Berkel, d. in de Meijerij van 's Hertogenbosch, kw. Oisterwijk, prov. Noord-Braband, arr. en 3 u. Z. Z. W. van ’s Hertogenbosch, kant. en 1 u. N. ten Z. van Tilburg , distr. en 2 ½ u. W. van Boxtel, gem. Berkel-Enschot-en Heukelum.
Dit d. komt iu het jaar 1240 reeds voor, onder den naam van Bercle, wanneer Gissilbert van Tilburg de tienden van dit plaatsje aan de abdij van St. Geertruida te Leuven schonk.
Men telt hier ruim 500 inw., alle R. K., van welke eenigen tot de parochie van Oisterwijk, anderen tot die van Udenhout behooren; kunnende de inwoners, naar verkiezing, in eene der twee gemeenten, hunne parochie houden. Oudtijds is hier eene aanzienlijke kapel, met eenen spitsen toren, onder aanroeping van den H. Willebrordus ingewijd. Deze is, sedert de Spaansche tijden, lang buiten alle gebruik gebleven, en dient thans tot eene bidplaats.
De inw. vinden meest hun bestaan in den landbouw. De voornaamste granen en veldgewassen, die hier gewonnen worden, bestaan in rogge, boekweit, koolzaad, voor- en najaars-spurrie, roode klaver, tot voeder voor de beesten, een weinig vlas en aardappelen.
Nabij Berkel, een weinig noordwestwaarts van het d., ligt een zeker goed, dat aan zijnen eigenaar den titel van Heer in Berkel plagt te geven.
uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Berkel