Bergen-op-Zoom, gem. in bet markgraafschap van Bergen-op-Zoom, prov. Noord-Braband, arr. Breda: kant. Bergen-op-Zoom (19 m. k., 7 s. d.); palende N. aan de gem. Halsteren, O. aan Wouw, Z. aan Woensdrecht-Hoogerheide-en-Hinkelenoord, W. aan de Schelde.
Zij bevat, behalve de stad Bergen-op-Zoom, ook nog het geh. Borgvliet, benevens het zoogenaamde Stadspoldertje, en een gedeelte (100 bund. 93 v. r. 70 v. ell.) van den Augustapolder, en telt 1349 h. en ruim 7000 inw.
De stad Bergen-op Zoom ook wel Bergen-op-den-Zoom , Bergen-op ten Zoom, Bergen-an-de Zoem of Bergen-op-de-Zoom gespeld, in de wandeling echter meestal enkel Bergen en in het Latijn, Bergae, Bergo-Zoma of Bergae ad Zomam geheeten, ligt 7 u. W. ten Z. van Breda, bijna even zoo ver N. ten W. van Antwerpen, 1 u. Z. O. van Tholen (31° 29' 41" N. B. 21° 87' 9" O. L.). De naam dezer stad wordt ontleend van hare ligging op eenige heuveltjes, welke te zamen eenen niet zeer hoogen berg vormen, en van de landstreek, waarin zij is aangelegd, die in de oude rentebrieven den Zoom (Dit Zoom of Soom wil men, dat van de Keltische woorden soo, moeras en ma, land, zoude afstammen en alzoo moerassig 1and betekent.) genaamd wordt. Zij is zeer oud, zoo niet als stad dan toch als bewoonde plaats, want in het jaar 422 wordt de burgt van Bergen-op-Zoom in de Zaalfrankische wetten reedt genoemd. Het is zeer waarschijnlijk, dat zij hare opkomst verschuldigd zij aan eenige visschers, die zich daar nedergezet hebben, vermoedelijk wel aan eenige achtergeblevenen van de eerste invallen gedaan hebbende Noormannen, en dat zij dus aanvankelijk uit maar weinige woningen of hutten bestaan hebbe. De digt voorbij de stad stroomende, vischrijke rivier de Schelde was een genoegzaam aanloksel, om zich nabij die rivier te vestigen. Zij maakte een deel uit van het erfgoed van St. Geertruida, de oudste dochter van Pepijn van Landen, Grootmeester van Dagobert, Koning der Franken, die in de achtste eeuw leefde, en in het midden dier eeuw in of bij deze plaats een kapelletje stichtte, dat, hoewel eerst door ouderdom vervallen, in 1631, weder was hersteld geworden. Het stond aan den oever, der Schelde, nabij ééne bron, die onophoudelijk zoet water opgeeft, en wegens hare nabijheid aan den oever der Schelde, niet ten onregte, onder de zeldzaamheden der natuur gerekend wordt. Het water van deze bron, van ouds onder den naam van St. Geertruidabron bekend, was eene soort van gezondheidswater en had zeer goede hoedanigheden, zoo dat de geneesheeren den zieken het gebruik daarvan aanbevolen, en Frederik Hendrik, Prins van Oranje, bet naar 's Gravenhage deed komen, om zich daarvan dagelijks aan zijne tafel te bedienen, waarin hem de Ambassadeurs van Frankrijk navolgden. Deze bron was, om te vermijden , dat dit zoetwater, niet bij iederen vloed , met dat der Schelde zoude vermengd worden, ter plaatse waar zij ontspringt met een muurtje omgeven. Dit muurwerk en de daarbij zijnde kapel hadden in het jaar 1622, ten tijde der belegering door Spinola, veel geleden; maar in het jaar 1631 werd dit, op begeerte van genoemden Prins, van stadswege weder opgemaakt. Tijdens de verbetering der vestingwerken, door den Baron van Coehorn in het jaar 1699 en 1700, is de overvloed en deugdzaamheid van het water zeer verminderd, waarschijnlijk door het afleiden of verstoppen van eenige adertjes, die haar van water voorzagen. In bet jaar 1727 werd dit kapellelje door een speelhuisje vervangen, alwaar de ingezetenen zich des zomers, nu en dan, gingen verlustigen; maar dit werd in het jaar 1747, door het kanon van Kijk in de Pot plat geschoten, opdat de vijand er zich niet in zoude nestelen, en sedert dien tijd is ook het muurwerk, dat om de bron stond, meer en meer vervallen, zoodat het naauwelijks mogelijk is de plaats te vinden, waar deze vermaarde bron ontspringt. Gerard van Wesemale, Heer van Quabeke, die door zijne moeder Beatrix, eene kleindochter van Godevaart IV, Heer van Breda, uit de oude Heeren van Breda afstamde, deed Bergen-op-Zoom, in 1287, met muren omringen en van poorten voorzien, ook bouwde hij er een kasteel, zoodat zij bet aanzien vam eene stad bekwam, weshalve hij voor den eersten stichter gehouden wordt.
De groote voorregten, met welke die plaats al vroeg begunstigd werd, waaronder ook vrijdom van tollen, in geheel Holland en Zeeland, door Hertog Albrecht van Beijeren, Graaf van Holland, aan haar bij giftbrief, in het jaar 1395, verleend, deden Bergen-op-Zoom binnen korten tijd zeer in vermogen toenemen, hetwelk duurde, tot in het jaar 1397, wanneer zij door eenen feilen brand vernield werd, die slechts twee huizen, de Draak en de Olifant geheeten, verschoonde. Niet lang daarna was zij echter weder herbouwd. Deze bouwing en herbouwing betrof evenwel eenigen alleen de oude stad, die van eene ronde gedaante en van veel kleiner omvang dan de tegenwoordige was. Zij werd daarna, aan de westzijde, tot aan de haven verder uitgelegd, waardoor zij de langwerpig ronde gedaante bekwam, welke zij thans nog heeft.
