Borssele, gem. op het eil. Zuid-Beveland, prov. Zeeland, distr. en arr. Goes, kant. Heinkenszand, (3 k. d., 7 m. k., 5 s. d.); palende N. W. aan de gem. 's Heer Arentskerke, N. aan 's Heerenhoek, O. aan Overzande en Driewegen , Z. O. aan Driewegen, Z. en W. aan de Honte.
Deze gem. bestaat uit den Oud-Borsselepolder, met bijna den geheelen Nieuw-Borsselepolder , benevens een gedeelte van den Koningspolder, alsmede zeer kleine gedeelten van den Nieuwen-West-Craijertpolder en van den St. Anthonijpolder. Zij bevat het d. Borssele en eenige verstrooid liggende h. Men telt er 760 inw. die meest hun bestaan vinden in den landbouw.
De Herv., wier getal hier 600 beloopt, maken eene gem. uit. De eerste, die hier het leeraarsambt heeft waargenomen, is geweest Elias Morris, die in bet jaar 1618 hier gekomen is, en in het jaar 1639 weder naar Kruiningen vertrok.
De R. K., van welke men er 160 aantreft, behooren tot de statie van 's Heerenhoek.
Men heeft in deze gem. ééne school.
Borssele is eene baronnie en bet oorspronkelijke stamgoed der Heeren van Borssele, die in vervolg van tijd zeer vermenigvuldigd en door geheel Zeeland verspreid zijn, maar, ten einde den eenen tak van den anderen te onderscheiden, naar de heerlijkheden, welke hun door giften, huwelijk of op eenige andere wijze ten deel vielen, zich Borssele van Baarsdorp, Borssele van Brigdamme, Borssele van der Hooge, Borssele van Kleverskerke, Borssele van Kortgeen, Borssele van Latedale, Borssele van St. Maartensdijk, Borssele van Sandijk, Borssele van Spreeuwenstein, Borssele van der Veere, enz. genoemd hebben, en welke Heeren, te allen tijde, naast de Graven van Zeeland, den grootsten invloed in deze provincie hadden. De eerste Heer van dit geslacht, die in deze landen is bekend geweest, wordt in de oude Zeeuwsche kronijken Lippold of Leupold (eigenlijk Leopold) genoemd.
Deze wordt gezegd een zoon geweest te zijn van Frank, Hertog van Zwaben, en door Keizer Lodewijk den Vrome, herwaarts te zijn gezonden, om, inzonderheid Zeeland, tegen de invallen der Noormannen te beschermen, en ten einde hiertoe te beter in slaat te zijn, werd hij begiftigd met goed, land en erve, bijzonder bij Zuid-Beveland, door welk land men Borssele-Beoosten-Vijfzode moet verstaan. Nadat hij de Deenen, in het jaar 838, ten lande uitgejaagd had, werd hij door den Keizer tot Kapitein-Generaal aangesteld, om Zeeland tegen de vijanden te bewaren. De nakomelingen van gezegden Leopold hebben, gedurende vier en eene halve eeuw, in dit Borssele hun verblijf gehouden. Een hunner, met name Wolfert van Borssele, nam deel aan den eersten kruistogt, waar hij zich in verschillende gevechten roemvol onderscheidde, en behoorde tevens tot de Ridders, die, met Hugo van Patens en Godfried van St. Omer, de orde der Tempelieren stichtte. Floris, de laatste uit den ouden stam van Borssele, en een man van grooten invloed, was, in het jaar 1289, een der voornaamste Edelen, die, zich door Graaf Floris V te zwaar belast wanende, Guido, Graaf van Vlaanderen, huldigden, doch ook, in de maand Julij des volgenden jaars, met den Landvorst wederom vrede maakte. De Graaf benoemde hem, den 5 November 1290, tot zijnen Raad, dien hij, zoo lang hij leefde, niet van zich verwijderen zou. Hem en Jan I diende hij ook getrouw; doch toen zijn bloedverwant, de beruchte Wolfaart van Borssele van Vere, was omgebragt, stelde hij zich aan het boofd van