Etten, bij sommigen ook wel eens Eeten of Eten gespeld, d. in de bar. van Breda, prov. Noord-Braband, Vierde dist., arr. en 2 u. W. ten Z. van Breda , kant. en 2 u. O. van Oudenbosch, gem. Etten-en-Leur.
Men telt er, in de kom van het d., 156 h., bewoond door 207 huisgez., uitmakende eene bevolking van 950 inw., en met de daartoe behoorende geh. Moleneind, Klappenburg, Neerstraat, Haansberg, Donk-en-Palingstraat, en een gedeelte van de geh. Hil- en Vaartkant-en-Bremberg, 455 h., bewoond door 525 huisgez., uitmakende eene bevolking van 2738 inw., die. meest hun bestaan vinden in den landbouw, terwijl men onder dit d. ook eenen beendermolen ter bemesting der landerijen heeft.
De R. K., die hier ongeveer 3000 in getal zijn, onder welke 2200 Communicanten, maken eene par. uit, welke tot het vic. van Breda, dek- van Breda, behoort en door eenen Pastoor en eenen Kapellaan bediend wordt. De kerk, aan den H. Lambertus toegewijd, is in het jaar 1792 geheel vernieuwd.
De Herv., van welke men er 140 aantreft, behooren tot de gem. Etten-en-Hoeven, die hier de oude parochiekerk bezitten. De kerk was voor de Reformatie aan de H. Maagd Maria toegewijd, en is een zoo oud gebouw, dat men de tijd van hare stichting niet weet op te geven. Zij was voormaals een aanhangsel van de moederkerk te Gilze, waarvan zij, in het jaar 1316, afgescheiden is, door Adolf, Bisschop van Luik. Na de Reformatie en den overgang van de stad en lande van Breda, onder het gebied der Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, werd zij door den toenmaligen Souverein en Baron van Breda, aan de Hervormden overgegeven, welke in dat bezit zijn gebleven, tot dat zij, uit kracht van de staatsregeling van 1798, weder aan de R. K. werd toegekend, doch welk besluit niet ten uitvoer is gelegd, omdat de R. K. nog niet in het bezit daarvan waren, toen, op den 15 September 1801, eene nieuwe staatsregeling werd afgekondigd, welke in art. 13, deze bepaling bevatte: » leder kerkgenootschap blijft » onherroepelijk in het bezit van hetgeen met den aanvang dezer eeuw » door hetzelve werd bezeten. " Dit heeft toen aanleiding tot een proces gegeven; hetwelk ten nadeele van de R. K. is uitgevallen. Den 11 Januarij 1732, was de toren dezer kerk met een groot gedeelte van de kerk zelve ingestort, waarna de toren, in het jaar 1771, door de gemeente, weder veel fraaijer is opgebouwd, wordende den 11 April van dat jaar de eerste steen daaraan gelegd, terwijl de klokken het eerst geluid zijn, den 17 September 1772, ter gelegenheid, van den doop des Erfprinsen van Oranje, later Koning Willem I. Van de kerk werd alleen het koor, dat staan was gebleven, tot de predikdienst der Hervormden ingerigt, die ook thans nog hunne godsdienst verrigten in dat zeer ruime gebouw, hetwelk door hen van een orgel voorzien is.
Ook heeft men hier een Oude-Vrouwenhuis, waarvan de oorspronkelijke naam is St. Paulus-Hofken, gesticht in het jaar 1681, door Joost de Nobelaar, voor 13 arme vrouwen, welke er ieder eene vrije woning genieten en daarbij ieder twee karren turf 's jaars ontvangen. Op eenen steen in den voorgevel staat het volgende uitgehouwen:

Ter eeren Godts en van Godts uytverkoren Vit
Sint Paulus, tot Gebruyck van dertien Arme Vrouwen,
Hr. Joost de Nobelaar dit Godtshuys heeft doen bouwen,
Gelyck Vrouw Beatrix van Heesden eertyds hadt.
Syn soon Heer Jan Donis belast by Codicille,
Die synde door de Doodt van dat te doen belet,
Voldeed syn vader dus aan beyder Goede wille,
En gaf de Grondt van 't syn waarop het is gezet.

Er bestond hier vroeger mede een gasthuis, hetgeen door Heer Jan van den Hout, Ridder, en zijne vrouw, gesticht was ter eere van St. Jan Baptist en Evangelist, St. Catharina en Barbara, om daar zeven werken van barmhartigheid in te oefenen, vijf armen in te onderhouden, mitsgaders alle nachten twee reizigers te herbergen, volgens hunnen uitersten wil, gemaakt den 7 April 1454. Dit gasthuis was reeds op het einde der zeventiende eeuw te niet en de fondsen zijn later aan het Algemeen armbestuur overgegaan.
Men heeft in dit dorp twee scholen, als: eene dorpschool, die gemiddeld door een getal van 80 leerlingen bezocht -wordt, en een kostschool voor Jongejufvrouwen, op het Huis Adama, met 30 leerlingen.
Ook heeft men er een fraai raadhuis, met eenen dubbelen stoep; alsmede een distributie kantoor van de brievenposterij.
Etten is een zeer oud , groot en volkrijk d., in de Salische wetten reeds bekend, alwaar het als eene der maalsteden of vergaderplaatsen der Franken, omtrent de vijfde eeuw, wordt opgenoemd. Het voerde den naam van vrijheid, hoewel het geen hoog gerigt had en behoorde van overoude tijden aan het Land van Breda, waaronder het ook bij de verdeeling, tusschen de Heeren van Breda en Bergen, in het jaar 1290 gedaan, mede geteld werdt. Naderhand is Etten het erfdeel van het oude geslacht van Van den Houte of Utenhoute geweest, waarin het vele jaren gebleven is. Een der leden van het geslacht, Jan van den Houte of Utenhoute, heeft zich als krijgsman beroemd gemaakt in den oorlog tusschen Braband en Gelderland, in het jaar 1288; zijne dapperheid koste hem gevangenis en den dood. Doch den 6 October van het jaar 1450, werd deze heerlijkheid door Hendrik Steenwech aan Jan, Graaf van Nassau, verkocht, onder voorwaarde dat Jan van den Houte, het regt zoude behouden om de kapelanij en het gasthuis aldaar te begeven. Het gemelde oud ridderlijke geslacht heeft zijne woonplaats mede te Etten gehad, op het slot door hen aldaar gesticht, hetwelk deswege nog tot de slooping, in het jaar 1815, het Kasteel van den Haute genoemd werd. Arnout van Loven en Elisabeth, zijne huisvrouw, Heer en Vrouwe van Breda, verkochten in hel jaar 1277, de geheele tienden van Etten aan Guda, Abdis van Thoor, waarom die tienden tot op de Fransche omwenteling, in het laatst der vorige eeuw, bij de Abdis en het Convent van Thoor, bezeten werden.
Etten is de geboorteplaats van den Godgeleerde Adriaan van Wesel, geb. tusschen de jaren 1648 en 1653, † 16 Januarij 1710, als Predikant te Amsterdam.
Men heeft te Etten twee paardenmarkten, eene den 1 Maart en eene den 1 September, terwijl de kermis er den eersten Zondag in October invalt.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Etten