Nadat Bergen-op-Zoom, gedurende de Spaansche onlusten, in der Staten handen gekomen was, hebben deze geene kosten ontzien, om ze, naar de kunst, ongemeen te versterken: waartoe daarna, inzonderheid de vermaarde Generaal Menno Baron van Coehoorn, in 1699, 1700 en eenige volgende jaren, de hand geleend heeft. De kapitale wal, die omtrent één uur gaans in haren omtrek heeft, is thans bevestigd met vijftien bastions (bolwerken), die door onderscheidene ravelijnen en lunetten, gedekt zijn. Dit alles is omringd door eenen bedekten weg, en een conterscharp. De meeste versterking is aan de Oost- en voornamelijk aan de Zuidzijde der stad. Ter dezer plaats is de grond, ook hooger oprijzende, best bekwaam, om diep ingaande mijnen aan te leggen, waarvan zij rijkelijk voorzien is. Aldaar zijn de buitenwerken, en inzonderheid de bedekte weg, naar den binnenkant, met onderaardsche gallerijen, uitgehold, alle van steen gemetseld, waarin de krijgsbezetting, ook nadat zij het bovendeel des bedekten wegs verlaten moet, zich kan bergen , en aan den vijand de nadering tot d« stad betwisten. Aan diezelfde Zuidzijde beeft zij eene drooge gracht, door wier midden eene smalle watergracht (cunette), tusschen de 3 en 6 ellen breed, loopt, waarvan men het water door middel van eene sluis kan ophouden; zoo dat de geheele gracht kan worden onder water en men alzoo de voordeeligste grachtverdediging erlangt. Aan de Noordzijde is de kapitale wal, sedert het begin der vorige eeuw tot het jaar 1740, van alle sterkte ontbloot geweest, dewijl zij geheel vervallen en van geen buitenwerken voorzien was, uitgezonderd van een conterscharp; doch als, in het gezegde jaar, de oorlog wegens de pragmatieke sanctie opkwam, is men bedacht geworden, de stad, ook aan die zijde, behoorlijk te versterken; wenschelijk ware het geweest, dat men toen het hoornwerk, aan de havenzijde gelegen, niet met den kapitalen wal vereenigd, de escarpe van muurwerk voorzien en de te lage escarpe verhoogd had, dan zoude de vesting beter tegen verrassingen verzekerd zijn geweest. Aan deze zijde werd de versterking door de kunst, echter niet zoo hoog noodzakelijk geacht, dewijl zij daar door de natuur genoegzaam versterkt scheen ; namelijk ter oorzaak van een bijna ondoorwaadbaar moeras, hetwelk, bij de Wouwsche poort beginnende, noordwaarts tot nabij Steenbergen voortgaat, terwijl bovendien al het land aldaar, door het openen der zeesluizen. kan onder water gezet worden. Ten einde met des te meer voordeel van dit moeras, ter bescherming der stad, gebruik te kunnen maken, had men daarin, reeds in het jaar 1628, op raad van Frederik Hendrik, Prins van Oranje drie schansen aangelegd, de eerste, nabij de stad Moermont, de tweede, in het midden, Pinsen, en de derde, een half uur gaans van de stad, Rover geheeten. Daar beneven is, in den jare 1727, eene linie aangelegd, welke diende, om de gemeenschap dezer drie schansen, zoo onderling, als met de stad, te verzekeren. Dit geheele werk strekte bovendien, om in tijden van belegering, binnen die linie, een klein leger te plaatsen, waaruit de stad steeds van verscli volk voorzien kon worden. Aan de Westzijde, naar den waterkant, waren eertijds twee schansen, van welke de eene de Zuider-schans en de andere de Noorder-schans genoemd werden; dan, de laatste is daarna onnoodig geoordeeld, en weggedaan, terwijl de andere, ten Z. der oude haven, in wezen gebleven is, en nu den naam draagt van Water-schans. Al het land, ten Z. dezer beide havens, tusschen de stad en de Schelde, was eertijds moerassig, en dewijl het bij elken vloedtijd, plagt onder te vloeijen, zoo was de stad aan die zijde voor den vijand ongenaakbaar, en daarom door geene vestingwerken, uitgezonderd eene kleine schans, de Kijk in de Pot geheeten versterkt, dan, vermits de grond, sedert eenige jaren, langs hoe meer begon verhoogd te worden , heeft men , in het jaar 1741, de stad aan die zijde meer beginnen te versterken, met eene linie te trekken, van de hoogte tot aan de Waterschans, en daarbij eene tweede schans te bouwen, die het Slijkfort wordt genoemd. Alle deze kosten en moeiten zijn aan Bergen-op-Zoom besteed, dewijl men deze stad, ten allen tijde, als de sleutel van Zeeland heeft aangemerkt. De vestingbouwkundigen hebben haar des te meer waardig geacht om verfterkt te worden; dewijl zij, door hare gelegenheid, zoo nabij de Ooster-Schelde, alsmede ter oorzaak der moerassen aan de Noordzijde, nimmer door een vijandelijk leger, van alle kanten, kan worden ingesloten, noch de toevoer van levensmiddelen , oorlogsvoorraad en zelfs van versch volk, in tijden van beleg kan worden belemmerd. Daarenboven kan ze niet-dan van de Zuidzijde, met eenige hoop op eenen goeden uitslag worden aangevallen, maar is aldaar zoowel beneden, als boven den grond, dermate door de kunst versterkt, dat men den grond voet voor voet aan den vijand betwisten kan. Ook kon deze stad voor de bekende verrassing, door de Franschen in het jaar 1747, zich beroemen ongerepte maagd te zijn gebleven, dat is nimmer, bij een geregeld beleg, veroverd te zijn geweest. Zij heeft thans, behalve de Walerschans en Kijk inde Pot, dertien groote en twee kleine bastions, meestal door ravelijncn beschermd, uitgenomen aan de Steenbergsche zijde, alwaar vroeger de bovengemelde, vermaarde en belangrijke linie gevonden werd, door welke Bergen-op-Zoom, niet alleen in verband stond met de vesting Steenbergen , maar ook met de Willemstad, Geertruideubcrg en de overige sterkten achter de groote inundatiën, zoo als die aan de Made, de Warande, Spinola enz. De vijand kan , door de rivieren en die sterkten gehinderd, aan deze zijde Holland niet binnen dringen , ten ware tweespalt , gepaard met harde vorst, hem de hand boden. Zijn weg is anders over Grave, Nijmegen, de linie van den IJssel en Utrecht, en Lodewijk XIV heeft de bezwaren ondervonden, die dáár te vinden zijn, vooral als men, bij den aanval, van deze zijde op hulp uit Duitschland rekenen kan.
Bergen-op-Zoom heeft vier poorten, als: twee ten N., de Waterpoort en de Steenbergschepoort, één ten O. de Wouwpoort en één ten Z. de Boschpoort. Zij heeft eene goede en zeer gunstig gelegen haven, waarin de schepen, zoo wel des zomeers, als des winters, beveiligd zijn, en door welke de stad met de Schelde gemeenschap heeft.
Zij is rondom geheel bemetseld, en eene breede en gemakkelijke kaai, die aan beide zijden met boomen beplant is, stelt de schippers in staat, alles met het grootste gemak te lossen en te laden. De plaats, alwaar de vischschuiten liggen, de Ham genaamd, is ook met eene nette houten kaai voorzien, .Tusschen de zuidzijde der haven en den stadswal ligt de Molenwaterskom, waaruit het water zich door eene sluis, het Zwanegat genaamd, in de Nieuwe haven ontlast. Deze Nieuwe haven is in het jaar 1838 uitgediept, terwijl er in datzelfde jaar bepaald is, dat er in de muren van den havenmond kapitale sluisdeuren zullen aangebragt worden, die dienen moeten, om, het zeewater bij stormvloeden te verhinderen, schade aan de op de kade staande huizen en pakhuizen toe te brengen. Hoewel de haven aanzienlijk boven het laag water opgeslikt is, ontvangt zij echter bij vloed nog zoo veel water, dat diep geladen schepen daar binnen kunnen komen , loopende de gewone vloeden tot de hoogte van omtrent 1 el, 8 palm boven A. P.
De volgende stormvloeden deden het water te Bergen-op-Zoom eene buitengewone hoogte bereiken; als:
die van 9 Nov. 1800 eene hoogte van 4,60 ell., boven A. P.
—,- —. 15 Jan. 1809 — — 4,27 — _,
, - , . - , 4 Febr. 1825 — — 4,31 — ; — ,
—, - 5 Maart 1828 — — 4,15 — — — —
— — 17 Febr. 1838 — — 5,75 — ~—,
— — 24 Febr, 1838 — — 3,80 — .
Aan het Oosteinde der haven ziet men het Spuitorentje, met een uurwerk voorzien, hetwelk in het jaar 1838 vernieuwd is. Onder dit torentje is eene schuifdeur, waardoor het water der Grebbe opgestopt, wordt, en welke men bij laag water tot schuring van de haven opwindt.
Men heeft er ongeveer zestig zoo groote als kleine straten, vijf openbare pleinen, waaronder uitmuntende Groote Markt, de Vischmarkt en de Paradeplaats, welke laatste een gedeelte van den grond beslaat, die eertijds door het oostelijke gedeelte der groote kerk werd ingenomen, welk gedeelte in het jaar 1622 geheel verwoest werd. In het jaar 1752 is deze plaats, door het afbreken van onderscheidene huizen zeer fraai en ruim geworden. Het getal huizen beloopt nagenoeg 1300 en men telt er ongeveer 7000 inw., die meest hun bestaan vinden door den doorvoer, eenigen handel, de scheepvaart, de visscherij en de bezetting. De ansjovis en de bot, die in den omtrek gevangen worden, houdt men te regt voor de beste.
