matheus Smallegange.
De Nederduitsche Dichters: Philibert van Borssele , † 17 Jan. 1627, als Rentmeester Beooster-Schelde; Michiel van Baarland, uit de zeventiende eeuw; Anthonis Janssen, geb. in 1621, † 9 Junij 1696 , en Johannes Antonides van der Goes , geb. 3 Mei 1647 , † 18 September 1684.
De Latijnsche Dichters : Joachim Polites , wiens Poëmata in 1548 het licht zagen, en Petrus Stratenus , geb. in 1616, † 27 Nov. 1640.
Den Schilder: Hugo Van der Goes, een leerling van den grooten Van Eyck.
De Staatsmannen: Nicolaas Blancx; Jacob Valcke, † 9 Julij 1603, als Ambassadeur aan het Hof van Engeland; Dignus Keetlaar; Albert Joachimi, geb. in 1860, † 17 Mei 1634, na onderscheidene gezantschappen met lof' bekleed te hebben, en Steven Dassevael , geb. in 1770, † 16 Jan. 1838, als Secretaris van de algemeene Rekenkamer.
Van de geschiedenis der stad, is voor het jaar 1300 niets bekend. Toen werd het slot van Goes genaamd Oostende , door Jan van Renesse met de misnoegde Zeeuwsche Edelen aangevallen en door die van Reimerswaal ontzet. Goes aan den huize Van Borssele behoorende, verviel door de verbeurdverklaring der goederen van den gemelde huize, mede in handen der Graven. Uit dien strijd ontstond de verbeurdverklaring, welke voor de stad Goes de allezins gunstige gevolgen had van eenen overgang in handen van de vorstelijke familie.
In het jaar 1303 werd Goes, nevens andere steden en heerlijkheden door Willen III, Graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland, op zijn doodbed aan zijnen tweeden zoon Jan Van Beaumont en Blois gegeven.
In het jaar 1307 werd aan die van Goes, door Hertog Albrecht van Beijeren, kwijtschelding vergund van het pondgeld van den visch. In het jaar 1342, gaf Graaf Willem IV, aan Jan Van Beaumont zijnen oom, regt om al zulke keuren en willekeuren, als die van Borssele gemaakt hadden, in alle de heerlijkheden, die hem van zijnen vader waren aangekomen, en voortijds aan die Van Borssele hadden toebehoord, in te voeren. Deze keuren werden ook nog in denzelfden jare door Heer Jan Van Beaumont, in zijnen dorpe en heerlijkheid Goes ingevoerd.
Hij onlbood in het jaar 1343 , zijnen Baljuw van Goes en van Monster in Borssele, en beval hen te gebieden , » dat niemant den » vechtelijk maakenden klerck-, die boete verbeurdt, en huise noch en » hove, aet of dranck te verkoope op thien Pondt swarte Tornoisen."
Vrouw Margareet het privilegie door Petrus van Borssele, aan die van Goes gegeven , in haren rade ziende, en dit gaaf en ongeschonden met zijne zegelen bevindende, vernieuwde, bevestigde en keurde het goed, dit geschiedde in het jaar 1346. Kort na dien tijd schijnt er een burgerlijke oorlog van het eene dorp tegen het andere geweest te zijn, vermoedelijk ontstaan, doordien het eene de zijde van Margareet, en het andere, die van haren zoon Willem koos. In het jaar 1355, hielden de partijschappen in dit eiland nog niet op. Sommigen meenen , dat Goes onder den Hertog Willem van Beijeren meer en meer volbouwd, en met vele voorregten zou begiftigd zijn. Doch van die voorregten is niets meer bekend. Het is zeker. dat hij die van Goes zeer genegen was, en zeer waarschijnlijk, ofschoon niet te bewijzen , dat deze lieden van hem het regt, om het wapen van Beijeren, boven den gans in hun stadswapen te mogen voeren, verkregen hebben. Ook zou Goes onder hem den naam van stad hebben bekomen. Hertog Albrecht , in het jaar 1402, voornemens zijnde , eenen togt tegen zijnen vijand te doen, kwam met zijne lieden van Goes overeen, dat zij hem twee honderd en vijftig Gentsche nobels (1000 guld.) tot het doen dezer reis zouden leenen.
