Borssele, ook Berselre, Brumsale, Brinsilla en Borsale gespeld, (hetwelk alles zooveel als Zeebuurt beteekent), eene der oudste gedeelten van Zeeland, Z. W. van Zuid-Beveland, waarvan het door de Zwake, een tamelijk breed water, gescheiden was.
Het werd bespoeld ten N. door de Loo-IJve , ten N. O. door de Dierik, ten Z. door.de Wijling-éé, ten W. door de Sloe en de Zwake, en bestond oorspronkelijk-uit twee eilanden, die door de IJve van een gescheiden waren, én daarnaar ook Borssele-beoosten-IJve, Borssele-beoosten-Vijfzode of Oost-Borssele, en Borssele-bewesten-IJve, Borssele-bewesten-Vijfzode of West-Borssele genoemd werden (zie die art.). Het laatste gedeelte maakte de heerl. Borssele uit.
Het eil. Borssele, dat men reeds in de zevende eeuw vermeld vindt, bevatte de dorpen: Coudorpe, Ellewoutsdijk, Everinge, St. Katrijn, Monster, Oostkerk, Westkerk, Te Wijk en Wolfartsdorp.
Het was oorspronkelijk eene bezitting van een aanzienlijk geslacht, welks stamhoofden later ook veel magts in het westelijke gedeelte van Zuid-Beveland verkregen, waar zij mede belangrijke eigendommen bezaten, zoo als Goes, Baarsdorp, enz. Van lieverlede werden echter deze goederen gesplitst of verloren. Verschillende takken uit dien stam onderscheidden zich door de namen der heerlijkheden, hun ten deele gevallen (zie het volgende art.), en weldra was deze en gene belangrijker, dan de hoofdstam zelve, welks bezittingen, in het begin der veertiende eeuw, door verbeurdverklaring, in andere handen kwamen.
Borssele maakte op zich zelve een decanaat of dekenschap uit, waarvan de Deken of Provisor verblijf hield te Monster, het oudste en voornaamste der dorpen, dat zijnen naam daarvan ontleend heeft, aangezien het woord monster eene kapittelkerk beteekent.
Door het verlandcn der IJve, werden de beide eilanden, waaruit Borssele eerst bestond, in de dertiende eeuw aanéén verbonden; later werd het daardoor gevormd eiland, door de afdamming der Dierik, vereenigd met de Baarlanden, en op het laatst der vijftiende eeuw met de, in de Zwake, aangeslibde eilandjes Heinkenszand en Overzand, die toen reeds aan Zuid-Beveland gehecht waren.
De in Borssele gelegene dorpen moesten deelen in de rampen, die, den 15 November 1530, geheel Zuid-Beveland troffen. Nadat men in het jaar 1531 weder begonnen was de, om deze dorpen gelegene, landerijen te bedijken, werden zij in het volgende jaar andermaal overstroomd, waarna de meesten met de zee zijn gemeen gelaten tot in het jaar 1616, als wanneer die bedijking hervat is.
Thans maken de voormalige eilanden Borssele, met de polders, die, zoo ten Oosten als ten Noorden, aan de heerlijkheid Borssele zijn aangedijkt, de Vierde Afdeeling der Watering van Zuid-Beveland, welke men meest onder den naam van Watering van Borssele aanduidt, ofschoon er alle de polders onder de gem. Borssele, E11ewoutsdijk, Oudelande, Baarland en Hoedekenskerke toegebragt worden (Wij meenden tot het zamenstellen van dit en de volgende art. niet beter te kunnen doen, dan hetgene, door onzen geleerden medearbeider J Ab Utrecht Dresselhuys, in zijne Wandelingen door Zuid- en Noord-Beveland, geschreven wordt, op den voet te volgen. Zie dat werk, bl. 206-242.)

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Borsele