Dat Bergen-op-Zoom van ouds onder de bloeijende koopsteden van Braband is gerekend geweest, is ontwijfelbaar , en hare gelegenheid aan den oostelijken arm der Schelde, maakte het afvaren en aankomen der schepen gemakkelijk. Dewijl daarenboven de burgers dezer stad, ingevolge den hiervoor vermelden giftbrief des Hertogs Albrecht van Beijeren, Graaf van Holland, vrijdom van tollen, door geheel Holland en Zeeland hadden, werd hun koophandel daardoor niet weinig bevoordeeld. Ook waren er te dier stede vele goud- en zilversmeden, zoodat de Kremerstraat, de Kortesmeestraat, het Augustijnstraatje en een gedeelte van de Vischmarkt enkel door lieden van dat beroep bewoond werden. Vreemde kooplieden, maar vooral Engelsche, vestigden daarom te dier stede hunne woonplaats; er was zelfs eene afzonderlijke wijk voor deze laatste, thans nog de Engelsche straat genoemd. Men had hier voorts eene beurs, een lakenhal en een huis voor de Hanzesteden. De binnenlandsche beroerten, gedurende de Spaansche regering, heeft echter den handel allengs doen kwijnen; gelijk ook de verleende voorregten aan den koophandel door den tijd verwaarloosd en verminderd zijn geworden. Hierbij kwam nog de nabijheid van Antwerpen, welke stad, al den handel naar zich trekkende, niet alleen, ten opzigte van deze, maar ook van vele andere naburige steden zeer nadeelig geworden is. De aarden-potten- en pannenbakkerij, is nog de voorname tak van handtering, die onder het gemeen uitgeoefend wordt, zijnde er thans nog tien dier fabrijken in werking, Van de aldaar vervaardigde voorwerpen is eene groote verzending naar elders, aangezien men die voor de sterkste en beste soort van aardenwerk houdt. Voorts heeft men te Bergen-op-Zoom ook eenige brouwerijen en zoutkeeten. In het jaar 1839 is te Bergen-op-Zoom de eerste fabrijk van koningsbier opgerigt, door de Heeren Backer en Dirks, waarvan het fabrijkaat bestemd is tot eenen volksdrank, ter vervanging van den jenever.
Het Stadhuis, dat op de groote markt staat, is een ruim en fraai gebouw, hebbende een voorgevel van gehouwen steen. Het heeft van binnen onderscheidene groote en nette vertrekken, onder andere de Witte zaal, waarop alle de afbeeldsels van de voormalige Heeren en Markgraven van Bergen-op-Zoom gevonden worden.
De Kazerne, die omtrent midden in de stad gelegen is, en nog het Markiezenhof genoemd wordt, is een oud en deftig gesticht, van witten arduinsteen, waarop de Markgraven eertijds hun verblijf plagten te houden. Het bevat onderscheidene schoone en ruime vertrekken, en onder liet gebouw zijn de begraafplaatsen der Heeren en Markgraven. Men heeft er drie groote opene plaatsen, waarvan de eene voorheen ter eener zijde een gallerij had, van welke nu kamers zijn gemaakt. De achtkantige, wel 130 treden hooge toren, is van een zonderling maaksel, zijnde het bovenste gedeelte aanmerkelijk wijder in den omtrek dan het benedenste; en met geene spits gedekt. Van de bovenste gallerij heeft men een fraai nitzigt over de stad en de omstreken; maar hetgeen deze kazerne bijzonder bezienswaardig maakt, is het kunstig gemaakt ijzeren traliewerk, dat men er vóór ziet en zoo wel om zijne gedaante als zeldzaamheid opmerking verdient.
De Militaire Ziekenzaal was voorheen een vrouwenklooster van de orde der Reguliere Kanonnikessen van St. Margaretha, dat in het jaar 1461 gesticht werd, door Johan II, Heer van Bergen-op-Zoom, en in het jaar 1577 vernietigd is. Daarna diende het tot een verblijf van den Gouverneur der stad, die door den Markgraaf aangesteld werd, waarom het nog welden naam draagt van Gouvernementshuis. Thans is het nog een fraai gebouw, ofschoon de kapel, de toren en het uurwerk in de belegering van het jaar 1747, geheel zijn vernield geworden.
De voormalige Lakenhal, die de stad den 20. Junij 1599 vergund werd, dient thans tot Militaire Hoofdwacht, en de Vleeschhal wordt tot een Magazijn der Genie gebruikt. De Gevangenpoort is een oud gebouw, waardoor de eigenlijke stad van de haven wordt afgescheiden.
Onder de verdere openbare gebouwen verdienen opmerking: het Groot Arsenaal, gelegen aan den Ham, omgeven met eenen ringmuur, lang 60, breed 18 ell. met twee verdiepingen en zolder, bevattende vele oude en nieuwe wapenrustingen en een groot park voor kogelstapels; het Klein Arsenaal, gelegen tegen den Walgang, lang 34 ell., breed 14 ell., met verdieping en zolder; de Affuitloots, in het hoornwerk Bekaf, lang 47, breed 11 ell., met verdieping; een Groot Bomvrij Kruidmagazijn, in het bastion Hartel, nabij de stallen, lang 37, breed 8 en hoog 6 ell. , voorzien van eenen bliksemafleider, en ruim genoeg, om al het buskruid te bevatten, dat, in tijd van vrede, in de vesting noodig is; het Buskruidmagazijn Dumont, nabij het bastion Edelmogende, lang 12 , breed 6 ell , met verdieping, te zamen hoog 5 ell; het buskruidmagazijn St. Jakobstoren, bij de Waterpoort, aan de keel van bastion Unie, lang 12 , breed 5 ell., voorzien van eenen afleider, doch niet bomvrij; een buskruidmagazijn, in het fort de Waterschans; voorts nog 29 kruidkelders in de poterne der bastions William, Pucelle, Coehoorn, Belvedere, Oranje, Gadeliére, Hartel, Ginkel, Hoogmogende, Edelmogende, Noyelle en in de ravelijnen Antwerpen, Dedem en Stoelemat, benevens zeer belangrijke mijngalerijen en kanonkelders.