Toen Jacoba van Beijeren, in 1428, afstand van het bewind over Holland, Zeeland en West-Friesland gedaan had, zette zij zich somwijlen hier neder. Ter verzetting van het leed, dat zij gevoelde, oefende zij zich nu en dan in ridderlijke en burgerlijke spelen. Onder anderen verhaalt men, dat zij, als eens te Goes naar de papegaai zoude geschoten worden , zich mede onder de schutters begaf en het geluk had, om die van boven neder te schieten, waarop niet alleen de vrouwen van Goes, maar ook vele van de naburige dorpen haar met geschenken , en volgens gewoonte van het spel, met den eernaam van Koningin kwamen vereeren. De Gravin schepte hierin zoo veel vermaak, dat zij de poeldorpen voor altoos van het grafelijke regt op de vlastienden onthief. Inmiddels was de stad door de voorgemelde bevestiging en wegens de getrouwe diensten, in het jaar 1426, aan Filips , zoo op de reize en in den strijd te Brouwershaven als elders, bewezen , zeer arm geworden. Vele ingezetenen vertrokken om deze reden uit de stad, hetwelk die van Goes, door den Heer Wolfaart van Maalstede , aan Filips te kennen gaven. Filips gebood derhalve, dat geene inwoners meer uit' de voorschreven stad zouden trekken, dan wanneer zij de stad in hare lasten en kosten te gemoet zouden komen. Na het overlijden van Vrouwe Jacoba liet Filips , in het jaar 1436, dit aan zijnen geregte van Goes weten, en beval zijnen Baljuw, Schout, Burgemeesters en Schepenen: het regt te hand teren en te « plegen , vonnissen te wijzen en 't zijner comste voort te gaan." In bet volgende jaar maakte hij hun zulks andermaal bekend, met bijvoeging : » dat hij schuldig en gehoude ware, naar ouder regten en » gewoonte van den lande, daarin te trekken, om hem van den » ridderachappe en goede steden 's Lands voorschreven , te laaten hul-» digen, als Erfheere van den lande, ende hem wederom te doen al » zulke hulde en eede, als hij schuldig ware zijnen onderzaten te doen."
Maar Filips , niet kunnende komen, liet aan die van Goes , door den Overste van zijnen Rade, den Heer Santes, verzoeken, om eenige Gedeputeerden van hen naar Rijssel te zenden, ten einde van hem te ontvangen al zulke hulde en eede, als bij hun zoude gedaan hebben, wanneer hij persoonlijk te Goes geweest ware; en vermits die van Goes mede zoodanige hulde en eeden in handen van den Heer van Santes hadden afgelegd. zoo bekende Filips , dat zij hem zulks » specialijk » van gratie, en uit zijne zonderlinge begeerte hadden gedaan, en » niet van eenigen Regte wege; en dat in het toekomende geenszins » tot nadeel of prejuditie, zou strekken van hen, hunne keuren, » regten, gewoonten, handvesten of voorregten , maar die van Goes » zouden blijven in zulker magt en waarde, als zij waren eer zij » hem hulde deeden." Hij beloofde hun verder, dat hij, noch zijne voorschreven stede van Der Goes, noch zijnen lande van Zuid-Beveland , nimmermeer zoude verzetten, vervreemden of scheiden van zijn graafschap Holland en Zeeland, in eenige maniere. Hij bevestigde ter zelfder dage aan de stad alle zoodanige privilegiën, handvesten , brieven , goede herkomsten en oude gewoonten , als hun van zijne voorvaderen, en die bevorens Heeren