Baarle of Baerle, bij de landlieden veelal Baal geheeten, voorm. d. en regtsgebied in de Baronnij van Breda, dat na den Munsterschen vrede van het jaar 1648, gedeeltelijk tot de Republiek der Vereenigde Nederlanden, en gedeeltelijk tot de Spaansche Nederlanden behoorde, en diensvolgens in twee regtsgebieden gescheiden was, waarvan het eerstgemelde en grootste gedeelte, Baarle-Nassau, thans eene gem. van de prov. Noord-Braband uitmaakt, en alzoo hieronder op art. Baarle-Nassau zal behandeld worden, zullende wij hier dus alleen vermelden, hetgeen op beide regtsgebieden toepasselijk is.
Het d. Baarle ligt zeer hoog, zijnde de grond, waarop het gebouwd is, bijna 27 ellen boven A. P. verheven. Het is eene zeer oude plaats, die reeds in de 10de eeuw bekend was, wordende destijds vermeld in den stichtbrief van Thoor, van het jaar 992, waarbij Hilgondis, Gravin van Strijen, dit, met het altaar, ter eere van den H. Remigensis gesticht, aan het Convent van Thoor schonk. Ook bestaat er een oude brief, van het jaar 1026, waarbij zekere Evenboldus zijn aloud vrijgoed in Baarle gaf aan de abdij van St. Pieter te Gent, alwaar de H. Amelberge begraven ligt.
De abdis van Thoor had hier eene regtbank of laathof. Tot dit hof behoorden alle de goederen gelegen te Chaam, Alphen, Goirle, Welde, Merxplas en binnen Baarle-Nassau en Baarle-Hertog, die in den gezegden hove cijns of rogpacht gaven. Deze vierschaar, die tot in het jaar 1795 schijnt bestaan te hebben, bestond uit eenen Meijer en zeven Schepenen of Laeten, van welke er vier moesten wonen te Baarli, een te Welde, een te Goirle en een te Merxplas. Deze hielden te Baarle tweemaal 's jaars hun geregt of zitting, op Dingsdag na Beloken Paschen en daags na St. Denisdag. Zij trokken geene wedden of jaargelden, maar werden op de gemelde geregten, ten koste van de Abdis en het kapittel, heerlijk onthaald.
In 1668 kwamen Baarle-Nassau en Baarle-Hertog weder onder éénen Heer, na het afsterven van vrouwe Amalia van Solms, wed. Van Frederik Henderik, Prins van Oranje, die, als vrouw van Turnhout, waaronder Baarle-Hertog behoorde, dit goed naliet aan haren kleinzoon Willem II, die, als Heer van Breda, reeds in het bezit van Baarle-Nassau was.
De R. K. kerk, een aanzienlijk gebouw, met eenen zeer hoogen toren, is aan den H. Remigius toegewijd. Zij staat op den grond van Baarle-Hertog, maar dient ook voor de statie van Baarle-Nassau.
Den 11 Mei 1694 geraakte de ioren der kerk te Baarle op vier plaatsen door den bliksem in brand, maar werd kloekmoedig gered en behouden door zekeren Matthijs Verstijl, die daarvoor van de Wethouderen van Baarle-Nassau eenen zilveren beker ten geschenke ontving.
Baarle heeft den oorsprong gegeven aan een zeer oud geslacht, dat reeds in de dertiende eeuw bekend staat. Onder andere vindt men, dat Hendrik van Baarle, in liet jaar 1213, mede onderteekend heeft den brief, waarbij Hillegond de Borne, Abdis van Thoor, aan Godevaart IV, Heer van Breda, eene rente van vijf Keulsche marken, uitgaande op haar Hof te Baarle, verkocht. Dit dorp is ook de geboorteplaats van den Luikschen Inquisiteur Johannes van Baarle, † 1689, die misschien wel van dit adellijk geslacht afstamde. uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Baarle