De Groote kerk, in het jaar 654 door de H. Geertruida gesticht, en aan haar toegewijd, behoorde, vóór de Hervorming, aan de abdij van Nijvel, mede door de H. Geertruida gesticht, die aldaar gestorven en begraven is. Deze eerste kerk werd echter, door den brand van het jaar 1397, geheel in asch gelegd; waarna er in het jaar 1442, door Jan van Glimes, terzelfder plaatse, een ander kerkgebouw, veel prachtiger dan het vorige, gesticht werd. Dit was een voortreffelijk kunststuk, van gehouwen steen. Het schip der kerk was zeer hoog en steunde op tien groote pilaren, vijf aan iedere zijde. Rondom het schip had men eene verwelfde galerij, die breed was en verscheidene kapellen had. Het koor der kerk, dat overwelfd en dubbel was, en op eenige pilaren rustte, had de gedaante, van een dubbel kruis. Boven den ingang dezer kerk las men van ouds, met gulden letteren: Sancta Gertrudis hujus terrae quondam Domina! Interveni, pro populo tuo! dat is: Heilige Geertruid! Eertijds Vrouwe dezer landen! Bid voor uw volk! Dit opschrift werd echter, reeds kort nadat de kerk bij de Hervormden in gebruik kwam, weggenomen. Men zag ook in deze kerk onderscbeidene aanzienlijke grafstenen, van welke echter eenige, gedurende den Spaanschen oorlog, geschonden en verwoest zijn; onder die, welke men echter later opgerigt had, vinden wij vermeld de praalgraven van het, in de vaderlandsche geschiedenis, om hunne dapperheid geprezen broederpaar, Paulus en Marcelis Bax. De kerk had aan de westzijde eenen zeer fraaijen toren, behalve nog een torentje op het kruis. In het jaar 1412 werd zij tot eene kapittelkerk verheven, staande onder het opzigt van éénen Deken en acht Kanunniken, die daarin de dagelijksche dienst waarnamen: de begeving van hare prebende stond aan de Abdisse van St. Geertruida, te Nyvel. Deze kerk werd in het jaar 1587 aan de Hcrv. Gem. overgegeven, na alvorens drie jaren door soldaten te zijn bewoond. Bij de belegering van het jaar 1622 werd het oostelijke gedeelte van dit fraaije gebouw verwoest, en gedurende de belegering van het jaar 1747, toen de stad, door de bommen en gloeijende kogels der Franschen geteisterd werd, geraakte zij benevens den toren in brand, zoodat beide in minder dan drie uren tijds, ten eenenmaal vernield waren. Eerst was nog het geraamte, nadat al het houtwerk van binnen afgebrand was, staande gebleven , maar in Februarij van het volgende jaar is mede het hoog gewelf, met alle de pilaren, te gelijk ingestort. Uit de liefdegaven, in het jaar 1749, door het geheele land ingezameld is, sedert, op het overgeblevene muurwerk, eene nieuwe kerk met eenen toren gebouwd, die den 18. October 1752 werd ingewijd, maar op verre na niet zoo groot en zwaar als de oude is. En aangezien ook het orgel vernield was, is er in het jaar 1770 een nieuw aangebragt, dat den 10. April 1771 werd ingewijd. De Herv. gemeente, die hier 1400 zielen telt, en tot de klass. van Breda, ring van Bergen-op-Zoom, behoort, werd vroeger door drie Predikanten bediend; doch sedert het jaar 1809 heeft deze gemeente niet meer dan twee leeraars. In het jaar 1587 werd Mr. Jacobus Baselius tot Leeraar in deze gemeente beroepen, en deze is de eerste vaste Predikant geweest, aangezien de gem. vroeger door hulppredikers bediend werd. Onder de later hier gestaan hebbende Predikanten, verdient bijzondere melding Jacobus Baselius, de zoon, die zich, even als zijn vader, door het schrijven van geschiedkundige werken onderscheiden heeft. De Predikanten worden beroepen door een collegium qualificatum, waarbij, behalve de leden des kerkeraads, ook drie leden uit de Stadsregering tegenwoordig zijn.
Reeds in het midden der 16e eeuw was de Evangelisch-Luthersche gemeente te Bergen-op-Zoom zoo talrijk, dat haar onder het bestuur van den Aartshertog Matthias, in 1577 of 1578, eene kapel werd afgestaan tot het oefenen van hunne godsdienst. Later is deze gem., door de onverdraagzaamheid der Hervormden, geheel ten onder geraakt, tot op het laatst der 17e eeuw , wanneer zij grootendeels door te Bergen-op-Zoom in garnizoen liggende militairen, of hunne afstammelingen, die zich aldaar met der woon vestigden, zoodanig was toegenomen, dat Gerardus Sas tot Predikant werd aangesteld. Eenige jaren te voren, eer zij zich in staat zagen eenen Leeraar te onderhouden, stichtten de Ledematen elkander onderling, des Zondags, met lezen, zingen en bidden, en ontboden, om de drie maanden, eenen der Leeraren van Rotterdam, om het H. Avondmaal te bedienen. Na het beroepen van eenen eigen Predikant moest echter de dienst in diens woning verrigt worden, tot dat, in December 1702, op verzoek van den Generaal en Gouverneur Praetorius, een gedeelte der kerk van het voormalige St. Catharina-Gasthuis aan de Evangelisch-Lutherschen werd ingeruimd, welke kerk, van binnen door eenen muur in tweeën gedeeld, voor de helft tot eene Evangelisch-Luthersche kerk, zeer doelmatig ingerigt en van een orgel voorzien is, zoo dat deze gemeente zich in het bezit van een, wel klein, maar net kerkje bevindt. De gemeente, die tot den ring van Rotterdam behoort en 150 zielen telt, wordt door éénen Predikant bediend. De kerkeraad ontvangt hier nominatie van het Amsterdamsen consistorie.
De Waalsche gemeente, die sedert den 12 Julij 1686 hare godsdienstoefening in de andere helft der kerk van het St. Catharina-Gasthuis hield, is sedert het jaar 1828, toen de leeraarsplaats, door het overlijden van den Predikant Dupon de Freïtag, vakant was geworden, met de Nederduitsch-Hervormde vereenigd, wordende thans het voormalige kerkje tot eene Militaire bergplaats gebezigd. De eerste, die in deze gemeente Predikant was, is geweest Johannes Aelstius, die in het jaar 1686 beroepen werd.
De R. K. kerk, aan de westzijde van de Groote markt, is den 25. September 1829 ingewijd en aan Maria Hemelvaart toegeheiligd. De parochie behoort tot het vic. van Breda, dek. van Bergen-op-Zoom, zij telt ruim 5400 zielen, en wordt door eenen Pastoor en twee Kapellanen bediend. Vóór het stichten van deze kerk, hadden de R. K. hier slechts eene kapel, die te klein was, om hunne godsdienst te verrigten.
De Israëhten wier getal hier 150 beloopt, hebben er eene in het jaar 1833 gebouwde en in Augustus van dat jaar ingewijde kerk, die tot de zesde ring van Noord-Braband behoort, en waarin de dienst door eenen Voorlezer verrigt wordt. Vroeger diende het bovenste gedeelte van de Boterwaag tot Synagoge voor de Israëlitische gemeente.
Tot de weldadige gestichten en inrigtingen in Bergen-op-Zoom behooren het Oude-Mannenhuis, voorheen het Proveniershuis , in de Klaverstraat, bewoond wordende door 5 of 6 oude vrouwen, welke hier vrije woning, benevens turf en eenig geld genieten, welke inrigting echter met de thans daar inwonenden zal uitsterven; het Weeshuis, voorheen het Cellebroersklooster, dat den 15 December van het jaar 1597, door Prins Maurits, aan de stad geschonken werd, om het tot het tegenwoordige gebruik in te rigten; het Wees- en Gasthuis, in het Nonnenstraatje, voorheen een vrouwenklooster, later tot een krankzinnigenhuis ingerigt, maar in het jaar 1357 aanmerkelijk verbouwd en tot een Zieken-Gasthuis bestemd is; de Bank van Leening; 9 Zieken - en Begraafnisbussen; en eene Subcommissie der Maatschappij van Weldadigheid.
Reeds in de 16e eeuw was Bergen-op-Zoom in het bezit van eene Latijnsche School, welke in die en de volgende eeuw nog al moet bezocht zijn geworden. Deze school heeft vermoedelijk gestaan op den Scholiersberg, bij verbastering meestal de Schoelieberg geheeten. Later schijnt zij te zijn te niet gegaan , terwijl het onderwijs in de Latijnsche taal door den Leeraar der Evangelisch-Luthersche gemeente werd gegeven, en deze, of overleden of verplaatst zijnde, werd door den Heer Jean de Fontianes, gewezen Predikant bij de Waalsche gemeente te Vlissingen, in het geven van dat onderwijs vervangen. Toen die Heer, in het jaar 1795 of kort daarna, vertrokken was, bevond er zich niemand, die zijne taak op zich nam, tot dat, in het volgende jaar, drie R. K. Geestelijken uit Braband, Del Fontaine, Screpvanger en een ander, wiens naam men niet vermeld vindt, als Rectoren werden aangesteld. Deze weder in het jaar 1803 of 1804 vertrokken zijnde, werden door twee Broeders Van den Broek vervangen, die zich sleclits drie of vier jaren met dit onderwijs bezig hielden en toen mede Bergen-op-Zoom verlieten, waarna de school gesupprimeerd bleef tot in het jaar 1816 , als wanneer de Heer Johan Christiaan Steuërwald tot Rector benoemd, maar hem geen lokaal aangewezen werd, zoo dat hij de leerlingen aan zijn huis moest onderwijzen, even als zulks, bij den tegenwoordigen Rector , nog plaats vindt, zijnde er thans 9 leerlingen, die dit onderwijs genieten.