van Goes geweest waren , waren verleend, of die zij van hen eeniger maniere mogten verworven hebben. Hij gaf hun nog andere voorregten hierna vermeld; ook een handvest omtrent de verkiezing van den Rentmeester, in het volgende jaar. In het jaar 1441 bevestigde Filips de jaarmarkt, door Vrouwe Jacoba vergund; maar verlegde haar, op verzoek der Goesenaren , tot op den eersten Maandag in Julij, na Onzer Vrouwendag Assumptie. Drie jaren later kochten zij van den Graaf honderd gemeten ambachts, in de parochie van Kloetingen , aan de oostzijde van de stad gelegen, om het, ten eeuwigen dage, tot een regt en erfleen te bezitten. Karel, Graaf van Charlois, die bij afwezen van zijnen vader Regent van den lande was, in het jaar 1454, binnen Goes zijnde, vernieuwde aldaar Burgemeesteren en Schepenen. Filips , dit bij zijne terugkomst gehoord hebbende, stelde in het volgende jaar andere Regenten aan. In den jare 1462, gaf hij het Geregt van zijne stad Goes de magt, om kwade inwoners te mogen straffen, met ze uit zijnen lande van Zuid-Beveland te bannen , of met geeselen, of anders naar gelegenheid van zaken en zwaarte der misdaden. Na het overlijden van Filips , gaf Karel, Hertog van Bourgondië, aan die van Goes zoodanige voorregten , welker gelijken aan geen stad van Zeeland dan deze gegeven zijn , namelijk het absoluut vermaken van de Regering. In het jaar 1486, bevestigde Maximiliaan , Roomsch Koning, en Filips, Hertog van Bourgondië, de voorregten en handvesten, bij hen en hunne voorvaderen aan die van Goes gegeven, en stonden de stad in het vervolg nog vele andere voorregten toe.
De dijk der westwatering, bij den St. Felixvloed, van 5 November 1550, omtrent de stad Goes, op drie plaatsen doorgebroken zijnde, veroorzaakte het geweld des waters, dat ook de Ganzepoort dier stad bezweek, zoodat deze niet dan met veel kosten konde herbouwd worden.
In bet jaar 1537, vernieuwde Karel V, ten verzoeke van den geregte, het handvest der Rentmeesteren. Doch de ingezetenen waren omtrent dezen tijd, door verscheidene zware overstroomingen, in de jaren 1531 en 1532 geschied, en door dure tijden en sobere neringen zoo verarmd en verstorven , dat men er tot dit ambt geene twee geode eerbare mannen van vereischten ouderdom, tot twee honderd Engelsche nobelen (690 gulden) gegoed zijnde, kon vinden, Karel vergunde hun, deswege, te zoeken mannen van zulke jaren, als men best zoude kunnen bekomen en gegoed tot honderd nobelen, (345 gulden), om het gemelde Rentmeesterschap te bedienen. En niet alleen had dit bij de inwoners plaats, maar de stad zelf was ten hoogste verarmd, en, in het jaar 1543, wel achttienduizend guldens ten achteren. Verder ontstond in de stad, op den 18 Mei van het jaar 1554, eene afgrijselijke brand, die, in de zoutkeeten begonnen zijnde, door eenen zwaren stormwind uit het noordoosten, eerst in de huizen buiten en verder door de stad verspreid werd; de vlammen werden door den hevigen wind , zoo vinnig aangeblazen dat men ze door geene middelen kon wederstaan. Behalve zeer vele zoutkeeten zijn toen omtrent drie vierde deel van de stad, en hierdoor zeer veel huisraad en levensmiddelen verteerd. Men vond den