Alphen oudtijds Alfheim, d. in de Baronie van Breda, prov. Noord-Braband, arr. en ruim 4 u. Z. O. van Breda, kant. 3½ u. Z.O. ten O. van Ginneken, distr. en 4½ u. Z. O. ten Z. van Prinsenhage, gem. Alphen-en-Riel 1 u. N. van Baarle-Nassau en even zoo ver van de Belgische grenzen.
Dit dorp is zeer oud, want in 711 vindt men daarvan reeds gewag gemaakt, gevende Engelbrecht, een Saalfrankisch edelman, op den 20 Junij van dat jaar, Alfheim aan den H. Willebrordus, die het in 726 bij uitersten wille aan de abdij van Echternach maakte, door welke het, na verloop van 4½ eeuw, onder eenen jaarlijkschen cijns. Over gegeven werd aan het klooster van Tongerloo. Naderhand is Alphen gekomen aan de Heeren van Breda; want Godevaart II, Heer van Breda, gaf in het jaar 1216 de Hoeve van Nieuw1andt, die tot Alphen behoorde, aan het klooster van Tongerloo. En Arnout van Loven benevens Elizabeth, zijne huisvrouw, Heer en Vrouw, van Breda, schonken aan hetzelfde klooster ten tijde van Jan van Berlaer, dertienden Abt, ten jare 1280, zestig bunderen in bosschen en woestijnen, gelegen tusschen de hoeve van Nieuwlandt en het bosch der Tempelheeren. Onderscheidene jongere zonen der Heeren van Breda, hebben zich voorheen den titel van Heeren van Alphen aangematigd. Onder anderen vindt men in het jaar 1229, Gillis van Breda, als Heer van Alphen vermeld. Deze liet na Isentrudis, vrouwe van Alphen, eerst gehuwd met Gillis van Oudenaerde en na diens dood met Godevaart van Wesemale. Vervolgens heeft Filips van Liedekerke, zoon van Raso van Gaveren, Heer van Liedekerke en Breda, den naam gevoerd van Heer van Ulvenhout en Alphen en als zoodanig aan den Abt en het konvent van Tongerloo, tot eene aalmoes, kwijtgescholden eene rent van eenen wagen broods, die het gemelde klooster, uithoofde van zijne landen, aan den Heer van Alphen, als hij verpligt was ter heirvaart te trekken, schuldig was uit te reiken. Na zijns broeders Raso’s afsterven, Heer van Breda geworden zijnde, gaf gezegde Filips die heerlijkheden over aan zijnen jongsten broeder Raso, die zich mede daarnaar heeft doen noemen. In het jaar 1334 werd deze heerlijkheid — welke den 14 Februarij 1326, door Gerard, Heer van Rassegem, als, door zijn huwelijk met Aleidis, Heer Filips dochter, Heer van het Land van Breda geworden zijnde, met geheel dat land aan Jan III, Hertog van Braband,verkocht was — doordien Hertog verpand aan Raso Heer van Liedekerke, maar in het jaar 1342 weder overgegeven aan Heer Willem van Duvenvoord, die haar in handen gaf van Jan van Polanen, Heer van de Leck, door wien dit dorp weder aan het Land van Breda gehecht werd, waaraan het sedert onafscheidelijk gebleven is.
Alphen heeft niet weinig deel gehad aan de ongelukken des tijds, want in het jaar 1343 werd het van de Gelderschen, aangevoerd door Maarten van Rossem, geheel afgebrand en in de volgende oorlogen heeft het, door plundering, brandschatting en verwoesting veel moeten lijden.
De kerk, die, bij hare stichting, toegewijd was aan den H. Willibrord en door eenen afgezondene uit het klooster van Tongerloo bediend werd, is na de Reformatie aan de Hervormden gekomen, die haar, in het begin dezer eeuw, weder hebben afgestaan aan de R. K. De statie van Alphen, die 1200 zielen telt, behoort tot het vik. van Breda of het Hollandsch gedeelte van het voormalig bisdom van Antwerpen, en het dek. van Breda, en wordt door eenen Pastoor en eenen Kapellaan bediend. Omtrent de pastorij te Alphen, in de heide, zijn, voor omstreeks 50 jaren, kleine heuveltjes opgegraven, waarin men lijkbussen van Romeinsche Veldheeren met assche gevuld gevonden heeft. Deze zijn destijds naar de Abdij van Tongerloo, op wier grondgebied die heuveltjes gelegen zijn, overgebragt.
Toen hier eene Herv. gem. gevestigd werd, was de eerste Predikant Johannes Dabel, die in 1633 herwaarts kwam. In 1809 werd deze gem. gecombinieerd met die van Chaam-en-Baarle-Nassau, zoodat de enkele Herv. die hier thans nog woont, gerekend wordt tot de gem. Chaam-Baarle-Nassau-en-Alphen. Men heeft er 55 h. en 530 inw., die meestal landbouw hun bestaan vinden.
Het wapen van Alphen bestaat in een schild van lazuur (blaauw) beladen met drie rotsen van goud, staande twee en een, het schild gedekt met eene kroon van goud en vijf fleurons van dezelfde kleur.

uit het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839 en volgende jaren
Terug naar beschrijving van Alphen