Voorts heeft men er eene Stads Fransche en Nederduitsche kostschool, 5 lagere Scholen, en een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, dat den 16. Julij 1791 is opgerigt, en thans, behalve de Donateurs, 22 werkende leden telt. Vroeger was aan dit departement ook een Instituut van Teeken- en Bouwkunde verbonden, hetwelk echter voor ongeveer twintig jaren heeft opgehouden te bestaan.
Het heeft Bergen op Zoom ook niet ontbroken aan merkwaardige mannen, die binnen hare muren geboren zijn. Onder deze mag men tellen, de Godgeleerden: Daniel Peters, † in 1534 als Kanunnik regulier te Brussel, en Willebrordus Bosschaerts , † 1657, als Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Tongerloo; de Geneeskundige Justüs Pascasius Turck , Lijfarts der Markgraven van Bergen-op-Zoom, vermoedelijk † in 1587; de Kruidkundige Egidius Evers, † vermoedelijk in 1583 als Geneesheer te Antwerpen; de Geschiedschrijvers: Joannes Baselius, † vermoedelijk in 1603, Marcus Zuerius van Boxhorn , geb. 1613, † 3 October 1653, als Hoogleeraar in de welsprekendheid aan de hoogeschool te Leyden, na onderscheidene, vooral geschied- en oudheidkundige, werken te hebben uitgegeven, Thomas de Rouck, † 1660, en Frederik Nicolaas van Engelen Heer van Nieuw-Strijen, † vermoedelijk in 1790; de Nederduitsche dichter J. Liefes , † vermoedelijk in het jaar 1620 ; de Letterkundigen Johannes de Megen, -† vermoedelijk in 1580, en Joannes Baers, † vermoedelijk in 1630 als Hervormd Predikant te Fijnaart; de Latijnsche dichter Johannes Latomus, † in 1578; de Schilders: Pieter van der Willigen, geb. in 1607; Bartram de Fouchier , geb. 10 Februarij 1609 † in 1674, en Thomas Willebrord Bosschaerts , geb. in 1613 , † in 166o; de Staatsman Mr. PIETER Gerardus van Overstraten , geb. 19 Februarij 1756 , † 22 Augustus 1801, als Gouverneur-Generaal van Neèrlands-Indië, en Luitenant-Generaal der kavallerie; de Zeelieden: Gerrit Verdoorem, geb. 6 Februarij 1757, † 30 October 1824, als Oud Vice-Adiniraal, en Fredrik Hendrik Ampt, geb. 12 November 1793, † 10 October 1837, als Kapitein-Luitenant ter zee, na zich bijzonder bij de omwenteling van het jaar 1813 te hebben onderscheiden; en de Nederduitsehe dichteressen: Barbara de Graauw, weduwe Gordon, † in het jaar 1780, en Adriana van Overstraten, eerst weduwe van den Heer Sebastiaan Rauws, Oud-Kolonel ter zee, laatst weduwe van den Heer Nicolaas van Culenborgh, oud Drosaard, enz., g«b. 11 Julij 1737, † 10 Januarij 1828.
Bergen-op-Zoom heeft veel in den Spaanschen oorlog geleden, want, toen de Landvoogdes, in het jaar 1567, nadat de Markgraaf, Jan van Gunt, niet zonder vermoeden van vergiftigd te zijn, in Spanje overleden was, bezetting in die stad wierp , werd zij door de voornaamste inwoners verlaten, wier huizen alzoo ledig staande, door het ingelegerde krijgsvolk werden ingenomen.
Den 22. Januarij 1573, maakte Lieven Jansz. Keersemaker, Slotvoogd van Zierikzee, van slechts weinige manschappen vergezeld, zich meester van het geschut, waarmede het hoofd te Bergen-op-Zoom gewapend was, en bragt het te Zierikzee binnen.
Nog in datzelfde jaar werd er van de Staatsche zijde eene poging gewaagd om die stad te bemagtigen, maar deze liep vruchteloos af, bij welke gelegenheid Hieronimus de Rollé, Stadvoogd van Veere, met 300 der zijnen sneuvelde.
In het jaar 1577 gelukte het Frederik Rennenot, Baron van Renaix, Heer van Champaigny, beter; deze toch nam haar, aan het hoofd van eenen kleinen hoop volks, schier zonder slag of stoot, voor de Staten, in bezit. En sedert dien tijd heeft zij altijd die zijde gehouden.
Meer dan eens hebben de Spanjaarden gewaagd haar aan te tasten, telkens echter zonder dat zij hun oogmerk bereiken konden. In het jaar 1581, meende de Hertog van Parma haar door verraad te vermeesteren, waartoe hij Jan van Withem, Heer van Borsele, destijds Markgraaf van Bergen-op-Zoom, in zijn belang had weten over te halen; deze toch met eenen sterken haat tegen de onroomschen bezield, had reeds meer dan eens getracht vijandelijk krijgsvolk in de stad te laten , en nam het zeer euvel, dat men, toen de vijand zich van Breda had meester gemaakt, om zulks ook hier voor te komen , met toestemming van den Prins van Oranje, den Kolonel La Garde met eenige Franschen binnen gelaten had. Het ingelaten krijgsvolk, om betaling roepende, en aan het muiten geraakt zijnde, werkte den Markgraaf in de hand, want deze zocht zich daarvan tot zijn oogmerk te bedienen, en, had er geen misverstand plaats gehad, hij zou zijn doel zeker bereikt hebben. Onder andere inwoners, had hij den stadstimmerman, Staes Adriaanse, zekeren pottenbakker Anthony Cornelisz. en den Pastoor Leingritius bewogen, om des nacbts na den 5. December, de valdeur der sluis aan de Beggijnenpoort op te winden. Hierdoor zond hij eenige knechten naar binnen, die last hadden, om de Boschpoort te overweldigen, en hem met het overige krijgsvolk, daardoor ter stad in te laten. Omtrent drie honderd Walen waren reeds, zonder ontdekt te zijn, door de sluis in de stad geraakt; doch hier verklapten zij zich zelven, door het vragen naar den weg, terwijl hnnne leidslieden, kort nadat zij hen ter stad hadden ingelaten, zich uit angst hadden gaan versteken. De bezetting liep te wapen, alsmede vele burgers; de vijand redde zich voor een gedeelte door denzelfden weg, waardoor hij binnengekomen was, een ander deel verdronk in de stadsgrachten. Zij lieten er in het geheel zeventig dooden en honderd gevangenen. Withem, niet wetende hoe hij het had, deed eenen fellen storm op de Boschpoort, doch trok in haast af, toen hij, uit eenige vlugtelingen , vernam, wat er gebeurd was. De Staten verklaarden hem nu openlijk voor hunnen vijand en deden zijne goederen aanslaan.
In het jaar 1582 was zekere Beerewoudt, in plaats van La Garde, Gouverneur van Bergen-op-Zoom geworden. Van dezen trachtte zich de vijand te bedienen, om door list die stad in zijn geweld te krijgen. Zekere Paulus Boroque, een Italiaan, gewezen Gouverneur van Steenbergen, toen binnen Bergen-op-Zoom gevangen zijnde, wist door beloften, Beerewoudt spoedig te winnen en over te halen, om de stad in handen van Parna over te leveren. Om hieraan te voldoen, trachtte Beerewoudt, Kapitein Valkenburg binnen de stad te krijgen; dan deze ontdekte zijne oogmerken te spoedig. Ook werd zijn handel door de gebroeders Bax en anderen, naanwkeurig gadegeslagen. De Staten inmiddels door Valkenburg, omtrent Beerewoudt ingelicht zijnde, ontboden hem tot het doen van verantwoording, doch hij redde zich met de vlugt.