tijd van dezen zwaren brand langen tijd op eenen steen uitgehouwen. Deze verarming der Goezenaren was oorzaak, dat vele burgers de stad verlieten. De voornaamsten dit bespeurende, wendden zich deswege tot den Keizer, en gaven dezen hunnen nood en het vertrek der burgers te kennen. Zij verzochten hem hun eenige voorregten te willen vergunnen , om de stad weder tot haren vorigen bloei te brengen, of anders te maken, dat zij niet geheel ontvolkt werd. Hierop verkregen de inwoners van den Keizer eenige voorregten. Zelfs waren zij in den jare 1569, toen de Hertog van Alva voor den Koning van Spanje, op den lande van Zeeland, eene bede van zeven en zestig duizend en vijf honderd guldens in het jaar, voor den tijd van zes jaren eischtte, zoo bereidwillig tot opbrenging van deze bede, dat zij onderscheidene middelen tot dat einde uitdachten, want zij merkten aan, dat een iegelijk, verpligt was, den Koning, hunnen natuurlijken Prins en Landheer, met lijf en goed bij te staan , vooral in het beschermen van het Vaderland. Wanneer nu de Hertog den tienden en twintigsten penning van geheel Zeeland vorderde, stelden zich de Goezenaren wel met den Prelaat , de Edelen en steden des lands daar tegen ; maar, hoezeer ook de bevelen in dat jaar door Alva aan de steden van Zeeland gezonden, om in zijne handen de voorregten en costumen van elke plaats te leveren , de stad Goes gelijk de andere steden zeer benaauwden, bleven zij niettemin aan den Koning getrouw. Zij hadden ook behoorlijke Spaansche bezetting.
Die van Vlissingen meenden in den zomer van het jaar I572, de stad Goes aan hunne zijde te winnen, steunende op den bijstand hunner vrienden aldaar. Zij zonden daartoe den Gouverneur Hieronymus Tseraarts met eenig krijgsvolk en twee veldstnkken derwaarts , maar de bezetting stelde zich dapper te weer. Tseraarts deed de stad in naam des Konings van Spanje, en in dien van den Prins van Oranje, als zijn Stadhouder opeischen. Doch die van binnen antwoordden, dat zij de stad voor den Koning bewaarden, zoodat Tseraarta genoodzaakt werd, het beleg op te breken. In September trok hij met Bartel, Entes, wederom voor Goss, met negen stukken geschut. Zij wierpen borstweringen op en plantten hun geschut den 6 van die maand voor de stad. Zij schoten twee. bressen, de eene bij de Hoofdpoort, nu de Donkere- of St. Maartenspoort, wel vijf en twintig schreden wijd. Hier liep men des nachts, storm op de stad, terwijl de Kolonel Kreyts de stad aan de andere zijde met ladders meende te beklimmen. Doch deze ladders waren te kort; en Pachieco, die met 600 Spanjaarden en 200 Walen, de stad bewaarde, beschermde de bressen zoo moedig, dat de belegeraars moesten terug deinzen. Gedurende dit beleg, trachtte de Hertog van Alva, de stad uit Antwerpen te water te ontzetten. Tot dat einde zond hij Monderagon met volk en geschut naar Saeftingen, en deed met hetzelfde getij, eenige ligte oorlogsschepen met krijgsvolk, onder Sanchio d'Avila, de rivier afzakken, meenende dus den vijand met kracht van voor Goes te verjagen. Doch deze aanslag gelukte niet. De Hertog dan geene mogelijkheid ziende, om de stad te water te ontzetten , bedacht een ander middel.