zijn geslacht, om diens dood te wreken en Jan van Avesnes den Grafelijken zetel te betwisten. Duur kwam hem dit echter te staan. Terwijl hij, met de verbondenen, den Keizer te Nijmegen opzocht, liet Avennes hunne goederen bezetten, en de verdediging van het slot Ostende, te Goes, werd opgedragen aan Boudewijn van Yerseke, broeder des Maarschalks van Zeeland. Floris poogde het, den 1 Januarij 1305, te hernemen, doch werd afgeslagen. De Maarschalk zelf kwam ook weldra met eene aanzienlijke magt opdagen. Tegen die overmagt niet bestand, weken de verbondenen naar Vlaanderen, van Borssele's goederen werden verbeurd verklaard, en den 23 September 1315, aan Heer Jan van Beaumont, broeder van Willem 111, Graaf van Holland en Zeeland, ter leen uitgegeven. Bij gebrek van mannelijke nakomelingen, verviel deze heerlijkheid, als een kwaad leen, weder aan de grafelijkheid en werd nu opgedragen aan Filips van Borssele, Heer van Kortgene, die in het bezit daarvan was, toen Jacoba, Gravin van Holland en Zeeland, in het jaar 1417, de hooge heerlijkheid, waaraan zij den titel van baronnie toekende, van de ambachten scheidde. Floris en Boudewijn volgden, in het jaar 1413, Filips op, doch drie jaren later, gaf de Vorstin geheel Borssele-Bewesten-Vijfzode aan haren laatsten gemaal, Frank van Borssele, Graaf van Oostervant, die de laatste Heer uit het huis van Borssele is geweest, welke destijds de baronnie bezeten heeft; want hij, voorziende, dat hij bij zijn overlijden , geen wettige afstammelingen zoude nalaten, en willende voorkomen dat de heerlijkheid als dan niet weder aan de grafelijkheid verviel, heeft van Filips de Goede, Graaf van Holland en Zeeland, in het jaar 1452, voor eene som van 3575 guld., octrooi verkregen, om de baronnie Borssele bij testament te vermaken aan wie hij wilde. Daar hij nu niemand nader had, dan zijne eenige zuster Eleonora van Borssele, stelde hij haren zoon, Jasper, Heer van Culemborgh, tot erfgenaam dezer baronnie, aan wien hij dan ook, na zijnen dood, in het jaar 1470 dadelijk ten deel viel. Door zijne dochter Elizabeth, eerst gehuwd met Jan van Luxemburg, later, in het jaar 1509, met Antonie van Lalain, Heer van Montigny, werd Borssele-Bewesten-Vijfzode, den 11 Julij 1514, aan dezen haren echtgenoot als lijftogt gegeven. Keizer Maximiliaan en Aartshertog Karel hechtten, den 14 September van dat jaar, daaraan hun zegel. Heer Antonie was er bezitter van, toen de watervloed van 1530 ook deze heerlijkheid overstelpte. Hij deed vergeefsche pogingen ter beversching, en eindelijk, even als zijn neef Erard Vrijheer van Palland, aan wien het leen na zijnen dood vervallen moest, daarvan afstand. Bij vonnis van den Secreten Raad te Brussel, van den 5 Maart 1532, werden nu de Graaf en de Gravin van Rennenberg, uit kracht van dien afstand, gecondemneerd, om het land van Borssele te bedijken. Bij testamentaire beschikking van 1553, ging het goed naderhand weder over aan Filips van Lalain, Graaf van Hoogstraten, wiens zoon Antonie het leen, op den 7 Februarij 1555, verhief, en dus ten tijde van het verbond der Edelen Heer van Borssele was, hetwelk uit dien hoofde, even als de bezittingen van andere uitgewekenen, door den Hertog van Alva, in het jaar 1568, werd aangeslagen. Het schijnt echter, dat Filips, of ten minste zijn zoon. Karel van Lalain, later weder in het bezit hersteld is, althans deze laatste verkocht de baronnie van