Parma beproefde, in het jaar 1588, nogmaals om zich door verraad meester van Bergen-op-Zoom te maken. Ten dien einde zocht hij eenen Engelschen Luitenant der bezetting om te koopen, om hem de beide schansen, destijds aan den ingang der haven gelegen, over te leveren: maar deze Luitenant maakte den handel aan den Gouverneur van Bergen-op-Zoom bekend, en, veinzende die schansen in handen der Spanjaarden te willen stellen, naderde hij, aan het hoofd van eenen sterken troep vijanden, de stad, na hier, op zijn geroep, binnengelaten te zijn, verliet hij de Spanjaarden, die nu, na 800 man verloren te hebben, de stad ontruimen moesten, waarna Parma, dus bedrogen, zich genoodzaakt zag, het beleg, dat nu zes weken geduurd had, op te breken.
In het jaar 16O5, beproefde de Aartshertog Albert van Oostenrijk, die stad door verrassing te overweldigen , waartoe hij een overgeloopen Franschman Du Terrail gebruikte. Deze trok den 21. Augustus, bij laag water, over het verdronken land, en maakte zich meester van twee sterkten , waarvan de eene de haven beschermde, die met het afloopen van het water droog is. Was hij toen terstond voortgetrokken, de stad ware overmand geweest; maar hij had het op de Waterpoort gemunt, en wierp daar, door middel van zeker vuurwerk (petarde), twee staketsels omver; een ander vuurwerk, door hem aan de poort gehecht, nat geworden zijnde, sprong zonder de vereischte uitwerking te doen, waardoor de aanslag ontdekt werd, en te niet liep, terwijl de vijand, door het wassen van het water, genoodzaakt werd een goed heenkomen te zoeken. Omtrent eene maand daarna, den 20 September, werd de toeleg hervat, doch die van binnen, nu beter kondschap gekregen hebbende, hadden zich in staat gesteld, om den vijand wel te ontvangen. De Spanjaarden overweldigden evenwel twee poorten, en roerden de trom reeds binnen de wallen, toen zij voor de derde poort gestuit, en elders, waar zij van buiten de muren beklommen, met pieken en handboogen, naar omlaag gestooten werden. Men ging hen met schietgeweer, brandende pikkransen, steenen en ander tuig vinnig te keer. Mannen, vrouwen, jongens alles liep te hoop, om de Spanjaarden de stad uit te drijven. De Predikant Pascasius Baars stond zelf, met eene piek in de hand, de overigen aan te moedigen. Eindelijk kregen de burgers de overhand, en de vijand moest met een aanmerkelijk verlies aftrekken, terwijl men in de stad slechts een gering verlies leed.
In het jaar 1622, werd er weder een aanval op Bergen-op-Zoom gewaagd door den Spaanschen Generaal Spinola, die zijn leger, den 18. Julij, voor die vesting nedersloeg. Toen zag men het voordeel, dat de gemeenschap dezer stad met Holland en Zeeland, door middel der Schelde, ingeval van vijandelijken aanval, kan te weeg brengen, want, de vesting werd van die zijde, door Prins Maurits en de Staten, van al het noodige voorzien. Spinola deed wel alle pogingen, om de haven eu de daarbijliggende schansen te verwinnen, waardoor de toevoer zou afgesneden zijn, maar door de goede voorzorg van onze zijde genomen, liep die onderneming geheel vruchteloos af. Nadat dit beleg elf weken onafgebroken was voortgezet, trok Prins Maurits op, om de stad te ontzetten, waardoor Spinola, zich buiten staat bevindende om den Prins het hoofd te bieden, het beleg opbrak en naar Antwerpen aftrok, nadat zijn leger omtrent 12,000 man was verzwakt geworden; terwijl het verlies van de bezetting op omtrent 1200 man begroot werd.
Toen het volk, in het jaar 1633 , in onderscheidene plaatsen er op aandrong, dat men den jongen Prins van Oranje, later als Stadhouder, onder den naam van Willem III, bekend geworden, zoude verheffen tot de waardigheden, door zijne vaderen hier te lande bekleed , toonde inen te Bergen-op-Zoom mede zijne gehechtheid aan het huis van Oranje. De Prinses van Hohenzollern, aan wie het markgraafschap van Bergen-op-Zoom, kort te voren, was afgestaan, had zich laten verluiden, dat zij de wapens van wijlen Willem II. zoude wegnemen en de haren in de plaats stellen. Een Apotheker, Lid der Regering , hierop bewerende, dat zulks zoo vreemd niet was, daar men voorheen de wapens des Konings van Spanje, die Heer van bet Land was, wel had weggenomen, moest lijden, dat het graauw zijne glazen insmeet, en zijnen gebeelen winkel vernielde. De stad weergalmde, hierop van het vivat Oranje! en de Bevelhebber, Heer van Beverweerd, had veel werks , om het volk tot bedaren te brengen.
In het jaar 1672, was er voor Bergen-op-Zoom zoo een goede zorg gedragen, dat de Koning van Frankrijk het niet beproefde deze vesting aan te tasten, hetgeen men als een bijzonder geluk mag beschouwen, dewijl hare overmeestering Zeeland in het uiterste gevaar zoude gebragt hebben.