Hij gelastte Mondragon, in October, eenen nieuwen weg, door zekeren Pluimaert, die elders Dirk Bloemaart genoemd wordt, en Hopman in Spaansche dienst was, hem aangewezen, in te slaan. Mondragon ging dan, den 20 October, met omtrent 5000 man, onder geleide van dezen Pluimaert , tot drie kwartier uurs van Woensdrecht,, alwaar zij met laag water over het verdronken land konden trekken. Mondragon, hoewel een oud man zijnde, ging hun voor, vergezeld van Pluimaert. Het krijgsvolk, meest uit Spanjaarden en Walen bestaande, moest tot den midden door het water waden , dragende elk een zakje met buskruid en lonten, benevens een weinig beschuit, op het hoofd of, om den hals, zij haastten zich, als hebbende maar vijf uren tijd, bij laag water, om twee mijlen wegs voort te trekken , doch kwamen eindelijk behouden over en tegen den avond te Krabbendijke aan den vasten wal, van waar zij langs den zeedijk van Valkenisse voorttrokken , en een vuurteeken daarop stelden , om aan D'Avila en den Heer van Serooskerke, Gouverneur van Bergen op Zoom, die aan de Brabandsche zijde gebleven waren, kennis van hunne behoudene overkomst te geven. Te Valkenisse lag een vaandel Staatschen, die, te zwak zijnde om den vijand het hoofd te bieden , de vlugt namen naar het leger voor de stad, en hier berigt deden van het gebeurde, hetgeen echter zoo ongeloofelijk voorkwam , dat men er den spot mede dreef, in plaats van de natte, vermoeide Spanjaarden dadelijk te overvallen, waardoor deze den geheelen nacht den tijd hadden om zich te droogen en uit te rusten. Des anderen daags trok Mondragon vroegtijdig regt op de stad aan. De belegerden , het ontzet ziende naderen, deden eenen uitval naar den waterkant, om de Staatschen derwaarts te lokken, die, door dit loos alarm misleid, eene opening lieten aan de landzijde, waardoor Mondragon gelegenheid kreeg, om binnen te komen. Nu in allerijl de stad doorgetrokken , viel hij, vereenigd met de aanvallers, de Staatschen zoo ruw op bet lijf, dat zij, in de uiterste wanorde, de verschansingen verlieten, om naar de schepen te vlugten. Omtrent het hoofd moesten zij echter stand houden , tot dat de vloot, welke in de nabijheid lag, de booten uitzond ten einde de vlugtende in te nemen. Middelerwijl viel hier een scherp gevecht voor, waarin de Staatschen , aan de eene zijde door den vijand, aan de andere door het water ingesloten, groot verlies leden; velen, die buiten de booten gedrongen werden, verdronken jammerlijk; terwijl zij , welken niet door die vaartuigen konden worden opgenomen, door 's vijands wapenen sneuvelden of gevangen werden. Dus liep dit beleg ten einde, nadat het negen weken lang geduurd had. De Spaansche krijgsknechten, nu in het eiland gekomen zijnde, werden onder du dorpen ten plattelande verdeeld en daarin gelegerd. Die inwoners moesten hun niet alleen leeftogt bezorgen, maar ook de penningen tot hun onderhoud.. De overlast hierdoor te weeg gebragt, veroorzaakte vele klagten en vertogen van de landlieden aan de Regering van Goes. Doch dewijl de stedelingen niet minder met dit volk bezwaard waren, werd er, in het laatst van bet jaar 1574, bij het volle collegie van de wet besloten, eene tauxatiete maken van de gegoedheid aller inwoners en burgeren, ten einde een iegelijk, naar zijn vermogen, te doen helpen dragen tot de lasten der soldaten , binnen de stad liggende. Men maakte een verbod, dat niemand de stad mogt verlaten, onder bedreiging, dat men de uitgewekenen zoude noodzaken, weder terug te komen. In den aanvang van het jaar 1576 werd op bet raadhuis naar gewoonte beraadslaagd, hoe veel de stad en elk dorp in het bijzonder van het honderdtal soldaten moest huisvesten, en besloten, dat men den niet