Everinge, heerl. in het eil. Zuid-Beveland, prov. Zeeland, arr. Goes, kant. Heinkenstand, gem. Ellewoutsdijk-en-Everinge; palende N. O. aan Baarland-en-Bakendorp, Z. O. en Z. aan de schorren tegen de Hont, W. aan de heerl. Ellewoutsdijk. Deze heerl., welke vroeger veel uitgestrekter moet geweest zijn, maar in het jaar 1612 met een groot deel zijner gronden verzwolgen is, bevat thans niets dan den pold. van Everingen en daarin noch d. noch geh.
Zij beslaat eene oppervlakte van 125 bund. 91 v. r. 55 v. ell., telt 5 h., waaronder 3 boerderijen, en eene schaapherderij, bewoond door 5 huisgez., uitmakende eene bevolking van 35 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw. Ook behooren er nog aan 19 bund. 18 v. r. 70 v. ell. schorren, genaamd het Schorre-van-Everinge.
De inw. behooren kerkelijk onder Ellewoutsdijk, alwaar ook de kinderen ter school gaan.
Van deze heerl. ontleende het oude geslacht Van Everinge, vermoedelijk uit dat van Borssele voortgesproten, zijnen naam; van welks leden wij vermeld vinden: Doedijn van Everinge, die al zijne goederen, gelegen in Baarland, Bakendorp en Oudelande, in het jaar 1298, overdroeg aan Floris van Henegouwen; Claes, Floris en Jan van Everinge, welke de Van Borsselen bijgestaan hebben in den oorlog, welke dit geslacht, in het jaar 1358, met de stad Middelburg had; alsmede Olivier van Everinge, die, in 1472, Raad en Kamerling van den Hertog van Bourgondië was. Aangezien men na dezen laatste niemand van dat geslacht meer vermeld vindt, is het zeer waarschijnlijk reeds voor het jaar 1500, uitgestorven.
Thans wordt deze heerl., in eigendom bezeten door de erven van Vrouwe Maria Jung, geb. Barones Perponcher, allen buiten het rijk woonachtig.
Het wapen dezer heerl. bestaat uit zes elkander afwisselende banden van goud en sabel (zwart).

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Everinge.