Mogt de stad Bergen-op-Zoom, tot op het jaar 1747, zich beroemen, dat zij nimmer door belegering ingenomen was, in dat ongelukkig jaar ging die eer voor haar verloren. Den 12. Julij, werd zij door omtrent vijftien of zestien duizend Franschen, onderden Graaf van Löwenthal, berend, die drie dagen naderhand, aanmerkelijk versterkt zijnde, de loopgraven opende, en haar den 20. dier maand begon te beschieten. Hiermede werd, met een geweldig vuur van weerskanten en het springen van vele mijnen, acht weken volhard; gedurende welken tijd, behalve de groote kerk en toren, een vierde gedeelte, zoo wel van de bijzondere als openbare gebouwen der stad, verwoest werd. Dit veroorzaakte zulk eene verslagenheid onder de inwoners, dat de moesten de stad ontvlugtten, en elders eene schuilplaats zochten. Eindelijk, nadat Bergen-op-Zoom een geregeld beleg van 65 dagen doorgestaan had, en de voornaamste werken zeer hevig aangetast waren, werd die vesting den 16. September, 's morgens vroeg, zeer onverwacht bestormd, en, uithoofde van den zwakken wederstand op de wallen en de ongenoegzame verzorging van de sortie Fullenius, stormenderhand ingenomen; hetgeen velen vreemd voorkwam, omdat de stad met eene sterke bezetting en overvloed van voorraad was voorzien, die van alle kanten derwaarts was gezonden; ook kon zij door het leger, dat binnen de linie lag, versterkt worden. De Prins van Hessen-Philipsthal, nevens den Generaal Cromstrom in de stad het bevel voerende, poogde wel den vijand, die reeds tot aan den wal genaderd was, terug te drijven; maar, geen versterking krijgende en wel twee derden van zijn volk verloren hebbende, terwijl hij bovendien zelf zwaar gekwetst was, werd hij te rade, de wijk naar Steenbergen te nemen. Deze belegering is vooral belangrijk, door dat de vesting ingevolge het stelsel van Coehoorn gebouwd was, en dat de Franschen den aanval deden, alsof de stad op de Vaubansche wijze versterkt ware gewenst, waaruit geene geringe voordeelen voor de verdediging voortvloeiden. Zonder de verrassing zoude de vesting nog beter het voordeel bewezen hebben, dat er is gelegen in de wijze, waarop zij versterkt is, en tevens hebben doen zien, dat het Nederlandsche stelsel ook op eenen hoogen grond kan aangewend worden. Toen de stad nu door onze troepen ontruimd was, werd zij, gedurende vier en twintig uren, aan de woede der plunderzieke en toomelooze soldaten overgelaten, die de weinige overgeblevene ingezetenen, zonder onderscheid, naakt uitschuddeden en van alles beroofden, en voorts alles wat zij vonden, verwoestten. Veel buit werd er gemaakt, alzoo de vijand meester werd van de krijgskas en van al hetgeen men in tijds niet had kunnen bergen. De ongelukkige burgers, de ellende niet kunnende verduren, zagen zich genoodzaakt, de eene vroeger, de andere later, de stad en alle hunne bezittingen, in handen der Franschen te laten, tot dat zij eindelijk den 7. December van het volgende jaar 1748, ingevolge de overeenkomst, bij den vredehandel te Aken, door den vijand weder ontruimd werd. Toen kwamen de uitgewekene burgers, van tijd tot tijd, weder in de stad, om bezit van hunne goederen te nemen. Het zou hun echter onmogelijk geweest zijn hunne verwoeste woningen te herstellen, zonder de krachtdadige hulp van Hunne Hoogmogenden, die, om de ingezetenen hiertoe aan te moedigen , den 18. Januarij 1749 vrijdom van verponding verleenden, voor huizen, die geheel verwoest waren, voor twintig jaren; voor woningen, die half verwoest waren, voor tien jaren; en voor gebouwen die aanmerkelijke schade geleden hadden, voor drie jaren; alsmede eenen dergelijken vrijdom van de geestelijke renten. Dan, dit niet genoegzaam zijnde, om de huizen in het algemeen te doen opbouwen, hebben Hunne Hoogmogenden, den 3. Junij 1750, tot dat einde, nog driemaal honderd duizend gulden toegestaan, en over het beheer van dit fonds gesteld drie Commissarissen, als: één van wege het gemeene land, één uit de regering der stad, en een derde uit de gemeente, die de gemelde som, onder goedkeuring van den Raad van State, omsloeg over alle de eigenaaars der verwoeste huizen, naar gelang van ieders behoefte. Hetwelk alles van dat gevolg is geweest, dat men, met het begin van het jaar 1751, ijverig aan het werk ging, om de beschadigde en verwoeste huizen te herstellen en weder op te bouwen, hoewel doorgaans van ligter maaksel, dan de vorigen waren geweest, uit vrees, dat dergelijke rampen, in lijden van oorlog, hunne stad meermalen zouden kunnen treffen.
In het jaar 1794 werd Bergen-op-Zoom door de Franschen omgetrokken, en opende eerst de poorten voor hen, nadat de Staten daartoe last gegeven hadden.
Toen in het begin van December 1813, de Franschen gedwongen waren Brielle, Hellevoetsluis en de Willemstad te verlaten, en daardoor ruimte ter ontscheping van Engelsch krijgsvolk was gemaakt, had de Engelsche Generaal, Sir Thomas Graham zich met eene aanzienlijke magt vóór Bergen-op-Zoom gelegerd, welke vesting sedert den 12. in slaat van beleg was verklaard. De gewone maatregelen voor de belegerde sleden werden hierop genomen, doch niet met die gestrengheid toegepast als wel elders, zoodat, zoo lang de gemeenschap met Autwerpen open was, de burgers vrijelijk uit en in de stad konden gaan en alleen verpligt werden, om 's avonds na elf ure niet anders dan met licht op straat te komen De bezetting werd zoo veel mogelijk met nieuwe aankomende troepen versterkt, maar bragt bij eene wapenschouwing, den 13. Februarij 1814 gehouden, nog geene drie duizend man onder de wapenen; indien men nu daaronder de wachthebbende manschappen en de elders in dienst gestelde militairen voegt, dan mag men aannemen, dat hel garnizoen 4000 weerbare mannen sterk was. Slagtvee en andere levensbehoeften werden uit de naast gelegene gemeenten door dwang aangebragt. Den 17 December 1813 was de stad reeds door cenen Engelschen Oflicier opgeëischt, die met een weigerend antwoord werd terug gezonden. In het begin van Januarij des volgenden jaars werd de stad naauwer ingesloten, de gemeenschap met de nabijgelegene plaatsen steeds meer belemmerd , en de toevoer van benoodigdheden moeijelijker, zoodat welhaast aan sommige behoeften gebrek ontstond , andere niet dan tot zeer hooge prijzen te bekomen waren, en, onder deze laatste, de boter tot zes en twintig, ja dertig, stuivers het pond werd verkocht. Daar de felle vorst de wateren tot bruggen maakte, werden de burgers dagelijks genoodzaakt, het ijs in de stadsgrachten of zelvcn open te hakken, of zulks door anderen op hunne kosten, te laten doen. De gemeenschap met Antwerpen mede gestremd zijnde, begon ook de krijgskas ledig te worden, waardoor de Bevelhebber der vesting zich iu de noodzakelijkheid gebragt zag, om tot eenen gedwongen opbrengst van penningen de toevlugt te nemen, welke in het eerst op eene zeer drukkende en onbillijke wijze, ter somme van 55,000 franken, alleen over drie en dertig burgers werd uitgeschreven, doch naderhand, door eene daartoe benoemde commissie uit de burgerij, met den Maire der stad, meer evenredig, over honderd acht en zestig inwoners, werd verdeeld. In dezen staat bleven de zaken tot den 8. Maart, toen, 's avonds ten tien ure, het lossen van het geschut op de wallen, en het schieten uit klein geweer eenen aanval van de belegeraars aankondigde, waarop dadelijk alarm werd geslagen, de soldaten van de bezetting zich naar hunne loopplaatsen begaven, en geschut op de hoeken der straten geplant werd. Van toen af werd aan niemand der burgers toegelaten op straat te komen, en die zulks waagde, liep gevaar van terstond doodgeschoten te worden , welk lot den zoon van den Maire Vermeulen zelfs binnenshuis trof, terwijl de vrouw van Engelros, die achter de deur van haar huis stond te luisteren, wat er van buiten omging, door eenen snaphaankogel, welke de deur doorboorde, het leven verloor. De felle vorst, die de verdediging van vestingen zoozeer belemmert, de zwakheid der bezetting en de bereidvaardigheid tot hulp van eenige burgers in de stad zelve hadden, op het einde van Januarij, in het Engelsche Hoofdkwartier het denkbeeld doen geboren worden, om de slad bij verrassing te bemagtigen, waarvan de mogelijkheid door twee Nederlandsche Officieren, den