geërfden naar zijne gegoedheid zoude schatten. Ondertusschen nam de overlast van het krijgsvolk zoo geweldig toe, dat die van Goes zich in het volgende jaar tot Don Filippo, Gouverneur dezer stad en het eiland , vervoegden. Zij beklaagden zich, dat zij, ten opzigte vande dorpelingen, veel te zwaar belast waren, en, wanneer dit aanhield, genoodzaakt zouden zijn, hun Vaderland te verlaten. Doch Don Filippo sloeg dit alles in den wind, en verhoogde de belastingen. Hierom hebben die van de Regering der stad, met alle de Schouten en Schepenen der parochiën van het eiland onderscheidene schriftelijke vertogen bij den Raad van State te Brussel ingediend ; hoewel ook zonder eenig gevolg. Naauwclijks echter had; Don Filippo, met zijne bezetting, het eiland verlaten , waarschijnlijk, om zich te vervoegen, bij de destijds muitende Spanjaarden, of de Burgemeesters en Schepenen besloten , van wege de burgers en inwoners, met de Baljuwen, Schouten en Schepenen van alle parochies des eilands, vanwege de ingezetenen , eenparig eenigen uit de hunnen naar den Prins af te vaardigen , ten einde van hem bijstand te verzoeken. Dit werd opgedragen aan den Burgemeester Cornelis Pieters Polderman, aan Johan Adriaans Blancx, Dijkgraaf der Breede Watering, aan Pieters Jaspers van Vossenaar, en aan den Secretaris Mr. Jakob Valcke, Hun last was, om van den Prins de toestemmiqg te verzoeken op de artikelen, door de gemelde Regenten, in aller naaam opgesteld, en op die voorwaarden de stad Goes en het eiland onder zijn bestuur te stellen. Men begeerde de -vrije oefening der R. K. godsdienst, zoo in de stad als ten plattenlande, mits het, zoo wel die van Holland en Zeeland als anderen , vrij zou staan, daar ter plaatse, in alle gerustheid te handelen, gaan, keeren, wonen en koopmanschap drijven, zonder in gewetenszaken onderzocht of daarover ontrust te worden. Ook was er in bedongen, dat men geen krijgsvolk binnen voorschreven stad en eiland in besetting zoude leggen , dan ten koste van de gemeene zaak, en met toeslemming van de Regering, en zulks in tijden van nood, mitsgaders dat de sleutels in bewaring van de Burgemeesters zouden blijven. Eene derde voorwaarde was, dat al de bedieningen van het geregt, of wereldlijk of geestelijk regtsgebied, zouden blijven bij de Regering, de Wet en de Officieren, daar toen over gesteld zijnde, of verder, naar ouder gewoonte en van regtswege , gesteld zullende worden. Ook zouden die van Goes blijven behouden alle hunne oude voorregten, geregtigheden, handvesten, keuren en kostumen, en den Prins verzocht worden, hen daarin te handhaven en te beschermen. Dit werd den 5 Februarij des jaars 1577 andermaal besloten en van allen onderteekend. Den 22 Maart gaf de Prins hieraan zijne toestemming en onderteekende het, gelijk ook door de Afgezondenen geschiedde. En aangezien die van Goes nog eene aanmerkelijke som te goed hadden wegens penningen , gebruikt ter betaling der Duitsche bezetting, die aldaar gelegen had, om welke te vinden , men over het geheele eiland zekere lasten op iedere gemet had geschoten, zoo werd er nog bij bedongen, dat die van Goes en Zuid-Beveland, vóór Kersdag eerstkomende, noch wegens de bezaaide landen, noch van de hoornbeesten , iets betalen zonden tot de gemeene zaak. Alle imposten en lasten, ingaande met 1 April eerstkomende, moesten zij nevens de anderen dragen. Doch die van de stad kregen , wegens hunne zware schulden; lasten en armoede, vrijdom van alle accijnsen en belastingen op bier en wijn. In het jaar 1579 gaven de Burgemeesters en Schepenen van Goes ootmoediglijk aan Prins Willem te kennen, hoe hunne stad, onder andere voorregten en geregtigheden, haar van ouds toegestaan, door wijlen Hertog