Borssele, ten jare 1615, aan de regering der stad Goes. Deze koop kan echter niet wel in iets anders bestaan hebben dan; in het eigendom der schorren, benevens het hoog en vrijheerlijk regt over deze streek, want de grond was, zoo als hiervoor (bl. 610) reeds geiegd is, in het jaar 1530, door het water verzwolgen, en hoewel in het jaar 1531 weder bedijkt geworden, in het volgende jaar anderwerf ondergeloopen, toodat men daarvan niets zag dan slijk en zandige schorren, die; bij elken vloed ondervloeiden; Doch de Regering der stad Goes gaf, onmiddellijk na dezen aankoop, in het jaar 1616, den.grond op nieuw ter bedijkiug aan bijzondere: personen uit, die de landerijen, welke zij ten hunne koste drooggemaakt hadden, volgens verleend octrooi, in eigendom behielden. Na de bedijking zijn op deze gronden weder spoedig menschen komen wonen, die aldaar een dorp stichtten, en de heerlijkheid werd, in 1656, van een kwaad een goed en onversterflijk erfleen; maar de nieuwe bedijking had ook met tegenspoed te kampen, want de zuidelijke oever werd afgeknaagd , zoodat men, in het jaar 1686, ten gevolge, der grondbraken, 55 gemeten (ruim 21 bund.) moest uitslaan en, in het jaar 1715, den geheelen Wolfertspolder, groot 242 gemeten (93 bund.) verlaten. In dien toestand bevond zich de baronnie toen Jonkheer Jan van Borssele van der Hooge, eerste Edele van Zeeland, den 8 Maart 1750 het. hoog, middelbaar en laag regtsgebied daarover van de Regering der stad Goes gekocht heeft, waardoor die baronnie weder tot haar oud geslacht is terug gekeerd, door hetwelk zij ook nog bezeten wordt, zijnde thans het eigendom van den Heer A. G. Baron van Borssele.
Het dorp Borssele of Monster, zoo, als het ook wel, ofschoon oneigenlijk genoemd wordt, daar bet niet op dezelfde, plaats gelegen is, als het oude Monster, ligt 3 ½ u. Z. W. van Goes, 2 u. Z. W. van Heinkenszand. Het is eene fraaije plaats, waarvan de h. aan een langwerpig vierkant, en met boomen beplant plein gebouwd zijn. Zoodra dit, dorp begon bebouwd en bevolkt te worden, was men er op bedacht om er eene geschikte kerk te stichten; ook had men reeds eene plaats aan de zuidzijde van het dorp daartoe bestemd en het kerkhof; met.eenen muur omgeven; zelfs werd, den 30 Januarij 1696, door den regering van Goes besloten, eene nieuwe kerk aan te bouwen doch de zware onkosten, welke ter indijking waren besteed, lieten niet toe, dat die bouw voortgang had, waarom, de Predikanten eerst genoodzaakt waren, in een vertrek der Pastorie de dienst te verrigten, thans echter is een groot gedeelte van het voormalige Gemeentehuis daartoe ingerigt.
Da dorpsschool, in, het jaar 1840 aanmerkelijk verbeterd, telt des zomers 50 maar des winters wel 90 leerlingen.
Noordoostwaards van het dorp ziet men nog een der zoogenoemde vliebergen welke bij de overstroomingen van de jaren 1530 en 1532 is staande gebleven, en die men den Berg van Trooje noemt, vermoedelijk naar het voorm. slot Troije of Trooje hetwelk daaromtrent gestaan beeft.
Tijdens de overheersching der Franschen, was te Borssele eene batterij aangelegd, welke zij, na haar bij de eerste uitbarsting van den Opstand, in 1813, verlaten te hebben, later weder zochten te bemagtigen (zie dit omstandig verhaald op Beveland (Zuid.) bl. 388 en 389).
Het wapen van Borssele bestaat in een zwart schild met eenen balk van zilver.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Borssele