op soldij gestelden Kapitein de Bere, en diens schoonzoon, den Kapitein der Genie van Gorkum, ten sterksten beweerd , en de uitvoering zeer ernstig aangeraden werd. Laatstgenoemde door den Commissaris-Generaal van Oorlog, ingevolge eene kabinets-orde van den Souvereinen Vorst der Nederlanden, bevel bekomen hebbende, om zich naar het Hoofdkwartier van den Britschen Opperbevelhebber te begeven, en zich daar naar de bevelen van dezen te gedragen, ontving, dadelijk na zijne aankomst, op de verzekering van de uitvoerlijkheid van het plan, van den Generaal bevel, om in persoon alles naauwkeurig op te nemen, een algemeen plan van aanval op te maken en alle middelen te beproeven om zulk eene onderneming wel te doen gelukken. Voorts opende men verstandhouding met de burgers in de stad, waardoor men meer zekere kennis van de sterkte der bezetting en van de wijze van verdediging bekwam. Het plan van aanval, hierop gebouwd, werd den 7 Maart door den Britschen Opperbevelhebber goedgekeurd, en tevens besloten, dat die aanval werkelijk den volgenden avond, op vier onderscheidene punten gelijktijdig, zou plaats hebben : in dier voege, dat, terwijl de eerste, tweede en vierde kolom zouden trachten den wal te bemagtigen, de derde, door eenen valschen aanval op de Steenbergsche poort, de aandacht des vijands moest aftrekken. De geheele magt, hiertoe bestemd, bedroeg 3950 man; vier of vijf burgers uit de stad hadden zich als gidsen en ter verdere medewerking aangeboden: men voorzag zich van handspaken, touwen, ladders en verdere gereedschappen, die tot den bestemden aanval noodig waren. Deze geschiedde op het bepaalde tijdstip van tien ure 's avonds, met dat gewenscht gevolg, dat twee van de vier kolommen spoedig den wal hadden bereikt, en zich van het ééne bastion na het andere, als mede van een kruidmagazijn en tuijghuis, meester maakten. Dan het ongeluk wilde, dat er geene te zamenwerking der Engelsche kolonnes plaats vond, en dat het moordende lood der vijanden reeds in den beginne voorname officieren, die de aanvallen bestuurden, deed sneuvelen of verwondde, hetwelk, daar alles in den nacht geschiedde, ras verwarring onder het krijgsvolk veroorzaakte; ook begaven zich de troepen veelal in de huizen, hetgeen men altijd als eene onvergeeflijke fout, bij zoodanige ondernemingen, moet beschouwen, liet niet openen der Antwerpsche poort is mede als onverschoonlijk aan te merken, want hierdoor bleven het hoofdkorps van den Generaal Graham, de kavallerie en de artillerie buiten de vesting, en konden alzoo niets tot het gelukken van de onderneming bijdragen. De dappere kolonel Cableton sneuvelde genoegzaam op denzelfden oogenblik, dat de Franschen, die het achtste bastion verdedigden, geen kans meer ziende om het te behouden, reeds hunne geweren begonnen weg te werpen. Het sneuvelen van dien krijgsman, gevoegd bij dat van den Brigadier-Generaal Gore, veranderde hier dadelijk het tooneel: er volgde groote verwarring onder de troepen, over welke zij het bevel hadden gevoerd, en de vijanden, zulks bespeurende, namen terstond de wapenen weder op, en noodzaakten nu hunne partij te wijken. Deze noodlottige omstandigheden veroorzaakten dan ook, dat het Engelsche krijgsvolk, in plaats van zich tot eenen krachtdadigen tegenweer te vereenigen, en de bezetting van binnen weerloos te maken, de noodige gemeenschap met elkander kwijt raakten, waardoor zelfs een gedeelte, van de overige afgesneden zijnde, genoodzaakt werd zich over te geven. Op het voorstel van een Kolonel (waarschijnlijk de kolonel der genie Le Grand), staakten de troepen der bezetting de afzonderlijke en verdeelde aanvallen; zij vereenigden zich op één punt en deden in 3 massa's eenen algemeenen en te zamenwerkenden aanval; het gevecht, dat nagenoeg tien uren geduurd had, kreeg daardoor eene beslissende wending, zoodat de Engelschcn de wallen ontruimden, en zich naar buiten begaven , doch door den opkomenden vloed geen heenkomen meer kunnende vinden, genoodzaakt waren de wapenen neder te leggen. Het Engelsche regement van de garde, dat steeds de haven bezet hield, moest zich later mede gevangen geven. Groot was het verlies van manschappen aan beide zijden. Het Engelsche bcrigt begroot zelf het getal der hunnen op drie honderd doden en omtrent 800 gevangenen. Elf van hunne officieren waren gesneuveld, drie en zeventig gekwetst en tien vermist. De bovengemelde Kapitein De Bere was zwaar gewond zijnde, iu de drooge gracht nedergevallen, waar hij den volgenden morgen door de Franschen werd gevonden , en nog verder wreedaardig gewond, aan welke wonden hij eenige dagen daarna overleed, nadat hij echter, op voorspraak van den Engelschen Generaal Graham, aan zijne betrekkingen was teruggegeven. Zoo ongelukkig eindigde deze stoute en aanvankelijk, naar het schijnt, wel beraamde onderneming, die den inwoneren van Bergen-op-Zoom nutteloos groote gevaren en doodelijke angsten heeft doen lijden, en, hetgeen nog erger is, hun nog daarenboven de beschuldiging op den hals heeft gehaald, dat zij niet alleen de Engelschen, die hen kwamen verlossen, niet bijgestaan, maar dezen zelfs veeleer tegengewerkt, en met de Franschen geheuld hebben: welke beschuldiging nogtans van allen grond ontbloot is, daar uit het bovenverhaalde, genoegzaam blijkt, dat de mogelijkheid, om te helpen hun geheel benomen was, terwijl daarenboven de ijver van eenigc burgers, die vrijwillig en met levensgevaar hunne diensten als gidsen aangeboden en bewezen hebben, ten duidelijkste doet zien, dat het in het algemeen niet aan goeden wil, maar aan gelegenheid om te helpen, gehaperd heeft. Het duurde nog eenen geruimen tijd na deze mislukte poging der Engelschen, eer de burgerij zich met goede hoop op verlossing mogt vleijen. Den 15. April verscheen een bode van Antwerpen voor de Boscbpoort, tijding brengende aan den Opperbevelhebber der vesting, van de groote verandering, die in het laatst der voorgaande, en in het begin van die maand , met den Franschen Keizer en zijne heerschappij, was voorgevallen, en van de nieuwe orde van zaken, die daarvan het gevolg was geweest: welke tijding weldra den toestand der inwoners van Bergen-op-Zoom hierin verbeterde, dat zij weder vrijheid bekwamen, om uit en in de stad te gaan waartoe hun de gelegenheid te voren, voornamelijk na den mislukten aanslag der Engelschen, benomen was geweest. Ook werd reeds den 24. door de Fransche bezetting de witte kokarde opgezet, en de driekleurige vlag, die van den toren waaide, door eene witte vervangen. Vruchteloos echter was de poging der belegeraars, vier dagen later, om den bevelvoerenden Generaal Bizanet tot overgave der vesting te bewegen; daar besef van pligt hem terughield van hiertoe te besluiten, voor en aleer hij uitdrukkelijk bevel van zijnen nieuwen Souverein zou hebben ontvangen. Dit bevel kwam den 5. Mei, en dienzelfdeu dag trok een detachement Nederlandsche huzaren en artillerie, een bataillon Nassausche jagers en het 14de bataillon landmilitie, onder bevel van den Baron von Kruze, binnen de stad waarna zij den volgenden dag, in naam van den Souvereinen Vorst van Nederland, door den Gouverneur van Noord-Braband C. G. Hultman, op de plegtigste wijze, in bezit genomen, en in diens handen, door den Raad en de stedelijke ambtenaren, de eed van getrouwheid. aan den Vorst werd afgelegd. Aldus geraakte Bergen-op-Zoom weder onder het wettig bestuur van Nederland, waaronder zij tot dus verre gebleven is.
Den 29. Maart 1831 onderging deze stad een verschrikkelijk ongeluk, door het in de lucht springen van het laboratorium, genaamd Stoelemat, waarbij eene menigte huizen vernield werden en onderscheidene menschen het leven verloren. Na deze ramp heeft Bergen-op-Zoom echter een veel beter aanzien gekregen, doordien sedert de meeste huizen in het beste gedeelte der stad en ook elders, bij het herstellen aanmerkelijk verfraaid zijn.
Er worden te Bergen-op-Zoom twee jaarmarkten gehouden, als: de voorjaarsmarkt in de derde week na Paschen, en de najaarsmarkt den derden Donderdag na Allerheiligen.
Het wapen der stad Bergen-op-Zoom is hetzelfde, als dat van het voormalige markgraafschap. Zie hiervoor bl. 296.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Bergen op Zoom