Karel van Bourgondië , ook begiftigd was met zekere privilegiën, aangaande de manier van het vermaken of vernieuwen van de wet, in hunne stad. De Prins dit privilegie hebbende gezien, vond goed het te bevestigen en te bekrachtigen: » ge-» merkt de conservatie van de privilegiën en gerechtigheden van de steden » en landen eene der voornaamste oirzaaken is, waarvoor de tegen- » woordige oorloge is aangenomen tegen de tyrannie en usurpatie der » Spanjaarden." Niet lang daarna echter, zijn er vele oneenigheden en beroerten onder de Regering, in de stad ontstaan. In 1609 waren er nog maar drie Gereformeerde Regenten in het kollegie van de wet. Deze verzochten bij geschrift, dat voortaan ten minste één Burgemeester en de helft der Schepenen van de Hervormde godsdienst in de wet mogten aangesteld worden; doch dit werd , uit kracht van de voornoemde artikelen , tegengegaan. In het jaar 1611 ontstonden er wederom vele bewegingen in Goes, over de bestelling der regering, en in 1686 over het aanstellen van Bartolomeus Dankerts tot Baljuw van Goes, welke tot in het volgende jaar aanhield , en niet, dan na zijne verbanning uit geheel Zuid-Beveland , eindigde. In 1692 ontstond er een geschil over de verkiezing van Rentmeesters , wel van weinig belang op zich zelve , doch, door de onverzettelijkheid der partijen , werd van dezen vonk een groot vuur. Willem III, Prins van Oranje, schorste by voorraad de gewone verandering van regering; doch de burgerij, dit als eene inbreuk op hare regten aanziende, dwong genoegzaam het Stadsbestuur daarmede voort te gaan. Daarop zond de Prins dadelijk krijgsvolk naar Goes. De stad, op hare voorregten steunende , weigerde het in te nemen ; zij werd geblokkeerd , en na tien dagen , den 24 Augustus , bij verdrag ingenomen. Ook 's Prinsen Gemagtigden kwamen mede binnen , en, na een gehouden onderzoek, werd de Oud-Burgemeester, Adolf Westerwijk , als het hoofd der tegenpartij veroordeeld , om onthalsd te worden, zijn broeder de Secretaris, de Burgemeester Eversdijk en de Kapitein der burgerij Van der Hille, om met het zwaard over het hoofd geslagen en gebannen te -worden ; terwijl de bezittingen der beide Burgemeesters geheel, en die der beide anderen , voor de helft werden verbeurd verklaard. Dit vonnis werd echter door den Vorst zoodanig verzacht, dat de Burgemeester van de doodstraf, de overige van de schavotstraf en allen van de verbeurd verklaring der goederen ontheven werden; maar hun eene geldboete voor de proceskosten werd opgelegd. Allen moesten zij het land ruimen; terwijl de gebroeders Westerwijk, bepaaldelijk te 's Hertogenbosch, op eigene kosten , in eene verzekerde plaats moesten bewaard blijven. Reeds ten volgende jare verkreeg evenwel Eversdijk verlof om, eerst voor vier maanden , later voor eenen onbepaalden tijd, te Goes te mogen verblijven. Ook de anderen keerden weder. De Westerwijken echter werden, niet voor Augustus 1697, uit hunne gevangenis ontslagen. Twee jaren later werd hun toegestaan , de zomermaanden in Zuid-Beveland door te brengen , en, na 's Prinsen dood , in 1702, vergunde men hun zich weder te Goes neder te zetten. Doch nu warden al spoedig de geslagene vonnissen vernietigd, en de hen steeds hoogachtende burgers benoemden ze weder, bij de eerste gelegenheid, tot regeringsposten , ondanks de hevige tegenkanting van hunne tegenpartij). (Men zie over de onlusten en beroeringen, die van tijd tot tjjd te Goes ontstaan zijn, het breeder daaromtrent te boek gestelde, door onzen geleerden medearbeider J. Ab Utrecht Dresselhuis in zijn Wandelingen door Zuid- en Noord-Beveland, blz. 123-139). Een oud staatsstuk zegt, dat in de meeste beroeringen die van Goes het exorbitantst waren.
In de groote staatsomwenteling van het jaar 1747 , hielden de Goezenaars zich zeer vreedzaam, wordende de verheffing van den Prins van Oranje aldaar, op voorslag van eenen Burgemeester, doorgedreven, zoo dat de gemeente er zich niet mede bemoeide.
In de jaren 1784 en 1788, was er tusschen de regering van Goes en de leden van het genootschap de Vrijheid, onder de zinspreuk: Deze beschermen wij, geen gering geschil gerezen wegens den wapenhandel, hetwelk ten gevolge had, dat dit genootschap , door de Regering verboden werd, welk verbod echter niet volkomen werd opgevolgd. Behalve dit genootschap , bestond er ook een burger leesgezelschap, tusschen welke beide eene naauwe betrekking stond. Een der leden van het leesgezelschap, de schipper Joost van St. Annaland, een zoogenaamd vrijheidsvlaggetje, waarin het beeld der vrijheid afgemaald was, op de mast van zijn schip geplaatst hebbende, gaven eenige schippersgasten, aan den Burgemeester van Dorth , thans het openstaande baljuwschap van Goes waarnemende, hun ongenoegen over dit vlaggetje te kennen , met verzoek dat dien schipper mogt gelast worden, het af te nemen. Hiertoe door dien Heer aangemaand, deed hij zulks nog dien eigen avond. Maar, op den eersten dag van het jaar 1787, werd hem zulks in bet burgerleesgezelschap als eene laagheid verweten , en geraden dit vlaggetje weder op te zeilen, van welk voornemen hij den gemelden Burgemeester kennis gaf, hem tevens doende verstaan, dat, bijaldien de schippersgasten lust hadden , het er af te halen, hij het zonder te beletten gerust zoude aanzien. Dit bedrijf belgde de schippersgasten dermate, dat zij het hatelijk vlaggetje afhaalden, en met de voeten vertrapten. Hierbij lieten zij het niet berusten , maar zij begaven zich naar het koffijhuis, waar de leden der burger-lees-societeit vergaderden, en waar dezen toen vrij sterk bijeen waren. De schippersgasten veroorloofden zich vele mishandelingen tegen hen, terwijl eene menigte volks, daar zamen geschoold, in huis drong, onder de bedreiging, van de leden van boven te zullen halen, dit werd echter door tusschenkomst van eenige Regeringsleden belet. Dien eigen namiddag werden evenwel aan de huizen van eenige personen, bij het gepeupel bekend of aangezien als het stadhouderlijke huis of der stadsregering een kwaad hart toedragende, de glazen ingeslagen, en bij anderen drank geeiseht, welke de woeling en baldadigheid aanvuurde. Dit had ten gevolge, dat de leden, zoo van het wapengenootschap als van het leesgezelschap, vrijwillig aannamen , die beide te ontbinden. Hierdoor geraakte de stad schijnbaar in rust, tot op den 30 Januarij, als wanneer het oproer niet vernieuwde woede uitbarstte , hetwelk niet gestild werd , voor dat eene menigte burgers geplunderd was.
Bij de omwenteling van het jaar 1793, even als bij die van 1813 is er te Goes niets meldenswaardigs voorgevallen.
Het wapen van Goes is gevierendeeld, het eerste en vierde gedeelte van zilver, beladen met acht spillen van azuur (blaauw), het tweede en derde van goud, gevierendeeld, waarvan het eerste en vierde beladen met eenen klimmenden leeuw van sabel (zwart), het tweede en derde met eenen klimmenden leeuw van keel (rood), en pointe van sabel, waarop een gans van zilver, gebekt en gepoot van keel. Het schild gedekt met eene kroon van goud.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Goes